1806 – 1810 . 2RH van het Koninkrijk Holland

Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen | 2e versie [13-03-2026]

Het 2e Regiment Huzaren van het Koninkrijk Holland

Jean Louis Van Hemelryck; Nederlandse huzaar 1815 / Hussard Troupe Belge 1815

In juni 1806 werd Schimmelpenninck onder Franse druk als staatshoofd ter zijde geschoven. De broer van keizer Napoleon, Lodewijk Napoleon, 28 jaar oud, nam zijn plaats in en werd Koning van Holland. Op 18 juni 1806 kwam hij om half negen ’s avonds in Den Haag aan. Hij kreeg een waardige ontvangst. De vlaggen hingen uit, ontvangstcomité stonden opgesteld en langs de route stonden duizenden soldaten opgesteld. De koets van de nieuwe koning werd geëscorteerd door een erewacht van de Hollandse gardedragonders en gardehuzaren onder leiding van generaal J.A. de Collaert.1

Zo werd uit de Bataafse Republiek het Koninkrijk Holland geboren. De ontwikkeling van een nogal losse unie, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, tot een moderne eenheidsstaat was voltooid. Ook het leger was van karakter veranderd. Bestond het Staatse leger nog hoofdzakelijk uit buitenlandse detachementen, nu was het aantal Hollanders gegroeid tot de helft. De andere helft bestond hoofdzakelijk uit Duitsers. Dat kwam ook doordat de vele veldtochten in Duitsland en meer nog gedurende de bijna drie jaar dat het Hollandse leger als bezettingsmacht in Duitsland lag, veel ter plaatse vrijwilligers werden geworven. Het liefst had men boerenzonen uit Mecklenburg. Dat waren immers prima huzaren. Die sprake bovendien hetzelfde dialect als in Groningen werd gesproken. Er was in Mecklenburg een vast wervingsbureau voor het Hollandse leger. Ook nam men vaak krijgsgevangenen aan. Desertie kwam hierdoor nog vaak voor. Koning Lodewijk bleef weigeren om de dienstplicht in te voeren, ondanks toenemende druk van zijn broer de Keizer, die zijn leger gevuld wilde zien. Hoewel de organieke sterkte van het Hollandse leger ongeveer 32.000 man was, is de werkelijke sterkte daardoor zelden boven de 20.000 man uitgekomen. De meeste vrijwilligers kwamen uit de, door het Continentale Stelsel noodlijdende, textielindustrie. 

Het Hollandse leger had een slechte reputatie. Dit was niet zozeer te wijten aan de gebrekkige training of het lager moreel van de troepen, maar eerder aan de lage sociale positie van de militair. Het gros van de soldaten was afkomstig uit de laagste sociale klassen en het soldatenleven was beslist geen financiële vetpot. Wervers ondervonden hierdoor de grootst mogelijke problemen bij het vinden van geschikte rekruten. Daar kwam nog bij dat het leger in Holland van oudsher last had van concurrentie van de marine en de koloniën. Werken aan boord van een koopvaardij- of marineschip was voor veel jongemannen aantrekkelijker dan het armoedige en gevaarlijke soldatenleven.2

Reorganisatie

De gehele cavalerie werd gereorganiseerd. Het nummers ‘1’ was voortaan voorbehouden aan de door Schimmelpenninck opgericht garde, die door Lodewijk Napoleon sterk werd uitgebreid. Het Regiment Grenadiers te Paard werd 1e Regiment Kurassiers (1RK) en het Regiment Huzaren van de Garde werd het 1e Regiment Huzaren (1RH). Het bestaande Regiment Huzaren, één van de stamregimenten van Regiment Huzaren van Boreel, werd 2e Regiment Huzaren (2RH). Het 1e Regiment Dragonders werd het 3eRegiment Huzaren (3RH) en het 2e Regiment Dragonders werd het 2e Regiment Cavalerie (2RC), later het 2e Regiment Kurassiers (2RK).

Lodewijk Napoleon gaf veel aandacht aan zijn Garde. Uit het organisatieplan van 4 juli 1806 blijkt dat de Garde in totaal maar liefst 7000 man moest gaan tellen, oftewel bijna een derde van de totale legersterkte. De garde zou gaan bestaan uit 1 regiment grenadiers (3000 man), 1 regiment jagers (3000 man) en één korps cavalerie (3 eskadrons huzaren en 2 eskadrons kurassiers van elk 200 ruiters en 200 paarden) en ten slotte een batterij rijdende artillerie. Het aantal van 7000 zou nooit worden gehaald. Lodewijk Napoleon bepaalde dat militairen uit gewone eenheden daarom naar de Garde moesten worden overgeplaatst. Dit gold ook voor officieren en onderofficieren. Bij het 2e regiment huzaren was na het vertrek van enkele officieren naar de garde daarna zo’n tekort aan leidinggevenden ontstaan dat er volgens een inspectierapport sprake was van ernstige gevolgen voor de inzetbaarheid. Door alle wervingsproblemen zweefde de daadwerkelijke sterkte van de Garde rond de 3300 man. De cavalerie van de Garde bestond uit eindelijk uit 1 regiment huzaren van 610 man en 1 regiment kurassiers van 414 man.3  Al met al toch nog een redelijke omvang.

De organieke sterkte van 2RH (juli 1806) was vijf eskadrons á twee compagnieën, waarbij een compagnie 72 ‘hoofden’ en 71 paarden telde. De staf van 2RH telde 18 ‘hoofden’ en 17 paarden. In totaal dus 752 ‘hoofden’ en 527 paarden. Op 17 september 1806 werd bepaalde dat een compagnie 98 ‘hoofden’ en 90 paarden moest tellen zodat een regiment toen organiek 1000 ‘hoofden’ en 920 paarden telde, wat destijds een aanzienlijke grootte was. Het eskadron was nog steeds een tactische formatie en had geen eigen staf. 2RH werd gecommandeerd door kolonel Adrien Bruno4, ter zijde gestaan door en majoor en twee luitenant-kolonels. Onder andere de luitenant-kolonels Christiaan Lechleitner en Johan Renno dienden als luitenant-kolonel in 2RH. In de latere slag bij Waterloo zouden zijn respectievelijk het Regiment Carabiniers No.3 (RC3) en het Regiment Ligte Dragonders No.4 (RD4) commanderen. 

twee huzaren van het 2RH (rechts) en 3RH (links) 1806

2RH bleef gelegerd in Zutphen en Deventer. Als enige cavalerieregiment onderging het uniform van 1795 tot 1814 vrijwel geen verandering. Alleen de huzarenmuts werd in mei 1806 vervangen door een sjako.

De veldtocht langs de Wezer

In de herfst van 1806 dreigde opnieuw een oorlog tussen Frankrijk en Pruisen. De Pruisische koning weigerde immers, ondanks een eerdere nederlaag, om de Franse voorwaarden voor een blijvende vrede te accepteren. Napoleon trof zijn voorbereidingen en concentreerde zijn Grande Armée in midden Duitsland, nabij Bamberg langs de rivier de Main. Hij eiste van het Koninkrijk Holland een bijdrage van 4000 á 5000 infanterie, 1000 cavalerie en enkele artilleristen. De rest van het Hollandse leger diende zich te verzamelen in het strategisch gelegen kamp Zeist, waarvandaan ze zowel snel naar Duitsland konden optrekken als dat nodig was, als de kust konden verdedigen tegen een eventuele Britse landing.5

Vanaf augustus 1806 verzamelde het Hollandse legerkorps zich dus in het kamp van Zeist, in afwachting van de komende veldtocht tegen Pruisen, Saksen, Zweden en Rusland, die samen met Engeland de zogenaamde 4e Coalitie tegen Frankrijk hadden gevormd. De daar, als werkverschaffing voor de soldaten, opgeworpen aarden pyramide, werd later vernoemd naar de overwinning in de slag bij Austerlitz. 2RH kwam op 20 september 1806 aan in het kamp van Zeist met twee eskadrons en vertrok onder leiding van kolonel A. Bruno op 25 september met de voorhoede naar Wezel.

In oktober 1806 opereerde het Hollandse legerkorps – bestaande uit de garde en twee divisies onder commando van Koning Lodewijk en genaamd ‘Armée du Nord’, op de linkerflank van het Franse leger in Westfalen, Hessen-Kassel en Hannover, de zogenaamde Grande Armée. Het korps was verantwoordelijk voor de verdediging van Wesel en de oostrgrens van Holland en Frankrijk tegen een mogelijke Pruisische aanval. Daarnaast diende het Hollandse legerkorps ook ter afleiding. Napoleon was niet van plan Pruisen vanuit het westen aan te vallen, maar Lodewijks troepen kregen wel opdracht de vijand van die zijde te bedreigen, zodat de Pruisische Koning Frederik Willem niet al zijn troepen tegen de Grande Armée kon inzetten. De Armée du Nord was in de beginfase van de oorlog dus geen aanvalsmacht, maar meer een ‘corps d’observation.’ In geval van een Pruisische aanval diende Koning Lodewijk zijn troepen terug te trekken binnen de vesting Wesel en achter de Rijn. Het zwaartepunt van de aanval kwam op de Franse rechtervleugel te liggen, richting Bohemen, om daarna zo snel mogelijk op te rukken richting Berlijn. Slechts indien de Pruisen al hun troepen zouden terug trekken om Berlijn te verdedigen mocht Koning Lodewijk met zijn Hollandse troepen op rukken om Mark, Münster, Osnabrück en Oost-Friesland te veroveren. Bij zware Pruisische (tegen)aanvallen moest worden teruggetrokken op de Rijn, zodat de Franse Grande Armée met een links zwenkende beweging het Pruisische leger tegen de Rijn kon drukken en vermorzelen.6

Koninklijk Holland. Officier 2 Regiment Huzaren

Omdat de Pruisen inderdaad terugtrokken kon Lodewijk met de Hollandse troepen de landen van Mark, Münster, Osnabrück en Paderborn gaan bezetten. Op 24 oktober werd Münster ingenomen. Tijdens deze opmars kwam het nauwelijks tot gevechten met de vijand. In het noorden had generaal Daendels, als bevelhebber van de 3e divisie Emden veroverd en Oost-Friesland bezet. De volgende opdracht van Napoleon aan zijn broer Lodewijk was het verdrijven of gevangen nemen van de Pruisisch gezinde keurvorst van Hessel-Kassel en Kassel innemen. Napoleon had haast. In een poging verloren tijd terug te winnen, liet Lodewijk de voorhoede van zijn troepenmacht in geforceerde marsen oprukken naar Paderborn, waar ze op 30 oktober aankwamen. Hij kreeg direct opdracht om door te marcheren naar Kassel om de opmars van het Franse VIII legerkorps te ondersteunen, die zelf te weinig troepen beschikbaar had om de stad te veroveren. Lodewijk liet doormarcheren en de voorhoede bereikte op 1 november Kassel.7

2RH nam deel aan de belegering van Kassel, dat zich bijna direct overgaf, ondermeer omdat toch Franse troepen van het VIII deelnamen aan de belegering. Napoleon bekritiseerde de beslissing van Lodewijk om zijn gehele leger naar Kassel te hebben gemarcheerd. Volgens Napoleon was dit maar een ‘peu delicate’ en had het Franse VIIIe legerkorps het zelf ook af gekund. Lodewijk had volgens Napoleon meer richting Hannover moeten aanhouden. Desondanks gaf Napoleon Lodewijk wel het opperbevel over de gezamenlijke legermacht van zijn eigen (Hollandse) Armée du Nord als het Franse VIIIe legerkorps.8

Daarna marcheerde 2RH voor de hoofdmacht uit terug naar het noorden langs de linkeroever van de rivier de Weser, richting Paderborn en daarna Hameln. Hier had zich een forse vijandelijke legermacht van 9000 man verschanst. Lodewijk liet het nabij gelegen Rinteln innemen en liet ook de vestingstad Nienburg insluiten. Terwijl Napoleon een voortzetting van de opmars naar Hannover wilde, hield Lodewijk zijn legermacht bij elkaar en wilde eerst Hameln veroveren.9

Vlak voor Hameln vond op 7 november een ontmoetingsgevecht plaats met een eskadron Pruisische dragonders en infanterie van het regiment van de Prins van Oranje, die in Pruisische dienst was gegaan. Tezamen met het Regiment Grenadiers te Paard achtervolgden de huzaren de vijand tot binnen bereik van het vestinggeschut van Hameln. Vier huzaren werden daarbij gewond door sabelhouwen en musketvuur. Bij de Grenadiers te Paard raakten luitenant-kolonel Laats en één van zijn manschappen gewond. Ongeveer tachtig Pruisen werden gevangen gemaakt. Hameln zelf werd op 8 november ingesloten en belegerd. Hameln kon op 21 november worden ingenomen, omdat het garnizoen aan het muiten sloeg. 2RH maakte dat echter niet meer mee.

Met het 8e Franse Korps naar Zweeds-Pommeren

De Franse hoofdmacht onder Napoleon had ondertussen de Pruisen bij Jena en bij Auerstàdt verslagen. Generaal Dumonceau nam op 13 november het bevel over van de koning, die ondertussen bemerkt had dat er voor hem geen belangrijke rol in deze veldtocht was weggelegd en teleurgesteld met zijn garde op 9 november naar Holland was terug gegaan. Dumonceau moest een deel van zijn troepen afstaan aan het VIIIe Franse Legerkorps van Mortier, dat rechts van hem opereerde op de linkerflank van het Franse leger. Dat deel bestond uit de beide Franse infanterieregimenten, die al in het Kamp van Zeist bij het Hollandse korps waren gevoegd, het 2e Regiment Cavalerie (2RC), 2RH en beide compagnieën rijdende artillerie. De Hollandse eenheden vormden een brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Charles Mascheck. Deze brigade werd ingedeeld bij de cavaleriedivisie van luitenant-generaal Lorgé. Verder bestond het VIIIe Korps uit nog zes Franse infanterieregimenten en twee batterijen voetartillerie.

Garde huzaar en huzaar van 2RH

Na de inname van Hannover door het VIIIe Korps, marcheerde 2RH als deel daarvan via Celle, Uelzen en Lüneburg naar Hamburg. Van daar ging het via Mecklenburg naar Anklam, gelegen aan de rivier de Peene op de grens van Pruisisch- en Zweeds-Pommeren. Op 28 januari 1807 overschreed het 8e Korps de Peene met het oogmerk de met de Pruisen gelieerde Zweden terug te dringen en belegerde vervolgens twee maanden lang Stralsund. Eerste luitenant Sypesteijn schrijft hierover10

Stralsund

Begin 1807 was in het overgrote deel van Duitsland de rust weergekeerd. In Pommeren waren nog enkele plaatsen die weigerden zich over te geven aan het napoleontische bewind, maar het merendeel van de steden en ook het gros van het Pruisische leger had zich bij de Franse suprematie neergelegd. De Hollandse divisie onder Dumonceau bevond zich de eerste maanden van 1807 in het gebied tussen Hameln, Bremen en Hamburg. Enerzijds diende zij als bezettingsmacht om de bevolking onder de duim te houden. Anderzijds bewaakte ze de Noord-Duitse kust en hielp ze bij de handhaving van het Continentaal Stelsel (die immers handel van het continent met Groot-Brittannië verbood).11 In maart moest het VIIIe Korps troepen afstaan aan andere delen van de Grande Armée, doch het kreeg als compensatie een infanteriebrigade ter sterkte van zeven bataljons van het Hollandse Korps. Dat kreeg op zijn beurt weer versterking uit Holland. 

De Fransen wilden de laatste Pruisische steden aan de Oostzee kust veroveren. De Hollandse troepen werden uiteen gehaald om tekorten in de Grande Armée aan te vullen. O.a.  werden nog meer Hollandse eenheden (2RH hoorde hier al toe) aan het Franse VIIIe Legerkorps toegevoegd. Tezamen vormden de Hollandse eenheden een divisie met twee brigades onder bevel van de Franse generaal in Hollandse dienst, P.G. Gratien. Op 29 maart ging het VIIIe Korps oostwaarts om Kolberg, dat dapper standhield onder commando van majoor Neithardt Van Gneisenau, te gaan belegeren. Van de Hollandse troepen ging alleen het 2e Regiment Kurassiers (2RK) mee (het vroegere 2e Regiment Cavalerie (2RC). De rest van de troepen, onder bevel van luitenant-generaal Grandjean bleef voor Stralsund, met daarin alle overige Hollandse troepen, waaronder dus ook 2RH. De Zweden bemerkten al spoedig dat hun belegeraars danig waren verzwakt en deden op 1 april een massale uitval met ongeveer 14.000 man. Zij dreven binnen een week hun belegeraars slechts 4.000 man -130 km in zuidoostelijke richting voor zich uit richting Greifswald, Anklam en Uckermunde. Na een week van verwoede gevechten kwamen ze aan in Stettin aan de Oder. Sypesteijn schrijft hierover12

Vooral dankzij 2RH en de 1e compagnie Rijdende Artillerie van kapitein Hoogerwaard, liep de terugtocht niet uit op een debâcle voor de divisie Grandjean. Eén eskadron werd aangevoerd door luitenant-kolonel Renno, het andere door generaal-majoor Mascheck. Over de laatste eenheid schrijft Sypesteijn13

De huzaren waren continu bezig om infanterie-eenheden, die van de eigen troepen afgesneden geraakten, uit de dreigende omsingeling te bevrijden.

Als gevolg van de Zweedse aanval kregen ook de overige Hollandse troepen, onder bevel van Dumonceau zich te verplaatsen. Uit angst voor een Britse invasie op de Noord-Duitse kust beval Napoleon maarschalk Brune om zijn troepen te verenigen den belangrijke magazijnsteden Maagdenburg en Hameln kost wat kost te verdedigen. Dumonceau kreeg bevel om met zijn Hollandse divisie richting Lauenburg aan de Elbe te marcheren, met achterlating van de detachementen in Bremen en Cuxhaven. Later moesten de Hollandse troepen doortrekken naar Schwerin en Wismar om daar als het ware een reserveleger te vormen achter het VIIIe Legerkorps van Mortier was de eerste klappen van het Zweedse tegenoffensief moest opvangen.14 Dit tegenoffensief van het te hulp gesnelde VIIIe Korps begon op 16 april en dreef de Zweden binnen 48 uur weer dezelfde 130 km terug naar Stralsund, waar de Zweedse commandant, generaal Baron von Essen, op 18 april een wapenstilstand sloot met maarschalk Mortier. Bij de hernieuwde opmars onderscheiden wederom de huzaren zich15

Koninklijk Holland. Huzaar 2 Regiment. 1806

De Hollandse infanterie verloor bij deze gevechten bijna 400 man aan doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen. De 2e compagnie Rijdende artillerie werd in Anklam door de Zweden overvallen en verloor daarbij vrijwel alle materieel en het gros van het personeel en de paarden. Daarbij vergeleken waren de verliezen bij de huzaren gering: twee man gesneuveld, vier gewond, twee gevangen genomen en drie vermist. Vijf paarden hadden ernstig letsel opgelopen.

Van het 2e Regiment Huzaren werd luitenant Michiel Pijman voor zijn aandeel in de achterhoede-gevechten benoemd tot ridder Koninklijke Orde van Holland, Lodewijks tegenhanger van het Legion d’Honneur. Dapperheidsonderscheidingen waren er toen alleen voor officieren. De wachtmeesters Flick, Schneider en Bruijninga, de brigadiers Valk en Hoevelaken en de trompetter Muller mochten een insigne met twee gekruiste sabels op hun uniform dragen. Daaraan ontleenden zij het recht op een hogere soldij en een gratificatie van 100 gulden voor de onderofficieren en 60 gulden voor de manschappen. Brigadier Cornelis Valk, die met vier huzaren door de vijand omsingeld was, had zich met de sabel een weg door de vijandelijke gelederen gehouwen, waardoor zij zich allemaal weer bij het eskadron konden voegen. Hijzelf was daarbij door drie sabelhouwen gewond geraakt. Brigadier Hoevelaken had op weg naar Ukermude met zes huzaren op 8 april bij Passewalk een Zweedse huzaren patrouille van vijf man gevangen genomen.

Na het succesvolle Franse tegenoffensief keerden de troepen onder Dumonceau weer terug naar hun uitgangsposities. Van de Hollandse eenheden bij het VIIIe legerkorps bleven de meeste aan de Oostzeekust liggen en keerden dus niet terug naar de divisie van Dumonceau.

Het Regiment versterkt 

Generaal Bonhomme trad op 24 november 1806 af als Minister van Oorlog en werd vervangen door D. van Hogendorp. Generaal Bonhomme was meer een man de praktijk geweest en niet van het ontwerpen en aansturen van legerorganisaties. Op 21 januari 1807 werd Hogendorp officieel aangesteld. Hij moest het leger vergroten. Dat deed hij door Pruisische gevangen in het leger op te nemen. Deze kwamen ook terecht bij het 2e regiment huzaren dat te velde in Duitsland slechts 347 ruiters telde.16 Begin mei 1807 werd het Regiment daarom versterkt met een 3e eskadron (121 man), dat in Duitsland was geformeerd en waarvan zeker een kwart uit krijgsgevangen Pruisische huzaren was gerekruteerd. Het werd gecommandeerd door luitenant-kolonel Wijnand Brepoels. Kort daarna kwam op 24 mei uit het depot in Zutphen ook nog een 4e eskadron, gecommandeerd door ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht bij het regiment bij Kolberg aan.

Het depot in Zutphen werd gecommandeerd door majoor Marie Joseph Collaert, hoofdinstructeur was daar ritmeester Christiaan Lechleitner. De sterkte varieerde van 250 tot 450 man. Koning Lodewijk betuigde in een brief van 31 maart 1807 zijn tevredenheid aan beide hiervoor genoemde officieren over de uitstekende gang van zaken in het depot. Dit zal er wel toe hebben bijgedragen, dat Collaert in december 1807 het commando over het 2RH kreeg en bevorderd werd tot kolonel.

Mortier kon nu al zijn aandacht weer richten op de Pruisen en sloeg het beleg voor Danzig. Ook het 2e Regiment Huzaren nam daaraan deel, lag nabij Kolberg en was gekantonneerd in Traïn. Op weg daarheen, op 24 mei 1807 nabij Kolberg, stuitte het nieuwe naderende 3e eskadron van luitenant-kolonel Brepoels op een compagnie Pruisische huzaren. Na een succesvolle charge achtervolgde hij de vluchtende vijand, totdat deze kans zag om zich bij het eigen eskadron te voegen. Toen hij daarna opnieuw wilde chargeren op de nu veel sterkere vijand, sloegen zijn Pruisische manschappen aan het muiten. Een brigadier, twee trompetters en 36 huzaren liepen over naar de vijand, daarbij het eigen eskadron onder vuur nemend. Opperwachtmeester Kôhler onderscheidde zich bij herhaling tijdens deze gevechten. Hij veroverde ondermeer op de terugtocht nog twee paarden op de vijand en redde een eigen bagagewagen. Sypesteijn schrijft over deze actie17

dragonder en kurassier 2e regt 1806

Geschrokken van deze gebeurtenis stelde luitenant-kolonel van Heilman direct uit de veldeskadrons een depot samen. Hierin plaatste hij alle voormalige en in het regiment dienende Pruisische, Oostenrijkse of Russische krijgsgevangenen en allen die geen Hollanders van geboorte waren. Dit veld-depot kwam te Stettin onder leiding van ritmeester Hoynk van Papendrecht. 

Op 27 mei 1807 gaf de stad Danzig zich over. Er werd een wapenstilstand met de Pruisen gesloten waardoor ook het beleg van Kolberg opgeheven werd. De Zweden zetten echter de strijd voort en het strijdtoneel verplaatste zich weer terug naar Stralsund. Deze vesting werd op 19 augustus ingenomen.

Na de inname van de stad verplaatste het VIII korps van Mortier zich naar Polen, waar het door Napoleon werd gebruikt als observatieleger tussen de Oder en de Vistula. Van de Hollandse troepen namen daarna alleen het 2e Regiment Kurassiers en de 1e Compagnie Rijdende Artillerie met het VIIIe Korps deel aan de slag bij Friedland in Oost-Pruisen op 14 juni 1807, waarbij het Russische leger werd verslagen.

Bij deze veldtocht werd veel honger geleden. Na de Vrede van Tilsit kwamen alle delen van Pruisen die west van de Elbe lagen, met uitzondering van Oost-Friesland, bij het nieuwe koninkrijk Westphalen. Oost-Friesland werd in november 1807 als tiende provincie bij het koninkrijk Holland gevoegd. De Hollandse troepen keerden alle terug onder commando van Dumonceau, die met het Hollandse korps noordwest Duitsland bezet hield van Lingen tot Hamburg. Het 2e Regiment Huzaren vertrok op 13 augustus 1807 uit Bremen en lag vervolgens tot 8 september in en om Wildeshausen. Alle vier de eskadrons verzamelden zich vervolgens bij Delmenhorst.

Terug naar Holland

In september keerde het 2e Regiment Huzaren en het 3e Regiment Huzaren terug naar Holland. Dit gebeurde op bevel van Koning Lodewijk die volgens hem dringend nodig waren voor het bewaken van de kust. Dumonceau wachtte dit keer het bevel van zijn meerdere (op dat moment) maarschalk Bernadotte niet af en liet de troepen onmiddellijk afmarcheren. Dit gebeurde dit zonder de toestemming van Napoleon, die hierover zeer ontstemd was.18 In het voorjaar van 1808 keerde Dumonceau met de helft van de troepen terug naar Holland. De divisie van luitenant-generaal Gratien (6000 man sterk), met daarin het 2e Regiment Kurassiers, bleef in Duitsland achter als bezettingsmacht. Ze maakten per 1 april 1809 deel uit van Armée d’Allemagne. Tijdens de veldtocht tegen Oostenrijk (5e coalitieoorlog) zouden ze niet worden ingezet in de bekende veldslagen bij Aspern of Wagram, maar wel speelde de divisie van Gratien in mei 1809 een hoofdrol bij het neerslaan van de opstand van de Pruisische majoor Von Schill.19

Het 2e Regiment Huzaren marcheerde met het 1e , 2e en 3e eskadron van Wildeshausen via Oldenburg naar Leer, alwaar het met één eskadron in garnizoen ging. De beide andere eskadrons marcheerden verder naar respectievelijk Leeuwarden en Emden. Men verwachtte namelijk een Engelse landing in Groningen of Friesland. Voorts moest het Regiment daar waken tegen sluikhandel met Engeland. Het 4e eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht marcheerde van Wildeshausen via Lingen naar Deventer, waar het op 16 september 1807 aankwam. Tijdelijk was uit alle restanten van het depot in Zutphen een vijfde eskadron samengesteld en op 19 juni naar Deventer gestuurd. Deze eenheid bestond uit de 1e luitenants L.A.J. Crooy en H.J.C.J. van Heeckeren van Enghuysen, 2 wachtmeesters, 4 brigadiers, 2 trompetters en 60 huzaren (samen met 68 paarden). Toen het 4e eskadrons op 16 september weer terug kwam in Deventer vertrok deze eenheid weer terug naar het depot in Zutphen. Op 2 december 1807 werd kolonel van Heilman als regimentscommandant vervangen door kolonel M.J.G. Collaert. In deze periode waren de andere officieren de luitenant-kolonels W. Brepoels en J.C. Renno, de kapitein-adjudant L.T. Freher, de luitenant-kwartiermeester B. Dikstaal, de chirurgijn-majoor J.M. von Zinkgraeff en de chirurgijn 2e klasse C.A Thurkow. De ritmeesters waren P.C. Vermeulen, U.H. Huber, A.J. Hoynck van Papendrecht, C.F. Von Staëdel20, J.W. Kummich, A.W.J. van Spaan en J.B. Bikker. De 1e luitenants waren J.C.F. Pfaff, O.F. de Ravellet, G.F. Koltrop, P.A. van Daehne, C.J. van Dedem, L.R. Quaita, M.L. Pijman en F.T. von Hinuber. De 2e luitenants waren L.L. von Weidenkeller, J.G Schuler, J.H. Harmann, L.A. van Bonneval Faure, G.L.C Bouwens, M. Nolet, A.M.J.J. Roest van Alkemade, J. de Roth, C.T. Lambrechts, A. Bekbergen, W. van Zandhuysen, F.A. van Guericke21, L.A.E. van Dompselaer. 

Dat het thuis ook niet alles was, bemerkte ritmeester JeanBaptiste Bicker, toen hij na elf maanden weer op vaderlandse bodem kwam. Hij was met zijn compagnie in de vroege morgenuren van de 10e september uit Westerstede vertrokken. Zij hadden in de stromende regen meer dan twaalf uur in het zadel gezeten, en werden op weg zijnde naar Leeuwarden, in Winschoten ingekwartierd. De houding van de plaatselijke bevolking, de burgemeester voorop, was ronduit vijandig en op vele adressen weigerde men te stoken en de huzaren een avondmaal te bereiden.

Datzelfde beeld gaf een inspectie van de generaal Bonhomme (de eerdere Minister van Oorlog) in de maand oktober. Die melde echter wel dat22

Het regiment werd nu ingezet voor kustbewakingstaken en het tegengaan van smokkel. Ze werd verspreid langs de kusten van Friesland, Groningen, Oost-Friesland en Jeverland en langs de oevers den de rivieren de Weser en de Jade. Op 11 maart 1808 werd het regiment weer in Zutphen (op de locatie van het depot) verenigd. Op 25 maart werd nog een feestelijke intocht gehouden in Groningen waarvoor zelfs de al in Zutphen zijnde eenheden kort naar Groningen waren gehaald. Hierna werden de eskadrons weer over Deventer en Zutphen verspreid. 

Er werd regelmatig geïnspecteerd. Vrijwel altijd met goed resultaat. Generaal-majoor De Broc  inspecteerde het depot in Zutphen en schreef:

Vanwege de dreiging vanuit Engeland werd het regiment vanaf 1 april 1807 op oorlogsterkte gehouden en in verhoogde staat van paraatheid. Op 11 maart was hiertoe een inspectie uitgevoerd van generaal-majoor Du Ry. Die schreef dat 

Op 25 maart was er een nieuwe inspectie van het depot. Dit keer van de adjudant van de Koning Lodewijk zelf, generaal-majoor A. Bruno. Voor de inspectie was door de koning zelf opdracht gegeven. Generaal-majoor Adrien Bruno schreef23

De Koning was dusdanig tevreden met het resultaat van de door hem opgedragen inspectie dat hij op 31 maart 1807 een tevreden brief schreef aan majoor Collaert en ritmeester Lechleitner. Het depot was op 11 maart 1807 12 officieren en 435 onderofficieren en manschappen sterk.

In de jaren 1807 en 1808 werd volop gereorganiseerd. Vanwege de penibele financiële situatie van het Koninkrijk Holland wilde Koning Lodewijk het leger vaak verkleinen (met uitzondering van zijn geliefde Garde), terwijl zijn broer Napoleon hierop woedende brieven schreef en eiste dat hij het leger op peil hield en liefst nog grote maakte (door bijvoorbeeld dienstplicht in de te voeren). Napoleon had namelijk een veilige noordflank nodig en wilde voorkomen dat Engelse troepen in Nederland of Noord Duitsland zouden landen. Lodewijk verzette zich met succes tegen de door zijn broer geëiste invoering van de dienstplicht. Het paste niet bij de handelsnatie Holland, het land verder verarmen en dus tot oproer leiden. Aan het einde van 1809 was 2RH vier eskadrons sterk, namelijk drie veldeskadrons en één depot-eskadron. In totaal 982 man en 817 paarden.

Dreiging aan de westkust

In maart 1808 was het gehéle 2RH eindelijk weer bijeen en terug in Deventer (1e en 2e eskadron, onder bevel van luitenant-kolonel Renno), in Zutphen (Staf, 4e en 5e eskadron) en in Doesburg (3e eskadron). Vanwege toenemende geruchten over een op handen zijnde Engelse invasie werd op 12 mei 1808 de staf van het regiment met twee eskadrons naar ‘s-Gravenhage overgeplaatst. Van daar ging op 25 mei één eskadron verder naar Zuid-Beveland, terwijl het andere eskadron in Den Haag bleef. Op Zuid-Beveland werd het eskadron geteisterd door de “Zeeuwse koorts” en om die reden ging het vervolgens naar Bergen op Zoom, waar de verpleging en de legering beter waren. Door ziekte uitgedund keerde het op 5 september 1808 weer terug in Zutphen, waar nog steeds het depot was. Op 31 augustus ging één compagnie (6 officieren en 107 onderofficieren en manschappen) van Zutphen naar Leiden.

Het depot bleef te Zutphen. Eerst onder bevel van majoor J. Weerts. Op 3 juli 1808 werd hij vervangen door de majoor J.H.C. van Hasselt die op zijn beurt op 1 oktober 1809 door majoor L.P. Coenegracht werd afgelost.

De Engelse invasie op Walcheren

Een groot gedeelte van de aandacht van Napoleon m.b.t. het kustgebied van Holland ging uit naar Walcheren. Dit strategisch gelegen eiland vormde namelijk de toegang tot de belangrijke havenstad Antwerpen en was daarmee van cruciaal belang voor het Franse Keizerrijk. Niet voor niets hadden de Fransen al in het Verdrag van Den Haag (1795) bedongen dat zij troepen in Vlissingen mochten legeren. Afgesproken was dat er zowel in vredes- als in oorlogstijd een Frans garnizoen in de stad zou liggen en dat de belangrijke haven van Vlissingen onder gezamenlijk beheer van Frankrijk en de Bataafse Republiek kwam te staan. Later met het verdrag van Fontainebleau van 11 november 1808, kreeg Frankrijk volledige zeggenschap over Vlissingen in ruil voor Oost Friesland. De rest van Walcheren bleef wel in Hollandse handen. De relatie tussen de Franse militaire bewindslieden in Vlissingen en het Bataafse legerleiding bleef echter gespannen, vooral omdat de Franse bevelhebber van Vlissingen (Monnet) zich als commandant van geheel Walcheren gedroeg. Het kwam zelfs bijna tot een gewapend treffen en Walcheren zou ook na de landing van de Engelsen een twistappel blijven.24

De Britse landing op Walcheren kwam niet als verrassing. Sinds Slag bij Kamperduin waren de Britten heer en meester op de Noordzee. Ze vielen vissers lastig en beschoten zo nu en dan Hollandse dorpen en steden. Ze gingen af en toe zelfs aan land om korte ‘raids’ te plegen. Het Bataafse leger reageerde hierop met een garnizoenen in een paar plaatsen (Walcheren, Den Helder en Voorne) en twee legerkampen bij Den Haag en Alkmaar als reactiemachten. Later, in 1809, lag het meerendeel van het Hollandse leger wat meer landinwaarts bij Naarden en in een kleiner kamp bij Haarlem.25 Ook de twee eskadrons van 2RH in Den Haag en Leiden werden ingezet voor kustbewaking en het tegengaan van smokkel, destijds ‘sluikhandel’ genoemd. In het begin zomer van 1809 werden deze beide eskadrons verenigd met de kurassiers van de Garde te Naarden. Hier was de complete Garde verzameld onder bevel van kolonel-generaal (van de garde) J. Tarrayre. Van 2RH werd ook het derde veldeskadron aangetrokken.

In maart 1809 meldde Napoleon dat Holland in juni of september van dat jaar vrijwel zeker aangevallen zou worden. Hij eiste de gereedstelling van 20.000 troepen, maar dit aantal haalde Koning Lodewijk niet, omdat er ook Hollandse militairen in Spanje en Duitsland actief waren. In de praktijk waren er slechts 10.000 militairen beschikbaar. Op 29 juli 1809 om half vier ’s middags bereikten de eerste berichten van de aanstaande invasie Amsterdam. Via een stelstel van seinposten langs de kust, kreeg minister Kraijenhoff te horen dat er die dag “een vloot van 104 schepen van linie, fregatten en kotters” voor Domburg voor anker was gegaan.” In korte tijd landden op 30 juli 38.000 man Engelse troepen op verschillende plaatsen op Walcheren. O.a. bij Breezand, te noordwesten van Veere. Het doel van de Britse expeditie was om het Franse eskader van tien linieschepen in Vlissingen te veroveren en ook de daar in aanbouw zijnde marineschepen te vernietigen. Verder waren de Britten van plan om Antwerpen in te nemen, waar volgens geruchten tientallen Franse linieschepen in aanbouw waren. Ook was de expeditie bedoeld om de aandacht van de Fransen af te leiden van Oostenrijk. De Britten kwamen echter pas eind juli in actie, toen Oostenrijk de Slag bij Wagram en daarmee de oorlog al verloren had.

Routes genomen door de Britse troepen op Walcheren en zuid Beveland. Geheel rechts fort Bath

Middelburg werd de volgende dag zonder slag of stoot bezet, Veere na korte maar hevige gevechten op 1 augustus. Het Hollandse leger trok zich voor de overmacht terug naar Zuid Beveland, maar de troepen bij Haarlem en Naarden werden gereed gemaakt voor vertrek.26 Vlissingen capituleerde op 15 augustus, na een kort beleg maar met zware beschietingen vanaf land en zee, waarbij de stad zware schade opliep. De Franse gouverneur van Vlissingen, generaal Louis Monnet, en het garnizoen van 5.000 Fransen werden gevangengenomen en afgevoerd naar Engeland. Twee weken na de landing hadden de Engelsen dus geheel Walcheren in handen. Verder oostelijk landden de Britten op Zuid-Beveland, namen Goes in en hadden het hele eiland op 2 augustus in handen. Het strategische fort Bath was geëvacueerd door de Fransen en werd zonder slag of stoot door de Britten bezet. Ook Schouwen en Duiveland werden bezet en Zierikzee werd op 10 augustus ingenomen. De haven van Antwerpen was dus geblokkeerd. Staats-Vlaanderen en een deel van Walcheren met Vlissingen waren al in 1795 bij Frankrijk ingelijfd en Lodewijk vreesde dat hij ook de rest van Walcheren en bovendien Zuid-Beveland aan zijn grote broer zou kwijt raken, als hij de invasietroepen niet zou terugslaan. Hij riep daarom begin augustus 1809 ook de divisie Gratien27 uit Duitsland terug.Ook de Fransen verzamelden troepen. Op en rond het eiland Cadzand lagen op 7 augustus (op papier) een kleine 20.000 man, in Antwerpen zelf 7.000 en vanuit het kamp bij Boulogne waren nog circa 14.000 man onderweg.28

De mislukte Britse expeditie in 1809 naar Walcheren

Ook de Hollanders verzamelden hun troepen, maar dit waren er duidelijk minder. Alles wat Lodewijk bij de hand had, ongeveer 6.000 man, was eerder verzameld in het Kamp van Naarden. Ook de Garde lag hier. Het kamp lag op de woeste gronden west van de stad, waar nu Bussum ligt. 2RH was ingedeeld bij de 2e Brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Otto von Goes, die deel uitmaakte van de 2e Afdeling.29 Deze 2e Afdeling werd gecommandeerd door een oud regimentscommandant, inmiddels bevorderd tot luitenant-generaal Adrien Bruno. Reeds op 30 juli vertrok het leger vanuit het Kamp van Naarden en marcheerde via Utrecht, Vianen, Gorkum, Geertruidenberg en Breda naar Bergen op Zoom. Al snel had zich een verdedigingslinie voor Antwerpen verzameld van 12.000 Franse en Hollandse soldaten en 13.000 soldaten van de (ongeüniformeerde en deels onbewapende) Nationale Garde. Het 2e Regiment Huzaren bezette voorposten achter de Buitendijk van Bergen op Zoom tot Ossendrecht. Kolonel M.J.G. Collaert was nog steeds regimentscommandante, bijgestaan door de luitenant-kolonels J.C. Renno, C. Lechleitner en C.A. van Bijlandt30.

Koning Lodewijk kreeg van de aartskanselier Cambarcéres en minister van Oorlog Clarke het opperbevel over alle troepen, maar dit duurde niet lang. Medio augustus werd maarschalk Bernadotte door Napoleon benoemd tot opperbevelhebber van de ‘Armée du Nord’ omdat die het niet eens was met de benoeming van Lodewijk. Dat was voor koning Lodewijk voldoende reden om, tijdens een grote wapenschouw op 15 augustus bij Zandvliet, het commando over te dragen aan de maarschalk van Holland, Jean-Baptiste Dumonceau. De volgende dag keerde hij verongelijkt terug naar Amsterdam, met medeneming van zijn Garde.31 Op 31 augustus hield maarschalk Bernadotte (prins van Ponte Corvo) samen met maarschalk Dumonceau een nieuwe troepeninspectie te Hoogerheide. 2RH nam hier aan deel. Ze oogsten lof, hetgeen in een artikel in de Haagsche Courant van 4 september werd gepubliceerd32

Dit artikel schoot echter in het verkeerde keelgat van de Koning. Het kon toch niet zo zijn dat een buitenlandse vorst (Bernadotte was Prins van Ponto Corvo) het zelfstandige Hollandse leger de revue afnam. De Vorst gelastte een onderzoek naar de revue en naar de schrijver van het artikel. Het artikel was gebaseerd op een ingezonden brief van de chirurgijn-majoor J.M. van Zinkgraeff die door de goede sfeer tussen de officieren onderling ‘s avonds na de wapenschouw op de commandopost van kolonel Collaert de opmerkingen van Bernadotte wat vrijelijk had geïnterpreteerd. Tijdens die avond haalden de officieren bovendien veel eerdere successen van 2RH uit de afgelopen tien jaar aangehaald. Bernadotte had bovendien slecht bij de revue geassisteerd en deze zeker niet afgenomen. Met een excuus brief van de Minister van Oorlog op 21 september aan de Koning liep de zaak met een sisser af.33 Anderzijds was het verheugend te constateren dat de Koning persoonlijk geïnteresseerd was in het wel en wee van het 2e regiment Huzaren. 

Er werd verwacht dat de Engelsen nu wel verder in de aanval zouden gaan. Men verwachtte dat de Engelsen verder in oostelijke richting zouden oprukken en hiertoe werden verdedigende stellingen bij Ossendrecht en Sandvliet voorbereid. Ook 2RH kwam in Sandvliet terecht.

Al snel daarna waren er binnen het Engelse leger de eerste gevallen van Zeeuwse koorts, waar het moerasachtige Zeeland in die tijd berucht om was. Eind augustus waren al 3.000 Britse soldaten ziek en medio september was dit aantal toegenomen tot 10.000. De epidemie van waarschijnlijk malaria, tyfus, buiktyfus en dysenterie werd al snel ‘Walcheren fever’ genoemd door de Britse soldaten. Ondanks eerdere ervaringen met de ziektes tijdens een expeditie op Zeeland in 1747 waren de Britten slecht voorbereid, met maar één hospitaalschip per divisie. De Britten stierven in groten getale en ‘s nachts vonden massabegrafenissen plaats.

De Britten bleven vastzitten in Zeeland en hun bevelhebber Chatham durfde de aanval op Antwerpen niet door te zetten omdat hij de Frans-Hollandse verdediging veel te hoog inschatte, op 35.000 man, en zijn troepen intussen in sneltreinvaart bezweken aan ziektes. Napoleon op zijn beurt bepaalde vanuit Wenen dat offensieve acties uit de boze waren, omdat hij zo de Britten de kans op een snelle overwinning wilde ontzeggen. De keizer verwachte (terecht) dat de ongezonde moerasluchten op Walcheren het probleem vanzelf zouden oplossen: “Une grande armée de 100.000 hommes dans ces positions sera fondue et un clin d’oeil”, zo schreef hij34. Eind augustus zag de Britse bevelhebber Chatham dat de zaak verloren was en begon de terugtrekking van zijn troepen naar Walcheren terwijl een achterhoede nog korte tijd het belangrijke fort Bath35 bleef bezetten. Generaal-majoor Cort Heiligers veroverde echter met een kleine troepenmacht op 4 september de vesting Bath op Zuid-Beveland doordat hij met zijn troepen, tijdens een hevig onweer de ondiepe Kreekrak doorwaadde.36 De volgende dag werden de overige troepen, met uitzondering van de huzaren, bij Wemeldinge ontscheept. 2RH bleef achter bij Bergen op Zoom.

Herovering van Fort Bath door de ‘wadende’ troepen van generaal Cort Heijligers

Rond dezelfde tijd arriveerde de Hollandse divisie uit Duitsland. Deze 5.550 man sterke legermacht, was zeer welkom, vooral omdat de sterkte van de Hollandse troepen na het wegtrekken van de Garde tot ongeveer 4000 man was gedaald. Gesteund door deze versterkingen trokken de Hollanders de eerste week van september Zuid-Beveland binnen, maar de Britten hadden dit eiland al verlaten voordat de Hollanders voet aan wal zetten.37 Begin september werd besloten om de meeste Engelse troepen inclusief hun bevelhebber Chatham terug te trekken. Toen hij op 16 september Zeeland verliet bleef nog een garnizoen van 5.000 man op Walcheren achter, waarvan al een derde ziek was. In de laatste maanden van 1809 trokken vooral de Fransen steeds meer troepen samen in het Scheldegebied, maar tot een aanval op Walcheren kwam het niet. Het Britse garnizoen, bijgenaamd het “stervende leger” (dying army) trokken zich vanaf november steeds meer terug en het laatste gedeelte werd in december geëvacueerd.38 Walcheren kwam echter niet terug on der Hollands bewind, maar maakte voortaan, net als Vlissingen, deel uit van het Franse keizerrijk.39

Het 2e Regiment Huzaren ging op 18 september bij laag water te paard door de Oosterschelde naar Zuid-Beveland, dat toen nog een eiland was. Dit was gevaarlijke tocht met veel risico voor de paarden. Het regiment kantonneerde daarna te Goes, ‘s-Gravenpolder en later ook bij Yerseke. Gevechtscontact met de terugtrekkende Engelsen bleef beperkt tot kleine schermutselingen. Eerste luitenant van Sypesteijn40:

De sterkte was toen 720 hoofden en 617 paarden. In november 1809 scheepte de Engelse invasiemacht zich weer in. 2RH bleef nog tot februari 1810 in Zeeland. Het werd daarna in het westelijk deel van Noord-Brabant gelegerd en keerde in april 1810 weer terug naar Deventer en Zutphen.

Het einde van het Koninkrijk Holland

In maart 1810 werden Noord-Brabant, Zeeland, delen van Zuid-Holland en het Land van Maas en Waal ingelijfd bij Frankrijk en Holland moest nog eens 6.000 man Franse troepen legeren41 en onderhouden ter naleving van het Continentale Stelsel. Napoleon beschouwde, niet ten onrechte, Holland als een bres in de wal die het continent moest afsluiten tegen handel met en scheepvaart op Engeland. Napoleon was bovendien nog steeds woedend dat Lodewijk zijn korps uit Noord-Duitsland, waar het de naleving van het Continentale Stelsel moest bewaken, had teruggehaald. Er kwamen nog meer Franse troepen en Napoleon eiste ook de bezetting van Amsterdam. De spanningen tussen Hollandsche en Fransche troepen namen toe. Er ontstond een soort Koude Oorlog tussen de Hollanders en de Fransen en de rivier de Waal fungeerde als een soort ‘Ijzeren Gordijn’42

De Fransen trokken intussen met 6.000 man Holland verder binnen. De Franse troepen kwamen verspreid in het hele land te liggen. Het hoofdkwartier kwam in Utrecht. Haarlem weigerde overigens om Fransen binnen te laten, maar dit was voor Napeloen het ideale voorwendsel om aan alle Hollandse zelfstandigheid een einde te maken. Ook Amsterdam werd bezet.43 Op 1 juli deed Lodewijk afstand van de troon44 ten gunste van zijn oudste zoon. Daar kwam niets van terecht, maar zijn jongste zoon, toen 2 jaar oud, zou later president en als Napoleon III keizer van Frankrijk worden. Met een decreet van 18 augustus 1810 lijfde Napoleon Holland in bij het Franse Keizerrijk. Het leger van het Koninklijk Holland ging nu op in het keizerlijke leger. Het 2e Regiment Huzaren zou in het Franse leger het 11e Regiment Huzaren worden.45 Het huzaren tenue bleef feitelijk al die tijd hetzelfde, namelijk blauwe broek en dolman, blauwe pels met wit bont, rood vest en gele uitmonstering. Dit tenue hadden de huzaren ook gehad in hun tijd als Bataafsche Huzaren en bij het 2e Regiment Huzaren. 


  1. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 45 ↩︎
  2. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 49 ↩︎
  3. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 85 ↩︎
  4. Adrien François Baron van Bruno was een Franse officier die als aide-du-camp van Lodewijk Napoleon mee naar Holland was gekomen. Op 27 september 1806 kreeg hij het bevel over 2RH maar werd al op 20 december 1806 regimentscommandant van het Regiment Huzaren van de Garde (1RH). Hij werd snel bevorderd (6 april 1807 generaal-majoor en op 2 november 1808 luitenant-generaal). Hij maakte de veldtocht in Zeeland in 1809 mee, maar verliet samen met Lodelijk Napoleon in 1810 Holland, toen Napoleon Holland annexeerde. Hij keerde terug in Franse dienst, maakte de veldtocht naar Moskou mee. Tijdens de slagen bij Quatre Bras en Waterloo commandeerde hij een brigade cavalerie in het legerkorps van D’Erlon. ↩︎
  5. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 188 ↩︎
  6. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 188 en 189 ↩︎
  7. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 193 ↩︎
  8. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 194 ↩︎
  9. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 195 ↩︎
  10. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 87 ↩︎
  11. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 201 ↩︎
  12. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 87 ↩︎
  13. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 88 ↩︎
  14. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 203 ↩︎
  15. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 90-91 ↩︎
  16. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 64 ↩︎
  17. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 95 ↩︎
  18. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 205 ↩︎
  19. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 206 ↩︎
  20. Hij zou later een belangrijke rol spelen binnen het in 1814 opgerichte Regiment Lichte Dragonders No.4 ↩︎
  21. Hij zou later bij regiment Huzaren No.6 dienen, één van de stamregimenten van het huidige Regiment Huzaren van Boreel. ↩︎
  22. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 100 ↩︎
  23. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 102 en 103 ↩︎
  24. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 228 en 229 ↩︎
  25. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 232 ↩︎
  26. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 235 ↩︎
  27. Gratien talmde met de terugkeer, omdat hij vreesde dat Napoleon het niet eens was met deze verzwakking van het Franse leger in Duitsland. Lodewijk had hier geen boodschap aan en nam Gratiens getalm hoog op. Zo hoog zelfs, dat Gratien vlak voor aankomst van de divisie in Holland uit zijn functie werd ontheven. Gratien nam hierop ontslag uit het Hollandse leger en vertrok naar Frankrijk. ↩︎
  28. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 237 ↩︎
  29. Het leger werd verdeeld in twee afdelingen elk met twee brigades. De eerste afdeling werd geleid door luitenant-generaal J. Tarraye met als brigadecommandanten de generaal-majoors J.C. Schmidt en A. Sels. De tweede afdeling werd geleid door luitenant-generaal A. Bruno, met als brigadecommandanten de generaal-majoors G.M. Cort Heiligers en O.F. van Goes. Verder was er nog een reserve onder bevel van luitenant-generaal E.J. Travers. ↩︎
  30. Hij werd op 25 aug 1809 echter benoemd tot aide-du-camp van de Koning van Holland en daarom naar de generale staf overgeplaatst ↩︎
  31. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 239 en 240 ↩︎
  32. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 112 en 113 ↩︎
  33. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 114 en Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 240 ↩︎
  34. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 242 ↩︎
  35. De vesting Bath beheerste de overgang van Zuid Beveland naar het vaste Brabantse land. Fort Bath verving de forten Lillo en Liefkenshoek, bekende plaatsnamen net over de Vlaamse grens, die in 1785 aan de Oostenrijkse Nederlanden werden afgestaan. Het nieuwe fort werd gesticht in de zuidoosthoek van de Reigersbergsche Polder, aan de Batse Kaai. Het fort kreeg de naam van het verdronken dorp Bath. ↩︎
  36. Koning Lodewijk was hierover zeer in zijn nopjes. Alle deelnemende militairen mochten een speciaal onderscheidingsteken op het uniform dragen (goud geborduurde sabel op de linkerzijde van het uniform). Een aantal officieren werd bevorderd tot naasthogere rang en onderofficieren en soldaten kregen een dubbel maandloon. Overigens was de Hollanders niet als eerste op het door de Engelsen verlaten fort Bath. Een half uur voor de aankomst van de troepen van Cort Heyligers had de Franse bemanning van een sloep het verlaten fort al bezet. ↩︎
  37. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 243 ↩︎
  38. In Groot-Brittannië leidde het fiasco tot een heftig conflict tussen de minister van Defensie Robert Stewart en de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken George Canning dat eindigde in een pistoolduel en het aftreden van beide ministers. ↩︎
  39. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 244 ↩︎
  40. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 116 ↩︎
  41. Uiteindelijk werd een complete Franse divisie (onder bevel van generaal Dessaix) in deze gebieden gelegerd. 3000 man in Den Bosch, 2300 man in Nijmegen, 700 man in Grave en 5000 man in de Bommelerwaard. De rekwisities drukten zwaar op de lokale bevolking ↩︎
  42. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 117 ↩︎
  43. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 254 ↩︎
  44. Ook koning Lodewijk I viel in ongenade bij de keizer door zijn, volgens Napoleon, trage en onkundige optreden bij de Engelse invasie van Walcheren. Voor Napoleon was het de laatste druppel, na eerdere irritaties over Lodewijks tegenzin om Franse maatregelen als de dienstplicht en het Continentaal Stelsel in Nederland in te voeren. ↩︎
  45. Het Franse keizerlijke slagorde kende eerder 10 huzaren regimenten. 2RH werd dus nu het 11e huzaren regiment ↩︎

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!