Regiment Huzaren No.6 in de Slag bij Waterloo

Regimentsboek Huzaren van Boreel | [versie 2 dd. 20-02-2026]

De Slag bij Waterloo is de bekendste slag waarin het Regiment Huzaren No.6 (zoals Regiment Huzaren van Boreel destijds werd genoemd) gevochten heeft. RH6 heeft tijdens de slag indruk gemaakt met haar standvastigheid en gedisciplineerd optreden en hiermee mede de basis gelegd voor de overwinning van de hertog van Wellington op Napoleon.  

Op 17 juni, de dag na de veldslagen bij Ligny en Quatre Bras, waren de Fransen druk in de weer om inlichtingen te vergaren over de bewegingen van de Pruisen. Pas toen Napoleon meende zeker te weten dat de Pruisen niet meer in staat leken te zijn de Nederlanders en de Britten bij Quatre-Bras te versterken, zette hij zijn opmars in noordelijke richting voort. Op dat moment waren de Nederlanders en de Britten reeds geruime tijd op de terugtocht naar Brussel. Om 11.00 kreeg generaal Collaert, die nog met de cavaleriebrigades in bivak noord van Quatre Bras en bij Arquennes lag, om naar via Nivelles naar Mont St.Jean te verplaatsen. Voordat Nivelles werd bereikt kreeg generaal Collaert van een paar militaire politieposten te horen dat Franse cavalerie eenheden naderden vanuit Hautain Le Val. Hij liet vervolgens het Regiment Lichte Dragonders No.4 (o.l.v. lkol Renno) rechtsomkeert en front oost maken. De rest van de cavalerie-eenheden ging over van stap in draf om haast te maken. De Franse cavalerie draaide echter af naar het zuiden en plunderde de zojuist verlaten Nederlandse bivaks, waar ze een paar gevangenen konden maken. 

generaal Collaert

DR4 kon daarna wederom aansluiten bij de colonne, maar er waren op deze (terugtochts)dag nog wel enkele kleinere schermutselingen tussen verkennende Franse cavalerie en achterhoede patrouilles van DR4.

De slag bij Waterloo, 18 juni 1815. Gezicht op het slagveld op het moment dat de Engelse bevelhebber Wellington hoort dat Pruisische hulp onderweg is. De gewonde Willem, prins van Oranje, wordt links op de voorgrond weggevoerd. De bevelhebbers en andere officieren te paard staan in het midden, rechts op de voorgrond gewonde en dode soldaten. Op de achtergrond woeden de gevechten op het slagveld. Geportretteerd zijn verder (onder anderen): Lieutenant-general Lord Uxbridge, sir Rowland Hill, Staff Colonel Sir William Delancey, Major-General George Cooke, Colonel Harvey, Colonel Campbell, luitenant-generaal Don Miquel de Alava, Lieutenant-colonel F.C. Ponsonby, Major William Thornhill, Jean Victor, baron De Constant de Rebeque, Colonel Sir John Elley, Luitenant-kolonel Aberson, Generaal-majoor A.K.J.G. d’Aubremé, Kapitein Aberson, Kapitein H. Roepel, Kolonel H. Detmers, Majoor J.L.D. van der Smissen, Luitenant kolonel A. van Thielen, Luitenant kolonel Jhr. W.F. Boreel, Luitenant Generaal D.H. Baron Chassé, Colonel Sir G.A. Wood, Generaal Majoor J.B. Baon van Merlen, Luitenant Generaal Ch. von Alten, Major General Sir Colin Halkett, Lieutenant-Colonel William George Harris, Kapitein C. Nepveu, Fitzroy James Henry Somerset, H.D. Graaf De Cruquenbourg, N.C. Ampt, Generaal-Majoor Jhr. A.D. Trip, John William Fremantle, Generaal-Majoor Graaf van Rheede, Major-General Lord Edward Somerset, Charles Gordon Lennox, earl of March, Colonel Dennis Pack, Majoor P.S.R. van Hooff, Major general John Ormsby Vandeleur, Major Georg, Freiherr Baring, Kolonel C. Von Ompteda, Kolonel L.J.H.F. De Caylar en Général de Division Cambronne, Maréchal de Camp.
generaal Ghigny

De 2e Lichte Brigade met hierin RH6 en DR5 kwam om ongeveer 13.00 uur op 17 juni aan bij Mont St. Jean. Ze werden in stelling gelegd tussen de twee steenwegen van Mont St. Jean naar Genappe en Nivelles, ten zuidwesten van de hoeve Mont St.Jean. Om 17.00 was hier de hele Nederlands cavalerie verzameld toen ook de brigades van Trip en Gigny arriveerden, inclusief de twee batterijen Rijdende Artillerie. De regimenten betrokken afzonderlijke bivaks, elk in twee rijen tenten, met de brigade Ghigny op de linkervleugel, van Merlen in het midden en Trip op de rechtervleugel. De twee halve batterijen Rijdende Artillerie lagen in de ruimtes tussen de drie brigades. Samen met de troepen die nog eerder waren ingezet, begonnen ze de verdediging voor te bereiden in de omgeving van St Mont Jean, zuid van het plaatsje Waterloo (zuid van Brussel). De plek was door Wellington uitgekozen om de Franse opmars in de richting van Brussel tot staan te brengen. De Franse eenheden voerden die dag agressieve verkenningen uit totdat het Napoleon duidelijk was dat Wellington ten zuidoosten van Brussel slag wilde leveren op de heuvelrug bij de boerderijen La Haye Sainte en La Belle Alliance.  

De Franse voorhoede arriveerde en leverde een beperkte slag met de Engelse cavalerie die de stellingen van de Engelse infanterie beschermde. Een veteraan van DR4 vertelt hierover:  

De gevechten verstomden inderdaad terwijl meer en meer Franse troepen arriveerden en hun stellingen op de tegenoverliggende heuvelrug innamen.

Tevreden, omdat andermaal een vijand die zo dom was slag te willen leveren zonder te mogen rekenen op de steun van de andere geallieerde troepen, hield Napoleon het die dag verder voor gezien. De tevredenheid van Napoleon was des te groter vanwege de locatie die Wellington had uitgekozen. Ten noorden van de opstellingen van Wellington – en dus in diens rug – lag het Zoniënwoud, waardoor een eventuele georganiseerde terugtocht praktisch onmogelijk was. Hierdoor had Wellington geen andere mogelijkheid dan een hardnekkige en statische verdediging te voeren.  

Het begon weer te regenen en er stak een kille oostenwind op. De door de slag bij Quatre Bras afgematte troepen hadden het zwaar. Dezelfde veteraan van DR4 vertelt: 

Voedelgebrek was het andere probleem. Terwijl de Engelse een dubbele portie rum en voedsel hadden gekregen, ontving het Nederlandse deel van het leger niet omdat de private contractor die het leger had moeten voorzien van voedsel, bankroet was gegaan. Sommige eenheden (zoals DR4) hadden hun bagagetrein in de chaotische dagen ervoor, verloren zien gaan. Sommige mannen gingen met succes op rooftocht bij boerderijen in de omgeving, maar de meesten mannen hadden niets te eten. Ook de paarden werden niet voorzien van voedsel, tenzij de ruiter zelf nog iets geritseld had. De volgende ochtend stond iedereen koud en nat op en begon zich voor te bereiden op de te verwachten slag. Men had vaak onder de paardendekens geslapen die nu nat en doorweekt op de ruggen van de paarden onder de zadels werden gelegd. Dit droeg niet bij aan het rijcomfort van de paarden zelf. De omstandigheden waren niet best.1 Baron van Tuijll-van Serooskerken schreef daar later over2

Napoleon had op 18 juni 1815 gepland dat de aanval om 09.00 uur zou worden ingezet.  Het 2e Franse legerkorps van generaal Reille, dat op 16 juni reeds zware gevechten had geleverd met de Nederlanders en de Britten bij Quatre-Bras, was echter op dat tijdstip nog niet in opstelling op de westelijke flank van het Franse leger. Bovendien drongen zijn artillerie commandanten er bij Napoleon op aan te wachten, totdat de grond die door de aanhoudende regen van de voorgaande dag en nacht was doorweekt de tijd te geven enigszins te drogen. Daardoor kon de bereden artillerie beter en sneller op het slagveld bewegen en de kanonskogels zouden beter stuiteren. Maar het belangrijkste aspect dat Napoleon deed besluiten zijn aanval uit te stellen, was toch wel de grove onderschatting van zijn tegenstander.  Toen zijn maarschalken en generaals op de ochtend van Waterloo hun zorg uitspraken over de slag, antwoordde Napoleon dat deze slag niet meer was dan het eten van hun ontbijt. De geallieerden waren weliswaar in aantallen sterker, maar de Fransen hadden naar zijn mening 90% kans op de overwinning en de geallieerden nog geen 10%. Waarom zou je je haasten als het al een gewonnen zaak was. En zo werd de aanval uitgesteld tot 13.00 uur.  

general Reille

Het plan van Napoleon was eenvoudig en drastisch tegelijk. Vanwege de slechte positie van Wellington zou hij de Britten en Nederlanders met een frontale mokerslag verslaan. Hij wilde daartoe op de oostelijke flank en buiten het zwaartepunt van Wellingtons verdediging een doorbreking uitvoeren. De Britten zouden zich vervolgens zo snel mogelijk terugtrekken op de Belgische havens en naar Engeland varen. Vervolgens zou Napoleon zijn handen vrij hebben om de Pruisen, de genadeslag toe te brengen, om zich daarna op de oprukkende Russen en Oostenrijkers te richten.  

De geallieerde eenheden hadden zich in lijn opgesteld, met infanterie voorop. De cavalerie stond erachter gegroepeerd in drie grotere concentraties. De Nederlandse cavalerie (waaronder RH6) stond in het midden. Om 10.00 werd er een duidelijk opbouw zichtbaar in de Franse linies (het Corps van D’Erlon) en als gevolg hiervan werd de 1e Lichte Brigade van Gigny verplaatst naar het oosten van de weg Brussel-Charleroi en nam plaats achter de Britse infanteriedivisie van Picton. De 2e Lichte Cavalerie Brigade (van Merlen) en Zware Cavalerie Brigade (Trip) bleven in eskadronscolonnes staan op de oude plaats in het midden. Een eskadron van DR4 dat die ochtend eten was gaan halen (o.l.v. lnt De Bellefroid) kon bij terugkomst hun regiment niet meer vinden en sloot zich maar aan bij DR5.

Op deze kaart is het noorden onder en het zuiden boven. In oranje de ontplooiing van de Nederlandse cavalerie op 18 juni omstreeks 11.00 uur. 6 = RH6. Rood is Britse troepen van Wellington en in blauw de Franse troepen van Napoleon. Zwart is het Brunswijck contingent onder bevel van Wellington. De beweging van de brigade van Gigny naar het oosten is zichtbaar.

generaal Perponcher

Wellington had besloten om alle eenheden onder Brits bevel te zetten. De 3e divisie van Chassé kwam onder leiding van Hill, de 2edivisie van Perponcher kwam onder leiding van Picton en de Nederlandse cavalerie werd onder leiding van Uxbridge geplaatst. Deze bevelswisseling vlak voor het begin van de strijd gaf natuurlijk verwarring. Er waren meer problemen, want het terrein was ook niet echt geschikt voor cavaleriecharges. De regen had het terrein doorweekt en slipperig gemaakt. Ook de gewassen stonden hoog in juni, waardoor (hoewel hier en daar platgetrapt) kuilen en hindernissen slecht zichtbaar waren voor de paarden en hun ruiters. Een ander niet onbelangrijk nadeel was de te grote verspreiding van de geallieerde cavalerie op de gehele frontlinie. Hierdoor konden geen charges met grotere ruitereenheden worden uitgevoerd waardoor stootkracht verloren ging. Bovendien was het moeilijk gezamenlijke manoeuvres uit te voeren omdat veel commandanten elkaar niet kenden en de bevelslijnen bovendien gewijzigd waren. Aan Franse zijde was dit beter, doordat die in grotere eenheden geconcentreerd bleef en men meer gevechtservaring had. Een laatste nadeel was verschil in doctrinaire opvatting. Veel Nederlandse officieren hadden in Franse dienst gevochten en gewend aan eigen initiatief, terwijl de Britse doctrine een veel centralistischer bevelvoeringssysteem voorstond. Met andere woorden: alleen handelen in de opdracht van een hogere commandant.

De hoofdaanval op Wellingtons oostelijke flank zou worden ondersteund door een zogenaamde demonstratie van een Franse cavaleriedivisie op de uiterst westelijke flank en een misleidingsaanval op het zwaartepunt van Wellingtons verdediging: het chateau de Hougoumont. Deze demonstratie en de misleidingsaanval moesten om 11:20 uur beginnen. In het oostelijk gelegen zwaartepunt zou de Franse aanval plaatsvinden met een combinatie van cavalerie en infanterie. De hoofdaanval zou worden voorafgegaan door een inleidende artillerie beschieting. Deze beschieting werd, zoals wel vaker bij een Franse aanval, uitgevoerd door een grote batterij. Bij Waterloo telde deze grote batterij ongeveer 80 stukken en was opgesteld op ongeveer 600 meter vanaf de opstellingen van Wellington. Deze batterij was omstreeks 13:00 uur gereed om de inleidende beschieting te beginnen toen in het oosten onbekende troepen op het slagveld leken te arriveren. Verkenningen door de Franse lichte cavalerie wezen uit dat het de voorhoede was van het 4e Pruisische legerkorps onder luitenant-generaal Von Bülow. Deze voorhoede bevond zich ter hoogte van Chapelle – St Lambert, zo’n zeven kilometer naar het oosten. De rest van het Pruisische leger bevond zich nog rond Wavre, nog eens acht kilometer verder naar het oosten.  

Napoleon had nu twee mogelijkheden. Wellington alsnog aanvallen, in de hoop dat zijn verdediging zou zijn doorbroken voordat de Pruisen te hulp konden komen, of terug te trekken en door middel van manoeuvreren een volgende kans  te creëren om de geallieerden afzonderlijk te verslaan. Napoleon koos voor de eerste optie, omdat hij veronderstelde dat maarschalk Grouchy zijn orders juist had geïnterpreteerd en het gros van het Pruisische leger zou binden, zodat deze zich niet kon mengen in zijn slag met het Brits-Nederlandse leger.  Drie kwartier later dan de oorspronkelijke plannen, om 13.45 uur, werd de hoofdaanval ingezet door de Franse infanterie, ondersteund door zware cavalerie tegen de linkerflank van Wellington Het Corps van D’Erlon viel aan in vier colonnes. De divisie van Allix tegen de boerderij La Haye Sainte, de divisie van Donzelot en Marcognet tegen het midden van de linkerflank van de Britse stelling en de divisie van Durutte tegen La Haye, Frishermont en Papelotte. 

Toen het duidelijk werd dat de Franse infanterie aanval een serieuze dreiging werd, kreeg de Nederlandse cavaleriedivisie rond 14.00 uur bevel zich in zuidoostelijke richting te verplaatsen tot achter en ter versterking van de eigen infanterie eenheden. Generaal-majoor Trip sloot met zijn Zware Cavalerie Brigade de weg richting Brussel af. De 2e Lichte cavaleriebrigade onder bevel van generaal-majoor Van Merlen, met daarin het RH6 (onder commando van lkol Boreel) en DR5 onder commando van lkol De Merkx, nam ondersteunende posities in achter de al eerder naar het oosten verplaatste 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor Gigny. Deze stond intussen opgesteld achter de meest oostelijke infanteriebrigade. Gigny had zijn brigade namelijk iets naar het oosten verplaatst en zelfs de drie eskadron van DR4 min of meer in voorste linie geplaatst met RH8 erachter. Van Merlens brigade kwam nu feitelijk achter de Union Brigade van Ponsonby terecht ongeveer ter hoogte van de boerderij van Mont St. Jean. Tijdens de verplaatsing naar de nieuwe locatie had de brigade al enkele verliezen geleden door kanonschoten die door de voorste linies heen vlogen en over de top van de heuvel richochetteerden. Een officier van DR4 vertelt over het aanhoudende kanonvuur:  

Van Bylandt

Aanvankelijk had Franse de aanval succes. Onder de zware druk van de Franse artillerie en infanterie trok de Nederlandse infanteriebrigade Van Bylandt zich in ongeordende toestand terug. De Britse brigades waren inmiddels ook dusdanig fysiek verbroken dat ze niet langer weerstand konden bieden aan de Franse infanterie. Het Brits-Nederlandse centrum van de verdediging was bijna doorbroken, toen een tegenaanval van de Britse zware cavalerie onder leiding van de generaal Uxbridge werd uitgevoerd. De aanval werd uitgevoerd met twee cavalerie brigades (Union Brigade met 1st Royal Dragoons, the Scots Grey, 6th Inniskilling Dragoons en de Household Brigade met de 1st Life Guard, 2nd Life Guard, 1ste Dragoon Guards, Blues). De tegenaanval was slecht voorbereid en slecht gecoördineerd. Zo ontbrak bijvoorbeeld een tweede linie om initieel succes te kunnen uitbuiten. Weliswaar kon deze tegenaanval in eerste instantie de Franse infanterie terugslaan, maar door de slechte discipline bij de Britse cavaleristen werd de charge te ver doorgevoerd. Hierdoor kregen Franse lansiers (3e Chasseur á Cheval en 4e Lanciers) de kans de Britse cavalerie in de flank aan te vallen, wat tot een slachting leidde. 

Deze flankaanval werd vervolgens versterkt doordat de 5e en 10e Cuirassiers vanuit het Westen de vallei begonnen schoon te vegen. De Union Brigade verloor de helft van haar mannen en maar liefst tweederde van haar paarden. De restanten van de twee brigades waren feitelijk niet meer inzetbaar.

Dit fiasco van de tegenaanval door de Britse zware cavalerie vond onder meer zijn oorzaak in de autoritaire wijze van leidinggeven en de slechte bevelvoering van Wellington. In Wellingtons leger was het voor de Britten, in tegenstelling tot de Fransen, Pruisen en Nederlanders, uitgesloten dat er eigen initiatief werd ondernomen. Toen de Britse zware cavalerie onder Uxbridge vluchtte voor de Franse lansiers stonden twee Britse cavaleriecommandanten, Vandeleur en Vivian, met hun brigades werkeloos toe te kijken. Toen de Pruisische liaisonofficier hen vroeg waarom ze niets deden antwoorden zij:

Toen de liaisonofficier naderhand vol ongeloof dit incident aan Wellington meldde sprak deze: 

Hoe anders was dat bij de Nederlandse cavaleriedivisie onder bevel van luitenant-generaal J.A. baron De Collaert. 


Baron De Collaert had zijn brigadecommandanten, de generaal-majoors De Ghigny, Van Merlen en Trip de opdracht meegegeven zoveel mogelijk zelfstandig, naar bevind van zaken – zoals dat heet – te handelen en het initiatief te nemen. Wellington wenste niet alleen geen enkel eigen initiatief, hij was er ook de man niet naar om zijn ondercommandanten ook maar enigszins te informeren omtrent zijn plannen. 

Lord Uxbridge bijvoorbeeld, was naast de commandant van de cavalerie ook de plaatsvervanger van Wellington.

Toen Uxbridge aan de vooravond van de slag bij Waterloo aan Wellington liet vragen (Uxbridge wilde het niet zelf vragen omdat Wellington een hekel aan hem had) wat zijn plannen waren, antwoordde deze: 

Waarop de vragensteller antwoordde:

antwoordde Wellington, 

Gelukkig voor vele Britse cavaleristen hoefde de Nederlandse cavalerie zich niet te houden aan de onzinnige orders van Wellington en chargeerde de 1e Lichte Cavalerie Brigade (staande op de uiterste linker flank) op eigen initiatief op de Franse lansiers die zo’n slachting aanbrachten onder de Britten en redde daarmee vele levens. Ook de Franse infanterie die alhier de oorden La Haye en Smohain al aardig genaderd waren, waren doelwit van de chargerende Nederlandse cavalerie. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook het 12e Regiment Britse dragonders onder bevel van luitenant-kolonel Ponsonby zich ook op eigen initiatief in de mêlee stortte. Het eerste chargerende regiment was het Zuid-Nederlandse RH8 die de Franse infanterie aan de voet van de heuvel aanvielen. Deze werden op hun beurt weer aangevallen door de Franse 7e Huzaren en 3e Chasseurs á Cheval en de 3e en 4e Lanciers. De terugtocht van RH8 achter de Ohain-weg werd gedekt door de Congreve raketbatterij van Whinyates. Hier ging het nodig mis en enkele raketten kwamen neer tussen de rijen van RH8 met enkele doden en gewonden tot gevolg. Toen de Franse infanterie zich opnieuw trachtte te ordenen en voorwaarts te gaan, stortte het tweede regiment van de 1e Lichte Brigade, DR4 zich op de Fransen. Dragonder Fundter van DR4 vertelt hierover: 

Na de charge keerde DR4 terug achter de linies van het Schotse 92e Regiment, wat de heuvelrand bezet hield. Luitenant-kolonel Baron van Heerdt tot Eversberg behoorde tot de staf van de 1e Lichte Cavalerie Brigade en vertelt:  

Ritmeester van Pallandt bleef ondanks zijn verwondingen zijn eskadron aanvoeren, maar zou aan het van de dag door zijn meerdere verwondingen dood van zijn paard vallen.

Er zijn nog twee beschrijvingen van deze charge. De eerste is de chef staf van het Nederlandse leger, generaal de Constant Rebecque die in zijn dagboek schrijft: 

Het tweede verslag is van generaal Gigny zelf die in zijn gevechtsverslag schrijft: 

Hij vertelt verder over een poging om Franse infanterie aan te vallen: 

De 1e Lichte Cavalerie Brigade kreeg van Uxbridge opdracht om in positie te blijven en aldaar in positie staande batterijen artillerie te beschermen. Later zou de brigade weer naar de westzijde van de weg naar Charleroi worden verplaatst.

Ook de 2e Lichte Cavalerie Brigade nam deel aan deze fase van de strijd en dan met name door het verdrijven en krijgsgevangen nemen van de resterende Franse infanterie die zich in front van de geallieerde opstellingen probeerde te hergroeperen. Dit was in front van de onder druk staande infanterie brigade van Bijlandt. In tegenstelling tot de Britse cavaleristen hielden de Nederlandse regimenten, RH6 en DR5, tijdig halt in de vallei om zo de vluchtende Britse cavalerie de aftocht te dekken. Daarna en onder toenemend vijandelijk artillerievuur van de grote Franse batterij, trokken zij zich geordend terug. Een infanterist van de brigade van Bijlandt zag deze charge vertelt hierover:  

Een andere soldaat schreef in zijn dagboek: 

De door de Nederlandse cavalerie gemaakte Franse gevangenen werden door 400 infanteristen van de aangeslagen brigade van Bijlandt en Inniskilling Dragonders naar Brussel afgemarcheerd.

De Franse aanval op de linkerflank, de mislukte charges van de twee Britse cavaleriebrigades en de posities van de Nederlandse cavalerie tussen 13.00 en 15.00 uur. De drie afzonderlijke Nederlandse brigades zijn in oranje weergegeven. 6 = RH6

Met het praktisch verloren gaan van zijn zware Britse cavalerie in de aanvangsfase van de slag was Wellington zijn belangrijkste manoeuvremiddel kwijt om het initiatief te nemen in het gevecht. Weliswaar was de Engelse zware cavalerie het belangrijkste maar niet het enige middel. Er was nog altijd de Nederlandse cavalerie. In deze fase van de slag, nog veel meer dan aan het begin van de dag, kwam het nu aan op de Pruisen. Als die te laat kwamen, was alles verloren. Maar de Pruisen, met name de chef staf Gneisenau, hadden niet zoveel haast. Gneisenau was niet vergeten dat Wellington ondanks zijn belofte tot wederzijdse steun op16 juni de Pruisen bij Ligny niet te hulp was gekomen. Hij voelde er niets voor om weer door Wellington te worden gebruikt. Hij gaf de commandant van het 4e Pruisische legerkorps  dan ook expliciet de opdracht mee zich ervan te overtuigen dat ‘deze Brit’ zelf wel wilde vechten, voordat de Pruisen aan het gevecht gingen deelnemen.  

Bovendien was er ook nog een actueel meningsverschil tussen Wellington en Gneisenau over de richting van de Pruisische opmars. Wellington eiste dat de Pruisen over het oord Ohain marcheerden en zijn verdediging zouden versterken. Gneisenau besloot evenwel tot  een gedurfde tegenaanval op Napoleons oostelijke flank die zou worden uitgevoerd door het 4e Pruisische legerkorps via het dorp Plancenoit. Pas daarna zou het 1e Pruisische legerkorps de opstellingen van Wellington versterken. 

Ondertussen bleef Wellington geen aandacht schenken aan wat er in het centrum en op de oostelijke flank van de geallieerde verdediging gebeurde en hij was geobsedeerd door de verdediging van Hougoumont op zijn westelijke flank. Hij realiseerde zich niet dat de Fransen daar aanvankelijk slechts een demonstratie uitvoerden die later uitliep op een enigszins uit de hand gelopen, misleidingsaanval.  

August Neidhardt von Gneisenau

Door het afslaan van de eerste Franse aanval op de oostelijke flank van de Brits-Nederlandse verdediging trad een gevechtspauze in die de geallieerde commandanten gebruikten om het centrum van de verdediging te versterken. Napoleon benutte deze tijd om de nog steeds voortdurende misleidingsaanval op Hougoumont te ondersteunen met houwitsers en voorts door de grote batterij in zijn centrum te versterken. Het artillerievuur van deze batterij bracht zware verliezen toe aan Wellingtons centrum, waarop Wellington zijn eenheden liet terugvallen naar de achterhelling van zijn opstelling om hen zodoende meer bescherming te bieden tegen dit artillerievuur. 

De Franse maarschalk Ney zag deze achterwaartse beweging en interpreteerde die als het begin van een terugtocht. Hij meende een mogelijkheid te zien het centrum van Wellington definitief te doorbreken en zette het 4e cavaleriekorps met 3.100 ruiters in om dit doel te realiseren. Dit 4e  cavaleriekorps wordt spontaan gevolgd door de lichte cavaleriedivisie van de Franse Garde met nog eens bijna 2.500 ruiters . Het was nooit de bedoeling dat zo’n enorme hoeveelheid cavaleristen de charge zouden inzetten. In eerste instantie beveelt de maarschalk Ney slechts een zware cavalerie brigade om aan te vallen. Als de commandant van de zware cavaleriedivisie dat ziet rijdt hij naar  maarschalk Ney en vertelt hem dat die geen bevelsbevoegdheid heeft over de zware cavalerie. In de voorschriften stond dat als Napoleon zelf op het slagveld was, de zware cavaleriekorpsen onder direct bevel van de keizer stonden. Ney wordt daarop zo kwaad dat hij het hele cavaleriekorps opdraagt aan te vallen. Hierop rijdt de Franse cavaleriekorps commandant naar de commandant van de lichte cavalerie van de Franse Keizerlijke Garde en zegt: 

Michel Ney, Marshall of the French Empire, Duc of Elchingen, Prince of Moscow

Waarop ook deze elite cavaleristen aan de charge gaan deelnemen. Napoleon, die door zijn chef-staf, maarschalk Soult, werd geattendeerd op de eigenmachtig uitgevoerde cavalerieaanval, stelde vast dat deze aanval te vroeg in de slag werd uitgevoerd, maar hij gaf tegelijkertijd bevel deze aanval met alle cavaleriemiddelen te ondersteunen. Hierop werd ook het 3e Franse cavaleriekorps en de zware cavaleriedivisie van de Garde opgedragen aan de charges deel te nemen. In totaal namen 67 eskadrons geformeerd in 20 regimenten deel; ruim 11.200 ruiters!

werd geattendeerd op de eigenmachtig uitgevoerde cavalerieaanval, stelde vast dat deze aanval te vroeg in de slag werd uitgevoerd, maar hij gaf tegelijkertijd bevel deze aanval met alle cavaleriemiddelen te ondersteunen. Hierop werd ook het 3e Franse cavaleriekorps en de zware cavaleriedivisie van de Garde opgedragen aan de charges deel te nemen. In totaal namen 67 eskadrons geformeerd in 20 regimenten deel; ruim 11.200 ruiters!Bij het zien van de voorbereiding voor deze charge verplaatste de generaal-majoor Trip zijn Nederlandse Zware Cavalerie Brigade terug vanaf de positie langs de verharde weg naar Charleroi naar zijn oude positie. Maar wel meer voorwaarts tot vlak achter de infanterie eenheden die zich in zogenoemde carrés opmaakten voor de naderende Franse cavalerie aanval.  De twee lichte cavalerie brigades volgden ook, staken de verharde weg in galop naar het westen over en namen iets verder achter de zware cavalerie posities in. De brigade Van Merlen stond links achter de brigade van Trip , terwijl de brigade van Gigny zich rechts achter positioneerde. De Nederlandse cavalerie stond nu tussen de Engelse cavalerie. Allen stonden ze gedekt achter de heuveltop. Doordat door de eerste charge er geen zware Engelse cavalerie meer over was, vormde de Zware Cavalerie Brigade van Trip de enige zware cavalerie reserve. Op twee na waren nu alle geallieerde cavalerie regimenten in het midden (west van de verharde weg) opgesteld. Ongeveer 7000 ruiters, waarvan ongeveer 40% Nederlands en Belgisch. Generaal Trip in zijn gevechtsverslag:

De bestorming van La Haye Sainte

De Franse aanval was compact met meer dan 5000 ruiters. Voorop reden de kurassiers met op de flanken geëchelonneerd naar achteren lansiers en jagers te paard. De voorste rij was 500 ruiters in linie. Heuvelop nam het tempo was af door de modderige bodem. Tussen de boerderijen La Haye Sainte en Hougemont was er minder ruimte en moesten de rijen ruiters indikken. Het was rond 16.00 uur toen de eerste aanvalsgolf van de Franse cavalerie de geallieerde artilleriebatterijen en infanteriecarrés overspoelde onder het continue schreeuwen van “Vive L’Empereur!” De Franse Cavalerie lukte het om de eerste linie artillerie batterijen neer te rijden en  versnelde op de heuveltop tot een galop. Een Engelse artillerist schrijft: 

Het lukte de Franse kurassiers niet om de in meerdere linies opgestelde en elkaar steunden Engelse infanterieblokken  te doorbreken. Daarop besluit generaal Trip de Nederlandse Zware Cavalerie Brigade in te zetten en die viel aan op het 7e en 12e Franse kurassiersregiment (onder leiding van majoor generaal Travers). Hij zet aanvankelijk eerst het Regiment Caribiniers No1 (RC1) in en houdt het Regiment Caribiniers No2 (RC2 in reserve. Gevechtsverslag van generaal Trip: 

 

RC1 ging voorwaarts in stap en later in draf om verband te kunnen houden en relatief uitgerust de charge te kunnen inzetten. De Fransen paarden daarentegen waren al uitgeput van de draf heuvelopwaarts en de modderige grond. Ook hadden de Franse kurassiers niet veel bewegingsruimte door de compacte masse ruiters. De laatste 100 meter van de charge van RC1 werd in vol galop uitgevoerd. Na een heftig treffen trokken de Franse kurassiers zich in wanorde terug. Een ooggetuige van de Nassau brigade schrijft: 

De Franse linker vleugel trok zich terug, later gevolgd door de rechtervleugel, naar de valleilaagte ongeveer ter hoogte van de boerderij La Haye Sainte. Sommigen van beiden zijden kenden elkaar. Het Franse 12e Regiment Cuirassiers bestond namelijk uit restanten van het vroegere 14e Regiment Cuirassiers, wat een regiment was geweest onder de leiding van generaal Trip. De Franse generaal Travers had bijvoorbeeld een Regiment Grenadiers te Paard gecommandeerd in de Koninklijke Garde van het Koningrijk Holland. En generaal Trip had als luitenant-kolonel onder Travers gediend. Twee eskadrons van RC2 volgden de charge van RC1. RC3 werd achtergehouden. Luitenant Morbotter van RC3: 

Maar veel tijd hebben de Nederlandse regimenten niet om te hergroeperen, want een nieuwe golf van Franse cavalerie bestormt het plateau. Luitenant Morbotter weer: 

Huzaar Wouter van Schalkwijk die in RC1 diende schrijft later: 

The defence of Hougoumont at Waterloo, 1815

 Inderdaad was de commandant van RC1, lkol Coengracht door een kanonskogel gedood en kwam ook zijn plaatsvervanger majoor Bisdom om het leven. Het bevel werd overgenomen door ritmeester Heshusius. De nieuwe golf Franse ruiters kwam van de linkerflank en bestond uit de kurassier brigades van Dubois en Farine (1e, 4e, 5e en 10e Regiment Cuirassiers), ondersteund door de Chasseurs á Cheval en Lansiers van het Corps Lefebre-Desnoëttes. Ook op deze Franse ruiters wordt door de haastig gehergroepeerde Nederlanders gechargeerd, terwijl ook Engelse cavalerie (dragonders o.l.v. Dornberg) chargeerden. Deze Nederlandse charge werd uitgevoerd door RC2 met het volgende RC3 in reserve. Tijdens deze gevechten hanteerden beide partijen rechte sabels (de zogenaamde ‘pallasch’). Dit resulteerde in typische steekwonden, waardoor het aantal doden en gewonden tijdens dit gevecht relatief hoog was. Door zijn enthousiasme meegesleept galoppeerde ook de Prins van Oranje naar het front van RC2, terwijl hij in het Frans riep: 

De Franse kurassiers werden niet alleen teruggeslagen maar tot ver in de vallei achtervolgd. Maar ook nu weer wisten de Nederlandse cavaleristen hun discipline te handhaven en trokken zij zich tijdig en geordend terug naar hun uitgangsstelling. Zelfs Wellington kon er niet omheen dat de Nederlandse cavalerie zijn mannetje had gestaan en vermeldde in zijn eerste verslag – zogenoemde ‘despatches’ –  dat de generaal-majoor Trip, die samen met de divisiecommandant, luitenant-generaal baron De Collaert, de charge aanvoerde: ‘conducted himself much to my satisfaction’.  Generaal-majoor de Constant Rebecque schrijft in zijn rapport: 

Tegenaanval van de Franse cavalerie op de Britse troepen, slag om Waterloo, 1815

Maar de beproeving was nog niet voorbij. De Franse cavalerie had zich weliswaar teruggetrokken naar de voet van de vallei, maar niet verder. Maarschalk Ney besloot een nieuwe poging te wagen. Hij bracht het 3e Corps van Kellerman naar voren, bestaande uit 7 eskadrons kurassiers, 7 eskadrons dragonders en 6 eskadrons carabiniers. Hierbij liet hij de Divisie Zware Cavalerie van Guyot aansluiten, bestaande uit 6 eskadron Grenadier te Paard, en 7 eskadrons Dragonders. Samen met de restanten van de eerste aanval werden er nu 76 eskadrons met 10.000 ruiters gereed gesteld. Allemaal in een relatief klein gebied met feitelijk maar front ruimte voor 8 eskadrons tegelijk. Rond 17.00 uur mengde deze tweede golf Franse zware cavalerie zich in de strijd en voerden de geallieerde infanterie en cavalerie een fel verdedigend gevecht tegen deze enorme massa aan cavaleristen. De Fransen vielen in eskadronscolonnes aan vanwege het gebrek aan ruimte. Ze vielen nu meer naar het westen aan, dichter bij de boerderij Hougoumont, waar Engelse infanterie nog altijd stand hield. Geallieerde artillerie op de heuvelrug beet stevig van zich af en veegde groepen Franse ruiters van hun paard. Hele banen werden weggevaagd, maar de Franse cavalerie bleef voorwaarts bewegen. Ook de geallieerde infanterie schoot vele Franse ruiters van hun paard, die de Engelse infanterieblokken omspoelde. Britse cavalerie voerde tegenaanvallen uit, waarbij het gebrek aan manoeuvreruimte een grote hinder was. Een Schotse infanterist: 

The Battle of Waterloo, 16-19 June 1815, the Defeat of Kellerman’s Cuirassiers; Williamson Art Gallery & Museum

De Britse infanteriedivisie werd hierbij bijna weggevaagd, maar gelukkig is de Nederlandse generaal Chassé met zijn infanteriedivisie vanuit het gehucht Braine l’Alleud op eigen initiatief naar het centrum van de slag getrokken. Hij wist het dreigende gat in de verdediging net op tijd te dichten. 

Het lokale museum met een diorama van het beeld van de slag bij Braine l’Alleud

De 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor De Ghigny (RH8 en DR4) nam geen deel aan de tegenaanvallen op de eerste aanvalsgolven van de Franse kurassiers, maar in hun positie op het westelijk deel van het slagveld hadden ze ook te lijden onder Frans artillerievuur. Dragonder J.C. Fundter van RD4 schrijft: 

Ze zagen de strijd ook rechts ook gebeuren. J.B. Christemeijer van DR4 schrijft: 

Dat de lichte brigades niet van meet af aan werden ingezet was begrijpelijk. De huzaren en lichte dragonders zouden bij een directe confrontatie met de kurassiers, met hun langere rechte zwaarden, geen partij zijn geweest. Bij de tweede aanvalsgolf kreeg de Brigade van De Gigny persoonlijk van de Prins van Oranje toch opdracht te chargeren op de Franse zware cavalerie die op het punt stond de geallieerde linie te doorbreken. Er was op dat moment geen andere cavalerie eenheid voorhanden. Alleen het Engelse 7e Regiment Huzaren (o.l.v. Colquhoun Grant) was nog beschikbaar, die deelname aan de charge van de 1e Lichte Brigade. In eerste instantie had de charge van de Lichte Brigade succes, maar na enige tijd werden de huzaren en dragonders teruggedreven. Dragonder F.C. Fundter van RD4 vertelt: 

kolonel Ignace Louis Duvivier

Daarop kregen ze van de Prins van Oranje nog een keer de opdracht te chargeren. Deze tweede charge was gericht tegen ‘reuzen’ van het slagveld, de ‘Grenadiers à Cheval de la Garde impériale’, en was gedoemd te mislukken. Maar wederom zagen de Nederlandse huzaren kans om na te hebben gechargeerd zich terug te trekken en dit ondanks de moeilijke terrein- omstandigheden, het aanhoudend artillerievuur en de dreiging van de ‘Grenadiers à Cheval’. Deze tweede charge werd uitgevoerd met RH8 voorop. De paarden van kolonel Duvivier en generaal De Gigny werden gedood en majoor de Viliers werd dodelijk gewond. De Gigny gaf bij de terugtrekking RH8 opdracht zich achter RD4 te formeren, maar dit lukt niet. Dit vanwege het feit dat de opdracht in het Nederlands werd gegeven terwijl RH8 van Belgische afkomst was. In plaats van links om de dragonders heen te rijden, galoppeerden de huzaren dwars door de rijen van DR4 naar achteren. Ook dit regiment werd hierdoor in verwarring gebracht, terwijl de Franse cavalerie hiervan gebruik probeerde te maken. Ritmeester Koltrop van RD4 zag dit, greep twee pelotons bij elkaar en voerde een tegencharge uit, waarachter de rest van het regiment zich opnieuw kon formeren. Hierbij werd hij geassisteerd door één van de twee pelotonscommandanten, luitenant van Guericke. Beide officieren kregen hiervoor later een Militaire Willems Orde.

RH8 had echter van al die gevechten op deze dag intussen 8 officieren en 277 mannen dood of gewond verloren en dat vanuit een oorspronkelijke sterkte van 400 ruiters. De regimentssterkte was hierdoor feitelijk teruggebracht tot één eskadron. Ook DR4 had de doden en gewonden, waaronder de regimentscommandant lkol Renno die gewond was geraakt aan zijn been en zijn paard had verloren. Het commando over DR4 ging over naar majoor von Staedel. Een veteraan van RD4 vertelt over de zware gevechten: 

Ondertussen lag de 2e Lichte Cavalerie Brigade, met daarin RH6 en RD5, ook onder zwaar Frans artillerievuur. De brigade werd pas bij de tweede Franse aanvalsgolf ingezet om de Nederlandse zware cavalerie te dekken. Bij deze charges kwam de brigade in gevechtscontact met de lichte cavalerie van de Franse Garde (behorende tot het Corps van Lefebre-Desnoëttes). Hiertoe behoorde ook het 2e regiment Chaveau-léger Lanciers (de zogenaamde ‘Rode Lansiers’) waartoe voorheen een aantal Belgische dragonder van RD5 hadden behoord en waarvan Van Merlen zelf voorheen in 1813 regimentscommandant was geweest. In totaal chargeerden de huzaren van Boreel (RH6) samen met het regiment dragonders nummer 5 (RD5 nu o.l.v. majoor de Looz Corswarem) vier keer op diverse Franse eenheden. Hierbij werden ze ondersteund door Hannoveriaanse en Engelse cavalerie van Arentschildt en Dörnberg. 

Eén van de laatste charges was ten westen van de boerderij La Haye Sainte gericht op het 1e Regiment Cuirassiers van Brigade van generaal Dubois, met als doelstelling de druk La Haye Sainte ter verlichten.

Hierbij vormde RH6 de voorhoede , gevolgd door RD5 in reserve. De charge van RH6 werd uitgevoerd met de eskadrons in linie achter elkaar. Ritmeester Willem van Umbgrove was commandant van het achterste 4e eskadron en draaide met zijn eskadron weg om de Franse kurassiers in de flank en rug aan te vallen. Dit lukte en hij reed triomfantelijk terug naar lkol Boreel, die hem echter woedend beschuldigde de rug van het regiment ongedekt te laten. Van Umbgrove beet van zich af door te zeggen: 

Ritm. Willem Arnold Alting Umbgrove

Opnieuw waren familieleden aan weerszijden. Een zoon van de Franse generaal Dubois was luitenant in het regiment Lichte Dragonder No.5 in Van Merlens brigade. Generaal-majoor Van Merlen bevond zich zelf af en toe ook in het mêlee. Hij zag hierbij generaal Dubois persoonlijk, maar de beide mannen vielen elkaar niet aan. Van Merlen groette de generaal en zei in het Frans: 

Tijdens die gevechten sneuvelde  generaal-majoor Van Merlen echter. Na een charge met RH6 en RD5 op Franse tirailleurs iets oost van de boerderij La Haye Sainte stapte Van Merle van zijn paard en werd dodelijk getroffen door een kanonskogel. Zijn Aide-du-Camp, ritmeester Bellefroid sprong van zijn paard om hem te helpen en hielp hem van het slagveld, waarbij een huzaar van RH6 en een dragonder van RD5 hem droegen. Ze drogen hem naar Mont St.Jean waar de medische hulppost was. Hier probeerde de arts Rodi hem te redden: 

De generaal knikte bevestigd.

Volgens ritmeester adjudant van Doren waren zijn laatste woorden: 

gesneuveld bij Waterloo

Het bevel over de brigade werd overgenomen door de luitenant-kolonel Boreel. RH6 had overigens intussen al zware verliezen geleden. Majoor de Jacoby kreeg een sabelhouw over zijn hoofd en gezicht (eerder al bij Quatre Bras). 1eLuitenant Zwanebeek Pauw had ook een sabelhouw op het hoofd gekregen (bij Quatre Bras) en een kogel in zijn rechterarm. 1e Luitenant Deebets (Waterloo) een kogel in zijn linkervoet. 2e Luitenant Rendorp (bij Quatre Bras) had zelfs een sabelwond in beide armen. Gedood waren de ritmeester Willem van Wijnbergen (Waterloo), ritmeester Maurits van Heijden (Waterloo), luitenant Willem Verhellouw (Waterloo), luitenant Willem Wolf (Quatre Bras) en kornet (jonker) Cornelis Breda (Waterloo). 

De 2e Lichte Brigade trok zich onder leiding van lkol Boreel weer terug achter de heuvelrand ter hoogte van de boerderij Mont St. Jean. Ook hier waren ze niet veilig voor kanonsvuur omdat de Franse artillerie intussen hoger was gaan richten om over de eigen Franse cavalerie te kunnen vuren. Lkol Tomkinson van het Engelse 16e Regiment Light Dragoons vertelt over RH6: 

Lkol Boreel galoppeerde hierna naar de divisie commandant luitenant-generaal Collaert en vroeg toestemming om naar een veiliger locatie te mogen gaan met zijn brigade. Collaert gaf bevel aan Boreel om positie te kiezen vlak bij de Zware Cavalerie Brigade, toen hij getroffen werd door een granaatscherf in zijn voet. Hij verliet het slagveld en gaf het bevel over aan generaal-majoor Trip. Kolonel de Bruyn van het RC2 nam het bevel over de Zware Cavalerie Brigade over. 

De Franse cavalerie aanval op de rechterflank in de vroege avond (16.00 – 19.00) met geallieerde infanterieblokken  en cavalerie tegenaanvallen. 

Het effect van de massale, tot vier maal toe herhaalde Franse cavalerie-aanval was groot. De Brits-Nederlandse infanterie  had  zware verliezen geleden en was uitgeput. Ook de Brits-Nederlandse cavalerie en het merendeel van de artillerie was grotendeels buiten gevecht gesteld. Het uiteindelijke doel van de Franse cavalerieaanval werd evenwel niet gerealiseerd: de geallieerde verdediging werd niet doorbroken omdat de Franse aanval onvoldoende door infanterie werd ondersteund.

Om die doelstelling alsnog te bereiken werd opnieuw, dit maal met vooral infanterie, wederom het centrum aangevallen. Gedurende de Franse cavalerie-aanval hadden Franse tirailleurs kans gezien de boerderij La Haye Sainte te omsingelen. Een Britse poging om de belegerden te ontzetten liep uit op het afslachten van twee bataljons van het zogenoemde ‘Kings German Legion’. Omstreeks 18.00 uur moest de boerderij onder zware verliezen worden prijsgegeven. Rond deze boerderij lanceren de Fransen vervolgens hun tweede aanval op het centrum van de geallieerde verdediging. Ze slaagden er zelfs in een zandkuil en een kleine verhoging te veroveren in de buurt van de verharde weg, noord van de boerderij La Haye Sainte. Generaal Trip verzamelde opnieuw zijn ruiters voor een tegencharge. Generaal Uxbridge leidde in persoon deze aanval maar toen hij omkeek volgende niemand hem. Dit had vermoedelijk te maken dat Generaal Trip conform gebruik langzaam de aanval in stap inzette en goed de formatie hield, terwijl de Engelse cavalerie gewend was woest(er) op de vijand af te stormen met als gevolgd dat de formatie en samenhang verloren ging door de vele hindernis op het slagveld vanwege de dode paarden, ruiters, kanonnen en infanterieblokken. Uxbridge was hevig verontwaardigd en vergaf Trip dit nooit meer. Twintig jaar later schreef hij: 

Dit tegenaanval van de zware Nederlandse cavalerie had minder succes met deze nieuwe aanval, vanwege de al geleden verliezen en algehele vermoeidheid. De tegenaanval werd ingezet van RC1 en RC3 in eskadron colonne, maar liep min of meer vast. Lkol Lechleiter van RC3 werd zwaar gewond door een granaat die de gehele linkerkant van zijn rechterdijbeen wegvaagde. Hij stierf later in Brussel door het bloedverlies. Majoor de Galliéres nam het bevel over en werd tegelijkertijd door zijn hoofddeksel geschoten. Ritmeester Jonquières had twee paarden onder zich vandaan zien schieten, maar een nog zwaarder lot trof hem. Zijn twee zonen overleefden de strijd niet. Eén sneuvelde binnen het 7e bataljon Nationale Militie en één binnen zijn eigen RC3. Die laatste stierf na de slag in Brussel en was slechts 17 jaar. RC2 verloor maar liefst één derde van haar sterkte en kreeg na de slag maar liefst 27 Militaire Willems Orde uitgereikt.

Voordat de Fransen hun volgende aanval konden lanceren, trad voor de tweede keer die dag een korte gevechtspauze op. Wellington maakte hiervan gebruik door eenheden van zijn flanken te verplaatsen naar zijn centrum. Eén van deze eenheden was de Nederlandse 3e infanteriedivisie onder bevel van de Nederlandse luitenant-generaal Chassé, die eerder al op eigen beweging was opgerukt naar de frontlinie op de rechtervleugel. Boreel probeerde intussen het laatste bevel van Collaert uit te voeren en zich met zijn 2e Lichte Cavalerie brigade te positioneren bij de Zware Cavalerie Brigade. Dit lukt nauwelijks, ondermeer doordat deze brigade op dat moment enkele charges uitvoerde en dus niet op de aangewezen positie bevond. RH6 sloot zich aan bij nabij staande Engelse dragonders (Brigade Vandeleur), terwijl het later arriverende RD5 zich bij de 1e Lichte Brigade van De Gigny aansloot. De 2e Lichte Cavalerie Brigade verloor hierdoor haar samenhang.

Aan Franse zijde scheen het succes voor het grijpen te liggen. De geallieerde artillerie batterijen waren overlopen en de geallieerde infanterie op de heuvelrug leek ondergedompeld in golven van Franse ruiters. Bovendien waren enkele veroverde Engelse vaandels naar Napoleon gebracht. Inderdaad hadden enkele minder ervaren Hannoveriaanse en Nederlandse eenheden hun posities verlaten en waren naar achteren gevlucht. De weg naar Brussel zat verstopt met terugtrekkende en vluchtende mannen, paarden en wagens. Ook de rijen Nederlandse ruiters waren intussen behoorlijk uitgedund. Majoor van Gorkum van de staf van generaal de Constant Rebecque rapporteert: 

Napoleon gaf rond 19.00 uur zijn Garde het bevel om de aanval op Wellingtons verdediging in te zetten. Napoleon stelde daarvoor vijf Gardebataljons met elk circa 600 man onder bevel van maarschalk Ney, die de eenheden persoonlijk voorging in de aanval. Tijdens deze nieuwe dreigende Franse gereedstelling werd de Prins van Oranje gewond door een musketkogel toen hij met de officieren van de 1e Lichte Brigade Cavalerie van De Gigny sprak. Hij werd afgevoerd naar achteren. 

Merkwaardig genoeg viel maarschalk Ney niet aan op het uiteengeslagen centrum, maar op het nog redelijk intacte westelijke deel van de geallieerde verdediging. Het eerste Gardebataljon viel net iets west van de boerderij La Haye Sainte aan en verdreef de laatste Britten uit hun opstellingen, maar werd vervolgens onder flankerend vuur genomen door de batterij van de Nederlandse kapitein Krahmer en in de westflank aangegrepen door de 1e infanterie brigade van de divisie Chassé onder bevel van kolonel Detmers terwijl RH6 dekking aan de batterij Krahmer de Bichin gaf om hen te beschermen tegen vijandelijke cavalerieaanvallen. Gesteund hierdoor ging de infanterie van kolonel Detmers, even later gevolgd door Engelse en Hannoveriaanse infanterie eenheden. Door deze uitmuntende samenwerking tussen de huzaren van Boreel, de rijdende artillerie en de infanterie moest dit eerste Franse gardebataljon na zware verliezen de voortzetting van de aanval staken. Nog drie Gardebataljons vielen het centrum iets westelijker aan, maar werden tot staan gebracht door de 1e Britse brigade, die op zijn beurt weer werd teruggedreven door het vijfde en laatste Franse Garde bataljon. Toen dit vijfde bataljon omstreeks 20.10 uur door een aanval in de flank door de 3e Britse brigade werd teruggedreven ging een algemene golf van ontzetting door de Franse gelederen. Dit was nog nooit voorgekomen. De Franse Garde bleek niet in staat om het in al zijn voegen krakende centrum van Wellingtons verdediging de genadeklap toe te brengen. ‘Sauve qui peut’, redde wie zich redden kan, klonk op uit het Franse linies en de daad bij het woord voegende, brokkelden langzaam de Franse eenheden af. Alleen de Garde hield nog stand. En hoewel de Franse generaal Cambronne nimmer de woorden sprak: “La Garde meurt et ne ce rend pas” (de Garde sterft, maar geeft zich niet over), kwam het daar wel op neer.  

19.00 – 21.00 De laatste fase van de slag. Nederlandse en Engelse cavalerie achtervolgt de verslagen Franse Keizerlijke Garde. 

Uxbridge die de gehele geallieerde cavalerie commandeerde had intussen ook door een kanonskogel een been verloren door één van de laatste Franse kanonskogels van die dag. Op dat moment vocht de 1e Lichte Cavalerie Brigade van De Ghigny samen met de Britse lichte cavalerie brigades van Vandeleur en Vivian op de oostvleugel van het slagveld nog volop tegen de Franse infanterie en lichte cavalerie die de versterkte posities bij Papelotte en La Haye Sainte al hadden veroverd en dreigden door de verdediging te breken. Maar ook die Franse aanval mislukte uiteindelijk en de Franse eenheden trokken zich in wanorde terug. Niet lang daarna zette Vivian met zijn cavaleriebrigade de achtervolging in op de vluchtende Fransen. Maar zelfs bij deze achtervolging slaagden de Britten er niet in de discipline te handhaven en waren al ter hoogte van de boerderij ‘La Belle Alliance’ dusdanig verspreid dat ze de achtervolging moesten staken. Ook deze keer brachten de Nederlandse cavaleristen van Trip en De Ghigny uitkomst die, tezamen met de Brunswijkse huzaren en de restanten van de Britse zware cavalerie, de achtervolging  georganiseerd voortzette tot aan het dorp Genappe. Ook de 2e Lichte Brigade onder leiding van de luitenant-kolonel Boreel nam aan deze actie deel. Onder de uitroep van de luitenant-kolonel Boreel “voorwaarts mijne brave Huzaren”, volgde het regiment RH6 de Britse dragonders van generaal Vandeleur op de westelijk flank tegen de nog steeds weerstand biedende Franse infanterie. Zij zetten deze achtervolging voort tot aan het dorp Rossomme circa 38 kilometer zuid van het slagveld, waar de (vanuit het oosten gearriveerde) Pruisen het overnamen. Lkol Boreel: 

Generaal Trip zag inderdaad RH6 bij zich arriveren nadat hij eerder mijn twee andere brigades de Engelsen was gevolgd naar Genappe: 

Het slagveld lag bezaaid met doden, gewonden, paarden, kanonnen en uitrusting. De hulpeloze op grond liggende gewonde opperwachtmeester Heuvingh van RD4 schreef: 

Uiteindelijk kun je niet zeggen dat er één oorzaak is aan te wijzen waardoor  de slag bij Waterloo eindigde in een geallieerde overwinning. Vele factoren van invloed speelden een rol. Wel kun je zeggen dat Wellington de slag zou hebben verloren als de Pruisen niet te hulp waren gekomen. Dat de Pruisen te hulp kwamen en juist de wijze waarop, te weten een aanval op de Franse oostelijke flank, is van doorslaggevende betekenis geweest. De Nederlandse bijdrage gedurende de gehele slag maakte ook het verschil. Op cruciale momenten waren slechts zij het die op de bres stonden. Toen de gehele zware Britse cavalerie was uitgeschakeld was het de Nederlandse zware cavalerie die, toen het erop aankwam, tegen het einde van de slag chargeerden op de Franse cavalerie. Deze charge werd ondersteund door de beide lichte brigades, waaronder het Regiment Huzaren No.6. Dit regiment heeft zich gedurende de gehele slag op meer dan verdienstelijke wijze onderscheiden en heeft  zelfs niet geaarzeld om de zware vijandelijke cavalerie aan te vallen toen hen dat werd opgedragen. Maar de eer komt niet alleen toe aan de Nederlandse cavalerie maar evenzeer aan de Nederlandse infanterie en artillerie. Door de moed, volharding, trouw, inzet en opofferingsgezindheid van éénieder en het eigen initiatief van de Nederlandse eenheden hebben zij in belangrijke mate bijgedragen aan de overwinning. 

Met name het eigen initiatief van De lichte cavalerie, waaronder, 6e Regiment Huzaren, onderscheidde zich bij de desastreus verlopen charge van de Britse zware cavalerie, door eigen initiatief en zelfstandig handelen. Datzelfde gold voor de luitenant-generaal Chassé die met zijn infanteriedivisie op eigen initiatief naar het centrum was gemarcheerd. Hij gaf ook tijdig bevel aan de artilleriebatterij van kapitein Krahmer in stelling te komen tegen de Franse garde. En hij was het ook die zijn infanteriedivisie op een cruciaal moment opdroeg de Franse garde aan te vallen. Lof voor de soldaten, huzaren en artilleristen in alle rangen en standen.  Aan het einde van de dag telde de trotse Nederlandse cavaleriedivisie 203 gesneuvelden, 631 gewonden en 456 vermisten. 40% van de sterkte waarmee ze de dag begon. Een aanzienlijk percentage. Zeker als je het vergelijkt met de Nederlandse infanterie die die dag 22% aan gesneuvelden, gewonden en vermisten te betreuren had. Het 6 Regiment Huzaren had 12 doden, 70 gewonden, 132 vermisten en 302 dode en gewonde paarden te betreuren.

In totaal namen zo’n 188.600  militairen deel aan de slag bij Waterloo. Hiervan sneuvelden er 10.813 en raakten er 35.295 gewond en bedroeg het aantal vermisten 11.714. Dit komt neer op 30% gevechtsverliezen.  Aan alle gevechten van Ligny, Quatre Bras, Wavre en Waterloo namen in totaal circa 300.000 militairen deel en hierbij telden de gevechtsverliezen 89.000 man waaronder 23.700 gesneuvelden en 65.300 gewonden. Luitenant Gerlacus Buma schrijft aan zijn ouders: 

De slag was weliswaar gewonnen, maar de oorlog was nog niet afgelopen. De terugtrekkende Franse moesten worden achtervolgd. De vermoeide Engelsen en Fransen lieten dit over het algemeen aanvankelijk over aan de (frissere) Pruisen. Generaal Trip: 

Als deel van de Nederlandse bijdrage daarin werd het RH6  ingezet bij de verdere veldtocht op Frankrijk. Dat waren barre tijden. De logistiek was niet goed geregeld en de bewoners van het Franse platteland toonden zich zeer vijandig. Bovendien was dat platteland al leeg geroofd door de terugtrekkende Franse troepen. De Nederlandse Cavalerie Divisie was intussen opgeheven. De regimenten waren in twee afzonderlijke brigade geformeerd die elk bij een geallieerde Corps werden gehecht. RH6 hoorde, samen met de drie regimenten carabiniers tot het 1e Corps. RH6 passeerde op 21 juni de Franse grens en nam ondermeer deel aan de belegering van Péronne op 26 juni. Op 30 juni trok RH6 over de rivier de Oise. Via Senlis en Le Bourget bereikte RH6 Aubervilliers ten oosten van Parijs. Vaak was er onvoldoende te eten voor de dieren en de huzaren. Sommige infanteristen vielen dood neer van de honger. Luitenant Warin van RC3: 

Luitenant Gerlacus Buma van RH6, die ondermeer een bezoek bracht aan Parijs schrijft: 

De luitenant die altijd om geld verlegen zat (hij schreef regelmatig brieven aan zijn ouders met verzoek om het sturen van geld) was het niet eens met het Engelse verbod op plunderen: 

Op 7 juli werd het 1e Corps, met hierin RH6, verplaatst naar het Bois de Boulogne. Op 9 juli schrijft luitenant Gerlacus Buma weer aan zijn ouders: 

Na 17 juli werden de Nederlands-Belgische troepen in de omgeving van Montmorency gelegerd. Het bevoorradingssysteem kwam weer op gang waardoor de plunderingen stopten. Vanuit Nederland kwamen wel aanvullingen en RH6 kreeg vanuit het depot in Leiden 6 officieren en 102 manschappen. Ook de uitrusting werd vervangen en aangevuld.

24 juli werd in Parijs nog een grote parade voor de tsaar van Rusland gehouden, waaraan RH6 deelnam. Op 30 juli had voor het front van het aangetreden Nederlandse leger, in tegenwoordigheid van de herstelde Prins van Oranje, de uitreiking van de onderscheidingen plaats. In de verdere loop van de zomer werd RH6 gekantonneerd in St. Ouen. Op 1 december begon de terugmars naar Nederland waar men op 27 december triomfantelijk in Haarlem werd ingehaald.  

Het was een bittere pil voor de troepen en ondercommandanten dat Wellington die ondercommandanten die het verschil maakten tijdens de slag niet op waarde wilde schatten. Hij bekritiseerde ze zelfs wanneer hij maar kon, ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Bijna eenieder die een cruciale rol speelde in de slag kreeg van hem een trap na in zijn officiële verslag. De doorslaggevende bijdrage van de Pruisen noemt hij niet in zijn verslag, Maarschalk Blücher schildert hij af als een simpele, ongeletterde ziel. Lord Hill, een Britse legerkorpscommandant, zou niet in staat zijn een onafhankelijk commando te voeren. Niet Lord Uxbridge maar Wellington zelf gaf opdracht voor de doorslaggevende charge van de Britse zware cavalerie . Met name generaal Chassé stoorde zich in hoge mate aan het niet noemen van de 3eNederlandse infanteriedivisie. Zijn bezwaar vond gehoor bij zijn directe commandant, Lord Hill, maar ook die kreeg het niet voor elkaar dat Wellington deze bewuste verdraaiing van de feiten herstelde. Wellington durft zelfs op enig moment te stellen: 

en zijn troepen noemde hij denigrerend 

In eigen land was er wel waardering voor het optreden van de Nederlandse troepen. Naar aanleiding van de veldtocht van 1815 werd bij het Koninklijk Besluit 8 juli 1815 door de koning een groot aantal dapperheidsonderscheidingen, de militaire Willemsorde, toegekend, te weten 6 ridders grootkruis, 6 commandeurs, 27 ridders 3e klasse en 107 ridders 4eklasse, 146 in totaal. 

Bij RH6 werden 21 Willemsordes  uitgereikt. Luitenant-kolonel Willem François Boreel werd zelfs benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde 3e klasse. Daarnaast ontvingen 10 officieren, 4 opperwachtmeesters, 2 foeriers, 3 korporaals en 1 trompetter een MWO 4e klasse. Dit waren maj (intussen tot lkol bevorderd) De Jacoby, maj van de Poll, maj van Balveren, ritm van Reede van Oudshoorn, ritm Baron van Tuyl van Serooskerken, lnt Rentrop, lnt Bronkhorst, lnt Deebets, lnt Chevalier, owi Zeegers, owi Halfsmidt, owi van Merrebach, owi Heijnen, wmr Mensink, wmr Tournie, huz/korp Bos, huz/korp van den Veen, huz/korp Hollekamp en trompetter Pitz. Later werd nog een groot aantal onderscheidingen toegekend. Het totaal kwam daarmee op 1004 grootkruizen, waarvan meer dan de helft werd toegekend aan onderofficieren en manschappen. De vorst onderstreepte daarmee dat dapperheid niet is gebonden aan rang of stand.

  1. Een oude onderofficier van RH6, wachtmeester Lebbeling, at sindsdien elk jaar op 18 juni uitsluitend rauw vlees en beschuit, wat dat was het enige wat hij die bewust dag had gehad. ↩︎
  2. Baron van Tuijll-van Serooskerken, De lichtblaauwe Hussaren van Boreel, 1868 ↩︎

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!