Rode en Groene Lansiers verbonden

Door Wijlen H.J. Plinck, luitenant-kolonel titulair en kolonel van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Inleiding

Zoals heeft het Regiment Huzaren van Boreel twee stamregimenten. De eerste is die korps cavalerie van Boreel, opgericht op 25 nov 1813 wat op 17 november 1814 het Regiment Hussaren No.4 (RH4) werd en op 21 april 1815 zelfs het Regiment Hussaren No.6 (RH6). Met dit nummer is deelgenomen aan de slag bij Quatre Bras en Waterloo. Bij de grote reorganisatie van 10 maart 1841 kreeg regiment (RH6) een nieuwe naam, namelijk ‘2e Regiment Lansiers’ (RL2).

Het tweede stamregiment is dat van het 10e Regiment Lansiers (RL10) opgericht op 1 januari 1819. Dit regiment werd opgericht op 1 januari 1819 en werd tijdens de grote reorganisatie op 10 maart 1841 omgenummerd naar het 1e Regiment Lansiers (RL1). In 1849 werden de beide lansier-regimenten (RL1 en RL2) samengevoegd tot het 4e Regiment Dragonders (RD4), waar later weer het 4e Regiment Huzaren (RH4) en weer later Regiment Huzaren van Boreel is ontstaan.

De twee stamregimenten van Boreel RH4 en RL10 hebben hun oorsprong in Staatse cavalerie-regimenten en Hollandse cavalerie-regimenten in Franse Dienst. Voor RH4 is dit relatief duidelijk en zijn dit opeenvolgend Huzaren Legioen Rijngraaf van Salm (1785-1787), Huzaren van Heeckeren (1793-1795), Regiment (‘Bataafsche’) Huzaren (1795-1806), 2e Regiment Huzaren (1806-1810) en 11e Regiment Huzaren (1810-1813). Voor RL10 is minder duidelijk waar hun oorsprong ligt. Dit artikel probeert hier duidelijk in te brengen.

ingekleurde foto van een Waterloo veteraan in het tenue van het 2e regiment lansiers

Situatie

In 1810 ging het leger van het Koninkrijk Holland volledig over in Franse dienst. Het Nederlandse leger hield daarmee formeel op te bestaan maar de regimenten en korpsen gingen wel over in Franse krijgsdienst. Pas na vertrek van de Fransen in 1814 werd een nieuw leger in de Nederlanden opgericht (enkele regimenten, waaronder RHB zelfs al in 1813). Er werd formeel geen aansluiting gevonden tussen het leger van voor 1810 en het nieuwe leger na 1813. Dit is ook een formeel besluit geweest van de Nederlandse legerleiding.

Desondanks zijn er wel studies geweest naar de samenhang tussen de vooroorlogse- en naoorlogse regimenten in die tijd. Een belangrijk onderzoek in dit verband is dat van wijlen kapitein H. Ringoir, die destijds werkte bij de Sectie Krijgsgeschiedenis (SKG) van de Landmachtstaf. In een serie publicaties heeft hij de afstammingen en voortzettingen van alle regimenten en korpsen vast gelegd. In de deelpublicatie “Afstammingen en voortzettingen der cavalerie en wielrijders”, uitgegeven in 1977 behandelt hij cavalerie-eenheden. Hij heeft in zijn studie vooral relaties te leggen tussen eenheden van het Staatse Leger en opvolgers (i.c. het leger van de Bataafse Republiek, het leger van het Koninkrijk Holland en de regimenten in Franse dienst vanaf 1810 tot 1814) en de eenheden van de Koninklijke Landmacht vanaf 1813 en probeerde hiermee de periode van discontinuïteit vanaf 1810 tot 1813 te overbruggen. Ondanks dat de SKG steekproeven heeft uitgevoerd over zijn bevindingen en geen ernstige fouten heeft kunnen constateren is er sindsdien wel veel discussie over zijn conclusies geweest. Zowel binnen cavalerie- als binnen infanteriekringen. Veel discussie ging bijvoorbeeld over de exacte definities van de door hem gehanteerde begrippen: “voortzetten van” of “aanmerken als voortzetting van.” Maar dit terzijde.

Ringoir baseerde zich vooral op naamgeving (grenadiers, jagers, garde, benamingen van huzarenregimenten als huzaren, dragonders etc.) en keek verder naar de provincies waaruit eenheden van omstreeks 1810 voortkwamen en vergeleek die met de eenheden na 1813. Opvallend is dat hij ‘tradities’ niet gebruikt als verband tussen de eenheden die bestonden tot 1814 en eenheden die werden opgericht in en na 1813. Terwijl dit toch een belangrijk en cruciaal onderdeel zou moeten zijn van al dan niet voortzetten van eenheden.

Oprichting 10e Regiment Lansiers en ‘voortzetten’  of ‘bewaren’ van tradities

In Ringoir’s publicatie “Afstammingen en voortzettingen der cavalerie en wielrijders” wordt RL10 gekoppeld aan een regiment dat in 1795 was opgeheven en waarvan bij opheffing de eskadrons werden verdeeld over het 1ste Regiment Zware Cavalerie. Dit was het Regiment van Barend Hendrik Baron Bentinck tot Boekhorst. Met deze eenheid bestond geen enkele band en dit is bovendien een onaannemelijke grote tijdsprong. Er bestaat daarnaast een bundel handgeschreven manuscripten van wijlen kolonel J.A. Ort over de geschiedenis van het Regiment Lansiers Nr. 10. Kolonel Ort was in 1898 commandant van het 1ste Regiment Huzaren (stamlijn Regiment Huzaren van Boreel). Uit deze manuscripten blijkt er een zeer sterke band te bestaan tussen RL10 en het 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers de la Garde Impériale (2CLLGI), een van oorsprong Nederlands regiment. Het Hollandse Regiment Garde Cavalerie was namelijk in de Franse tijd (1810) met al het personeel overgegaan naar het nieuwe 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers de la Garde Impériale. Het was dus een Nederlands regiment in Franse dienst. Deze eenheid werd vanwege hun kenmerkende uniform ‘de Rode Lansiers’ genoemd.

De Rode Lansiers

Het 2e Lichte Cavalerie Regiment Lansiers van de Keizerlijke Garde was een licht Garde-cavalerieregiment die in 1810 vanuit de Garde van het Koninkrijk Holland bij de annexatie in het Franse Keizerrijk werd overgeheveld naar de Keizerlijke Garde. Het regiment bestond oorspronkelijk zowel uit eskadrons kurassiers als uit eskadron huzaren, maar na de annexatie bepaalde Napoleon dat het regiment gemodelleerd moest worden naar het al bestaande 1e Poolse Lichte Cavalerie Regiment van de Keizerlijke Garde en dit waren lansiers. De eerste commandant werd kolonel baron Pierre David de Colbert-Chabanais. Hun officiële nieuwe benaming werd 2e régiment de chevaux-légers des Lanciers de la Garde Impériale (2CLLGI). Het regiment nam deel aan de veldtocht naar Rusland in 1812 en leed hier grote verliezen. In 1813 en 1814 werd het regiment ingezet in Duitsland en Noord Frankrijk. Na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig en de terugtrekking van de Grande Armée naar Frankrijk werd het regiment langzamerhand ontdaan van de Nederlandse militairen en werden Franse dienstplichtigen hiervoor in dienst van het regiment genomen. Ook na de terugkeer van Napoleon van Elba, tijdens de slag bij Waterloo, werd het regiment Rode Lansiers ingezet. Enkele Hollanders dienden toen nog in hun rangen en stonden dus op het slagveld tegenover sommige van hun vroegere kameraden die in tussen in Nederlandse cavalerie regimenten waren gaan dienen.

Display van een Rode Lansier in het Cavalerie Museum op de Bernhardkazerne in Amersfoort

Voortzetting van tradities

De ’Rode Lansiers’ waren door Ringoir helaas al aan een andere eenheid gekoppeld namelijk het in 1814 opgerichte Regiment Chevau-Légers van der Burg, voorganger van het voormalige Regiment Huzaren Prins Alexander (RHPA). Nu is er echter een verschil tussen ‘traditie voortzetten’  en ‘tradities bewaren.’  Er is sprake van tradities voortzetten als er een duidelijke (cavalerie historisch genealogische band is tussen de eenheden. Bijvoorbeeld als veel huzaren, onderofficieren of officieren voortkomend uit de ‘opgeheven’ eenheid, ingedeeld worden of dienst nemen bij de nieuw opgerichte eenheid. Dit was het geval bij RL10 en 2CLLGI omdat bijvoorbeeld in artikel 4 van het oprichtingsbesluit van RL10 werd aangegeven dat de andere cavalerieregimenten de officieren, onderofficieren en manschappen moesten leveren. Vooral personeel met lansierservaring moest bij het nieuwe regiment worden geplaatst. De enigen die deze ervaring echter hadden behoorden oorspronkelijk tot het in Franse dienst geweest zijnde 2CLLGI.

Rode Lansier – foto (c) van re-enactmentvereniging ARES

Bij ‘ bewaren van de tradities’ is sprake als er geen enkele band bestaat tussen de ‘oude’  eenheid en de nieuwe ‘eenheid’. Een voorbeeld: het 2de Regiment Huzaren werd in 1940 ontbonden. Tussen 1945 en 1950 werden de tradities van dit regiment ‘bewaard’ door het Regiment Huzaren van Boreel. In 1950 werd het regiment Huzaren Nr. 2 formeel opgeheven. In 1979 werd het regiment heropgericht onder de naam Regiment Huzaren Prins van Oranje met de bepaling dat dit nieuwe regiment de voortzetting is van het 2de Regiment Huzaren. Dat kon omdat er van het voormalige regiment nog veel oudgedienden in leven waren die de tradities konden overdragen. De regimentsbezittingen die in beheer waren bij het Regiment Huzaren van Boreel en het toenmalige Depot Cavalerie werden aan het nieuwe regiment overgedragen (regimentszilver, bibliotheek en andere eigendommen). En wat in dit verband ook belangrijk is, het nieuwe regiment voerde tijdelijk, in afwachting van een nieuwe standaard, de in het toenmalige Legermuseum opgelegde standaard van het 2de Regiment Huzaren. Een ander voorbeeld is het recentelijk bewaren van de tradities door de drie tankregiment RHPO, RPHA en RHS door het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) in de periode 2011-2020. Deze bewaring eindigde in 2020 toen het nieuwe Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia welke de tradities van de drie zware cavalerieregimenten RHS, RHPO en RHPA weer ging ‘voortzetten.’  Hoe de tradities in de praktijk worden uitgevoerd is een aangelegenheid van de nieuwe regimentscommandant, eventueel in nauw overleg met de commandanten en traditiedragers van de voormalige regimenten.

2e régiment de chevaux-légers des Lanciers de la Garde Impériale

Koppeling van RL aan het 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers de la Garde Impériale

Ringoir koppelde dus het in 1795 opgeheven Regiment van Barend Hendrik Baron Bentinck tot Boekhorst (zware cavalerie) aan het in 1819 opgericht Regiment Lansiers Nr 10 (lichte cavalerie). Hij noemt hiervoor geen enkele beweegreden. Vanwege vier redenen wijzen wij deze koppeling van Ringoir af en beargumenteren een koppeling aan het 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers de la Garde Impériale (2CLLGI).

Ten eerste zijn bepaalt artikel 4  in het Koninklijk Besluit van oprichting van het Regiment Lansiers Nr. 10 van 25 november 1818 Nr. 63 (en de uitdrukkelijke wens van Koning Willem I) dat het indelen bij het nieuwe regiment van personeel dat gediend had bij lansiers regimenten hoge prioriteit had. Dit is  dus personeel wat gediend had bij 2CLLGI.

Art. 4 – “Aanvankelijk zullen de kaders slechts voor vier eskadrons worden geoefend; tot daarstelling dezer kaders zal door iedere afdeling kurassiers en Regiment Ligte Kavallerie een compleet kader voor eene kompagnie gegeven; de officieren die van deze bij het wapen der Lansiers gediend hebben, zullen bij voorkeur in aanmerking komen; derhalve zal bij het opmaken der vereischt wordende voordracht op den vorige dienst der officieren acht gegeven worden; bij de keus der onderofficieren en korporaals zal insgelijks hierop worden gelet; de trompetters en smeden der volgens Ons besluit van heden gesupprimeerde Depotkompagniën zullen naar het Regiment Lanciers overgaan en het overige gedeelte van de kaders dier Kompagniën voorzooverre, hetzij de officieren, hetzij de onderofficieren niet bij het Regiment Lansiers worden geëmployeerd, zal in de vakant komende plaatsen bij de vier eskadrons van de afdeling of van het regiment worden ingedeeld. Tot het openen der kaders van het 5e en 6e eskadron zullen wij Onze bevelen geven, naarmate zulks zal worden vereischt.

Bovendien is personeel van het reeds opgerichte RH6 (het latere Regiment Huzaren van Boreel) overgeplaatst naar RL10. Dit staat namelijk in artikel 5 van het Koninklijk Besluit van oprichting van het Regiment Lansiers Nr. 10 van 25 november 1818 Nr. 63. Hierdoor ontstaat er dus een band met RH6 (die later zal samengaan met RL10)

Art. 5 – “Tot grondslag van het Regiment Lansiers zullen door de twee Regimenten Ligte Dragonders en twee Regimenten Hussaren, 50 man per Regiment worden afgegeven, en door de acht eskadrons der staande Armée der Afdelingen Kurassiers 5 man van ieder Eskadron. Bij laatstgenoemde afdelingen zal men aan de zoodanige manschappen doen overgaan die door hunne gestalte voor den dienst der Ligte Kavallerie het meest geschikt zullen zijn; Deze 240 man zullen in de vier Eskadrons op eenen gelijke wijze worden verdeeld.”

Als tweede hadden de twee eerste commandanten van RL10 gediend bij het 2CLLGI. Dit waren de luitenant-kolonels Dubois (later generaal) en Tiecken de Terhove. De tweede regimentscommandant luitenant-kolonel Tiecken de Terhove had in 1814 het 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers, toen nog in Franse dienst, zelfs gecommandeerd.

De Rode Lanciers in Rusland, schilderij van Hoynck van Papendrecht

Als derde waren de uniformering en uitrusting van het 10de Regiment Lansiers vrijwel identiek aan die van het 2CLLGI. In feite verschilden alleen de kleuren, groen in plaats van rood en oranje in plaats van blauw . Het is aannemelijk dat de eerste regimentscommandant een grote invloed had op de uniformering. Het is duidelijk dat de getoonde uniformen ontworpen zijn door de eerste commandant van het regiment, de latere generaal Dubois, die ook had gediend bij 2CLLGI.
Als laatste werden niet alleen veel tradities, gewoonten en dergelijke van het RL10 werden overgenomen van 2CLLGI. Ook het aanvullend voorschrift van de cavalerie-exercitie was een vertaling van de desbetreffende Franse voorschriften die in gebruik waren bij 2CLLGI.

Ontkoppelen

Ringoir had 2CLLGI helaas al aan een andere cavalerie-eenheid gekoppeld, namelijk het in 1814 opgerichte Regiment Chevau-Légers van der Burg, wat later het Regiment Huzaren Prins Alexander (RHPA) werd. Deze koppeling is fout. Het Regiment Chevau-Légers van der Burg werd later het Regiment Lichte Dragonders Nr. 5. Dit was oorsprong een Belgisch regiment, behorende tot het Belgisch Legioen. Deze eenheden kwamen voort uit cavalerie-eenheden van de (voormalige) Oostenrijkse Nederlanden en dus niet uit het Staatse Leger. Vermoedelijk heeft Ringoir zich laten misleiden door de eensluidende naam: ‘Chevau-Légers.’ In de geschiedenis van het Regiment Huzaren Prins Alexander tot 1978 (jaar uitkomen publicatie Ringoir) is dan ook geen enkele aanwijzing te vinden dat het regiment ooit enige traditie van het 2me Régiment de Chevau-Légers Lanciers heeft gevoerd.

Samenvattend

Het Regiment Huzaren van Boreel kent twee stamregimenten, namelijk het Regiment Huzaren van Boreel/Regiment Huzaren Nr. 6 in 1813  en het Regiment Lansiers Nr. 10 in 1819.
Het Regiment Huzaren van Boreel is via het Regiment Lansiers Nr. 10 de voortzetting van garderegimenten en garde-eskadrons uit het Staatse Leger, het Leger van de Bataafse Republiek, het leger van het Koninkrijk Holland en het 2me Régiment de Chevau-légers Lanciers de la Garde Impériale. Hiervan is het oudste stamonderdeel, volgens de afstammingstabellen van H. Ringoir, het Regiment Dragonders van Frederik Casimir Hertog van Coerland tot Lijfland en Senegalliën, opgericht op 8 februari 1672.

Het Regiment Huzaren van Boreel is daarnaast via het in 1813 opgerichte Regiment Huzaren van Boreel (RH4, later RH6), voorzetting van het 11de Regiment Huzaren (opgeheven in 1814). Dit regiment was op 10 augustus 1810 voortgekomen uit het 2de Regiment Huzaren. Hiervan is het oudste stamonderdeel, volgens afstammingstabellen van H. Ringoir, weer het Korps Huzaren van Frederik Johan Otto Rijngraaf van Salm. Als oudste stamonderdeel van RHB geldt (volgens Ringoir) het op 22 juli 1585 opgerichte Vaan Ruiters van Adolf Graaf van Nieuwenaar en Meurs. Over deze afstammingslijn verschillen echter ook de meningen. Sommigen stellen dat een licht huzarenregiment nooit kon afstammen van een Staats zwaar cavalerieregiment. Anderen wijzen op de overgang destijds van ruiters van zware naar lichte cavalerie-eenheden en stellen dat er dus wel sprake kan zijn van een dergelijke afstammingslijn.

De Rode Lansiers tijdens een charge op een Britse infanterie square te Waterloo

Verwante artikelen:

Een Sabel van Napoleon’s Nederlandse Elite
The 2nd Regiment of Lancers of the French Imperial Guard

Het Nederlands Instituut Militaire Historie (NIMH) lanceert de online database ‘Nederlandse militairen in het leger van Napoleon’. Deze is het resultaat van vele jaren speurwerk van de heer Oteman in de militaire stamboeken en officiersdossiers aanwezig bij de Service historique de la Défense in Vincennes (nabij Parijs).

Het bestand bevat de namen van maar liefst 53.000 Nederlandse jongemannen die tussen 1797 en 1814 onder Franse vlag hebben gestreden. Daarbij worden de eenheid van de geregistreerde, de geboorteplaats, de geboortedatum en de namen van zijn ouders genoemd. Het ontsluit ook het inventarisnummer van de militair bij het archief in Vincennes, waar u nog meer informatie kunt vinden.

Deze database is een niet te missen naslagwerk voor elke genealoog en historicus die wil weten of voorouders met Napoleon naar Moskou zijn getrokken, of deelnamen aan andere veldslagen in Duitsland, Spanje of Polen.

U vindt de toegang via www.defensie.nl/nimh, of www.archieven.nl. Zoek daar naar ‘Nederlandse militairen in het leger van Napoleon’. Of gebruik deze weblink.

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!