Luitenant-kolonel bd. Arie Rens
De adder: vanwege de stationering op de Veluwe is gekozen voor een dier dat in dit gebied voorkomt: de adder. Dit dier beantwoort goed aan de karaktertrekken en taakstelling van de verkenner.Het dier is goed gecamoufleerd, kan zwemmen en onttrekt zich aan de vijand. Echter eenmaal gedwongen tot het gevecht, slaat hij dodelijk toe om zich daarna weer terug te trekken.
In het onderste deel van het embleem zijn een aantal kleuren verwerkt:
Zilver: de Cavalerie uitmonsteringskleur
Zwart: de kleur van onze baret
Blauw: de kleur van de verkenners binnen de NL cavalerie
Geel: de internationale verkennerskleur
In overeenstemming met de karaktereigenschappen van de adder is de volgende wapenspreuk gevonden:
NE ME INCURRE oftewel: KOM MIJ NIET TE NA
Ontwerp: door toenmalig wachtmeester Henc Elsman, A-eskadron
In 1983 werd begonnen met de realisatie van het project tankvervanging en daaraan gekoppeld de ingrijpende reorganisatie van de tank- en verkenningseenheden. Uit de organisatie verdwenen de Centurion, de Leopard I en de AMX-13. In plaats daarvan kwamen de Leopard II en de Leopard I-V.
De zes tankbataljons van de drie pantserbrigades kregen 52 tanks. Drie eskadrons met vier peloton van vier tanks en een staftank. Ook de bataljonscommandant had een tank. Daarvan werden 41 en 43 Tankbataljon in Bergen-Hohne en Langemanshof geheel paraat. 11 Tankbataljon Leopard-1V in Oirschot had een eskadron KV (klein verlof).
De andere zes tankbataljons van de zes pantserinfanteriebrigades kregen elk 61 tanks, twee eskadron met vier pelotons met vier tanks en een staftank. En twee eskadrons met drie pelotons met vier tanks en een staftank. Ook deze bataljons hadden een tank voor de bataljonscommandant. Hiervan waren 59 en 101 Tankbataljon in ’t Harde en Soesterberg met twee eskadrons paraat, een eskadron KV en een eskadron mobilisabel.
Bij de verkenningseenheden werden de zelfstandige verkenningseskadrons (ZVE) van de brigades, vijf paraat en vier mobilisabel, gereduceerd tot zes brigade verkenningspelotons (BVP) paraat en drie mobilisabel. Ook 53 Licht Verkenningsbataljon en 32 Licht Verkenningseskadron werden opgeheven. Ten behoeve van het Nationaal Territoriaal Commando bevonden zich nu nog vier gemotoriseerde verkenningseenheden in de organisatie, namelijk 301, 302, 303 en 304 Licht Verkenningseskadron.
Met het vrijgekomen materieel werden naast 102 Verkenningsbataljon (Leopard I-V, mobilisabel) en 103 Verkenningsbataljon (Leopard II, paraat in Seedorf), ook nog 104 Verkenningsbataljon (Leopard I-V, paraat in Nunspeet) en 105 Verkenningsbataljon (Leopard II, mobilisabel) opgericht. Beide parate bataljons met één eskadron KV. De overweging om alle eenheden gelegerd in Duitsland uit te rusten met hetzelfde type tank, leidde ertoe dat 103 en 105 Verkenningsbataljon allebei werden uitgerust met de Leopard II.
De toenmalige voorzitter van de Wapen Traditie Raad Cavalerie (WTRC), brigade-generaal R.P. Hoondert, had de bevelhebber van de Landmacht geadviseerd om het in 1975 mobilisabel gestelde 102 Verkenningsbataljon te reactiveren. Dit bataljon had een levendige traditie weten vast te houden en had aanzienlijke bezittingen. Hij vond echter een verbeten tegenstander op zijn weg, de chef staf van het 1e (NLD) Legerkorps. Diens wens was om het nieuw te formeren 104 Verkenningsbataljon paraat te stellen, zodat er twee parate en één mobilisabel verkenningsbataljon zou zijn. Uiteindelijk trok de chef-staf aan het langste eind. Overigens was dat ook een cavalerist, namelijk diezelfde brigade-generaal R.P. Hoondert.
De officiële oprichtingsdatum van 104 Verkenningsbataljon werd vastgesteld op 1 november 1983, de dag na binnenkomst van het A-eskadron. Reeds ver voor deze datum was al veel werk verzet door de eskadronscommandant van 42 ZVE, majoor Cossee en zijn staf. Dit ZVE was namelijk al op de Winkelman kazerne in Nunspeet gelegerd. Om aaneengesloten legerings- en garageruimten in de Generaal Winkelman kazerne te krijgen voor het bataljon, moesten enkele kleine eenheden en organisatie ruimte maken of het veld ruimen. Vanaf augustus was de bevoorradingsgroep van 42 ZVE al druk bezig met het in ontvangst nemen van het materiaal van het nieuwe bataljon. Dit materieel was met uitzondering van de tanks, hoofdzakelijk afkomstig van de opgeheven Zelfstandige Verkennings Eskadron (ZVE). Het Staf, Staf- en verzorgingseskadron (SSV-Esk) was op 1 november al op 70% van de organieke sterkte. De steun van de Divisie hield in de praktijk niet zoveel in. Er werd
door de oprichtingsstaf voornamelijk zaken gedaan met de Directie Materieel van de Koninklijke Landmacht in Den Haag en het Nationaal Territoriaal Commando in Gouda. De Divisie had wel zijn nut bij het corrigeren van de snel gemaakte Vaste Order van het bataljon. Die kwam helemaal ‘rood’ terug. Maar toen al deze wijzigingen waren aangebracht, zagen de sectiehoofden van de Divisie bij de eerste commandanten-inspectie (CI) hun eigen werk terug en dat werd beloond.
De bevelvoering bij 104 Verkenningsbataljon gebeurde in de eerste maanden nog zeer democratisch. De staf bestond uit een verzameling van oud ZVE-commandanten en hun oudere onderofficieren. Iedereen had overal verstand van en was geneigd zich te bemoeien met andermans werkterrein in de vorm van goede raadgevingen. Zo duurde het ook even voordat het iedereen duidelijk was hoe de post en het archief werkte op bataljonsniveau. Niet meer ondertekend met je eigen naam, maar altijd ‘namens’. Luitenant-kolonel J.J.M. Baudoin zou de eerste bataljonscommandant worden. Deze ervaren verkenner had eerder al het commando over 101 Tankbataljon gevoerd. De Directeur Personeel besliste echter toch ander en met ingang van 1 februari 1984 werd luitenant-kolonel K. Kraak formeel de eerste bataljonscommandant van 104 Verkenningsbataljon. Plaatsvervangend bataljonscommandant werd majoor Cossee van 1 november tot 1 februari tijdelijke het commando mocht waarnemen. Dit alles belette mevrouw Baudoin niet om, naar een ontwerp van majoor R.J. Nix, eigenhandig een vlag en een fanion voor het bataljon te vervaardigen. De daarop afgebeelde ‘adders’ komen voor op de Veluwe en waren nog niet geclaimd door een andere eenheid. De symboliek was: goed gecamoufleerd, amfibisch, onttrekt zich aan de vijand, doch eenmaal gedwongen tot het gevecht slaat hij dodelijk toe en trekt zich daarna weer terug.
Op 27 februari 1984 kwam het B-eskadron binnen en was het bataljon op vredessterkte. Ruim een jaar na de oprichting werd het bataljon, vanwege inzet, het enthousiasme en de kwaliteit van het geleverde werk, uitgeroepen tot meest verdienstelijke onderdeel van de 1e Divisie ‘7 December’. Generaal-majoor U. Kits reikte op 11 januari 1985, voor het front van het bataljon, het divisiefanion uit aan luitenant-kolonel Kraak. Eveneens voor het front van het bataljon, aangevuld met een detachement van 103 Verkenningsbataljon, droeg op 18 juni luitenant-kolonel P.H. Hoevenaars de Standaard van het Regiment Huzaren van Boreel over aan de nieuwe regimentscommandant C.A. Kuypers.
In maart 1985 nam het A-eskadron als onderdeel van 103 Verkenningsbataljon deel aan de oefening “Klaver(t)-Jas’ van de 4e Divisie, een prima ervaring. In juni 1985 ontving het bataljon de eerste zes Leopard 1-V en in september werd daarmee voor het eerst geschoten. In oktober hield de 1e Divisie ‘7 December’ een grote oefening ‘Firm-Riposte’. In een speciaal op 104 Verkenningsbataljon toegesneden onderdeel van deze oefening (‘Recce-Riposte’) liet het bataljon zich dat het snel en effectief kon reageren op vijandelijke luchtmobiele acties. Na de schietserie 1987-3, waarbij het bataljon voor het eerst gebruik maakte van de nieuwe legeringsgebouwen van het kamp Hörsten, werd in Holstein voor beide eskadrons de bataljonsgeleidde eskadrons oefening ‘Trage-Stor’ gehouden. Op de zondagochtend voordat de oefening begon werd een groot aantal plaatselijke autoriteiten ontvangen op de commandopost voor een traditioneel ‘Frühschoppen’. Het was een unieke oefening, zonder bemoeienis van buitenaf. Voorafgaande aan de legerkorpsoefening ‘Free- Lion’ verplaatste het gehele bataljon zich in veertien uur over de weg van Nunspeet naar Nienburg a/d Weser, waar het A-eskadron van 103 Verkenningsbataljon voor de duur van de oefening zich als derde verkenningseskadron bij 104 Verkenningsbataljon voegde.
In 1989 verdween de mortier 4.2 inch uit de organisatie en daarmee ook de M106 die ingedeeld was bij de verkenningseskdrons. Het bataljon was voor de vuursteun voortaan uitsluitend aangewezen op de veldartillerie, tenzij infanterie bereid was haar mortieren uit te lenen. Bij terugkeer van de schietserie 1990-1 bleek de Generaal Winkelmankazerne te zijn getroffen door een zware storm. De tankloods was totaal vernield en de Volkswagen Combi van het bataljon was geplet door een omgewaaide boom. Ook de volgende maand was het weer de spelbreker. De bataljonsstaf zou de
hulpleidersorganisatie leveren voor 103 Verkenningsbataljon bij de oefening ‘Twin-Rider’ in Sleswig- Holstein en het A-eskadron zou hierbij optreden als C-eskadron van 103 Verkenningsbataljon. De oefening werd echter op het laatste moment afgelast vanwege de zeer slecht weersomstandigheden en de daardoor te verwachten schade. Gelukkig kwam het bataljon weer helemaal aan zijn trekken bij de oefening ‘Adder-Au’ in de omgeving van Uelzen.
In juni 1990 kregen de M113 voertuigen een ‘bouten-probleem’ en werd er een rijverbod aan deze pantservoertuigen opgelegd. Daarbij kwam ook nog eens de Open Dag KL in de Generaal Winkelman- kazerne, waardoor alle voertuigen die niet deelnamen aan de aan demonstratie op die Open Dag op de kazerne in ’t Harde moesten worden geparkeerd. Voor het A-eskadron, dat vlak voor het afzwaaien nog even de puntjes op de voertuig-i moest zetten, was dat niet echt handig. Vooruitlopend op de reorganisatie had het B-eskadron een echt tankpeloton geformeerd, zodat het mocht deelnemen aan de Bergen-Op-Zoom wedstrijd (BOZ trofee). Het peloton eindigde als beste Leopard 1-V peloton, met name door de goede resultaten bij de ‘battle-run’ en bij de materieelherkenning. Mede hierdoor kan luitenant-kolonel A.H. Wolters uit handen van generaal- majoor J.J.J.M.M. Vos (ook wel: J3M2 genoemd), het divisiefanion in ontvangst nemen. Het najaar van 1991 stond, naast de gebruikelijke oefeningen, in het teken van de omscholing op de Leopard II en de YPR 765 pri.
Op 12 januari 1993 werd al het beroepspersoneel van het bataljon met autobussen vervoerd naar Schaarsbergen om daar uit de mond van de commandant van de 1e Divisie ‘7 December’ te horen welk lot het bataljon was beschoren als gevolg van de zogenaamde Prioriteitennota. Het kwam hard aan: het bataljon zou eind 1995 worden opgeheven. Op 31 maart kreeg het bataljon als eerste parate eenheid de Leopard II Bergingstank ‘Buffel’. Het Leopard 1 tijdperk was hiermee definitief afgesloten. De door 41 Lichte Brigade geleide oefening ‘Light-Viper’ stond, evenals die in het voorgaande jaar van 103 Verkenningsbataljon, in het teken van het ‘Mobile Counter Concentration Defence Concept’. Bijzonder was de samenstelling van het bataljon. Het was namelijk voor deze oefening versterkt met een eskadron van 103 Verkenningsbataljon, een Duitse ‘Schwere Aufklärungs Kompanie’ en een groep Engelse antitank helikopters.
Op 5 november 1993 werd de 10e verjaardag van het bataljon gevierd met een zeer grote reünie. De 2500 reünisten waren niet alleen afkomstig van 104 Verkenningsbataljon, maar ook van de opgeheven Zelfstandige Verkennings Eskadrons waaruit het bataljon was voortgekomen, van de drie gelijknamige Indië-eskadrons en van ‘dochter’ 102 Verkenningsbataljon. Het was een prachtige herfstdag. Op 2 december om 11.30 trad het bataljon uit de slagorde van 41e Lichte Brigade. Het mobilisabele 105e Verkenningsbataljon nam daar zijn plaats in. Brigade-generaal Reitsma loofde het bataljon voor de uitstekende verrichtingen in de korte tijd dat het bataljon in de oorlogssterkte van de brigade was opgenomen. Om 15.00 uur stond het bataljon weer aangetreden en droeg luitenant- kolonel K.C. Schouwstra het commando over aan luitenant-kolonel drs. R.E. de Pruyssenaere de la Woesteyne. Deze mocht achttien dagen later reeds het divisiefanion in ontvangst nemen. Dat was de derde keer in het tienjarig bestaan van het bataljon dat het werd aangemerkt als meest verdienstelijke eenheid van de divisie.
Het nieuwe jaar begon met een stille periode bij het B-eskadron. Sinds de laatste diensttijdverkorting lag er steeds drie maanden tussen het afzwaaien van de oude lichting en het instromen van de nieuwe lichting. Op 5 april zou de laatste lichting voor dat eskadron binnenkomen. Tijdens de schietserie van 9 tot 18 februari 1994 werd bekend dat het bataljon reeds in februari 1995 vervroegd zou worden opgeheven. Het B-eskadron was nog maar nauwelijks binnen of het oefende al in Leopoldsburg met het zusterregiment van RHB, 1e Jagers te Paard. Eind april begon de laatste stille periode bij het A-eskadron. Die duurde tot 8 augustus, toen de allerlaatste lichting bij het eskadron binnenkwam. Op 22 september vond de opheffingsceremonie van het B-eskadron plaats.
De laatste tactische oefening van het bataljon speelde in Noord-Brabant en Limburg en heette toepasselijk ‘Viper-Farewell’. Het Regiment 1e Jagers te Paard trad op als vijand. Dat het bataljon zo vlak voor de opheffing nog niet was uitgeblust, bewees een verkenningspeloton van het A-eskadron. Tijdens de schietserie in december legde het peloton beslag op de eerste plaats bij de legerkorpsvaardigheidstest. Het spectaculaire slotstuk van het A-eskadron, ondersteund door gevechtshelikopters, veldartillerie en luchtdoelartillerie op baan 9, ging vanwege dichte mist niet door.
Op 12 januari 1995 werd het bataljon opgeheven. Tot 1 maart 1995 leidde het nog een administratief bestaan.
