Door kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel | Regimentsboek Huzaren van Boreel [versie 2 dd. 180226]
Dit artikel behandelt de inzet van het Regiment Hussaren No.6 (RH6) (zoals het Regiment Huzaren van Boreel) destijds heette tijdens de Slag bij Quatre Bras. Deze slag ging vooraf aan de Slag bij Waterloo, maar heeft een zeer belangrijke invloed gehad op het gevechtsverloop van die latere slag.
Nadat het regiment op 25 november 1813 formeel was opgericht kwam de werving begin 1814 goed op stoom. Het bestond voornamelijk uit Noord-Nederlanders. In januari 1814 kon het te Haarlem en Leiden worden samengesteld en op 10 juni 1814 konden al twee eskadrons worden ingedeeld bij de 2e Brigade onder leider van generaal De Perponcher. Deze brigade was samen met de 1e brigade het Mobiele Korps d’Armee in Noord Brabant en stond onder leiding van generaal Cornabée. Later kreeg Prins Frederik der Nederlanden het opperbevel. Het 1e eskadron nam deel aan het beleg van de vesting Bergen-op-Zoom en een detachement aan het beleg van Gorinchem. Beide steden waren nog in handen van de Fransen die zich langzaam terugtrokken naar Noord Frankrijk.
Na de terugkeer van Napoleon vanaf Elba op 11 maart 1815 naar het vasteland nam de oorlogsdreiging weer toe. Op 17 maart ondertekende Koning Willem I het mobilisatie decreet waardoor 25 bataljon infanterie en 4 cavalerieregimenten werden gemobiliseerd, evenals de nationale militie en landstorm eenheden. In het jaar 1815 trok daarom het voltallige Regiment Huzaren No.6 (zoals het regiment intussen was genoemd) naar Zuid Nederland. Regiment Huzaren No.6 (RH6) telde in haar gelederen nog enkele officieren, onderofficieren en huzaren die menige veldslagen hadden meegemaakt, maar het merendeels waren jonge mannen, die hun vuurdoop nog moesten krijgen. Het regiment was ingedeeld bij de 2e Brigade Lichte Cavalerie o.l.v. Generaal-majoor Van Merlen. Haar zusterregiment was het Regiment Lichte Dragonders (zuid Nederlands) No.5 (RD5) o.l.v. luitenant-kolonel De Mercx. Het Regiment Hussaren No.6 bestond uit vier eskadrons met in totaal 641 huzaren en 677 paarden. De 2e Brigade Lichte Cavalerie was op haar beurt weer ingedeeld bij de ‘Divisie Kavallerie van het Nederlandsche Leger’ o.l.v. Luitenant-generaal De Collaert.
Bij deze cavalerie divisie was nog een tweede cavalerie brigade ingedeeld, namelijk de 1e Brigade Lichte Cavalerie (generaal-majoor C.E. Baron de Ghigny). Deze brigade bestond uit Regiment Lichte Dragonders No.4 (luitenant-kolonel J.R. Renno) en Regiment Hussaren No.8 (luitenant-kolonel J.L. Baron Duvivier). Dit laatste regiment zou na de Belgische opstand overigens bij Regiment Hussaren No.6 worden gevoegd. Naast de twee lichte brigades was er ook nog een zware cavaleriebrigade (generaal-majoor A.D. Trip van Zouteland) met hierin drie regimenten, namelijk 1e Carabiniers (luitenant-kolonel L. Coenegracht), 2e Carabiniers (kolonel J. Baptiste De Bruyn) en 3e Carabiniers (luitenant-kolonel C. Lechleitner). De Divisie Kavallerie had ook twee halve batterijen Rijdende Artillerie in haar gelederen. Deze werden gecommandeerd door kapitein A.R.W. Gey van Pittius en kapitein A. Petter.

Organisatie Nederlands leger tijdens de slag bij Quatre Bras en Waterloo
RH6 vertrok begin april via ’s Hertogenbosch en Gheel naar Aerschot. Hier bleef het regiment enkele dagen om te wachten op twee eskadrons die vanuit Maastricht kwamen. Deze waren ter beveiliging van deze stad hier al in maart heen gestuurd. Vervolgens reed het voltallige regiment via Leuven naar de Franse grens in de buurt van Mons. Legering (kantonnement) werd daarna betrokken bij Binche, Estines en Hautelin, terwijl het hoofdkwartier van het regiment bij Estienne-au-Val werd gevestigd. Haar zuid Nederlandse zusterregiment RD5 had zich onderweg aangesloten en werd in dezelfde omgeving gelegerd.
Begin april arriveerde de hertog van Wellington in Brussel en nam het bevel over het Britse leger op zich. Britse druk resulteerde dat ook het Nederlandse leger op 5 mei onder zijn bevel werd gesteld. Helaas werd het Nederlandse legerkorps opgedeeld en verdeeld over de twee Britse legerkorpsen. De Nederlandse kroonprins (de latere Koning) Willem van Oranje kreeg het bevel over het 1eBritse Legerkorps, bestaande uit twee Nederlandse infanteriedivisies, één Britse infanteriedivisie en de Nederlandse cavalerie divisie. Velen twijfelden overigens aan de gevechtskracht en samenhang van de Noord- en Zuid Nederlandse eenheden. In tegenstelling tot hun Britse en Pruisische collega’s waren de meeste Nederlandse eenheden pas korte tijd bijeen, misten soms uitrusting en hadden geen gevechtservaring, hoewel sommigen wel eerder in het Franse leger hadden gediend. Ook werd getwijfeld aan de loyaliteit van sommige Waalse eenheden, waarvan familieleden soms nog in het Franse leger vochten. De tijd die nog restte voor de confrontatie met Napoleon werd echter nuttig besteed aan oefeningen, exercities en inspecties, waardoor zowel de cohesie als de gevechtsvaardigheid van de Nederlandse troepen langzaam maar zeker steeg.

Kantonnementen Nederlandse cavalerie in april 1815. H6 is RH6.
Begin april arriveerden de Pruissen onder leiding van maarschalk Blücher. Hun aankomst was aanleiding om de eenheden te reorganiseren en anders te positioneren. De vier Pruisische legerkorpsen werden gelegerd in het oosten langs de Maas en Sambre rivier en de Nederlandse divisie werden nu meer naar het westen geschoven en dichter naar de Franse grens. De 2e Lichte Brigade schoof nu meer naar het zuiden naar Villers St. Ghislain (hoofdkwartier), Estiennes-au-Val, Estiennes-au-Mont, Helleveille le Lecq, Hermignies, Spiennes en St. Symphorien. Achter de 2e Lichte Brigade lagen meer Nederlandse eenheden. De meest nabijgelegen eenheden waren de 3e Divisie Infanterie (nabij Gosselies) en de rest van de Divisie Cavalerie ten westen hiervan. De 2e Divisie Infanterie bevond zich verder naar achteren in het rayon Genappe-Quatre Bras-Nivelles. De Brigade van Van Merle lag dus als voorste eenheid aan de grens. Min of meer vanaf mei waren al vedetten (schildwachten te paard) uitgebracht om de Franse eenheden in de gaten te houden. Een liaison post werd uitgebracht naar de Pruissen in Fayt en Binche werd gezamenlijk bezet door een patrouille huzaren en Pruisische cavalerie. Bij Estienne-au-Val waren de huzaren van RH6 de voorste verkenners. Het leven werd saai gevonden. Een familielid van Baron van Baumhauer diende in RH6 en schreef op 7 juni 1815:
“ik sliep de eerste nacht bij een arme boer, die alleen maar wat brood en boter als voedsel had. Ik had net een beetje geslapen toen ik een ronde moest lopen langs de wachtposten. Ik zag de Franse wachtposten op ongeveer de afstand van twee musketschoten. Ik ben goed ontvangen door Boreel. Helaas klopt mijn uniform niet. Ik heb een grijze mantel in plaats van een blauwe. De officieren van mijn compagnie voeren niets uit, behalve drinken en roken. Ik ben bedroefd omdat ik het plezierige leven in Brussel mis. Ik wil vechten of andere jeugddingen doen..”
Uit deze periode is ook een brief van ritmeester van Wijnbergen (RH6) beschikbaar. Die schreef op 28 mei aan zijn familie:
“Ik had eerder aan je willen schrijven, maar omdat er niets bijzonders was gebeurd, heb ik maar gewacht totdat ik een aantal wetenswaardigheden kon vermelden…iedereen probeert me succes te wensen…dat ik de zoon met glorie zal zijn….maar glorie is een mooie vrouw, die nooit stopt met wensen dat ze verkracht wil worden…We zijn hier aan de grens en wachten ongeduldig op de uitkomst van Champ de Mai [= waar Napoleon opnieuw de trouw van zijn leger kreeg], dat zoals men beweert, alles zal beslissen. Soms komen Franse officieren en manschappen naar onze zijde. Gisteren nog een Kurassier van de Garde. Bonebakker [= bijnaam voor Napoleon Boneparte] heeft caissons [= karren] laten maken helemaal naar Parijs toe, maar wat er op moet liggen, namelijk kanonnen, die heeft hij niet. Er gaan verschillende meningen rond. Sommigen zeggen dat als er slechter wordt, iedereen weer terug loopt naar Lodewijk XVIII. Anderen zeggen dat we niet eens Frankrijk zullen binnenrukken. Dat laatste geloof ik niet, maar ik denk niet dat het een harde confrontatie wordt. Onze eigen linie is over een afstand van zes uur alleen maar bezet met huzaren en lichte cavalerie. Er is geen enkele infanterie om de voorste posten te bezetten. Diverse cavalerie eenheden liggen achter ons, maar worden niet in de buitenposten gestuurd omdat het er teveel zijn. Als je naar Mons gaat voor fourageren, kun je zien hoeveel verschillende regimenten cavalerie hier zijn. Ik wed dat de geallieerden met al hun cavalerie en artillerie Frankrijk gewoon aan stukken scheuren. Gisteren was er een drilloefening met een klein alarm. Gelukkig waaide het over, maar we waren al wel naar onze eenheden gegaan om dit gereed te maken. Men verzekert ons dat de Fransen niet zullen aanvallen, maar aan onze kant gedragen mensen zich wel alsof ze al zeven keer overlopen zijn. Ik heb onderweg niets bijzonders gezien, maar sommige Nassau troepen zijn zenuwachtig.. In onze voorposten zijn we relatief alleen, met alleen een paar Pruisische huzaren op de linkerflank en Belgische lichte cavalerie op de rechterflank, een prima regiment van ongeveer 100 man. De officieren, met name de majoors en ritmeesters, wisselen vaak op de belangrijkste posten. Ik heb majoor Jacobi ontmoet, bij Velleveil-au-Sec… Voor de rest is weinig nieuws, op van tijd tot tijd een generaalsinspectie na.. Een wachtmeester kwam zojuist binnen en melde dat hij een boer had gearresteerd die 6 huzaren paarden had gestolen en naar de Fransen wilde gaan. Als het aan mij lag zou ik hem door het hoofd schieten..”
Op 25 mei werd de divisie cavalerie meer geconcentreerd. De zware cavalerie brigade bleef in de omgeving Braine l’Alleud, de 1e Lichte Brigade ging naar Havré en de 2e Lichte Brigade naar St. Symphorien. De beide halve batterijen Rijdende Artillerie waren al eerder op 7 mei bij St. Symphorien samengebracht. Er werden vervolgens plannen gemaakt voor een vertragend gevecht.

Kantonnementen in mei 1815 na de concentratie van de Cavalerie-Divisie. H6 is RH6. DL5 is RD5. Dit regiment is intussen naar de westkant van RH6 gebracht.
Op 10 juni was er nog een schermutseling toen een patrouille dragonders (van RD5) op de weg naar Goegnies in botsing kwam met een Franse patrouille Chasseurs à Cheval (=Jagers te Paard). Van deze werden drie jagers als eerste krijgsgevangenen naar het hoofdkwartier gezonden. Een Belgische wachtmeester was hierbij gewond geraakt. Deze Franse incursie op Nederlands-Belgisch gebied toonde wel aan dat de Fransen massaal verzameld waren aan de grens en stoutmoediger werden. Nadat de Prins van Oranje dit voorval aan Wellington had gerapporteerd had die bevolen om de gevangenen terug te sturen. De Prins schreef hierop een verontschuldigende brief aan de Franse generaal Graaf D’Elon:
“I send to your outpost 3 prisoners of the 6th Chasseurs à Cheval, arrested while patrolling 3 days ago, by a picket of my troops on the same day at that place and who found themselves engaged by the mistake of a brigadier of the 6thChasseurs, who fired upon our vendettes. I ask you, my General, to take measures in order to avoid the same facts of occurring again. On my side I have given orders that the frontier should not be passed and not be fired upon your posts or that at least they should not be the aggressors.”
Op 12 juni 1815 werd de brigade iets naar het noorden teruggenomen en gekantonneerd te Estienne-au-Val, Estienne-au-Mont, Maurage en Bray, Villers-St-Ghislain en Saint-Symphorien. De linie voorposten aan de grens (die toen noordelijker verliep dat nu) werd nog steeds bezet.
Napoleon wist dat de geallieerden een militaire operatie hadden opgezet om Frankrijk binnen te vallen en hem ten val te brengen. Zijn dichtstbijzijnde vijanden waren de Pruisen en de Brits-Nederlandse troepen. Hij had dan ook zijn eigen troepen, de ‘Armee du Nord’, ter sterkte van 125.000 man, geconcentreerd bij Beaumont, vlakbij de grens met de Nederlanden. Zijn plan was erop gebaseerd te voorkomen dat de noordelijke geallieerden zich konden verenigen en hem gezamenlijk konden aangrijpen. De Brits-Nederlandse strijdmacht was reeds samengetrokken in de omgeving van Brussel. De Pruisen waren met hun voorhoede gelegerd in de omgeving van Namen. De overige eenheden waren nog vanuit Luik onderweg naar de Franse grens. Napoleon wilde dan ook eerst afrekenen met de Brits-Nederlandse troepen om daarna de Pruisen aan te vallen. Door in de omgeving van Charleroi de grens te overschrijden wilde hij ook meteen een wig drijven tussen deze twee geallieerde legers.

Kaartje wijdere omgeving, Brussel, Waterloo, Q-B, Ligny, Wavre Charelroi, Nivelle
In de nacht van 14 op 15 juni 1815 viel Napoleon aan en overschreden de Franse troepen de grens met de Nederlanden. Dit werd gemeld door uitgebrachte voorposten die de lichte cavaleriebrigade van Generaal-majoor Jean Baptiste Baron van Merlen had uitgebracht. Die kreeg vervolgens van de Prins van Oranje opdracht de voorposten in te trekken. Op 16 juni werd de grens vervolgens compleet losgelaten en trok de 2e Lichte brigade terug naar het noorden richting de 1e Brigade bij Havré. Het brigade hoofdkwartier ging samen met RD5 naar Bray, met een eskadron in St. Symphorien. RH6 werd verdeeld over de oorden Bray, Estienne-au-Val, Péronne en Maurage. Door deze hergroepering werden de overgangen over de rivier de Haine beveiligt tussen Havré en Binche. Ook werden de wegen naar Soignies, Braine le Comte en Nivelles hierdoor beveiligt. Kapitein Gey van Pittius van de halve batterij Rijden Artillerie schreef vanuit St. Symphorien naar zijn broer:
“Vanmorgen om vier uur begon de grote dans. Op twee uur afstand van hier, hebben de Fransen op onze linkerflank het Pruisische leger aangevallen. We hebben opgezadeld en verwachten elk moment af te marcheren, maar we moeten zeker een terugtrekkende beweging naar het noorden maken omdat het gros van ons leger verder naar achteren ligt. Het doet me deugd dat de zaak eindelijk is begonnen, want we waren vreselijk verveeld in deze armzalige dorpjes, waar we het gros van de tijd opgezadeld door moesten brengen. Mijn compagnie is goed uitgerust en getraind. Ik denk dat ik en mijn mannen niet de minste zullen zijn…”
Napoleon marcheerde met zijn troepen in noordelijk richting over twee assen. De troepenmacht op de oostelijke as bestond uit drie legerkorpsen, die het gevecht met de Pruisische troepen aangingen. Op zijn westelijke as ontplooide hij een troepenmacht onder leiding van maarschalk Ney met twee legerkorpsen (onder leiding van Reille en D’Erlon) en een cavalerie korps (onder leiding van Kellerman). Voorts beschikte hij over een reserve bestaande uit de legercavalerie (met drie korpsen, in totaal ongeveer 35.000 ruiters) onder leiding van de maarschalk Grouchy.
Toen Wellington in de nacht van 15 juni vernam dat de Franse opmars in noordelijke richting is begonnen, vreesde hij voor zijn aanvoerlijnen. Hij dacht dat Napoleon hem wilde afsnijden van zijn logistieke basis om hem daarna aan te vallen. Hij meende dat Napoleon zich daarom zou richten op de havenstad Antwerpen. In de loop van 15 juni gaf hij dan ook opdracht aan het Nederlandse Legerkorps zich voor te bereiden op een Franse aanval in noordwestelijke richting en de Nederlandse troepen ten westen van Nivelle (Nijvel) te concentreren. Hij wilde vooral de steden Brussel en Gent dekken en liet de weg Brussel-Charleroi ongedekt, waardoor het verband tussen het Engels-Nederlandse leger en het Pruisische Leger onvoldoende bewaart bleef. Hij stuurde dit bevel zowel naar het Nederlandse hoofdkwartier als naar de commandopost van de tweede Nederlandse Divisie die de grens met Frankrijk beveiligt. De chef van de staf van het legerkorps, de generaal-majoor baron De Constant Rebecque, had echter ruime ervaring met Napoleon en kende diens voorliefde om vijandelijke legers gescheiden te verslaan. Hij besloot het bevel van Wellington te negeren. Ook de commandant van de 2e Divisie, de luitenant-generaal graaf De Perponcher ontving het bevel van Wellington. Ook hij besloot het bevel van Wellington te negeren en gaf bovendien opdracht ten oosten van het plaatsje Nivelle te concentreren, omdat hij daar de aanval van Napoleon verwachtte. De cavalerie divisie van Luitenant-generaal Baron de Collaert werd door dit bevel geconcentreerd bij Arquennes bij Nivelles. De 2e Lichte Brigade van Van Merlen (die het eerst in Arquennes arriveerde) kreeg echter de opdracht om zo snel mogelijk door naar Quatre Bras te rijden, inclusief de halve batterij rijdende artillerie (kapitein Gey van Pittius) om de in het nauw zittende infanterie te ontzetten. De brigade (waaronder dus Regiment Hussaren No.6 met twee stukken rijdende artillerie o.l.v. 2e luitenant van Wassenaar van Sint-Pancras) kwam daar aan op 16 juni tussen 15.00 en 15.30. De halve batterij van kapitein Gey van Pittius werd snel in linie geplaatst naar de halve batterij rijdende artillerie van de 2e Infanterie Divisie (kapitein A. Bijleveld).

De Nederlandse cavalerie marcheert via Arquennes naar Quatre Bras
Aan het einde van de ochtend van 15 juni gebeurt er nog iets dat later van beslissende invloed zal blijken te zijn. In het dorpje Genappes, 10 kilometer ten zuiden van Waterloo, krijgt de commandant van de 2e (infanterie)brigade, de kolonel Von Goedecke, een trap van zijn paard. Hij is zodanig gewond dat hij moet worden afgevoerd en het bevel over de brigade valt toe aan de dan 23 jaar jonge kolonel hertog Van Saksen-Weimar. Deze spreekt vervolgens de historische woorden:
‘Heren ik ben geheel en al zonder orders. Maar ik heb nog nooit ervan gehoord dat een veldtocht begint met een terugtocht. Daarom zullen we oprukken en bezetten het kruispunt Quatre-Bras.’
En zo gebeurt het dat Quatre-Bras aan het einde van de 15e juni wordt bezet door Nederlandse eenheden. In de nacht van 15 op 16 juni wordt de positie versterkt, doordat ook de brigade van de graaf Van Bylandt ter plaatse arriveert. De 2e brigade gecommandeerd door de kolonel hertog Van Saksen Weimar, bezet met drie bataljons de westelijke flank op de nadering naar Quatre-Bras en het met twee bataljons kruispunt Quatre-Bras zelf. De 1e brigade onder leiding van de generaal-majoor graaf Van Bylandt ontplooit een bataljon op de oostelijke flank en twee bataljons op de hoogte rond de versterkte hoeve Gemioncourt op 1 kilometer ten zuiden van het kruispunt. Tussen Quatre-Bras en Gemioncourt worden twee bataljons in reserve gehouden.

Omstreeks 9 uur inspecteerde Wellington de opstellingen, keurde deze goed en zond en bevel aan de infanteriedivisie van Picton en de Brunswijckse afdeling die al vanuit Brussel naar Mont St Jean waren verplaatst, om door te marcheren naar Quatre Bras. Vervolgens rijdt Wellington door naar het Pruisische hoofdkwartier voor overleg met maarschalk Blücher. Ze beloven elkaar te steunen als ze in gevecht met Napoleon komen. Omstreeks 11 uur hebben beide brigades hun posities ingenomen en is dus de gehele 2e Divisie in positie.
Nadat Napoleon de grens was overschreden werd hij verrast door de aanwezigheid van de Pruisische voorhoede, die zich bovendien voor een slag leek op te maken. En inderdaad, de Pruisen onder leiding van maarschalk Blücher namen posities in bij het plaatsje Ligny met de bedoeling de slag met Napoleon aan te gaan. Blücher ontplooide met twee legerkorpsen voor en (op enige afstand) een derde legerkorps in reserve. Het vierde Pruisische legerkorps is nog in opmars vanuit Luik. Het was Napoleon duidelijk dat er geen Brits-Nederlandse steun voor de Pruisen was te verwachten en hij greep de hem geboden kans. Omstreeks het middaguur van de 16ejuni ontbrande de strijd. Na enige uren moesten de Pruisen het gevecht afbreken. Ze waren niet opgewassen tegen de Franse overmacht. De slag bij Ligny werd door de Fransen gewonnen.
Ondertussen meende maarschalk Ney in het zwaartepunt van de Franse aanval te opereren; hij bevond zich immers op de as die rechtstreeks leidt naar Brussel, waar het hoofdkwartier van de Brits-Nederlandse troepen was gevestigd. Hij verwachte dan ook dat Napoleon de legerreserve onder zijn bevel zou plaatsen. Het tegendeel vond echter plaats: Napoleon gaf één van de legerkorpsen van Ney, te weten het korps van generaal D’ Erlon, opdracht zijn aanval op de Pruisen op de westelijke flank te ondersteunen. Het korps van D’ Erlon veranderde dus van marsrichting. Dat was niet eenvoudig met een heel legerkops met meer dan 15.000 man. Maar het lukte hem. Enige tijd later kreeg maarschalk Ney van de chef staf van Napoleon , de maarschalk Soult, de aanwijzing tot elke prijs Quatre-Bras te veroveren, met de toevoeging ‘Het lot van Frankrijk ligt in uw handen.’ Maarschalk Ney raakte daarop buiten zichzelf van woede: eerst een legerkorps van hem een andere opdracht geven en hem dan vertellen dat hij haast moet maken. Hij ging persoonlijk achter D’Erlon aan en zodra hij deze had gevonden gaf hij hem opdracht onmiddellijk om te keren en de aanval op Quatre-Bras te ondersteunen. De generaal D’ Erlon moest opnieuw met zijn korps omkeren. Het resultaat was dat het legerkorps van D’Erlon de hele dag aan het heen en weer marcheren is zonder ook maar één schot te lossen. Deze marsbewegingen werden ook opgemerkt door de Generaal Van Damme die met zijn korps de westelijke flank vormde van de Franse troepen die deelnamen aan de slag bij Ligny. Omdat hij niet wist dat de verplaatsende eenheden ook Franse troepen waren en er rekening mee hield dat het mogelijk vijandelijke troepen waren, heeft hij zijn aanval opgehouden. Daardoor konden de Pruisische troepen zich gemakkelijker losmaken toen duidelijk werd dat zij de slag verloren.
Nadat de slag bij Ligny is gewonnen, gaf Napoleon aan Grouchy de opdracht om met zijn troepen de verslagen Pruisen te achtervolgen en te vernietigen. Het had natuurlijk enige voeten in de aarde om die enorme ruiterij in beweging te zetten, dus het duurde even voordat Grouchy zijn opdracht kon gaan uitvoeren. Hij rukte vervolgens op in de richting van Luik, de logistieke basis van de Pruisen. Hij verwachte in die richting Blücher te kunnen inhalen en de genadeslag te kunnen toebrengen. Maar Blücher viel niet terug in noordoostelijke richting naar Luik, maar hij ging met zijn troepen naar het noorden, want hij had met Wellinton afgesproken om onder alle omstandigheden ernaar te streven zich te verenigen met de Brits-Nederlandse troepenmacht. Het zou ruim een dag duren voordat Grouchy in de gaten krijgt in welke richting Blücher in werkelijkheid was teruggetrokken, waarna hij de achtervolging in noordelijke richting inzet. Hij zag nog wel kans om de volgende dag op 18 juni in de namiddag bij Wavre de achterhoede van Blücher tot een slag te dwingen, maar dat was toen reeds te laat. De hoofdmacht van de Pruisen was toen al op het slagveld van Waterloo verschenen om daar de Fransen, onder leiding van Napoleon, de genadeslag te geven.
De woedende Ney maakte op 16 juni geen haast meer. Aan het einde van de morgen van die dag was Ney met zijn troepen vanaf Charleroi slechts 10 kilometer opgemarcheerd en had hij het dorp Frasnes bereikt. Daar werden de Nederlandse voorposten verdreven. Pas in de middag zette hij zijn opmars voort en stootte dan op de aanzienlijke Nederlandse troepenmacht bij Quatre-Bras.

Omstreeks 14.00 uur vielen de Fransen aan vanuit Frasnes. Het legerkorps van Reille ging voorop met een divisie over de steenweg van Charleroi naar Quatre-Bras en een divisie ten oosten van de steenweg. Deze divisies werden elk gesteund door een lichte cavalerie brigade. De derde Franse divisie beveiligde de westelijke flank van de aanval. Er werd fel gevochten. Op de westelijke flank veroverden de Fransen de hoeve Grand Pierpont waarna ze gestaag in noordelijke richting oprukten door het bosgebied van Bossu. In het centrum werd de hoeve Gemioncourt door de Fransen veroverd. De hoeve werd korte tijd later heroverd met een tegenaanval onder de persoonlijke leiding van de Prins van Oranje, die intussen ook op het strijdtoneel was gearriveerd.
In het heetst van deze strijd, omstreeks 15.00 uur, arriveert de voorhoede van de 2e Lichte Cavaleriebrigade. Het is het Regiment Huzaren No.6 (RH6) onder leiding van de luitenant-kolonel Boreel. Versterkt met een sectie van de halve batterij Rijdende Artillerie (van kapitein Gey van Pittius) onder leiding van 2e luitenant Van Wassenaar van St. Pancras. Het regiment had een mars van 40 kilometer gemaakt en had negen uren in het zadel gezeten. Het regiment had weinig last van het Franse kanonvuur omdat het bos van Bossu hun nadering had gedekt. De nadering was echter niet onopgemerkt gebleven en Franse verkenners hadden de aankomst van de eerste eenheden van de 23 Brigade gemeld aan Maarschalk Ney. Kapitein van Bronkhorst van de Nationale Militie No.7 ziet RH6 arriveren en bericht:
“Het was hoog tijd, want we stonden op het punt om overlopen te worden door de vijand en een Franse kolom overspoelde onze linker flank. Op dit moment arriveerde vanuit de richting Mons Nederlandse en Belgische cavalerie. Waaronder het regiment van kolonel Boreel en toen die langs trokken zag ik mijn broer Jan (= 1e luitenant Jan Maarten van Bronkhorst), die ik snel nog wat eten en drinken kon geven. Deze cavalerie had 9 (?) mijl afgelegd die dag. Ze lieten hun paarden drinken (?) en een uur later stegen ze op en chargeerden de Fransen…”
Om haast te maken had RH6 niet gerust. Luitenant-kolonel Boreel liet de paarden voederen, maar deze aten slechts langzaam omdat ze niet konden drinken. Majoor van Balveren van RH6:
“Omdat we geen vijandelijkheden in onze nabij omgeving zagen, kreeg het regiment de opdracht om af te stijgen en de paarden te laten eten. Dit gebeurde in front van één van de huizen van Quatre Bras waar we in kolomformatie naar toe waren gereden.”
De Prins van Oranje zag echter een sterke colonne Franse infanterie met op hun flanken cavalerie (dit was de Franse Brigade Jamin van de Divisie Foy) proberen om de hoeve Gemioncourt ten oosten te omtrekken. Hij beval Boreel onmiddellijk te chargeren om daarmee de druk op de Nederlandse infanterie bij Gemioncourt weg te nemen. Boreel protesteerde. Hij was juist de linie vrij aan het maken om de naderende Engelse infanterie (de brigades Pack en Kempt van de 5e Divisie van Generaal Picton, totaal 8 bataljon sterk) ruimte te geven. Hij zei dat de paarden niet fit zijn en een onvoorbereide charge is gekkenwerk, er zal toch eerst verkend moeten worden waar de startlijn moet liggen en welk doel moet worden genomen. De prins wilde echter van geen uitstel weten en Boreel moest chargeren. Boreel gehoorzaamde en reed aan het hoofd van zijn regiment nog een kilometer in oostelijke richting en liet dan rechts uit de flank maken en chargeerde in de richting van Gemioncourt. Omdat het zicht werd bemoeilijkt door de zware kruitdamp van het vuurgevecht dat al een uur gaande is, moest het bevel van de charge van mond tot mond moet worden doorgegeven. Daardoor chargeerde het regiment niet als één geheel, maar peloton na peloton. Vanwege de daar gelegen poel van Materne, kon de charge zich niet goed ontwikkelen en bovendien werd de voortgang gehinderd door de vele stroompjes en het door de vele regen doorweekte terrein. Terwijl RH6 zich moeizaam en weg baande in de richting van Gemioncourt werd het bij verassing in de flank aangevallen door de Franse cavaleriebrigade onder leiding van generaal-majoor Piré, die gereed stond om de hernieuwde Franse aanval op Gemioncourt te steunen. De Fransen vielen aan in twee linies. De voorste linie waren het 6e Regiment Chasseurs à Cheval van kolonel Simonneau en de twee linie was het 5e Regiment Lansiers van kolonel Jacqueminot. Beide regimenten bestonden uit geharde Franse cavaleristen. De charge van Boreel mislukte hierdoor volledig. De achterste pelotons van RH6 liepen vast in de voorste pelotons die met de Fransen in gevecht waren. In de mêlee werd onder meer de ritmeester van Wijnbergen neergestoken door een Franse chasseur. Deze werd daarop prompt neergesabeld door de zoon van de ritmeester die als cadet in het regiment diende. Majoor van Balveren van RH6 vertelt:
“Nauwelijks nadat we begonnen waren met onze paarden te verzorgen, toen het trompetsignaal klonk voor opstijgen, De voederzaken die we zojuist hadden losgemaakt van de wagens, moesten snel weer worden vastgemaakt. Zelfs dit was nog niet klaar toen we al in pelotonscolonnes voorwaarts gingen. Vanuit de pelotonscolonnes moesten we een linie vormen, maar voordat dat klaar was, kregen we al opdracht om onmiddellijk de vijand te chargeren, waaronder de Rode Lansiers van de Keizerlijke Garde. Door deze haastige manoeuvre, kon het regiment niet de gevechtsformatie aannemen, met als consequentie dat de charge in verwarring geraakte en nutteloos werd. We werden al spoedig teruggedreven door vijandelijke cavalerie (het al genoemde regiment lansiers) met de sabel in de hand naar de nabijheid van een Corps Highland Schotten die in een heg stond opgesteld en de vijand met dodelijk vuur ontving…”
Ook luitenant Deebetz nam deel aan de charge. Hij vertelt:
“het genoemde regiment (RH6) had zichzelf in formatie opgesteld noord van de weg Quatre-Bras naar Namen toen het opdracht kreeg om een nieuwe plaats in te nemen aan de rechterzijde achter de weg van Quatre Bras naar Nivelles. De beweging van de pelotons naar rechts was net begonnen, waardoor een gedeelte van het regiment bij Quatre Bras reed, toen een stafofficier langs het regiment reed en riep: “Huzaren, chargeren!” Als deze opdracht eerst naar de commandant was gebracht of ordelijk was uitgevoerd had het misschien goed gekomen, maar in plaats daarvan draaiden de pelotons naar links, probeerden een linie naar links te vormen en begonnen op te rukken voor de charge, klaarblijkelijk ‘en fourageur’ (= terwijl ze nog gevoerd werden). De uitkomst was een terugtocht achter de weg Quatre-Bras naar Namen, waar het regiment opnieuw werd verzameld.
Brigadier (= korporaal) Jan Norden herinnerde zich het gevecht met op elkaar inhakende Franse en Nederlandse ruiters. Een sergeant in Norden peloton had teveel drank op om scherp te zijn en werd gedood door een lansstoot in zijn maagstreek. Norden sloeg vervolgens deze Fransman neer met een sabelhouw op diens hoofd. Een Franse lansier viel vervolgens Norden aan zijn lansstoot ging over de teugels, tussen de linkerarm van Norden en zijn ‘Dolman’ heen. Norden sloeg ook deze Franse ruiter van zijn paard. Een derde Franse lansier naderde, maar deze werd door Norden met zijn karabijn van zijn paard geschoten. Norden gooide vervolgens de karabijn weg, klom van zijn paard, raapte een lans op en liep achterwaarts zichzelf met de lans beschermend. Achter Quatre Bras werd weer verzameld.
Toen het regiment zich terugtrok wist de 1e luitenant Jan Maarten van Bronkhorst met zijn huzaren nog een tegenaanval te organiseren, waardoor de terugtocht van de rest van het regiment met succes kon worden afgerond. Later werd over hem geschreven:
“Wie ook ooggetuige is geweest van eenen mislukten aanval, door jeugdige of nog geenzins beproede soldaten, welligt te roekeloos ondernomen, zal zich gemakkelijk de verwarring kunnen voorstellen die dan zoo ligtelijk in de gelederen ontstaat, hij zal zich zonder moeite voor den geest kunnen brengen hoe spoedig onder zulke omstandigheden het ordeloos terugtrekken in eene overijlde vlugt kan overslaan; hij weet ook welke wilskracht, welk moreel overwigt en welke onversaagdheid er dan van de zijde der officieren moet worden aan den dag gelegd, om zoo wij en zijd verspreide en door den vijand nagejaagde ruiters tot staan te brengen en te herzamelen. Van dien krijgsmachtdeugd gaf van Bronkhorst hier de meest doorslaande bewijzen. Nog onder het terugtrekken wist hij zijne manschappen om zich te verzamelen, onmiddellijk daarna voerde hij ze weer tegen den vijand aan en met hem volgde het overige gedeelte van het Regement.”
De Franse tegenaanval en de terugtrekkende huzaren gooide ook de achter hen staande Bataljon Nationale Militie No.5 (onder leiding van kolonel Westenberg) in verwarring. Ook dit bataljon verloor zijn samenhang, verliet de linie en kon slecht later bij Quatre Bras weer opgevangen worden. Daarnaast bereikten Franse ruiters ook de halve batterij rijdende artillerie van Bijleveld. Kapitein van Bijleveld vertelt later hierover:
“De batterij bleef de gehele dag van 16 juni in de voorste linie en speelde een belangrijke rol in het gevecht. De batterij van kapitein Stevenaar, welke de ochtend in opdracht van majoor Opstall was opgerukt, werd bijna geheel vernietigd door een cavalerie charge, de kapitein werd gedood, de majoor en twee luitenants gewond en van onze kanonnen bleef slechts een sectie over onder leiding van luitenant Wintsinger.”

De chaotische charge van Regiment Huzaren No. 6 o.l.v. luitenant-kolonel Boreel (rode pijlen) en de tegencharge van de Franse (zwarte pijlen)
Luitenant Henckens van het Franse 6e Regiment Chasseurs à Cheval, bevestigt het gevecht met RH6. Hij vertelt wat erna gebeurde:
“It’s after this attack that Captain Estéve en I saw a group of officers on an elevation without any troops around and instinctively we knew that it must be the general staff of the enemy. We undertook to approach the group of officers who distanced themselves with all speed and captured only the horse of an officer. At the same time, being too exposed to the fire of the infantry in squares in a position behind a hedge, the assembly was sounded for the division..”
Het door de Fransen vermeesterde paard was het gewonde paard van majoor graaf van Limburg Stirum, aide-du-camp van de Nederlandse opperbevelhebber, Prins van Oranje. In de chaos had hij zijn gewonde paard achter moeten laten, maar hij raakte omsingeld door Franse cavaleristen, die hem sabelhouwen toedienden, terwijl ze dachten dat hij de Prins van Oranje was. Van Limburg Stirum bleef ernstig gewond op het slagveld achter en werd in de avond gevonden. De Prins van Oranje en zijn gevolg hadden intussen veiligheid gevonden binnen één van de infanteriesquares. Al met al verloor het RH6 in deze charge 13 gesneuvelden en 31 gewonden. Sommigen daarvan waren er slecht aan toe. Zes officieren waren gewond geraakt, namelijk majoor de Jacobij, ritmeester van Wijnbergen, de 1e luitenants Zwanebeek Pauw en de 1eluitenants Rendorp, baron van Utenhoven en Mensink. 2e Luitenant Wolf overleed aan zijn verwondingen en behoort tot de gesneuvelden. Luitenant Zwanebeek Pauw had een sabelhouw over zijn hoofd gekregen en een kogelschot dwars door zijn arm in zijn borst. Rendorp had een sabelsnee in zijn rechterarm en Baron van Utenhoven had zijn paard verloren en was verlamd geraakt aan zijn rechterbeen door een kanonskogel. Luitenant Mensink was zwaar gewond door een sabelhouw over zijn neus en mond. Over hem werd later geschreven:
“ Met hoeveel genoegen hoorden wij hem later in onzen vriendenkring met dien gehavenden mond zij geliefkoosd deuntje ‘Out! Nous plumerons’ voordragen, en met hoe grooten eerbied zagen wij altijd in hem een der braven van Quatre-Bras!”
De huzaar Christiaan Corps had twee sabelhouwen gekregen, één over de rechter schouder en één over de linker, en werd twee keer door een Franse lansier in de rug gestoken en ook nog een keer door zijn rechter hand. Ook de majoor Joachim de Jacobij raakte zwaar gewond door een sabelhouw over zijn linker oog en neus en een lanssteek in zijn zijde. De huzaar Gerrit Pelle had maar liefst zeven verwondingen: een lanssteek in zijn hoofd en oor, twee lanssteken in de linkerarm, een lanssteek in de rechter schouder, een lanssteek in zowel de rechter als de linkerzij en een sabelhouw in de rechterbil. Ook veel paarden raakten gewond en ‘sneuvelden’.

Situatie 16.00 uur. Door de tegenaanval van Piré mislukt de charge van Boreel faliekant. Inmiddels zijn ook de eerste Britse versterking van de Divisie Picton aangekomen en de Franse cavalerie wordt teruggeworpen.
De charge van het inmiddels ook gearriveerde 5 Regiment Dragonders slaagt wel, waardoor de druk op Gemioncourt afneemt.
De Fransen blijven echter aandringen en een tweede cavalerie aanval dwingt de Prins van Oranje bescherming te zoeken binnen een carré.
Tegelijkertijd blijven versterkingen van de Divisie Picton arriveren, waardoor de Fransen er niet in slagen het kruispunt te veroveren
Na de mislukte charge duurt het vervolgens nog geruime tijd voordat het regiment weer verzameld is en opnieuw kan worden ingezet. De Fransen kunnen ondertussen hun aanval doorzetten en bedreigen dus nog steeds het kruispunt, waar het 5e Bataljon Nationale Militie en het 7e Bataljon van Linie zwaar onder druk stonden. Op dat moment arriveren verdere Britse versterkingen en ook het zusterbataljon van het regiment van Boreel, het Regiment Lichte Dragonders No.5 (DR5). Dit regiment had eerst gerust en gefoerageerd voordat het de laatste vijf kilometer naar Quatre-Bras reed. In het oord Nivelles woonde bovendien de moeder van luitenant De Cléty de Witterzee, die haar snel een bezoek bracht. Hij kwam terug met een paar grote flessen wijn die luitenant-kolonel Mercx liet uitdelen over de manschappen. Deze paar slokken stimuleerde vanzelfsprekend het moreel van DR5. Luitenant Graaf van Louis de Renesse, luitenant in DR5 vertelt:
“Om twee uur in de middag van 16 juni verlieten we het dorp (Villers St. Ghislain) om naar het grote leger in Nivelles te gaan, waar we dachten tot de volgende dag te blijven. Maar deze hoop verliep anders: we kregen opdracht om verder naar voren te marcheren naar het geluid van het kanonvuur. Toen we bij Quatre Bras arriveerden, namen we gelijk positie in en bleven daar een half uur onder kanonvuur staan. We verloren hierdoor een paar paarden en mannen. Naderhand moesten we dekken nemen achter het dorp, omdat de kanonskogels te hevig werden.”
De Franse infanterieaanval werd met behulp van deze troepen teruggeworpen. De charge van het DR5 (440 paarden sterk) is hierbij beslissend. Een compagnie dragonders onder leiding van majoor Graaf De Looz-Corswarem, boog naar rechts af om de Franse druk op het bataljon Nationale Militie No.5 bij Gemioncourt te verlichten. Het regiment, in colonne met rotten van vier, maakte op het kruispunt Quatre Bras hoofd der colonne recht en ging in draf 500 m over de weg naar Charleroi tot ongeveer de plaats waar nu het monument van de hertog van Brunswijk staat. Hier werd weer rechtsaf geslagen. Toen de rand van het bos van Bossu (nu verdwenen) was bereikt maakt het regiment halt en daarna linksom om vervolgens de charge in te zetten. De charge werd vervolgens ingezet met twee eskadrons (één eskadron voorop en één in reserve). Het gros van het regiment had het Franse 6e Regiment Chasseurs à Cheval voor zich en stortte zich in volmaakte order op de vijand, die zich tussen de hoeves Gemioncourt en Grand Pierrepont bevond (dus ten oosten van de hoeve Gemioncourt). De twee regimenten raakten door elkaar heen. Sommigen kenden elkaar van voorheen Franse dienst en riepen elkaar toe over te lopen. Ritmeester Van Remoortere kreeg een steek in de buik van één van zijn vroegere onderofficieren en de opperwachtmeester Beaucie vocht met één van de opperwachtmeesters van zijn vroegere eskadron. Luitenant Louis de Renesse was lid van de compagnie van Looz-Corswarem:
“Ondertussen waren onze Nederlandse huzaren in gevecht geraakt met Franse cavalerie, die ze aanvankelijk terugdreven totdat ze zelf verdreven werden. Ze stuurden eerst onze compagnie om hen te helpen, maar die was niet sterk genoeg. De kolonel gaf toen mijn kapitein de order om met zijn compagnie te chargeren, maar doen we de helling afreden vielen de Franse 6e Chasseurs ons in de linkerflank aan. We chargeerden terug en joegen ze weg, hoewel zij uit 400 man bestonden en onze compagnie slechts 105 mannen telde…”

De strak uitgevoerde charge van het Regiment Lichte Dragonders No 5 (rood) met Franse tegenaanval o.l.v. generaal Kellermann (zwart)
De Fransen besloten een tweede poging te doen het kruispunt te veroveren en rond 17.00 uur werd het cavaleriekorps onder leiding van de generaal-majoor Kellermann in de strijd geworpen.

Omstreeks 17.00 uur vallen de Fransen nog een keer met kracht aan met de zware cavalerie van Kellerman. Kellermann chargeert met twee regimenten kurassiers van achter de hoeve Gemioncourt met elk een regiment oost en west van de steenweg naar het kruispunt van QB. De aanval wordt ondersteund met een regiment Chasseurs à Cheval. Al met al bijna 1500 sabels. De aanval wordt onder forse verliezen (twee Britse carré’s werden neer gereden) opgevangen door de UK en NL infanteriecarrés die daarbij worden gesteund door de cavaleriebrigade van Merle met het 5 Regiment lichte dragonders voor en de restanten van het 6 Regiment (RHB) daarachter. Ook de Brunswijkse cavalerie onder de ‘Zwarte Hertog’ van Brunswijk chargeert. Deze tegencharges breken de Franse aanval
Kellermann chargeerde over de westflank van het slagveld met de Zware Cavalerie Brigade Guiton (met het 8e en 11e Regiment Kurassiers) en het Regiment Lansiers van Piré, die eerder het teruggetrokken RH6 achterna had gezeten en nu was teruggekeerd. Al met al zo’n 1500 ruiters. Luitenant de Renesse weer:
“Ongelukkigerwijs werden we toen in de rug aangevallen door de Rode Lansiers van de Garde, de 1e Chasseurs en Kurassiers en het werd een algeheel gevecht. We vochten als gekken. Onze kolonel werd zwaar gewond evenals een kapitein. Ik kreeg een klap in mijn gezicht van de platte kant van een sabel en een lanssteek door mijn overjas die ik om me heen had geslagen.”
Luitenant-kolonel De Mercx werd door een sabelhouw ter aarde geworden en de dragonders begonnen te wijken. Het paard van luitenant-kolonel De Mercx had maar liefst 16 verwondingen. Hij werd gered door één van zijn officieren, luitenant Henkart. Die vertelt hierover:
“Ik kwam mijn kolonel in het mêlee tegen, gewond, bedekt met bloed en liggend onder zijn paard waarvan hij zich niet kon bevrijden. Ik trok hem weg en gaf hem mijn paard, zodat de ambulance hem kon verzorgen.”
Het reserve eskadron (onder leiding van kapitein Mertens) chargeerde aanvankelijk niet en was in verwarring gebracht toen een sergeant van het eskadron door een kanonskogel uit het zadel was geblazen. Een adjudant kwam het eskadron halen en sommeerde de charge, waarop gechargeerd werd. Kapitein Mertens hield zijn eskadron keurig bij elkaar en kon zelfs samen met kapitein O’Sullivan enkele gevangen genomen Belgische dragonders bevrijden. Hiervoor krijg hij naderhand de Militaire Willemsorde. Majoor Looz-Corswarem, had zich met het 3e eskadron intussen losgemaakt van de gevechten rond de boerderij en zich eveneens in het mêlee noord van de boerderij Gemioncourt gestort. Hij nam het commando over en liet de aftocht blazen. Het Regiment verzamelde zich ten noorden van de boerderij van Gemioncourt. De Franse cavalerie ten zuiden ervan. Enige dragonder pelotons waren echter al wel tot bij Frasnes doorgedrongen en kwamen met Franse gevangenen terug. Bij terugkeer van door de eigen linies werden ze vervolgens door het Schotse 92e Regiment Highlanders voor Fransen aangezien en beschoten. Dit leverde helaas 40 extra doden en gewonden op. De reden voor de verwarring was dat de dragonders nog de groene uniformen met gele uitmonstering droegen uit de tijd dat ze Chasseurs Légers heetten, nagenoeg dezelfde uniformen als het Franse 6e Regiment Chasseurs à Cheval. Later werden de uniformen van de Dragonders aangevuld met oranje sjerpen om verdere verwarring te voorkomen. James Kerr Ross was luitenant in het 92e Regiment en geeft ons zijn visie over dit betreurenswaardig incident:
“On taking our position here (which I believe we did by orders of the Duke himself) we observed the enemy had a heavy column of cavalry (cuirassiers) formed at some distance on the plain to our immediate front, formed as we imagined, with a view to making a dash to carry the road leading to Brussels, a corps of Belgian (mixed with some Brunswick) Cavalry, if I don’t much forget, were ordered to attack this corps of the enemy’s cavalry, for which purpose they entered the plain by a gap that was in the field at our right, and to the left hand side of the road. This attack completely failed on the part of the Allied cavalry, the French having charged them and drove them back upon the 92nd who retained its fire till the last moment, when they poured in a deliberate and well directed volley against the cuirassiers causing them very great loss and effectively checking them. They were from the destructive consequences of our fire thrown in to some confusion, but reformed and retired steadily and regularly to where they advanced from. Perhaps I may as well mention here, that the cuirassiers having in their charge got amongst the Belgian cavalry, it was not of the power of the 92nd to refrain from firing one moment longer than it did. Its own safety depending on its steadiness and effects of its volley, as its formation at the time was a critical one to be charged by cavalry in, viz. in line. Indeed the men were in a ditch that ran along the side of the road, having been ordered to take advantage of it before the cavalry came on, and having been exposed to a severe cannonade, the enemy not being near enough for musket shot. Some of the Allied cavalry did fall at the time we gave the volley to the cuirassiers.”
De hernieuwde Franse aanval heeft aanvankelijk succes: het 69e South Lincolnshire Regiment of Foot en het 73e ‘Highland’ Regiment of Foot worden neergereden. De Franse aanval wordt evenwel niet gesteund door infanterie en is daardoor kwetsbaar voor tegencharges. De Franse cavalerie aanval wordt uiteindelijk dan ook afgeslagen mede dankzij de tegencharge van Brunswijkse cavalerie onder leiding van de hertog van Brunswijk zelf. De hertog sneuvelt bij deze charge. Ook het RD5 en het weer verzamelde RH6 onder Boreel chargeerden en vielen de Franse troepen vanuit het westen aan. Van Merlen laat deze keer RD5 voorop rijden, gevolgd door RH6. Sommigen hadden de perceptie dat de Franse aanval wel succes had. Sir William Gomm (deel uitmakend van de brigade van Picton) rapporteert namelijk:
“A heavy cannonade is kept up by both parties during these operations, which continue for about an hour rand a half, when the enemy, who had hitherto made no impression on our post, availing himself of his great superiority in cavalry (his light troops having possessed themselves of the Bois de Bossu) pushes a strong column of cuirassiers and lancers with rapidity up the great road, dispersed the Brunswick and Belgic cavalry, gets possession of the post of Quatre-Bras and turns the right of the British position.”
Tijdens de ruitergevechten hadden eenheden van de Franse Divisie Foy weer kort Gemioncourt bezet en drongen dus op naar de viersprong. Een gedeelte van hen veroverde achtergelaten vuurmonden en probeerde ze weg te voeren. Kapitein Stevenaert van de voetbatterij was hierbij gesneuveld. Kapitein Gey van Pittius zag dit, verzamelde een aantal kanonniers en zette met hen de aanval te voet en deels te paard in. Ondersteund door een eskadron huzaren onder commando van de al eerder genoemde luitenant Van Bronkhorst die op de Franse cavalerie afstormden, slaagde Gey van Pittius erin zijn kanonnen te heroveren en zelfs canistervuur af te geven op de continue aanvallende Franse cavalerie. Desondanks waren een houwitser en twee zesponders van de batterij verloren gegaan. Hierbij was luitenant Wassenaar van St. Pancras. Die vertelt:
“de cavalerie van generaal van Merlen kwam ons te hulp, maar al snel kwamen deze dapperen terug naar onze positie. Mijn kapitein smeet zichzelf van zijn paard en de kanonniers kropen onder de stukken geschut. Omdat ik het gevaar onderschatte, bleef ik te lang twijfelen in mijn positie, waardoor ik al snel midden in het mêlee terecht kwam. Ik gooide mezelf op de grond, waar we als haringen in een ton op een hoop lagen. Hoe ik hieruit kwam is nog altijd een droom en tot mijn geluk heeft geen enkele Keizerlijke Chasseur de scherpte van zijn zwaard op mij uitgetest…”
Luitenant van Bronkhorst kreeg voor zijn moedige daad kreeg hij later de Militaire Willemsorde 4e klasse toegekend. Hij zelf raakte overigens gewond door twee musketkogels in zijn rechterbeen. Een andere artillerie officier vertelt:
“de kurassiers van Kellermann ontmoeten nu onze licht cavalerie en raakten verwikkeld in een man tot man gevecht. The vijandelijke kurassiers, ondersteund door een regiment Jager te Paard, haakten hevig in op onze lichte cavalerie, waarbij beiden langs en over de kruising reden. Ze reden recht op de kanonnen van kapitein Gey van Pittius af, die ze stroom van ruiters echter afsloeg met een moorddadig kanistervuur. Some kurassiers en Jagers te Paard slaagden erin om van achter in de batterij stelling te komen en kruisten hun sabels met die van onze artilleristen te paard. De vijand werd vervolgens verjaagd door het formidabel musketvuur van een regiment Schotten van generaal Picton die gepositioneerd waren in een sloot langs de weg om hier dekking te zoeken tegen het artillerievuur. Kapitein Gey van Pittius versterkte het musketvuur met zijn eigen kanistervuur waardoor vele vijanden sneuvelden. Een groot aantal vijandelijke cavalerie was nog steeds verwikkeld in gevechten met onze ruiters achter onze stelling. Toen ze zich uiteindelijk losmaakten, trokken deze dappere Franse ruiters zich terug over onze rechterflank en bereikten de linies van Ney, niettegenstaande het feit dat nog vele van deze dappere mannen werden afgeslacht in en rond onze linies.
Een Engelse officier ziet het ook gebeuren:
“A regiment of Belgian light cavalry held a long struggle with the famous cuirassiers in a way that can never be forgotten. They, poor fellows, were nearly all cut to pieces. The French cuirassiers charged two Dutch guns, with the intent of taking them, to turn them down the road on our flank. This charge was made along the chaussée running form Charleroi to Brussels. The guns were placed near the farmhouses of Les Quatre-Bras.’’
De latere kolonel Charonnet was trompetter in het Franse 8e Regiment Cuirassiers en vertelt vanaf Franse zijde wat er gebeurde:
“The brigade consisted of the 8th and 11th Cuirassiers. General Kellermann dictated to the 8th, which was to attack the squares, to open up and to turn to the right and left in order to unveil the squadrons of the 11th who marched in second line, when the charge could not be pushed to the end. The forecast of the possibility to retreat was little appreciated by te cuirassiers. They charged the Belgian dragoons who advanced to meet them, the elan was broken, the order was given to the 8th to retire..”
Dan ontstaat er bij de Fransen verwarring. Het gerucht gaat de generaal Kellermann is gesneuveld en de Fransen trekken zich terug. Naar later bleek is niet de generaal Kellermann gesneuveld maar zijn paard. Eén Frans regiment weet zich echter weer te verzamelen; het is het 11e Regiment Kurassiers onder commando van de kolonel Cavacque. Charonnet gaat verder met zijn verhaal:
“the horsemen of the 11th, while being carried forward in first line, are the first to turn about; the Belgian dragoons sabre us. The brigade becomes engulfed in chaos. Kellermann, without horse and hat, is for an instant in the middle of the cuirassiers and carried with them. The trumpeters who are close to the standard are placed on a certain distance of each other and sound the assembly in the middle of the dust which surrounds the men. The regiment is being assembled. The trumpeter on duty close to colonel Cavacque had been killed. I replaced him..”
Kolonel Cavacque laat zijn regiment ten westen van de hoeve Gemioncourt opstellen en rijdt alleen met zijn trompetter naar voren. In het volle zicht van de geallieerde troepen stijgt hij rustig af en haalt de zadelriem aan. Dan stijgt hij onverschrokken weer op en vraagt aan zijn trompetter of deze kan zien wat de vijand doet. Deze antwoordt even laconiek dat het lijkt dat er tirailleurs naar voren komen, maar hij vindt dat wel vreemd want:
‘Mon colonel ce ne sont que des cantinières’.1
Hij denkt dat het marketentsters zijn, want de 15 jarige had nog nooit Schotse troepen in kilt gezien. De kolonel Cavacque trekt daarop zijn sabel en steekt het in de lucht: het teken dat er gechargeerd gaat worden. Hij laat de kling naar voren vallen en voor de tweede keer valt het regiment frontaal aan. Echter ook nu maakt het ontbreken van infanteriesteun de chargerende Franse cavalerie kwetsbaar en weten de geallieerde troepen stand houden. Delen van RH6 werden na het afslaan van de Franse cavalerie aanval ingezet om het gebied achter de eigen linies te zuiveren van achtergebleven Franse ruiters. Luitenant Ross van de 92nd Highlanders vertelt over het afslaan van de laatste Franse aanval van generaal Kellermann. Hij geeft de glorie niet aan de brigade van Van Merlen, maar aan zijn eigen regiment:
“These Dutch, Belgian and Brunswick cavalry were ordered again to attack the cuirassiers and for which purpose they entered the plain again with no better effect only they retired sooner, charged by the cuirassiers, to whom we gave a second fire, again causing them much loss and completely driving them back. This second repulse seemed to have made them abandon the idea of taking possession of the road to Brussels, although they made a short advance as if intending to try it again, but our fronts being clear on this occasion, we opened a fire at a longer range and they did not attempt to charge…”
Luitenant Henckens van het 6e Regiment Chasseurs à Cheval onderschrijft de Franse verliezen :
“We suffered in these last charges very sensitive losses. Captain Estèves killed, my comrades dismounted or wounded, as I assembled the compagnie d’elite, of which only 25 men were still mounted. The others stayed on the field where the charges were made, killed wounded or dismounted…”
Ook de geallieerden verliezen waren zwaar. DR5 had 121 gesneuvelden te betreuren..
Om 18.00 uur ‘s avonds is Ney weer terug waar hij ‘s middags is begonnen. Rond 19.00 zijn de vijandelijkheden ten einde en de Britse en Nederlandse troepen beginnen aan de terugtocht naar Waterloo.
Omstreeks 18.00 uur zijn de troepen van Maarschalk Ney weer terug bij af, in Frasnes.
Bij Quatre-Bras arriveren nog meer Britse versterkingen, dit keer van de divisie Cooke.
Maar rond 19.00 uur zijn de vijandelijkheden beëindigd. De troepen bivakkeerden die nacht op het slagveld.
De geallieerde troepen trokken zich de volgende dag terug in de stromende regen. Ze marcheren naar Waterloo, waar op 18 juni de beslissende slag zou plaatsvinden.

Op 16 juni heeft Napoleon twee slagen uitgevochten en daarbij heeft hij de onbedoeld de grondslagen gelegd voor zijn uiteindelijke nederlaag bij Waterloo, twee dagen later. Bij Ligny heeft hij niet kunnen voorkomen dat de Pruisen zich konden losmaken en zich konden verenigen met de Brits-Nederlandse troepen onder bevel van Wellington. De achtervolging van Blücher en zijn troepen mislukte. Per saldo is de slag bij Quatre-Bras van doorslaggevend belang geweest. Als Quatre-Bras niet bezet was geweest door Nederlandse troepen en als de Franse generaal d’Erlon zijn opdracht goed had begrepen, dan zouden de Pruisen in de westelijke flank zijn aangevallen. Blücher had zich dan niet kunnen losmaken en zeker niet kunnen zijn teruggevallen in noordelijke richting.
De inzet van de 2e Lichte Brigade Cavalerie van generaal-majoor van Merlen heeft hierbij een niet te onderschatten rol gespeeld. De ongeorganiseerde charge van RH6 ontlastte de in het nauw zittende Nederlandse infanterie, waardoor de Fransen hun tactische cavalerie reserve(s) moesten inzetten. De charge van RH6, hoewel mislukt, gaf tijd en ruimte voor de hierop volgende, beter georganiseerde, tegencharge van DR5 en het tijdig in positie komen van arriverende Britse infanterie en Brunswijckse cavalerie. De vurige charge van DR5 dwong op haar beurt maarschalk Ney tot het inzetten van zijn operationele reserve, het cavaleriekorps van Kellermann, die gezamenlijk met het musketvuur van de in stelling gekomen Britse infanterie en de twee halve batterijen Rijdende Artillerie het gevecht bij Quatre-Bras in geallieerd voordeel deed beslissen. Deze dag vertraging zorgde ervoor dat de Franse opmars naar Waterloo niet al een dag eerder kon plaatsvinden. Zonder Quatre-Bras, had Wellingon minder tijd gehad zijn opstelling bij Waterloo te prepareren en was op het beslissende moment niet Blücher met zijn Pruisen op het slagveld verschenen, maar wel Grouchy met zijn 10.000 sabels. Terecht dat de beide cavalerie regimenten DR5 en RH6 met eerbetoon werden overladen. De beide regimenten van de 2e Lichte Brigade kregen dan ook meerdere dapperheidsonderscheidingen. 28 Militaire Willems Orden gingen naar DR5 en 27 naar RH6.
Vijf jaar later, op 17 juli 1820, bezoekt de Engelse lady Dorothy Wordsworth, de zuster van de dichter William Wordsworth, het slagveld. Hier volgt een fragment uit haar dagboek. ‘In Quatre-Bras zat een grote lijvige bejaarde in de deur van zijn huis, met een kleinkind op zijn knie en een witte slaapmuts op zijn hoofd. De woning stond afgezonderd van de vier wegen waarnaar het gehucht is genoemd. Wij stelden hem enkele vragen die hij kort, als met tegenzin beantwoordde. Maar toen kwam hij traag en statig overeind om ons de plek te wijzen waar de hertog van Brunswijk was gesneuveld, slechts een paar meter verderop. Die man heeft gevochten voor wat hij waard was, zei hij. Zelf was hij gedurende de gehele slag in zijn huis gebleven. ‘Was u niet bang?’ vroeg ik. ‘Welnee, geen moment’ antwoordde hij, ‘ceux qui ont peur n’ont point d’esprit.2 We merkten op dat het koren manshoog stond. ‘Zo was het ook voor de slag, precies zo’ antwoordde hij, ‘alleen was het toen nog niet rijp’. Het leven ging toen ook al gewoon door.