Door: kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel
Het Regiment Huzaren van Boreel stamt indirect af van het in 1784 opgerichte Legioen Huzaren van Frederik Johan Otto Rijngraaf van Salm.*1 Dit Legioen was, net zoals haar leider Rijngraaf van Salm, niet onomstreden en genoot een dubieuze reputatie. Tijd om dit Korps eens voor het voetlicht te halen.
Pruisische legervormingsmodel
In het tweede stadhouderloze tijdperk voor de Franse revolutie had de Republiek der Verenigde Provinciën grote moeite de noodzakelijk financiële middelen bijeen te brengen en haar defensie op orde te houden. Langzaam was ze afgegleden naar een tweederangs mogendheid en speelde ze nauwelijks meer een rol op het Europese diplomatieke toneel.
De afbrokkelende militaire status van de Republiek ging gepaard met stevige discussies over de legervorming van het Staatse Leger. Er bestonden in feite twee kampen met verschillend inzicht.
*1 Zie hiertoe hfdst Genealogie Regimentsboek RHB. 1785 Legioen (of Korps) Huzaren van Frederik Johan Otto Rijngraaf van Salm. Opgevolgd in 1787 door Korps Huzaren op Holland en in 1794 door Regiment Huzaren van Reinhard Borchard Willem Baron van Heeckeren van Molencate. Daarna in 1795 Regiment Huzaren Regiment Huzaren, in 1806 2e Regiment Huzaren, in 1811 werd dit het 11e Regiment Huzaren en in 1813 heropgericht als Regiment Huzaren van Boreel
Een groep officieren wilde vasthouden aan het gedachtengoed van Prins Maurits en Prins Frederik Hendrik, waarbij verdedigende en behoedzame manoeuvres het uitgangspunt waren. Een andere groep officieren wilde echter het indrukwekkende voorbeeld van de Pruisische Koning Frederik de Grote volgen, en energiekere en agressievere manoeuvres invoeren.
Zowel stadhouder Willem V, in zijn functie als kapitein-generaal (opperbevelhebber) van het Staatse Leger, als zijn belangrijkste militaire adviseur generaal Hertog van Brunswijck, behoorden tot de laatste groep en besloten het Pruisische legervormingsmodel te introduceren. Dit betekende meer en professionele regimenten, een mobilisabele component, zware belastingen, draconische tucht en een grotere rol van de centrale legerleiding. Tegenstanders zagen dit anders. Volgens hen kon de Republiek geen uitputtingsoorlogen meer voeren. Zij zagen meer in een kleiner aantal regimenten (op volle sterkte) die verdeeld waren over diverse vestigen en linies om zo een verdedigende oorlog te kunnen voeren. Burgermilities konden de door inundaties beschermde plekken beschermen en de beroepsregimenten zouden dan de kwetsbare plekken voor hun rekening kunnen nemen. Mobiele lichte troepen (snelle reactiemacht) kon dan doorgebroken tegenstanders voor hun rekening nemen.
Het idee van ‘lichte troepen’ was afgekeken van de ervaringen tijdens de Silesische oorlogen en de Zevenjarige Oorlog, die Pruisen en het Habsburgse Rijk met wisselende coalitiepartners hadden uitgevochten. Vooral Habsburgse huzaren (uit Kroatië en Hongarije) hadden indruk gemaakt met hun lange afstand raids achter de Pruisische linies en de troepen van Frederik de Grote voor grote uitdagingen gesteld. De Republiek kon bovendien vrij gemakkelijk aan ‘lichte troepen’ komen omdat de Duitse vorstendommen na deze oorlogen (en na de Amerikaanse burgeroorlog) wemelden van officieren en manschappen met relevante ‘lichte’ ervaring. Deze vorm van oorlogvoering was bovendien populair onder jonge mannen vanwege het avontuurlijke karakter en aanzienlijke kans op persoonlijk gewin.
Patriotten en Orangisten
Stadhouder en kapitein-generaal Prins Willem V
Behalve de militaire controverse bestond er in deze tijd ook een politieke controverse. Namelijk tussen de ‘regenten’ die zich verzetten tegen een grotere rol van het huis van Oranje en een decentraal bestuur voorstonden. Deze groep was ook beïnvloed door progressieve nieuwe politieke denkbeelden uit Frankrijk, die de universele rechten van de mens voorstonden en een betere verdeling van de macht. Deze groep stond bekend onder naam ‘patriotten *2’.
Hun beweging had enorme vaart gekregen na de publicatie van het pamflet ‘Aan het volk van Nederland’ (geschreven door van der Capellen) in september 1781. Hun tegenstanders beargumenteerden dat juist het decentrale karakter van de Republiek haar internationale teloorgang had veroorzaakt en dat alleen een sterk centraal aangestuurde staat de Republiek in haar glorie kon herstellen. En deze centrale staat diende dan onder leiding te staan van een koning van het Huis van Oranje, vooral omdat de leden van dit huis veel aanzien genoten onder de bevolking van Nederland.
Deze groep stond bekend onder de naam ‘Orangisten.’ De patriotten waren felle tegenstanders van het Huis van Oranje omdat hun dynastieke belangen en streven naar ‘glorie’ de Republiek alleen maar grote schade had toegebracht in recente oorlogen zoals de Frans-Hollandse Oorlog, de Spaanse Successieoorlog en de Oostenrijkse Successieoorlog. Ze verlangen terug naar de glorietijd van de Republiek. Ze stelden ook dat de risicomijdende politiek van de regerende klasse het internationale aanzien van de Republiek beschadigde, temeer doordat het leger en zeemacht niet op peil werden gehouden. De spanningen tussen beide groepen was in de tweede helft van de 18e eeuw enorm opgelopen.
De patriotten steunden vooral op stedelijke milities *3, maar de Orangisten hadden sterke steun in het door Willem V en de Hertog van Brunswijck gedomineerde Staatse Leger. De patriotten daarentegen hadden weer de macht in de belangrijkste provinciale staten (Holland en Utrecht) en controleerden hiermee de financiering van een groot aantal regimenten van het Staatse Leger. De Staten-Generaal waren min of meer verdeeld. Kortom: een soort patstelling.
*2 Hun scheldnaam was ‘kezen’ of ‘keeshonden’, een verwijzing naar één van hun patriottische leiders, de Dordtenaar Cornelis (Kees) de Gijselaar.
*3 Waarvan er op het hoogtepunt van de patriottische macht meer dan 200 waren.
Lichte korpsen
De patriotten haalden de Staten-Generaal medio 1785 over om zes ‘lichte korpsen’ op te richten *4. Dit werden de huzaren die met hun uitbundige kleding, kleine snelle paarden en wild gedrag totaal anders waren dan de gedisciplineerde op zware paarden gezeten Hollandse cavalerie. De huzaren droegen pelsmutsen en kolbakken, hadden tunieken met tressen, korte laarzen en bontmantels (dolmans) die over één schouder werden gedragen. Hun optreden draaide om snelheid, beweeglijkheid en stootkracht in kleine losse verbanden. Hun ontwrichtende kracht was bewezen tijdens de Zevenjarige Oorlog, toen zwermen Oostenrijkse en Russische huzaren de Pruisische troepen verschillende keren wisten af te matten. Bovendien konden ze door hun mobiliteit als ‘strategische reserve’ fungeren om doorbraken van de vijand op te vangen en een oprukkende vijand te vertragen.
Hun bewapening bestond daarom niet uit lansen, maar uit kromme sabels en pistolen. Ook hun exercities waren op het scherp van de snede, waarbij men elkaar met sabels te lijf ging, men elkaar beschoot met scherpe pistoolmunitie en men gevangengenomen kameraden vastbond aan de paarden en achter zich aansleepten.
*4 Onder meer een verlate reactie op de mobilisatie tijdens de oplopende spanning met het Habsburgse Rijk tijdens de ‘Keteloorlog’ in oktober 1784
Toenemende politieke spanningen
Intussen werden de politieke tegenstellingen scherper en in augustus 1785 stuurde Willem V troepen naar Amersfoort om die stad tot de orde te roepen en te behouden voor het Orangistische kamp. Samen met de onwil van de Prins om een legergarnizoen te laten ingrijpen tijdens een oproer in Den Haag, waarbij statenleden fysiek werden bedreigd, deed dit deed de Staten van Holland besluiten om Willem V te ontheffen van zijn bevelhebberschap over het Haagse garnizoen. Willem V verliet verontwaardigd Den Haag en trok naar Gelderland, waar hij beurtelings in Nijmegen en Paleis het Loo nabij Apeldoorn verbleef.
Willem V stelde een nieuwe adviseur aan, de Fransman Maillebois en die deed het voorstel om troepen van het Staatse Leger in diverse garnizoenssteden te legeren. Dit advies kwam onder meer voort uit overleg tussen Maillebos en Rijngraaf Frederik Johan van Salm-Grumbach, die één van die zes lichte korpsen Huzaren in 1784 had opgericht: het Legioen van Salm. Rijngraaf van Salm stond in hoog aanzien bij de patriotten en was tevens kolonel van een regiment mariniers (!).
Diverse kolonels vonden het plan van Maillebos en Rijngraaf Salm maar niets, omdat dan in de patriottische stedelijke de regenten (feitelijk de betaalheren) een te grote invloed op het Staatse leger zouden krijgen. Ook zou de vrouwelijke bevolking van de steden een te slechte invloed hebben op de krijgstucht. De controverse duurde voort en er werd eigenlijk geen keuze gemaakt. Samenvattend waren de patriotten voor een kleiner ‘verdedigend’ beroepsleger, aangevuld met burgermilities, met het gezag bij de steden, terwijl de Orangisten een groter ‘aanvallend’ kader-militie leger voorstonden onder centraal gezag van de kapitein-generaal, de Prins van Oranje. De politieke spanningen bleven oplopen en beide partijen bereiden zich voor op gewapende confrontaties. De Staten-Generaal sloten in november 1785 een militair bondgenootschap met Frankrijk. Dit deed de Pruisische koning Frederik de Grote (oom van de vrouw van Prins Willem V, Wilhelmina) besluiten een waarschuwing uit te laten gaan naar Den Haag om ‘zich in te spannen voor een vreedzame oplossing’. Frederik de Grote wilde het niet op een openlijke oorlog laten aankomen.
Willem V speelde echter voor tijdwinst omdat de gezondheid van Frederik de Grote (inmiddels 74 jaar) broos was en zijn zoon (de broer van zijn vrouw Wilhelmina) waarschijnlijk een harder standpunt tegen Frankrijk en de Staatse patriotten zou innemen. De patriotten gingen door met het versterken van hun militaire capaciteiten en steunden naast hun stedelijke burgermilities, vooral op het door Holland betaalde Legioen Huzaren van de Rijngraaf van Salm. Na het Verdrag van Fontainebleau (gesloten in 1785 tussen keizer Jozef II en de Republiek der Nederlanden over het vraagstuk over de opening van de Schelde voor Antwerpen: de zogenaamde ‘Keteloorlog’) hadden de Staten-Generaal besloten om alle lichte korpsen af te danken. Holland had daarop het Legioen Huzaren van Salm in ‘particuliere’ dienst genomen.
Rijngraaf van Salm
Rijngraaf en wildgraaf Frederik III van Salm-Grumbach was een indrukwekkende verschijning. Hij ging gekleed alsof hij op elk moment aan de strijd kon gaan deelnemen en had een zelfverzekerde manier van spreken. Hij had altijd laarzen met sporen aan en droeg zijn sabel openlijk. Hij had een wild kapsel en extravagante kleding. Zijn jeugd had hij in gezelschap van zijn moeder aan het Frans hof doorgebracht. Een dubbelzinnige speelschuld- en duelhistorie noodzaakte hem tot een vlucht en rondreis langs Europese hoofdsteden, totdat hij in 1772 een kolonelsplaats van een infanterieregiment kon krijgen. In 1784 verkocht hij zijn kolonelsplaats en richtte hij het Legioen Huzaren van Salm op. Zijn legioen bestond uit 800 man, voor de helft uit huzaren en kurassiers en voor de andere helft uit lichte infanterie en jagers.
Ook de kurassiers behoorden feitelijk tot de lichte cavalerie, met hun lichtgewicht kuras en sabels. Een lichtgewicht helm met afhangende kettingen beschermde hoofd en nek tegen sabelhouwen. De infanterie en jagers van het Legioen waren getrainde schutters, die ‘richten’ in plaats van ‘groepsvuur’ af te geven. Het waren vrijwel allemaal Duitsers met oorlogservaring.
Utrecht, Hattem, Elburg en Zwolle
De Domstad was intussen door een interne omwenteling tot het patriottische kamp overgegaan, iets wat Willem IV in Amersfoort met gewapend ingrijpen had weten te voorkomen. Holland, Overijssel en Groningen behoorden tot het patriottische kamp. De onzekerheid van Willem IV groeide en hij trok zich terug naar ‘bevriend gebied’, namelijk Oost-Utrecht en de Veluwe. De dood van Frederik de Grote en de troonsbestijging van Frederik Willem II was een morele steun voor de Orangisten.
De druk om met geweld de patriotten in het gareel te brengen nam toe en Willem V besloot een verrassingsaanval te doen vanuit Zutphen op de patriottische bolwerken Hattem, Elburg en Zwolle. Begin september 1785 zond hij troepen naar deze steden en nam met enkele kanonschoten Hattem en Elburg in, waarbij de patriotten snel naar de overkant van de IJssel naar Zwolle vluchtten. De Staten van Holland waren echter zeer ontstemd over de geweldsexplosie en ontnamen Willem V het bevelhebberschap over alle Hollandse regimenten. De commandanten van deze regimenten werden van dit besluit op de hoogte gesteld en kregen het bevel om alleen de bevelen van de Staten van Holland op te volgen. Willem V reageerde hierop door te proberen de Staten-Generaal aan zijn kant te krijgen en deze organisatie te laten bepalen dat de Hollandse regimenten in hun standplaats moesten blijven en ter beschikking bleven van de kapitein-generaal. Dit was een onconstitutionele handeling die olie op het vuur gooide. Ook de steunverklaring van de nieuwe Pruisische vorst aan Willem V deed de spanning verder stijgen.

Utrecht bracht zichzelf intussen in staat van verdediging, want deze stad verwachtte na Hattem en Elburg als volgende aan de beurt te zijn. Inderdaad was Willem V op zijn hoofdkwartier Paleis het Loo bij Apeldoorn plannen aan het opstellen om Utrecht gewapenderhand te veroveren.
Via de bossen ten zuidwesten (vanuit Bunnik) en noordoosten (Zeist, de Bilt) zou er een verrassingsaanval moeten plaatsvinden. Deze plannen lekten echter uit en werden bekend in Utrecht, die de Staten van Holland om steun verzochten. Honderden Hollandse patriotten arriveerden vervolgens in Utrecht en deze eenheid werd ‘het Cordon van Holland’ genoemd.
De Staten van Holland bevalen ook de bij hun in betaling zijnde regimenten zich in Utrecht te melden. Willem V reageerde hier weer op door een aantal loyale Utrechtse regimenten naar de Sticht te sturen en posities tussen Amersfoort en Amerongen te laten betrekken.
Willem V had ongeveer 7500 man infanterie en 1300 man cavalerie ter beschikking, maar de patriotten waren viermaal zo sterk. Ze hadden 7800 man infanterie, 1000 man cavalerie, 800 ‘Salmen’ en 15.000 man burgermilities. Niet onbelangrijk was echter dat de bevolking vooral op de hand was van Willem en veel steun genoot in Zeeland, Gelderland en Friesland. Herhaaldelijk was het al tot opstootjes gekomen in Holland, waarbij het gewone volk zijn steun aan het Oranjehuis betoonde. Omdat de loyaliteit van het infanterieregiment ‘Hollandse Gardes’ niet helemaal werd vertrouwd door de patriotten, stelde men voor het Legioen Huzaren van Salm naar Holland te halen, maar dit ging uiteindelijk niet door.
Ook de patriotten begonnen militaire actie te overwegen en dachten over een dubbeloffensief met burgermilities vanuit Holland en Utrecht naar Amersfoort en vanuit Groningen en Drenthe via Zwolle naar Hattem en Elburg. Daarna waren Zutphen en Arnhem aan de beurt. De stad Amsterdam maakte echter bezwaar en wilde eerst alle Hollandse steden zuiveren van Orangisten, iets wat in april 1787 ook daadwerkelijk gebeurde. Met geweld werden veel orangistische bestuurders van hun bestuursposten verwijderd.
Willem V besloot intussen tot actie en omsingelde begin mei met loyale regimenten Utrecht om deze stad tot overgave te dwingen. De zwakke plek in de verdedigingsgordel rond Utrecht lag in het zuiden. Op 9 mei kwam het bij Vreeswijk tot een treffen tussen de Orangistische troepen, gecommandeerd door kolonel van Efferen en de uit Jutphaas toegesnelde Utrechtse burgermilities.
De legertjes hadden geen kennis van elkaars posities en ontmoetten elkaar daarom min of meer toevallig. Aanvankelijk wilden de patriotten onderhandelen, maar de Orangisten schrokken en openden als eerste het vuur met kanonnen en musketten. Er vielen relatief weinig slachtoffers, onder wie twee patriottische leiders. De patriotten kregen de overhand en behaalden de overwinning. De prinsgezinden sloegen op de vlucht en lieten oorlogsbuit achter, waaronder een regimentsvaandel, honderden geweren, sabels, munitie en persoonlijke eigendommen van officieren. Hierna trokken beide zijden zich terug. Kolonel van Efferden moest zich later voor de krijgsraad verantwoorden, maar vluchtte naar het buitenland. Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld.
De patriottische overwinning was van gering militair belang, maar werd door de patriottische pers breed uitgemeten in allerlei propagandistische pamfletten en liederen. De patriotten schilderen zichzelf af als helden en vergeleken het gevecht met de slag bij Thermopylae (480 v.Chr.).
Met name rondom de gesneuvelde Cornelis Visscher ontstond een heldencultus en hij kreeg een plechtige staatsbegrafenis. Prins Willem V had de binnenlandse orde niet meer onder controle. Zeker niet nadat in Amsterdam enkele dagen later een prinsgezinde Bijltjesoproer (30 mei) was neergeslagen.
De Staten van Holland besloten om officiële militaire bijstand aan Utrecht te leveren en gaven de in hun betaling staande regimenten in het Staatse Leger opdracht om van kamp te wisselen en naar Utrecht te trekken. De leidde echter tot grote problemen binnen deze regimenten omdat enkele officieren en vooral veel soldaten weigerden het Orangistische kamp te verlaten. Onderlinge schermutselingen en chaos waren het gevolg. Het Legioen Huzaren van Salm bleef haar Hollandse broodheren trouw en verplaatste naar Utrecht.
Willem V maakte van de militaire wanorde aan patriottische zijde gebruik om zijn kamp bij Zeist op de slaan, maar zijn legermacht (3000 man) was te klein om Utrecht te veroveren. Op 14 mei deden de Huzaren van Rijngraaf van Salm een uitval en verrasten een detachement dragonders van de Prins in de bossen bij Zeist. Daarentegen hadden prinselijke troepen het stadje Wijk bij Duurstede weten te veroveren op de patriotten, waardoor inundaties moeilijker werden. Hollandse versterkingen (zowel geregelde als ongeregelde troepen) arriveerden intussen in de Domstad. Ook in noord Gelderland werden de wapens geslepen en op de Zuiderzee sloot een Amsterdams patriottische flottielje alle prinsgezinde havens af.

Rijngraaf van Salm deed persoonlijk ook een duit in het zakje met zijn grootspraak en zelfverzekerd optreden. Hij kreeg zelfs het opperbevel over alle patriottische troepen in Utrecht toegewezen en deed met zijn huzaren regelmatig uitvallen richting de prinselijke troepen. Hij had ook zijn inlichtingenproces op orde want met een op de Domtoren geplaatste telescoop liet hij alle bewegingen vanuit het prinselijke legerkamp in Zeist in de gaten houden. Belangrijker was dat hij ook zijn contacten aan het Franse Hof benutte en erin slaagde om een Franse legermacht van 20.000 man te laten samentrekken bij Givet. Van hieruit kon via Namen, Brussel en Antwerpen worden opgerukt naar Holland of via het Maasdal naar Gelderland en zelfs Kleef om een Pruisische interventie te voorkomen.
Incident bij Goejanverwellesluis
Het Orangistische plan werd gelanceerd om een tegenrevolutie in Holland te beginnen. Hiervoor was een persoonlijk verschijnen van Willem V aan de bevolking in Holland en de patriottische leiders in Den Haag essentieel. Willem V schrok hiervoor terug, maar zijn vrouw Wilhelmina was uit ander hout gesneden. Ze ging alleen niet incognito en via een omweg, maar via de kortste route in vol ornaat. Op 28 juni werd ze met haar gevolg bij Goejanverwellesluis (ten oosten van Gouda) aangehouden door gewapende burgers en na een korte ondervraging teruggestuurd naar Gelderland. De Orangisten pleegden ‘information manoeuvre’ en dikten het verhaal aan met berichten dat de prinses met sabels en geladen geweren fysiek was bedreigd. Ze bereikten hun doel want haar broer, de Pruisische Koning sprak van majesteitsschennis en begon een interventiemacht samen te trekken bij Wezel.
De signalen van een Pruisische interventie sterkten het Orangistische kamp en gaven hen de energie om de laatste patriottische bolwerken in Gelderland (Doetinchem, Lochem, Groenlo) te vermeesteren. Hierbij vielen doden. Ze maakten zich op voor de daadwerkelijke belegering en aanval op Utrecht. De Domstad had zich intussen aanzienlijk versterkt, met o.a. de 600 man sterke schutterij van Amsterdam. De Huzaren van de Rijngraaf maakten intussen het platteland rond Utrecht onveilig en hielden hierdoor veel Orangistische troepen vast als bescherming in kleinere plaatsen en vestigingen. Pogingen van de Hollandse patriotten om hun troepensterkte uit te breiden werden gehinderd door Orangistische tegenacties. Veel Duitse vorstendommen waren bijvoorbeeld op de hand van Prins Willem V en verhinderde patriottische rekrutering. Van het plan om het Legioen Huzaren Rijngraaf van Salm fors uit te breiden kwam weinig terecht. Op 15 september waren slechts 154 man aangenomen bij ‘de Salmen’. Desondanks bleven door de Hollandse versterkingen de patriotten in Utrecht een numeriek voordeel houden.
De Rijngraaf had als opdracht de prinselijke troepen uit de Sticht te verjagen, voordat Pruissen zou interveniëren of een Franse interventie aan de zijde van de patriotten naderbij zou brengen. Frankrijk had echter ook onrust in eigen land en was bevreesd dat interventie de tegenstellingen in eigen land zouden verscherpen. In de nacht van 7 op 8 juli deed de Rijngraaf van Salm met zijn troepen een uitval via het Vossengat (waar nu o.a. de Kromhoutkazerne ligt) naar Bunnik.
Hier had het prinselijk leger een klein bruggenhoofd over de Kromme Rijn. De uitval slaagde en de troepen van de prins werden (tijdelijk) teruggedreven in wanorde. In het nachtelijk donker hadden ze onder meer op eigen troepen gevuurd en meerdere soldaten doodgeschoten.
De Rijngraaf kende zijn vak en vergat het moreel van de bevolking niet. Hij beïnvloedde de standvastigheid door met enige regelmaat grote parades te houden in de Utrechtse binnenstad en liet zichzelf met tromgeroffel en hoorngeschal aankondigen. Pracht en praal schuwde hij niet. De Rijngraaf was niet alleen ijdel of zelfs narcistisch, maar legde ook een enorme werklust aan de dag. Hij bemoeide zich met heel veel zaken. Van de oprichting van nieuwe eenheden tot inundaties, het aanleggen van veldversterkingen, de plaatsing van kanonnen, het plannen van een amfibische aanval op Amersfoort en zelfs het werven van Zweedse troepen. Maar hij had uitsluitend het opperbevel over de Utrechtse eenheden, niet over de Hollandse eenheden.
Jachtslot Soestdijk
De Rijngraaf besloot tot een aanval op het prinselijke jachtslot Soestdijk, dat bezet was door ongeveer 140 man. Verovering van Soestdijk zou het pad effenen voor een aanval op Amersfoort. De aanval door 250 man patriottische militie in de nacht van 26 juli 1787 eindigde echter in een mislukking. De verrassing mislukte door een oplettende grenadier (die na zijn alarmering werd doodgeschoten) en de snel gesloten hekken van het jachtslot vormden een moeilijke hindernis voor de huzaren. Deze reden bij hun terugtrekken de volgende infanterie van de sokken en het hierop volgende vuurgevecht tussen verdedigende Orangistische grenadiers en patriottische infanterie maakte weinig indruk op de verdedigers in het jachtslot. De patriotten trokken zich vervolgens terug in het donker.
De overwinning bij Soestdijk sterkten de Orangisten, die in op 7 augustus een nieuwe opsteker kregen door de komst van een Pruisische generaal-veldmaarschalk (de Hertog van Brunswijk-Lüneburg), die de Pruisische opmars kwam voorbereiden.
Rijngraaf van Salm had zich door de nederlaag bij Soestdijk niet laten ontmoedigen en had inmiddels plannen gemaakt om zowel de Pruisen als het leger van Prins Willem V te verslaan. Hij rekende hierbij op de inundaties en de smalle naderingsdijken van Holland en hoopte natuurlijk op de komst van een Frans leger naar Brabant als tegenmacht voor het Pruisische leger. De Pruisische opmars zou vermoedelijk zuid van Utrecht plaatsvinden en kon het beste bij Gorinchem en Dordrecht gestopt worden, waarna het prinselijk leger met een veldslag ten oosten van Utrecht teruggedreven kon worden over de IJssel. Holland weigerde echter om nog meer troepen naar Utrecht te sturen. De
Orangisten pasten wederom ‘Information Manoeuvre’ toe en hadden een vervalst bericht gestuurd waarin Rijngraaf van Salm zogenaamd verklaard had Utrecht onverdedigbaar te achten, voorstelde om de Utrechters aan hun lot over te laten en zich te concentreren op de verdediging van de Hollandse steden. Het bericht werd zelfs officieel besproken in de Staten van Holland en de reputatie van de Rijngraaf van Salm was hiermee flink beschadigd.
Rijngraaf van Salm had na het aftasten van de flanken bij Bunnik en Soestdijk de tijd rijp geacht voor een meer centrale benadering. Uitgelokt door de verovering van de Bilt door de prinselijke troepen, deed hij eerst een succesvolle gewapende verkenning en op 31 augustus een grote aanval op de Bilt. De Bilt werd aan een drie uur durend bombardement onderworpen, maar de hierop volgende aanval van Utrechtse burgermilities mislukte door gebrek aan geestdrift en het tegenvuur van prinselijk geschut. Het plan van de Rijngraaf om het stadhouderlijke leger uit de Sticht te verlaten was mislukt.
Pruisische interventie
Op 9 september overhandigde de Pruisische gezant Thulemeyer de Staten van Holland een ultimatum. De Pruisische koning beschouwde de belediging aan zijn zuster als een belediging aan hemzelf en eiste binnen vier dagen genoegdoening. Indien hieraan niet werd voldaan, zou hij zichzelf die genoegdoening verschaffen. Holland weigerde hieraan gevolg te geven en, getrouw zijn dreigement, liet de Pruisische koning daarna op 13 september zijn troepen bij Nijmegen de Waal overtrekken. De patriotten, aangemoedigd door de Rijngraaf, waren aanvankelijk nog vol vertrouwen. Maar dit vertrouwen verdween snel toen duidelijk werd dat het Franse interventieleger bij Givet geen intentie had om tussenbeide te komen, o.m. door geldgebrek. Pogingen om het gebied rond Utrecht te inunderen werden deels ongedaan gemaakt door boeren die hun landbouwgrond niet onder water wilden zetten en het water weer weg lieten stromen.
Geheel onverwacht ontruimden de patriotten in de nacht van 15 of 16 september echter Utrecht, die tot dan toe altijd als bolwerk in de weg had gestaan van een Pruisische opmars naar het westen. De Rijngraaf was namelijk min of meer in paniek geraakt door o.a. Amsterdamse weigeringen om meer troepen te sturen. Hij pleegde echter openlijk bedrog door aan de Hollanders te verklaren dat hij van de Utrechters de Domstad mocht verlaten als hij omsingeld dreigde te worden en aan de Utrechters mede te delen dat hij vanuit Holland opdracht had gekregen om te vertrekken. Hij vertrok daarop met zijn elite-eenheid en de Hollandse hulpkorpsen en liet de Utrechtse burgermilities ontredderd achter. Vele Utrechtse patriotten verlieten eveneens halsoverkop de stad. In de vroege ochtend van 16 september trof een verkenningspatrouille van het prinselijk leger de verdedigingswerken leeg en de stadspoorten open aan en de Prins kon op 17 september de stad in bezit nemen. 192 stukken geschut en 120 vestingkanonnen vielen in handen van de Prins, een spectaculair succes. Rijngraaf van Salm was intussen met zijn Legioen Huzaren naar Amsterdam getrokken.
De Pruisische veldmaarschalk Brunswijk-Lüneburg maakte met een relatief klein leger van 19.000 man in vier weken tijd korte metten met de patriotten, met slechts verlies van 211 Pruisische militairen. Hij stuurde een cavalerie-zware eenheid van 4.000 man via Amersfoort naar het Gooi. Een infanterie- eenheid van 9.000 man marcheerde via de Lek (Vianen en Vreeswijk) naar Schoonhoven en Gouda. Een derde eenheid van 5.000 man trok via de Waal (Tiel en Gorinchem) naar Dordrecht. Een Pruisische eenheid huzaren werd via het IJsseldal naar Overijssel gestuurd. Brunswijk nam met deze verdeling wel een risico want het uitblijven van de Franse interventie was op dat moment nog niet bekend.
Op 17 september viel Gorinchem snel in Pruisische handen en de ene na de andere patriottische stad wisselde zonder al te veel tegenstand van kamp, zoals Woerden, Gouda, Dordrecht en Rotterdam. Al op 20 september kon Prins Willem V triomfantelijk Den Haag binnentrekken en legden de Staten van Holland het hoofd in de schoot. Amsterdam was echter andere koek, want de stad werd o.a. door een uitgebreide Stelling van Amsterdam beschermd, zowel aan zee- als aan landzijde. Muiden, Weesp en Naarden zouden eerst ingenomen moeten worden. Op 26 september viel na een kort gevecht Weesp, maar Naarden verdedigde zich fel, o.a. met felle uitvallen. Maar op 27 september viel ook deze vestingstad. Muiden hield het langst stand en een Pruisische aanval op 23 september was met veel verliezen afgeslagen. Pas op 7 oktober werd de overgave getekend. Amsterdam was aan de oostkant ingesloten. Aan de zuidkant en westkant werd stevige weerstand geboden bij Amstelveen en Halfweg. Pas na een amfibische operatie van de Pruisen over de Haarlemmermeer richting Halfweg, werd hier de ring gesloten en kon geschut in stelling worden gebracht. Maar wel tegen een prijs van 175 Pruisische doden en gewonden. De burgemeesters van Amsterdam wilden het niet op een bombardement laten aankomen en capituleerden op 9 oktober en op 15 oktober trok het prinselijk leger Amsterdam binnen.
De capitulatie van Amsterdam was het keerpunt en een periode van afrekening volgde. Veel patriottische leiders en hun gezinnen werden slachtoffer van geweldsuitbarstingen. Levens gingen verloren, vrouwen verkracht en huizen in brand gestoken. Patriottische krijgsgevangenen werden door de Pruisen slecht behandeld. Pas na twee weken gaf prins Willem V het prinselijk leger bevel tussenbeide te komen en de orde te herstellen.
Ontbinding Legioen Huzaren van Salm
In de winter van 1787 op 1788 werd het leger verder gezuiverd van patriottische sympathiserende officieren. Rijngraaf van Salm was intussen vanuit Amsterdam naar Parijs gevlucht en leefde daar in
weelde. Zijn legioen was ontbonden, maar de huzarentraditie werd voortgezet in het Prinselijk leger. De Pruisische koning Frederik Willem liet een monument oprichten ter ere van zijn overwinning op de Republiek en dit monument siert nog altijd de Brandenburger Tor in Berlijn, betaald door een Amsterdamse compensatie van de Pruisische interventiekosten ter waarde van een miljoen Thalers.
De slag was weliswaar verloren door de patriotten, maar de oorlog niet. Bekend is immers dat in 1793 het Franse revolutionaire leger de oorlog verklaarde aan de persoon van stadhouder Willem V en na een grensposten oorlog van twee jaar in de strenge wintermaand januari 1795 de bevroren rivieren overtrok en Holland veroverde. Twintig jaar Bataafs, Frans revolutionair en keizerlijk bewind was het gevolg. Rijngraaf van Salm maakte de val van de Republiek der Verenigde Provinciën niet meer mee. Hij was vanwege zijn banden met het ‘Ancien Regime’ eind juli 1794 op de guillotine onthoofd.
Opmerkelijk is natuurlijk dat wij als huzaren dus van oorsprong een anti-Oranje oorsprong hebben en zelfs gevochten hebben met Nederlandse cavaleristen. Het imago van woeste, ongedisciplineerde ‘boevenbende’ die ‘huzarenstukjes’ uithaalden en chaos creëerde achter de vijandelijke linies, was verdiend tijdens de Pruisische oorlogen in Midden-Europa, maar toonde zichzelf ook in Nederland effectief. Niet alleen in haar fysieke verschijningsvorm, maar ook in een imaginaire verschijningsvorm. De aanwezigheid van het elitekorps Huzaren van Salm (aanvalsmacht) gaf de patriottische burger weer moed en boezemde de tegenstander ontzag in. Laten we als moderne huzaren die functionele gedachte van een ‘ontzag inboezemende boevenbende’ vasthouden en zelfs koesteren. Het Regiment Huzaren van Boreel is er in ieder geval zeker trots op.
Enige afbeeldingen van uniformen bij dit artikel (bron: Nationaal Militair Museum)






























