1810 – 1813 Het 11e Regiment Huzaren van het Keizerrijk Frankrijk
Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen | 2e versie [13-03-2026]

Op 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland, verdeeld over negen ‘departementen’ ingelijfd bij het Keizerrijk Frankrijk. Deze departementen werden bestuurd door een prefect. Het waren Zuiderzee (Noord-Holland en Utrecht), Monden van de Maas (Zuid-Holland), Boven-IJssel (Gelderland), Monden van de IJssel (Overijssel), Wester-Eems (Groningen), Ooster-Eems (Oost-Friesland, op Duits grondgebied) en Friesland, dat als enige zijn naam behield. Zeelland en Brabant waren al eerde bij Frankrijk gevoegd. Net zoals Limburg dat al in 1795, net als Staats-Vlaanderen en de Oostenrijkse Nederlanden (België), bij Frankrijk was ingedeeld. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, derde hoofdstad van het Keizerrijk.
Op 14 juni arriveerde in Amsterdam al de 72-jarige luitenant-generaal Charles Lebrun als gouverneur-generaal over deze negen departementen. Vooraanstaande Nederlanders namen deel aan het bestuur, waaronder Gogel, Six, Van Hoogendorp, Van Maanen, Mollerus en admiraal Verheull. Het land gleed echter steeds verder af in armoede en de toch al tanende handel kreeg, door verscherpte naleving van het verbod op handel met Engeland, ook geen kans zich te herstellen.
Het ongeveer 20.000 man tellende Hollandse leger ging op in het keizerlijke leger, de Armée Imperial. Het Franse leger had tot dan toe 10 huzarenregimenten, het Hollandse 2e Regiment Huzaren werd nu als 11e Regiment Huzaren aan het Franse leger toegevoegd. Het Hollandse 2e Regiment Kurassiers werd als 14e Regiment Kurassiers opgenomen en uit de beide regimenten Garde te Paard, ontstond het 2e Regiment Chevau-Légers Lanciers van de keizerlijke garde, de zogenaamde Rode Lansiers.
De eerste anderhalf jaar na de inlijving stond voor de meeste Hollandse troepen in het teken van de kustverdediging. De keizer vreesde een herhaling van de Britse invasie van 1809 en deed er alles aan om de bescherming van de kust op peil te houden. Niet zonder reden, want de Britten voerden in het najaar van 1810 en het voorjaar van 1811 geregeld kleine landingen uit. Soms om te foerageren, maar ook om onrust te creëren en de Franse troepen te binden. Voorbeelden hiervan waren de landingen bij Ter Heide (zuid van Den Haag in sept 1810), Voorne en Petten (beiden voorjaar 1811).1
Om onrust te voorkomen ging het grootste gedeelte van het voormalige Hollandse leger pas per 1 januari 1811 in Franse betaling over. Tot die tijd bleef het Hollandse Ministerie van Oorlog verantwoordelijk voor de betaling en administratie. Alleen de voormalige Garde van de Koning, het 11e Regiment Huzaren en het 14e Regiment Kurassiers kwamen al per 1 september 1810 in Franse betaling. Als gevolg hiervan dienden zij zich na de inlijving zo snel mogelijk naar hun nieuwe depots in respectievelijk Versailles, Arras en Lille te begeven. Een duidelijke reden van dit verschil van overgang is niet te geven. Maar het kan geen toeval zijn dat de genoemde regimenten het hoogst stonden aangeschreven van alle Hollandse troepen. Zeker voor de Hollandse Garde gold dat Napoleon deze elitetroepen graag bij zijn eigen garde wilde voegen. Wat de verplaatsing van de cavalerie naar Frankrijk betreft kunnen ook de hoge onderhoudskosten in Holland een rol hebben gespeeld. De kosten per paard vielen in Holland een stuk hoger uit dan in Frankrijk, waardoor de verplaatsing van de huzaren en de kurassiers goed was voor de keizerlijke schatkist.2
Het 11e Regiment Huzaren vertrok dan ook in de tweede helft van augustus 1810 vanuit Deventer en Zutphen via Antwerpen, Mechelen, Brussel en Valenciennes naar nieuwe garnizoen in Arras (= voorheen Atrecht) in het noordwesten van Frankrijk. Eerste luitenant van Sypesteijn vertelt ietwat overdreven hierover3:
“Het schoone regiment, dat bij het leger van de republiek der Vereenigde Nederlanden, vervolgens bij het Bataafsche leger, en daarna bij het Hollandsche leger, groot in aanzien had gestaan, was bij de officieren van het Fransche leger niet onbekend. Immers alle krijgsverrigtingen van het regiment, hadden na het jaar 1795 plaats gehad onder het oog van Fransche veldheeren, die zijnen naam meermalen op dagorders voor het geheele leger, en in berigten aan het bestuur, eervol hadden doen vermelden.”
Op 30 augustus 1810 was iedereen, inclusief het depot-eskadron in Arras aangekomen. De organieke sterkte werd vastgesteld op een staf van 22 ‘hoofden’ en 17 paarden met vier eskadrons á 240 ‘hoofden’ en 200 paarden. In totaal 982 ‘hoofden’ en 817 paarden.
In juli 1811 vond te Parijs voor de Tuileriën een grote parade plaats, waaraan het regiment deelnam. De regimentscommandant kolonel Collaert, vergezeld door de ritmeester Ramakers, opperwacht-meester Debetz en de wachtmeesters Bruijninga en Périé, ontving hier uit handen van keizer Napoleon de nieuwe Standaard van het regiment. Opperwachtmeester Debetz werd op de 2ekerstdag 1811 bevorderd tot 2e luitenant.
Het 11e Regiment Huzaren had haar oude uniform (van het voormalige 2e Regiment Huzaren) mogen behouden. Ze hadden al een blauw uniform en het scharlakenrood van hun uitmonstering stond ver genoeg van de reeds gangbare couleurs distinct (van de andere regimenten) af om te mogen blijven. Wel waren er bij het 11e Regiment Huzaren maar liefst 196 man uit de voormalige Garde geplaatst, die allemaal nieuwe uniformen en wapens moesten krijgen. Bovendien gebruikte de Hollandse huzaren, evenals de soldaten, verouderde wapens met een afwijkend kaliber ten opzichte van de Fransen. Aanpassing had vanzelfsprekend financiële consequenties.4 De reden dat zoveel voormalige Gardisten naar het 11e Regiment Huzaren kwamen had te maken met het feit dat keizer Napoleon zijn garde wenste te ontdoen van ‘buitenlanders’. Hij wilde alleen pure Nederlandse garde-eenheden in zijn keizerlijke garde. De Duitsers die in de cavalerieregimenten van de garde dienden gingen hiermee meestal vrijwillig over naar het 11e Regiment Huzaren.5 In november 1810 ging de keizer nog een stapje verder en bepaalde dat met ingang van 1811 alle officieren van de artillerie, 14e Regiment Kurassiers en 11e Regiment Huzaren uitsluitend Hollanders mochten zijn. Een dergelijke nationalisatie zou de gevechtswaarde stimuleren en de betrouwbaarheid ervan vergroten.6 Dit streven zou de Keizer nooit helemaal bereiken. Hij zou zelfs later teleurgesteld raken in de betrouwbaarheid van deze (en infanterieregimenten) en daarom tijdens de latere veldtocht naar Rusland zou hij Franse officieren binnen deze regimenten plaatsen om hun betrouwbaarheid te vergroten.
Van april 1811 tot januari 1812 maakten vier compagnieën, onder bevel van ritmeester C.A. Geisweit van der Netten, deel uit van een mobiele colonne. Deze colonne moest onwillige lotelingen en deserteurs opsporen7, eerst in het oostelijk deel van België daarna in Normandië. Tijdens deze niet zo onplezierige opdracht zag hij nog wel kans om een boek over paardenkennis te voltooien en soms was er ook nog tijd voor plezier. Zo schreef hij uit oost België aan zijn vrouw ‘Coosje’ over een meisje wat hij daar had ontmoet:
“Gij moet echter niet jaloers worden, schoon indien gij haar kende, zoude gij het misschien wezen, want zeldzaam heb ik een meisje aangetroffen dat mij door haar karakter en hoedanigheden meer beviel. Daarnaast heeft zij ook nog eene superbe taille. Gij weet echter dat ik anders weinig werk van den omgang van vrouwen maak.”
Aan de veldtocht in 1812 naar Rusland namen 15.000 Hollandse troepen deel. Alle drie de cavalerieregimenten (11RH, 14RK en 2RCL), het 3e Regiment Garde Grenardiers, het 33e Regiment Lichte Infanterie, Het 123e, 124e, 125e en 126e Regiment Infanterie van Linie, de batterij Rijdende Artillerie Hoogerwaard en het 1e Bataljon Pontonniers. De Hollandse troepen vormden nu geen eigen Hollandse divisie, maar werden verdeeld over de Franse korpsen, divisies en brigades. Begin januari 1812 waren intussen alle compagnieën weer terug bij 11RH in Arras en werd 11RH ingedeeld bij de Franse 9e Brigade Lichte Cavalerie onder leiding van brigadegeneraal Mouriez, die verder bestond uit het Franse ‘6e régiment chevau-légers.’ De 9e brigade was ingedeeld bij het 3elegerkorps van maarschalk M. Ney. Het regiment moest op voet van oorlog worden gebracht en het aantal paarden moest vermeerderd worden tot 1100. Van de benodigde paarden zouden er 380 te Hannover en Hamburg worden geleverd. Om deze op te halen en af te richten vertrok daarom al op 15 januari 1812 een voordetachement van 5 luitenants en 280 onderofficieren en huzaren, geleid door de ritmeesters Geisweit van der Netten en Louis Crooij. Bij gebrek aan paarden marcheerden de huzaren te voet met de uitrusting op karren, een zeer vernederende ervaring voor een huzarenregiment. De tocht ging via Brussel (10 jan), Maastricht (25 jan), Wesel (31 jan), Munster (3 febr) naar Osnabrück waar ze op 5 februari aankwamen. Ritmeester Crooij trok daarna met ruim honderd man door naar Hannover en ritmeester Geisweit van der Netten met de overigen naar Hamburg. Hier kwam hij op 13 februari aan. Nadat ritmeester Crooij zich met de opgehaalde paarden ook naar Hamburg was doorgetrokken, vertrok het gehele detachement op 28 februari uit Hamburg en kwam via Spandau op 22 april in Frankfurt a/d Oder aan.
Cornelis Antonie Geisweit van der Netten was ritmeester bij het 11e Regiment Huzaren. Hij kwam in 1787 in dienst als cadet bij het oudste stamonderdeel van het Regiment Huzaren van Boreel, het korps huzaren van Rijngraaf van Salm. Hij twee eskadrons van 11RH van een totale vernietiging op 5 september 1812. Gepensioneerd als generaal-majoor titulair.
Het 11e Regiment Huzaren (11RH) was op 1 februari vertrokken uit Arras en kwam op 1 februari in Ober-Olm aan. Het ging op 28 februari de Rijn over naar Leipzig. In de omgeving van Leipzig vormde het, tezamen met het Franse 4e Regiment Jagers te Paard en het 2e regiment Wurtembergsche chevaux légers, de 14e Brigade Lichte Cavalerie. Deze brigade fungeerde als voorhoede van het 3eCorps van Maarschalk Ney. Eind april werd het detachement van de ritmeesters Geisweit van der Netten en Crooij bij Neudamm verenigd met het 11RH en werden de nieuwe paarden verdeeld over de eskadrons. De officieren van het regiment waren destijds kolonel M.J.G. Collaert, luitenant-kolonel J.C. Renno, adjudant-majoor J.C. Huismans, onder-adjudanten majoors J.G.F. Pfaff en W. van Zandhuizen, officier betaalmeester B. Dikstaal (opgevolgd door T. van den Bergh), chirurgijn-majoor J.M von Zinkgraeff en aide chirurgijn W.H. Siliakus. De ritmeesters waren C.A. Geisweit van der Netten, L. Ramakers. U.H. Huber, A.J. Hoynck van Papendrecht, H. J. C.J. van Heeckeren van Enghuizen, L.A.J. Crooij, M.L. Pijman en L.R Quaita. De 1e luitenants waren R.F. de Ravallet, W.G van Kretschman, L. L. van Wiedenkeller, H.N. van Nijvenheim, A. Sloet van Oldruitenburg, J. Kramers en G.K.J.W. Wolf. De 2e luitenants waren M. Nolet, G.L. C. Bouwens van der Boyen, C.T. Lambrechts, J. van Sypesteijn, W.F. van Heeckeren tot de Wiersse, J.D van Eys, J. Rendorp, J.C. Nobert. Emer. H. Gideon, A.P van de Poel, van Heijningen en E. Edeline. Vlak voor de 1812 veldtocht werden nog enkele wachtmeesters tot officier benoemd. Dit waren J. Bruyninga, C. Basters, J.H. Luesemans, W.A. Verhellow, G.H. Liewerens, C.F Morbotter en C.J. Frost.
Op 30 april werden de kantonnementen rond Leipzig verlaten en via Neudam, Wormsfeld, Friedberg, Driesen, Filehne, Schneidemuhl, Gaubitzer, Rogotno, Schelloleva en Orseba werd op 13 mei door 11RH Thorn aan de rivier de Weichsel (midden in de driehoek Danzig-Posen-Warschau) bereikt. Hier organiseerde maarschalk Ney een grote parade om de hem toebedeelde troepen te inspecteren. Daarna trokken de troepen over twee bruggen de stad binnen en brachten deze in staat van verdediging. 11RH trok door tot in de omgeving van Neumark aan de rivier Drewenza. Verder naar het oosten ontstond groot gebrek aan voer voor de paarden. Eerste luitenant Sypesteijn schrijft hierover8:
“Het gebrek aan voeder, dat men in den opmarsch naar Thorn reeds had ondervonden, was nu zoo groot, dat het stroo der daken, in plaats van hooi, rogge in plaats van haver, tot voedsel aan de paarden moest worden gegeven. Toen begon dus reeds die ellende, die gedurende den geheelen Russische veldtogt, zoo onbeschrijfelijk groot is geweest. Aan de paarden die slecht gevoed, en door de langdurige marschen zwaar gedrukt waren, werd de tijd niet gelaten behoorlijk uit te rusten. In de voorhoede geplaatst, moesten zij telkens door groote legerafdeelingen gevolgd, voorwaarts trekken, zoodat het niet te verwonderen was dat, vóór dat men de grenzen van Rusland overtrok, de toestand van de Fransche kavallerie, aan velen reeds bezorgheid verwerkte.”
Omdat 11RH op 22 mei weer terug ingedeeld werd bij de oorspronkelijke 9e Brigade (verder op dit moment bestaande uit een regiment Wurtembergsche jager en het 6e regiment Lansiers9), keerde het terug naar Thorn. Op 1 juni werd de hoofdofficier toegevoegd van 11RH, luitenant-kolonel Renno, overgeplaatst naar het Franse 5e Regiment Huzaren. Twee nieuwe Franse luitenant-kolonels10 werden bij 11RH geplaatst, maar deze werden met de nodige argwaan bekeken.

De aanval op Rusland begint
Al voortmarcherend bereikte 11RH op 20 juni het stadje Kalwary en trok door naar St. Töcken (Pools – Saintaka). Hier hield generaal Mouriez een inspectie over zijn troepen. Op 23 juni werd Debelen aan de grensrivier Niemen bereikt. Op 24 juni werd de aanval ingezet. Deelnemer aan de veldtocht eerste luitenant van Sypesteijn die zeer kritisch is op het gebruik van lichte cavalerie door Napoleon tijdens deze campagne schrijft over de eerste schermutselingen11:
“een zwaar kanonvuur kondigde den 24 Juni reeds aan, dat de Russen het slaan der bruggen over de rivier trachteden te beletten, doch door de bewegingen van het Fransche leger misleid, omtrent het punt waar de overgang zou geschieden, waren de krachten van den vijand niet op het goede punt vereenigd, en daarom werden tussen Kowno en Ponémouny drie schoone pontonbruggen zonder veel moeite over de Niemen geslagen. Diezelfden dag trok een ook groot gedeelte van het 1e legerkorps en ook de Keizer, de rivier over, de Russen daarna van alle zijden terugdrijvende.”
Ook 11RH stak de rivier Niemen over via een pontonbrug, één dag later op 25 juni ’s morgens om 8 uur. Een ooggetuige12:
“Het was een prachtig gezigt, te zien hoe de troepen in groote tenue gekleed, onder afwisselen heerlijk krijgsmuzijk op dien schoonen dag, toen de zonnestralen, welke duizenden wapenen deden schitteren, van de bruggen over de bergen in de vlakten nederdaalden; maar het was ook toen, dat zeker de dapperste onder allen, niet ontveinsde, dat na zulk een heerlijk krijgstooneel hachelijke oogenblikken geboren en bloedige slagen toegebragt zouden worden.”
Het 3e legerkorps van Maarschalk Ney zette de mars over de linkeroever van de Wilna voort. De beiden brigade lichte kavalerie (9een 14e) vervolgden de vijand in draf. Doel was om het Russische leger (30.000 man sterk) af te snijden van de Russische hoofdmacht en Wilna (nu Vilnius) te veroveren, het eerste belangrijke aanvaldoel van de Franse legers.
11RH had het zwaar. Het tempo van opmars lag hoog. Van Sypesteijn schrijft13:
“Het onophoudelijk doortrekken van de engten en het doorwaden van kleine riviertjes, maakten de paarden, die daarenboven niets dan nat voeder kregen, zoo vermoeid, dat men zich gelukkig achtte, dat de vijand geenen stand gehouden had. Die verkeerde bewegingen, om met 4 man naast elkander, ja zelfs met pelotons, gedurende 6 á 8 uren, zonder ophouden in draf door te rijden, waardoor telkens bij het doorrijden der engten en het volgen van smalle wegen moest worden afgebroken, en de achtersten altijd in galop de voorsten moesten inhalen, gaven aan de twee brigadesn eenen eersten onoverkomelijken knak.”
Een voorbeeld van het ‘voortjagend’ tempo is de opdracht die het eskadron van ritmeester Geisweit van der Netten kreeg om een ‘jukbrug’ (voetbrug) bestemd voor het 3e legerkorps te gebruiken om de Wilna te overschrijden. Toen maarschalk Ney daar aankwam en zag dat deze jukbrug nog niet af was, gaf hij het eskadron opdracht de rivier te paard te doorwaden en vervolgens de wegen naar Wilna te verkennen en tot Suderwa op te rukken.
De Wilna wordt overgestoken.
Op 29 juni stak de rest van 11RH de rivier de Wilna over. Een poging om twee Russische eskadrons van hun eigen troepen af te snijden mislukte. Van Sypesteijn[1]:
“Bij een dorp dat door het eskadoron werd doorgetrokken, trachtte men 2 eskadrons Russsiche Hussaren, bij den overtogt over een riviertje van den weg op Wilna af te snijden, hetgeen zou zijn gelukt, indien de kolonel Collaert, die met het overige gedeelte van het regiment de rivier overtrok, den vijand bij tijds van de andere zijde had kunnen aanvallen. Die aanval te laat beproefd wordende, mislukte te poging, die in een ander geval voor het regiment een schoon krijgsbedrijf had kunnen opleveren.”
Om Wilna te veroveren werd op 1 juli aan de 9e Brigade Lichte Cavalerie opdracht gegeven om een snelmars uit te voeren. Dit werd uitgevoerd voorop 11RH. Van Sypestein schrijft14:
“van ’s morgens 2 tot ’s avonds 10 ure, en den volgenden dag van ’s morgens 6 tot des achternamiddags rukte de brigade voorwaarts en bereikte het dorpje Labonary, waaruit de Hussaren eene verkenning deden, welke de zekerheid gaf dat de vijand, die streek reeds verlaten had. Van het 3e legerkorps reeds 7 uren verwijderd zijnde, ging men niet mee voorwaarts, maar nam eene stelling in, waar zich de 14e brigade van den generaal Beurman en eene batterij Wurtembergsche rijdende artillerie, met de 9e brigade vereenigde.”
Het regiment begon nu al paarden te verliezen door ondervoeding, ondermeer veroorzaakt door de ‘verschroeide aarde’ tactiek van de Russen:
“De russen hadden in hunnen terugtogt reeds alle fourage-magazijnen verbrand; daardoor was er aan voeder groot gebrek, hetwelk oorzaak was, dat het regiment vele paarden verloor.”
Op 20 juli werd de rivier Duna bereikt en op 23 juli overschreden. Het oversteken van deze snelstromende rivier ging niet gemakkelijk15:
“het 6e regiment lanciers, dat het 11e regiment Hussaren voorafging, had even als het regiment Hussaren dat hen volgde, veel moeite den anderen oever te bereiken, en moesten alle handpaarden en een aantal slecht bereden manschappen, aan de overzijde achterlaten.”

De stad Polotsk, ongeveer 200 km van Minsk, werd door de Fransen veroverd, geplunderd en daarna in brand gestoken. De beide cavaleriebrigades bivakkeerden in de voorstad van Polotsk. Op 26 juli werd Woronowo bereikt, waar de 14e brigade zich had onderscheiden door 100 Russische huzaren gevangen te nemen. Op 29 juli werd Witebsk ingenomen
(“alwaar de grond nog met lijken overdekt was, ten gevolge van den slag, welke daar den vorigen dag aan de Russen was geleverd.”)
en bereikte 11RH Luwiza. Daarna lag 11RH tot 7 augustus in opstelling voor Leontschevo. Deze plaats was door de vijand intussen verlaten. Het regiment had toen al meer dan 400 paarden verloren en de overgebleven paarden waren in zeer slechte conditie. Van Sypesteijn schrijft over de conditie van de paarden met pijn in zijn hart16:
“het 11e regiment Hussaren had, toen zij tot de rivier de Niemen was genaderd, reeds 200 paarden verloren, en sedert dien tijd was het verlies meer dan verdubbeld; de overgeblevene paarden voor het grootste gedeelte gedrukt, waren in eenen slechten staat, de manschappen hadden, even als de paarden, gebrek aan alles; vele hadden moeten achterblijven; zoodat het geheel weinig geschikt was, om eene van allen voorraad ruim voorziene en goed zamengestelde legerafdeeling, het hoofd te bieden.”
Begin augustus werden de eenheden van de Grande Armée weer geconcentreerd. De stelling bij Smolensk moest worden doorbroken om de opmars naar Moskou voort te kunnen zetten. 11RH werd nu ingezet om verband te houden tussen twee Franse cavaleriedivisies die vooruit waren geschoven om de Russische graaf Platow, Hetman der kozakken te verslaan. Dit laatste gelukte. Twee eskadrons van 11RH (onder leiding van luitenant-kolonel Motté en ritmeester Geisweit van der Netten) voerder offensieve verkenningen uit tot meerdere uren voor de eigen stellingen. De eenheid van ritmeester Geisweit van der Netten onderscheidde zich bij de terugtocht onder druk van de Russen. Hij verdeelde zijn eenheid in kleine groepen en liet de huzaren op terreinhoogtes opzichtig stelling kiezen, waardoor de Russen de daadwerkelijke sterktes overschatten en voorzichtiger werden. Op 9 augustus volgde 11RH de tocht van het 3e legerkorps naar Moghilnia en Eliséévo. Hier voegde ritmeester Hoynck van Papendrecht zich met 100 man, nieuwelingen en achterblijvers en enige nieuwe paarden bij het regiment. In de nacht van 13 op 14 augustus werd aangesloten bij der rest van de Franse troepen, bij het plaatsje Khomino aan de Dnjepr.
Op 14 augustus werd direct de Dnjepr overgestoken. Van Sypesteijn schrijft hierover17:
“de overtogt over die rivier, welke stroom eene beduidende snelheid heeft, en welke oevers zeer steil zijn was thans niet zoo ongemakkelijk, daar zij in het heerschende jaargetijde niet breed en ook niet diep was. Door de verschillende legerkorpsen werd zij op onderscheidene plaatsen beproefd; zoo trok het voetvolk en de artillerie, den 14 Augustus te Khomino, de daar over de rivier geslagen brug, over; terwijl de kavallerie den stroom doorwaardde. De overtogt geschied zijnde, sloeg het 3e legerkorps den weg naar Krasnoi in en rukte met snelheid voort om daardoor te trachten het Russische korps van den Prins Bagration , van het leger daar het bij behoorde, af te snijden.”
Na een lange zware mars, overhaast en zonder te wachten op artillerie, werd 11RH ingezet bij Krasnoje aan de Dnjepr, zuidwest van Smolensk om te proberen de vijand te omtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de actie18:
“Het hoofd van deze brigade (= de 9e brigade van Mouriez) steeds in draf marcherende, was het overige der kolonne, daar het doortrekken van Krasnoi en andere engten slechts met vier man naast elkander had kunnen geschieden, verpligt geweest meer dan een half uur in den gestrekten galop te volgen; waardoor, vóór dat het gevecht zou beginnen, zoowel de manschappen als de paarden, zeer vermoeid waren. Een adjudant van den Koning van Napels, die den generaal Mouriez het ongenoegen van den bevelhebber over zijn lang dralen betuigde, beval op dat oogenblijk den aanval onverwijld te doen. Zonder nadere aanwijzing van hetgeen moest gebeuren, zonder de komst van de rijdende artillerie die zich nog achter de brigade bevond, af te wachten, gelastte de generaal Mouriez de eskadrons in gesloten kolonne te vormen, de sabel te trekken, de paarden in galop te zetten en den aanval te doen“
De vijand stond, door een lage heuvelrug aan het oog onttrokken, achter een stuk moerasachtig grond in één massief blok opgesteld. De aanval was dapper, maar mislukte tot driemaal toe. Van Sypesteijn gaat verder met zijn gedetailleerd verhaal en wijt het falen aan slecht leiderschap19:
“de heuvelachtige gesteldheid van het terrein was oorzaak dat de kolonne, welke regts van den weg voorttrok, den vijand eerst bij het overrijden van eene hoogte, op ruim 500 schreden van hem verwijder, ontdekte, doen de brigade Beurman (= 14e brigade) met het 7e regiment Hussaren van de tegenovergestelde zijde aanrukte, om de Russen den terugtogt af te snijden. De generaal Newerowski had, toen hij zag dat de infanterie alleen door kavallerie werd bedreigd, zijne infanterie eerst geplaatst in eene trapsgewijze orde (en échellon), daarna met brigades in gesloten kolonnes, en eindelijk ze tot eene gesloten massa, in quarré van 70 of 80 man in het front; waarvan het voorste gelid, met het geweer geveld, op de knieën laag. Het 11e regiment regiment Hussaren moest den aanval tegen dien drom van voetvolk, regtuit, het regiment Wurtembergsche jagers te paard, tegen den regter hoek en het Fransche regiment lanciers No.6, tegen de regterzijde, elke regiment in gesloten kolonnen, met eskadrons gevormd, doen…”
..[..]..De aanval geschiedde met de grootste en zoodanige dapperheid, zoo schrijft een ooggetuige, dat zijn bij minder hoofdfeilen in de beschikkingen en aanvoering, waarschijnlijk eene gunstige uitkomst zou hebben doen verkrijgen, doch die thans door deze vruchteloos werd gemaakt. De snelle gang, waarmede men zich bewoog, deed in deze ondoelmatig aangenomen orde van gesloten kolonnes, weldra den kleinen afstand van tien schreden tusschen de eskadrons verliezen, en veroorzaakte verwarring, die nog grooter werd, toen de keurkompagnie van het regiment Hussaren uit oude gedienden zamengesteld, met moeite eene, op 50 schreden afstand van den vijand zich bevindende moerassige plaats, doorkwam, waardoor de volgende Hussaren links trokken en dus niet regtstreeks op den vijand konden indringen.
Alles week bij het toenemend vuur des vijands naar de overzijde van den grooten weg, alwaar het de officieren gelukte de Hussaren stand te doen houden. Kort daarop kwam de luitenant-kolonel La Motte onbezonnen aangerend, en kommandeerde: “Eskadron voorwaarts! Attaqueert!” vooruitrennende volgde hem het gehele korps, dat nog niet behoordelijk tot verademing was kunnen komen. Thans tegen de regter achterzijde van de massa infanterie aanrukkende waren zij er nauwernood binnen het bereik van het geweervuur genaderd, of dat geweervuur deed de Hussaren weder zijwaarts afwijken, tot achter den thans regts bevindenden grooten weg waar het regiment op nieuw vereenigd werd.
De generaal Bordesoul had nauuwelijks de Hussaren toegeroepen den aanval te hernieuwen, wilde men de roem der overwinning niet door de andere regimenten laten behalen, of het regiment rukte, zonder den tijd te hebben gehad den troep behoorlijk te verzamelen, voor de derde maal tegen den vijand op; terwijl thans eene batterij van de Wurtembergsche rijdende artillerie haar vuur geopend had van de hoogte, op welke de Hussaren stonden, toen zij den eersten aanval zouden doen. Tot bij het quarré genaderd, werd een aanval van het 4e regiment jagers te paard, welke met veel nadruk was gedaan, afgeslagen20Teruggedreven wierp het zich in verwarring op het 11e regiment Hussaren, dat in de vlugt medegesleept wed, waardoor eene zoodanige wanorde ontstond, dat met geene mogelijkheid de troep behoorlijk tot staan kon worden gebragt.
De Russische infanterie wist echter van geen wijken21 en trok zich na het vallen van de duisternis onder dekking van eigen cavalerie terug. 11RH verloor hierbij 8 doden en 21 gewonden. De Fransen als geheel hadden ruime 300 man verloren.
Gevechten bij Smolensk
De volgende dagen dekte de 9e Brigade de linkerflank van het 3e Franse Corps. Het regiment had hierbij alleen enige schermutselingen met groepjes kozakken. De Russen werden bij Smolensk op 16 augustus ten koste van grote verliezen aan beide zijden verdreven en trokken zich terug op een stelling die ongeveer 100 km voor Moskou bij Borodino lag. Het 3e Corps volgde de terugtrekkende Russen, waarbij de 9e Brigade de achterhoede beschermde. Sypestein schrijft over de betrokkenheid van 11RH bij deze gevechten22:
“Het 11e regiment Hussaren, dat behalve aan eenige schermutselingen met de kozakken, die de voorposten telkens verontrusten, geen deel had genomen aan het gevecht, was op eene hoogte, op eenigen afstand van de rivier opgesteld, waar het den 18 en 19 Augustus, tot ’s middags ten 3 uren bleef bivouacqueren. Langs de boorden van de Djnepr rukte het toen tot vlak voor Smolensk voort, ging die rivier over, en volgde tot ’s avonds 11 uren, den weg die naar Moskou leidde, alwaar het zich plaatste op eenen hoogen berg te Walutina-Gora, die even te voren, na een zeer bloedig gevecht, door het leger, waarbij de brigade ligte kavallerie Beurman, 7 officieren en 180 man verloren had, op den vijand was veroverd, in eene stelling in het gezigt van den vijand, die, gedekt door eene groote magt kavallerie, in de beste orde terug trok.
11RH trok hierna verder in de richting van Moskou23:
“Den volgenden dag, den 20 Augustus, des morgenst ten 5 ure, verliet het regiment weder den berg, trok over het slagveld van den vorigen dag, dat met lijken bedekt was, 3 uren voorwaarts, en nam met de onderscheidenen regimenten kavallerie en de rijdende batterijen, eene nieuwe stelling in, waarin het tot den 22 Augustus bleef. Dien dag en de twee daarop volgende dagen, volgde het den weg naar Moskou, en werd toen, met de beide brigade ligte kavallerie van het 3e legerkorps bij de achterhoede geplaatst. Dat korps hun voorbijgetrokken zijnde, vervolgde het regiment den weg tot Dorogobusch, alwaar het den 26sten aankwam.”

In de laatste week van augustus werden vier ritmeesters en vier luitenants overgeplaatst naar Franse huzarenregimenten en vervangen door enkele Franse officieren.
De overigen gaten werden opgevuld met bevorderingen. De ritmeesters M.L. Pijnman, H.J.C.J. van Heeckeren van Enghuijzen en L.R Quaita gingen alle drie naar het 8e regiment Hussaren. Ritmeester L.A.J. Crooij werd naar het 11eregiment Jagers te Paard overgeplaatst. 1e luitenant A. Sloet van Oldenruitenburg ging naar het 6e regiment Hussaren, 1e luitenant L.L. van Wiedenkeller naar het 8e regiment Hussaren, 2e luitenant J. van Sijpesteijn met bevordering als 1e luitenant naar 9eregiment Hussaren. De 2e luitenants E.J.A.P. van de Poel van Heijningen, beiden naar 7e regiment Hussaren.
Zelfs de betaalmeester (B. Dikstaal) werd overgeplaatst. Als kapitein ging hij naar het 6e regiment Hussaren.
De beide wachtmeesters Bruijninga en Basten werden tot 2e luitenant bevorderd.
Nadat bij Dorogobusch op 27 augustus de Dnjepr was overgestoken ging de tocht naar Moskou verder via Wiasma en Gjatsk dat op 1 september werd bereikt:
“welke stad, door de Russen verlaten, op vele plaatsen in den brand gestoken was.”
Op 1 september werd wachtmeester Caspar Morbotter die met een aantal tirailleurs een bos doorzocht, omsingeld door zo’n 150 kozakken. Hij hield stand en dit gevecht leidde uiteindelijk tot inzet van de gehele 9e Brigade tegen 5.000 Russische troepen. Eerste luitenant Sypesteijn (net overgeplaatst naar het 9e regiment Hussaren) vertelt over dit gevecht24:
“Te naawernood was deze verkenning, zonder de minste hindernis ontmoet te hebben, volbragt , of het bevel werd gegeven tot het onderzoeken van een daarbij gelegen bosch. Dat bosch genaderd zijnde, kwamen ruim 150 kozakken met een vervaarlijk geschreeuw daaruit tevoorschijn, en omsingelden de tirailleurs. De Hussaren zich eerst bij elkander in een rond vereenigde, en met goed gevolg gebruik makende van de karabijnen en pistolen, waardoor een twaalftal manschappen en paarden van den vijand buiten gevecht werden gesteld, sloegen eenen aanval der kozaaken dapper af. Morbotter hield zich met de zijnen, met veel beleid, meer dan twintig minuten staande, tot dat een gedeelte van hun regiment, hen ter hulp kwam. De vijand in aantal steeds vermeerderende, kwam eindelijke de geheele brigade hen ter hulp, juist op het oogenblik, dat zijn door een getal van 5000 man zouden omsingeld worden. Een weinig achterwaarts van het 11e regiment Hussaren stond het regiment Wurtemburgsche jagers, en het 6e regiment lanciers, welk laatstvermeld met den brigade-generaal Mouriez, al zeer spoedig het slagveld verliet. Met veel behendigheid werd daarop eene soort van quarré gevormd, waardoor vijand van den aanval afzag. Aan de goede houding der offcieren en aan hunne standvastigheid in dit gevaarvol oogenblijk, toen op geenen bijstand kon worden gerekend, was men het verschuldigd, dat de troep zoo geregeld stand hield; daar, wanneer men was teruggetrokken, zoo als het 6e regiment lanciers had gedaan, het verlies aanmerkelijk zou zijn geweest. Een door de Wurtembergsche jagers onvoorzigtig gedane aanval op den vijand, was oorzaak, dat dat regiment meer dan 20 officieren en manschappen verloor. In wanorde gebragt, wist het zich evenwel te vereenigen achter het front der Hussaren, die op dringend aanzoek van den ritmeester Geisweit van der Netten, zoowel bij den kolonel Collaert als bij de luitenant-kolonel La Motte, den aanval niet hadden gedaan, maar door hun palstaan, de eer niet kon worden ontzegd van de geheele brigade, van eene zekere nederlaag gered te hebben. Het vuur uit eenige stukken der Wurtembergsche artillerie, welke de generaal Montbrun o eene hoogte had doen plaatsen, maakte een einde aan den strijd.”
11RH trok hierop naar het bivak terug. Er waren slechts 3 onderofficieren gewond en 5 paarden waren verloren gegaan. Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en de voorheen tot 2e luitenant bevorderde Jelle Bruijninga onderscheidden zich bij deze gevechten en werden benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur.’ Verder werden als beloning 2e luitenant Nobert tot 1e luitenant bevorderd en de wachtmeester J.H. Luesemans tot 2e luitenant. Ook werd er een dagorder uitgegeven voor de gehele Grande Armée, waarin 11RH eervol werd vermeld.
Slag bij Borodino
De Russen deden een laatste poging hun hoofdstad Moskou te beschermen en richten bij Borodino een verdedigende stelling in op een voor hen gunstig stuk terrein. Het inrichten van deze stelling werd gedekt door de Russische achterhoede die uit cavalerie bestond. Meer nog dan de Russen, hadden de Fransen behoefte aan een beslissende slag. Van Sypesteijn schrijft25:
“Het Fransche leger, op dat tijdstip reeds tot de helft verminderd, was van de voorraadsmagazijnen ver verwijderd, en bevond zich in eene landstreek, welke geheel verwoest en verlaten, niets meer opleverde. Door vermoeijenissen en ellende zeer verzwakt, had het ook daarenboven geene betere vooruitzigten bij het naderen van een streng jaargetijde. Het was dus vooral in het belang van het Fransche leger, dat het leverern van eenen beslissenden slag, spoedig kon geschieden.”
Op 4 september werd ook het Franse 6e Regiment Lansiers (dat ook deel uitmaakte van de 9e Brigade) overvallen door een grote overmacht aan kozakken. Het verloor hierbij meer dan 60 doden en gewonden, waaronder verscheidene officieren. 11RH kwam met succes te hulp, maar hierbij raakten wel 5 huzaren gewond door vijandelijk kanonvuur.

Op 5 september, vlakbij Borodino, verdreef 11RH met twee eskadrons een compagnie Russische tirailleurs van een hoogte, waar eigenlijk de eigen artillerie in stelling moest komen. Eerste luitenant van Sypesteijn26:
“ten gevolge van de daarop, door den Koning van Napels gegeven bevelen, in verband met het doel om de vijandelijke tirailleurs van eene hoogte te verdrijven, op welke eene batterij van de Fransche rijdende artillerie zou worden geplaatst, werden twee eskadrons van het 11e regiment Hussaren, het eene gekommandeerd door den luitenant-kolonel La Motte en het andere door den ritmeester Geisweit van der Netten, gelast den aanval te beproeven. Twee ravins en een kreupelbosch werden, zonder de minste verwarring in den troep te veroorzaken, onder een hevig kanonvuur, doorgetrokken; waarna de tirailleurs van den vijand op de vlugt werden gejaagd en de hoogte genomen werd.“
Overmoedig geworden zetten de regimentscommandant, kolonel Collaert en hem ondersteunende Franse luitenant-kolonel La Motte de aanval voort, zonder verkenning en zonder op eigen artilleriesteun te wachten. De beide eskadrons van 11RH raakten hierdoor omsingeld door vijandelijke zware cavalerie en kozakken bij het klooster Kolotskoi (nabij Borodino).
“De Russische kavallerie-regimenten rukten met eene tienmaal grootere magt dan de Franschen hadden, van alle zijden aan. De Russische dragonders vielen de Hussaren van het 11e regiment in het front aan; terwijl zij door geregelde kozakken werden omsingeld. Hierdoor ontstond er verwarring.”
Aan ritmeester Geisweit van der Netten leidde echter het gevecht en wist de omsingeling te doorbreken. Aan hem is te danken dat de beide eskadrons niet werden vernietigd.
“doch de ritmeester Geisweit van der Netten, de Hussaren met moeite vereenigende, en hen moed insprekende, door ze te herinneren, dat zij behoorden tot het regiment dat uit Hollanders was zamengesteld, en dus in het gezigt der Franschen, meer dan ooit, de eer der Hollandsche wapenen moesten trachten op te houden, deed den aanval, waarop de brigade Girardien te hulp kwam.”
De Franse Brigade van Girardin kwam dus te hulp en hierdoor werd de vijand verjaagd. De verliezen waren zwaar. De beide eskadrons hadden samen maar liefst 126 man en 93 paarden aan doden en gewonden te betreuren. 1e luitenant van Kretschmar was door de Russen gevangen genomen. Ritmeester Huber werd door zeven lanssteken zwaar verwond, net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht met drie lanssteken.

Op 7 september nam 11RH deel aan de slag bij Borodino. Ze maakte tijdens deze slag deel uit van het 2e Cavalerie Corps van Montbrun met in totaal 10.550 ruiters en 30 stukken rijdende artillerie. Het 2e Cavalerie Corps bestond uit de 2e Lichte Cavalerie Divisie (met hierin 11RH) en de 2e en 4e Zware Cavalerie Divisies. Het 2e Cavalerie Corps vormde een soort reserve achter het 3e Corps van Ney en de taak van de Ligte Cavalerie Brigades was tussentijds om de Franse zware artillerie te dekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de slag en de positie van 11RH. Het regiment stond vooraan en had zwaar te leiden van Russische artillerievuur:
“Tegenover eene groote batterij de Russen van 35 stukken, waren op dien dag de Fransche batterijen op eenen met kreupelbosch bedekten heuvel geplaatst, en achter dat bosch stond het 11e regiment Hussaren. De Fransche artillerie werd gedekte door 2 liniën kavallerie, waarvan die, vóór welke onze Hussaren stonden, was zamengesteld uit het 11e en 12e regiment jagers te paard, terwijl aan de linkerzijde de infanterie van het 8ste legerkorps was geplaatst; zoodat, met betrekking tot het geheele leger, deze troepen den regtervleugel daarvan uitmaakten. De Russische batterij opende een zoodagn hevig vuur, dat het 11e regiment Hussaren, eene beweging voorwaarts gemaakt hebbende, om de Fransche batterijen tegen Russische kavallerie, die eenige voordeelen behaalden, te dekken, genoodzaakt was in zijn vorige stelling terug te trekken.”
Chirurgijn majoor Jan van Zinckgraeff van 11RH probeerde het leven van de zwaar gewonde bevelhebber van de Franse cavalerie, Montbrun te redden. Tevergeefs. Van Sypesteijn:
“Kort nadat een kanonskogel den kolonel van het 11e regiment jagers te paard, dat achter 11e regiment Hussaren stond, had gedood, werd de generaal Montbrun, die om zijn groote militaire verdiensten, als een der beste kavallerie-generaals algemeen erkend, en om zijne goede hoedanigheden zeer bemind was, door eenen kanonskoger in de zijde doodelijk getroffen. Uitgereden zijnde, om de groote batterij der Russen te verkennen, deed de kogel die hem wondde hem, vóór het front van het 11e regiment Hussaren, van het paard storten. Door het terugkomen van zijn onbereden wit paard, werd het gebeurde bekend, en door eenige officieren, onder anderen door den chrirurgijn-majoor Von Zinckgraeff opgezocht, werd hij op dekens van gesneuvelde paarden van ons regiment gelegd, en achter het regiment verbonden. Alle middelen, welke door den chirurgijn-majoor werden aangewend tot zijn behoud, waren vruchteloos en zeven uren daarna, gaf den generaal Montbrun den geest.”
Majoor Jan van Zinckgraeff werd hiervoor later door Napoleon benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur’, een eer die voorheen doorgaans alleen maar combattanten te beurt viel. Het bevel over de cavaleriedivisie werd overgenomen door generaal Caulincourt, maar sneuvelde ook binnen een half uur. Daarna nam generaal Pajol het over. Het wederzijdse kanonvuur was moorddadig27:
“Om de artillerie van de Franschen, welke haar vuur tegen de hoofdbatterij der Russen had gerigt, te ondersteunen, plaatste zich het 11e regiment Hussaren daar achter, op een vlak en zandig terrein. Het kanonvuur, dat van beide zijden onophoudelijk aanhield en steeds vermeerderde, was verschrikkelijk. Het wordt door ooggetuigen verzekerd, dat het niet overdreven is, wanneer men vermeldt, dat het aantal vuurmonden, dat van beide zijden in werking was, 1200 à 1400 bedroeg. De Russen, die de vlakte, waarop gestreden werd, de heilige vlakte noemden, omdat zijn daarop, volgens overlevering, reeds negen maal de overwinning op hunne vijanden hadden behaald, waren ten toppunt van geestdrift gebragt. Het aantal en de zwaarte van hun geschut overtrof dat van de Franschen, en hun eenigst doel was, door een verschrikkelijk kanonvuur, de Fransche infanterie in wanorde te brengen. In vele opzigten bereikten zij dat doel; want telkens zag men nieuwe Fransche infanterie-regimenten, tot versterking of tot aflossing aanrukken, en ook op het einde werd de hoop, om de vermeestering van de vijandelijke verschansingen, uitsluitend door infanterie te doen uitvoeren, opgegeven. De kavallerie tastte de verschansingen, die niet in de keel gesloten waren, van achteren aan; terwijl de infanterie ze van voren in het front aangrepen…..”
De Fransen slaagden er niet in om de hoofdopstelling te vermeesteren en dreven met cavalerie-aanvallen de Franse cavalerie terug naar de uitgangsstellingen. Gedurende vier á vijf uur was 11RH blootgesteld aan zwaar vijandelijk kanonvuur. Ritmeester Geisweit van der Netten zag dat28:
“een kogel twee Hussaren elk één been, en één Hussaar beide beenen, verbrijzelde.”
Eerste luitenant van Sypesteijn29:
“de dapperheid, waarmede de Hussaren zich in den slag bij Borodino in het algemeen, maar voornamelijk bij het standhouden in de gevaarlijke stelling, welke hiervoren is bedoeld, gedroegen, werd door alle getuigen zeer geroemd, en het is bij die gelegenheid ook niet onopgemerkt gebleven, onder anderen hoe de wachtmeester Morbotter onder eene hagelbui van kanonskogels, met eene voorbeeldelooze bedaardheid den mantelzak van zijn doodgeschoten paard gespte, op een ruiterloos paard ging zitten en tot ’s avonds in het vuur bleef.”

Het 2e Cavalerie Corps voerde tegen het einde van de slag een charge uit achter een standhoudende Russische versterkte opstelling. 11RH maakte deze charge niet mee, want het regiment was, in brigade verband, tijdens deze slag meer dan vier uur blootgesteld geweest aan hevig artillerievuur. Vanwege de geleden verliezen werd de 9e Brigade daarom later uit het gevecht genomen en vervangen door een zware Cavalerie Brigade, bestaande uit Franse kurassiers en Italiaanse dragonders. Op dat moment waren van 11RH van de twee eskadrons te velde nog maar 46 man inzetbaar. Ritmeester Geisweit van der Netten commandeerde dit restant, ondanks een schampschot aan zijn eigen hoofd. Van zijn eigen eskadron had hij nog maar 5 man over. Hij schreef later in zijn dagboek over deze slag30:
“een onbeschrijfelijk tooneel van verwoesting en ellende, een door het bloed van zoovele dappere krijgsmakkers doorweekt, door het kruit zwart geschroeid, door de granaten omwoeld terrein; onbegaanbaar door het ontelbaar aantal lijken van menschen en paarden”.
Ook kolonel Collaert was (licht) gewond geraakt en had zijn paard verloren. De luitenant-kolonels La Motte en Motté waren ook gewond (beiden aan een arm), net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht (arm), luitenant van Nijvenheid (schrapnel in de wang), luitenant Norbert (twee lanssteken in de schouder), luitenant Edeline (twee lanssteken in de arm en een sabelhouw op de borst), luitenant Basters (paard gedood en door granaat been verbrijzeld). Van Luitenant Lambrechts (dienst doend als ordonnans officier van generaal Beurman) werd het hoofd afgeschoten, terwijl luitenant Von Wiedenkeller (dienende bij 8e regiment Hussaren) gedood werd door een kanonskogel toen hij naar achterging om zich te laten verbinden wegens een wond aan de schouder. Ritmeester Crooy (bij 11e regiment jagers te paard) werd gewond aan zijn hand en van de ritmeester Pijman (5e regiment Hussaren) werd de top van een vinger afgeschoten. Na terugkeer van de vermisten en licht gewonden kon de volgende dag slechts een klein eskadron op de been worden gebracht. Omtrent Borodino vertelt luitenant De Lassus31:
“A la bataille de la Moskowa, 7 septembre 1812, entre tous les régiments d’origine étrangère se distinguèrent particulièrement les Lanciers polonais et les Hollandais du 11e de Hussards.”
Moskou bereikt
11RH bleef tot 10 september in bivak om de wonden te likken en rukte daarna met de Grande Armée op naar Moskou32:
“De Hussaren van het 11e regiment, weder vereenigd met de brigade, die de voorhoede van het 3e legerkorps uitmaakte, vele dorpen doortrekkende welke alle door de Russen waren in den asch gelegd, waardoor een ongelooflijk gebrek aan levensmiddelen werd veroorzaakt, kwamen den 14 September tot voor de poorten van Moskou, zonder dat de Russen, die reeds alle stellingen en verdedigingswerken verlaten hadden, de voorwaartsche bewegingen van het leger trachteden te verhinderen. Zij sloegen in de nabijheid van de voorstad het bivouacq op, toen de Keizer kort daarna zijnen intogt binnen de oude Russische hoofdstad deed.”
Van 14 september tot 26 september deed het voorpostendienst terwijl de stad in brand stond. Van Sypesteijn:
“Van dit oogenblik werden de Hussaren gebruikt tot het opsporen en verjagen der kozakken, die zich nog steeds aan alle zijden in brand staande stad bevonden, en tot het zooveel mogelijk veilig houden de wegen, die rondom Moskou lagen, tot dat eindelijk de onophoudelijke aanvallen der Russische kavallerie-korpsen, en het gure weder, den keizer deden besluiten, de, buiten Moskou geplaatste, troepen weder binnen de stad te doen keeren…”
Het regiment werd nu gekantonneerd in de ‘Duitse Wijk’ van Moskou (Немецкая слобода, of Nemetskaia sloboda):
“Na 98 dagen onder den blooten hemel te hebben doorgebragt, zonder zich van de wapens ontdaan of ontkleed te hebben, werd nu voor het eerst eene behoorlijke rust genoten.”
Napoleon reikte tijdens een wapenschouw in de laatste dagen van september decoraties uit. De luitenants Bouwens en Nolet werden vanwege hun aandeel in de slag bij Borodino ook opgenomen in ‘Legion D’Honneur. Ook werden er bevorderingen uitgesproken. De wachtmeesters Morbotter, Frost en Liewerens werden bijvoorbeeld betoonde moed bevorderd tot 2e luitenant bij het regiment.

Een peloton van 30 man ging op 3 oktober onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten (geholpen door de luitenants Norert en Verhellow) mee met een (strooptocht)colonne van 4.000 man onder Maarschalk Ney om voedsel te verzamelen. De huzaren, ingedeeld bij het 4e regiment jagers te paard (kolonel Boulnois) behoorden tot de voorhoede van deze eenheid:
“Na de keizerlijke wildbaan en drie dorpen te zijn voorbijgetrokken, naderde men een ander dorp, alwaar eenige dagen vroeger, een dragonder-officier gevangen genomen en op de gruwelijkste wijze vermoord geworden. Twee honderd dragonders, die de kolonne vergezelden, namen over den gepleegden moord eene verschrikkelijke wraak: met uitzondering van het kasteel werd het geheele dorp verbrand. De Hussaren van het 11e regiment waren aan de spits van de colonnen geplaatst en ontmoetten, steeds voortmarcherende, 100 kozakken, die al tiraillerende vooruitgedreven, eindelijk na de aankomst van eenige infanterie op de vlugt werden gejaagd; waarna de kolonnen, behalve het 24ste ligte infanterie regiment en de lanciers, den nacht doorbragten in een geheel verlaten dorp, alwaar overvloed van alleleid levensmiddelen voorhanden was. In de vroegen morgen van den 4 October, na eenen post van 10 Hussaren en eenige voltigeurs te hebben achtergelaten, werd de marsch vervolg en de kolonne bereikte het, ook reeds verlaten en uitgeplunderde, stadje Bogorodsk, alwaar het hoofdkwartiervan den maarschalk Ney gevestigd werd.”
De Huzaren voerden hierna gebiedsverkenningen uit in de omgeving en wisten verschillende malen groepjes kozakken mee te lokken tot binnen schootsbereik van de Franse voltigeurs die vervolgens de kozakken onder vuur namen, uiteen dreven en op de vlucht joegen. De colonne van Ney keerde op 13 oktober weer terug naar Moskou, nadat hij melding had gehad van naderende sterke Russische eenheden. In de avond van die dag arriveerde het detachement van 11RH weer in de Duitse voorstad van Moskou.
Het leger van Napoleon moest in de omgeving van Moskou nog enkele felle gevechten voeren om de toegangswegen vrij te houden. Hierbij waren o.a. twee officieren van 11RH betrokken die eerder naar andere Franse cavalerie regiment waren overgeplaatst. Op 4 oktober kwam 1e luitenant Jacob van Sijpesteijn om het leven toen hem een been werd afgeschoten door een kanonskogel op de weg van Moskou naar Kaluga. Op dezelfde weg werd ritmeester L.A.J. Crooij zwaargewond gevangen genomen terwijl hij diende bij het 11e regiment jagers te paard. Hij had vier lanssteken gekregen, twee in de rechterhand, één in de linkerarm en één in de linkerzijde.
Het regiment telde intussen weer 320 ‘hoofden’ en 120 paarden. 200 onbereden huzaren werden onder bevel van ritmeester Ulrich Huber geplaatst bij het algemeen depot cavalerie. Kolonel Collaert werd gepensioneerd en vertrok naar Holland, mogelijk vanwege zijn rol voorafgaande aan Borodino of vanwege de opgelopen verwonding. Hij werd tijdelijk vervangen door luitenant-kolonel Motté en later kwam in zijn de Franse kolonel Jean Baptiste Liégaerd.

De terugtocht uit Rusland
Op 19 oktober 1812 begon de terugtocht uit Moskou. Al bij het verlaten van de stad werden felle gevechten gevoerd. 2e luitenant Johan Debetz werd voor zijn aandeel hierbij, later ook benoemd tot ridders in het ‘Legion D’Honneur.’ 11RH bleef ingedeeld bij het 3e Legercorps van maarschalk Ney, dat nu niet de voorhoede maar de achterhoede vormde. Dat bevreemde eerste luitenant van Seijpesteyn33:
“Het is opmerkelijk, dat het 11e regiment Hussaren, dat bij het begin van den veldtogt was bestemd geworden om deel uit te maken van de voorhoede van het groote leger, en dus bij het voortrukken, den vijand het eerst moest weêrstaan, thans weder eene plaats was aangewezen, waarin het zich nogmaals zou moeten opofferen, om het leger bij het terugtrekken, tegen de vijand te beveiligen.”
Bitter voegt hij hieraan toe:
“In het begin van den veldtogt, kon het zijnen pligt vervullen met vooruitzigten, van door roemrijke wapenfeiten in de gelegenheid te zijn, zijnen eenmaal gevestigden roem te vergrooten. Aan het einde van dienzelfden togt, vervulde het even luisterijk zijnen pligt, maar met geheel andere vooruitzigten, – met het bewustzijn, dat zijne geheele vernietiging nabij was.”
Tijdens de terugtocht naar Borwosk (Boruisk) wat op 26 oktober werd bereikt stond de regimentsmarketenster, vrouw van Raai, continue klaar om de huzaren na aankomst te verkwikken met een borrel. Er moest nog gevochten worden bij Borowsk. Eerste luitenant van Sypesteijn34:
“Eene poging, die de vijand gedaan had om het 6e regiment lanciers, dat den 27ste Borowsk was uitgetrokken, om de paarden te doen drinken, te overvallen, had ten gevolge, dat de Hussaren daarna, gevolgd door eenige infanterie en rijdende artillerie, den vijand te gemoet gingen, die, na eenige schermutselingen weder terug trok.”
Op 27 oktober verliet 11RH Borowsk weer. Een 60 man sterk detachement onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten werd samen met een bataljon infanterie aan de divisie Razout geleverd om de vijand te observeren nabij Satino. Aan het einde van de dag trokken ze door naar Wereia, een stad die grondig geplunderd en uitgebrand was. Op 28 oktober werd de grote verharde weg weer bereikt en het slagveld van Borodino weer gepasseerd. Van Sypesteijn35:
“…bereikten de Hussaren den grooten weg, die van Moskou naar Smolensk geleidde, en trokken den 29 over het slagveld, waar zij den 7 September zoo voorbeeldig gestreden hadden. Wanneer men wilde beschrijven al de ellende, die bij den terugtogt van het Fransche leger, op elke schrede die men voorwaarts deed, werd opgemerkt dan zou men niet mogen verzwijgen, al wat zich op dat slagveld, aan het oog voordeed. Het was eene smartelijke herinnering aan de dappere feiten, die daar bedreven waren, en aan het groote verlies van zoovele strijdmakkers, van welke de verminkte lijken, het slagveld nog bedekten.”
De resten van 11RH werden op 31 oktober ingedeeld bij de divisie van generaal Claparède, die schatkist van het leger meevoerde. Het leger naderde Vjasma, ongeveer halverwege Moskou en Smolensk. Hier probeerde de Russische generaal Kutusoff de Fransen terugtocht af te snijden. Op 3 november leverde 11RH, samen met een bataljon infanterie, een achterhoede gevecht nabij de stad Vjasma, Hierdoor kon het 3e Corps van Ney zich in goede order terugtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn schrijft over dit achterhoede gevecht36:
“Reeds in den vroege morgen vvan den 3 November, kondigde een sterk kanonvuur het begin van uitvoering van het plan van den Russsischen veldheer aan, en tegen den middag kregen de Hussaren bevel te paard te stijgen, en voorts met de brigade regts voor de stad, aan de helling van eenen berg, op welke eenige stukken geschut werden geplaatst, eene stellling in te nemen. Dit geschied zijnde, werden de voorposten tot in het gezigt van den vijand uitgezet. De Russen, die een gedeelte van het 3e legerkorps reeds tot in de stad hadden teruggedreven, waren met de Franschen tegen den avond hevig slaags geworden, en kort daarna stond de stad Wiazma en een gedeelte van haar voorsteden, in den brand. Eene geweldige ontploffing, veroorzaakt door het in de lucht springen van eenige caissons, volgde dit schouwspel op en veroorzaakte eene schrikbarende vernieling. Verscheidenen granaten vielen tusschen de Hussaren en doodden of kwetsten drie paarden; slechts twee Hussaren werden daarbij ligt gewond. De vijand naderde intusschen meer en meer, en toen de Franschen de stad verlaten hadden, begon de artillerie, die op de berg was gesteld, haar vuur te openen. Langzamerhand werd dat vuur flaauwer, daar de artillerie hare stelling verliet, om zich met het leger te vereenigten, en ’s avonds ten 11 ure, toen het geheele 3e legerkorps zich in veiligheid bevond, stonden de Hussaren en één bataillon infanterie, nog op dezelfde plaats, die hen ’s middags was aangewezen. Kort daarop kregen zij evenwel het bevel tot den terugtogt, welke in stilte, zonder dat zij door den vijand werden verontrust, geregeld en in beste orde, werd ten uitvoer gebragt; waardoor zij zich met de achterhoede hebben kunnen vereenigen..”
Op 6 november werd Dorogobusch bereikt en de rivier de Dnjepr gepasseerd. De rivier voerde al hoog water en ijsschotsen, zodat doorwaden onmogelijk was. Gelukkig waren de bruggen nog intact, maar
“eene opeenstapeling van voertuigen en korpsen, deed ook daar weder veel verwarring ontstaan.”
Na het verlaten van Smolensk werden de vestingwerken van deze stad door de Franse genie grondig vernield. Helaas kwamen hierbij ook de gewonden van de slag bij Borodino om het leven, die toen in het militaire hospitaal lagen. Bij Smolensk had 11RH nog maar 6 paarden over:
“Om zich een denkbeeld te kunnen maken, van de gesteldheid van het regiment, vóór dat het de stad Smolensk bereikte, zij hierbij opgemerkt, dat de dagelijks toenemende sterfte van paarden, die niet meer gevoed konden worden, zoo groot was geworden, dat geen zes paarden meer bij het regiment werden geteld. De officieren waren ook voor het grootste gedeelte onbereden, en even als de manschappen, uitgeput van honger en vermoeijenissen, en de onbeschrijfelijke verwarring, welke bij het overgaan van de Dnieper had plaats gehad, had alles verstrooid wat nog van het regiment Hussaren, met zooveel moeite, vereenigd had kunnen blijven.”

Het personeel van het regiment doorstaat onbeschrijfelijke ellende. In Smolensk weer een groepje regimentsleden zich weer te verenigen:
“Eerst in die plaats, werd het mogelijk, eenige officieren en manschappen van het regiment te vereenigen. Behalve de ritmeester Geisweit van der Netten, bevonden zich daar, de ritmeesters Hoynck van Papendrecht, Huber en Pfaff, de luitenants Nolet, Rensdorp en Verhellow, voorts de 1e luitenant de Bourgio, die te Moskou bij het regiment was geplaatst en een klein aantal wachtmeesters en Husssaren. Zij verzamelden zich in een dorp, dat bij die stad gelegen was; daar werd de adelaar, die zoo dikwijls getuige was van de dappere verrigten van het regiment, waarvan hij het doelwit ter vereeniging was geweest, met de boeken en papieren van de administratie van het regiment, op eene slede geladen, om met een wagentje van den ritmeester Hoynck van Papendrecht, dat met de levensmiddelen, die men had bijeen verzameld, was gevuld, het regiment te volgen. Vreeselijk was het verooruitzigt van allen. De meeste officieren waren onbereden, slecht gekleed en 200 uren moesten nog worden afgelegd. De ritmeester Huber en de luitenant Rendorp verloren hunne paarden; daardoor kon de eerste, wegens zwakte, door zware verwonding veroorzaakt, en de laatste, door eenen val kreupel gaande, niet verder volgen, en vielen den vijand in handen, weinige dagen vóór dat zij als slagtoffers van de ongehoordste ellende stierven.
Ongeveer 70 km voorbij Smolensk, lag Krasnoje, waar het regiment op de heenmars ook al slag had geleverd. Hier werd op 15 november het restant van 11RH door een vijandelijke aanval totaal uiteen geslagen. Hiermee hield 11RH als eenheid eigenlijk op te bestaan. Van Sypestein37:
“Het kleine overschot van het regiment, naderde den 15 November Krasnoi, alwaar een duchtige aanval van den vijand, de grootste verwarring in het leger bragt. De 1e luitenant van het regiment, Bouwens, die als adjudant toenmaals dienst deed bij den maarschalk Ney, werd daarbij aan de hals ligt gekwetst, en de 2e luitenant Verhellow verloor zijn paard en werd vermist. Bij die gelegenheid werd alles, wat van het regiment had kunnen vereenigd worden weder verstrooid, en de 17 daaraanvolgende moest den ritmeester Geisweit van der Netten, den weg tot Dombrowna, weder alleen vervolgen. Hij ontmoette den 26, zonder dat hij zich bij hen kon vervoegen, de luitenants Nolet en Morbotter, en den 28, aan de boorden van de Berezina, de luitenant Kramers, die bijna van honger omkomende, door hem geholpen, evenwel kort daarna in ’s vijands handen viel, en even als zoovele duizenden, een slagtoffer van gebrek en koude werd.”
Vervolgens moest de inmiddels ijskoude rivier de Berezina worden overgestoken. De bruggen over deze rivier waren in de nacht van 28 op 29 november door de Russen in brand gestoken. Bij het oversteken van de rivier, zwemmend te paard, werd het paard van ritmeester Geisweit van der Netten gewond. Hij zelf werd ook geraakt met een schampschot aan het linkerbeen. Totaal uitgeput werd hij later door de Russen gevangen genomen.38 Zijn aantekenboekje was gelukkig behouden gebleven en vormde later belangrijke input voor een groot gedeelte van de regimentsgeschiedenis.

1813 – Het regiment wordt opnieuw opgericht
De overlevenden van de Rusland veldtocht werden snel weer ingezet. Alle troepen waren nodig voor de verdediging van Polen en de zwaar gehavende eenheden werden dan ook zo snel mogelijk gereorganiseerd. Zo mogelijk nog belangrijker voor de verdediging waren de vooraf in Polen en Pruisen achtergelaten eenheden. Voor vertrek naar Rusland had Napoleon in alle belangrijke steden en vestigingen in deze landen garnizoenen achtergelaten om de enorme depots van de Grande Armée te beschermen en om in geval van nood als reserve te fungeren. Deze garnizoenstroepen vormden na de vernietiging van de Grande Armée de hoofdmoot van de Franse aanwezigheid in Centraal-Europa en moesten de Russische opmars vertragen, terwijl Napoleon aan nieuw hoofdleger probeerde te vormen. Het lukte deze garnizoenen niet om de Russen tegen te houden, maar wel om een substantieel deel van de Russische krijgsmacht te binden, waardoor de Russen minder troepen tegen het nieuwe hoofdleger van Napoleon konden inzetten.39
Pas in februari 1813 kon in het depot te Elbing aan de monding van de Weichsel, weer een enigzins compleet eskadron worden geformeerd. Dat bestond uit de uit Rusland teruggekeerde restanten, herstelde gewonden en nieuwe rekruten vanuit het depot in Arras. Door toevoeging van de opgeheven 23e en 24e Regiment Jagers te Paard, kon later ook een tweede eskadron worden geformeerd. Ook kolonel Liégard had het overleefd en hij bracht door werving van vrijwilligers en inlijving van lotelingen de sterkte van het regiment weer op drie eskadrons, elk met 250 paarden. Ritmeester Hoynck van Papendrecht verzamelde intussen in Frankfurt aan de Oder nog meer gewonden en uit Rusland teruggekeerde manschappen en voegde zich midden maart al met 100 inzetbare ruiters bij het Elbe leger. De officieren van destijds waren kolonel J.B. Liégard, luitenant-kolonels P.G. Motté en de Fraije de Schiplaken, adjudant-majoor J.C. Huismans, chirurgijn-majoor J.M. von Zinckgraeff, officier-betaalmeester T. van den Berg ritmeesters A.J. Hoynck van Papendregt, J.H. Boers, 1e luitenants G.L.C. Bouwens (van der Boijen), J.H. Harmann, M. Nolet, W. van Zandhuisen, J.C. Nobert, 2e luitenants C.F. Morbotter, G.H. Liewerens, W.A. Verhellow, E. Edeline, J. Bruyninga, C.J. Frost, J. Staats-Boonen, Gh.H. Roode, F.C. van Gronsveld-Diepenbroek, van der Straat, H. van Rodenberg, J.R. Huismans, J.C. Ryx, J. Verboon, J.J. Périé, R. Everts en J.H. de Luesemans.
11RH nam deel aan een grote verkenning vanuit Maagdenburg en aan de gevechten bij Weben en Neukirchen. 11RH werd ingedeeld bij de brigade van Wathier, die verder bestond uit twee regimenten jagers te paard, o. a. het 23e van Kolonel De Marbot. Deze brigade was ingedeeld bij de divisie Excelmanns van het 2e Cavaleriekorps van generaal H.F. Sebastiani. Het wederopgerichtte 11RH nam daarna deel aan de veldslagen bij Lützen (20 mei, zuidwest van Leipzig) en Bautzen (21 mei, oost van Dresden). Het was toen tijdelijk onderdeel van het 3e legerkorps van maarschalk Ney. Het eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht veroverde tijdens deze laatste slag op 21 mei bij Sprottau een complete Russische artillerietrein met 20 stukken geschut, 20 karren (caissons), 500 man en bijna 200 paarden. Ook werd hierbij een aantal vijandelijke artilleristen gevangen genomen. Ook hij werd hiervoor bevorderd tot officier bij het ‘Legion D’Honneur’. Van Sypesteijn schrijft hierover40:
“Het was een stout wapenfeit, dat verrigt werd door het eskadron van het 11e regiment Hussaren, waarover de ritmeester Hoynck van Papendrecht het bevel voerde, en dat, toen het 3e legerkorps in de omstreken van Sagan kwam, door voorhoede daarvan uitmaakte. De luitenant Morbotter onderrigt dat een vijandelijk konvooi naar Sprottau voortrukte, kreeg bevel met Hussaren in draf vooruit te gaan. Aan den ingang van een bosch gekomen ontmoette hij dat konvooi, dat begeleid werd door omstreeks 200 man kavallerie en 100 man infanterie. Een aanval van 1 brigadier en 4 hussaren, op 2 stukken geschut, die door den vijand in batterij waren gesteld, werd met den besten uitslag bekroond en die stukken werden veroverd. Daarna rukten de hussaren gezamenlijk in galop op den vijand aan, met dat gevolg, dat 20 stukken geschut, 20 caissons en vele andere voertuigen, 200 paarden veroverd en vele gevangenen gemaakt werden, vóór dat de troepen, welke het eskadron waren gevolgd, daar ter plaatse aankwamen.”
Tijdens de gevechten in deze periode werd het Franse leger steeds verder teruggedreven voor het Russische en Pruisische leger. Op 23 augustus verliet keizer Napeleon (en maarschalk Ney) het leger en liet het opperbevel aan maarschalk MacDonald over. Deze had het moeilijk een goede terugtocht van het Franse leger te organiseren. Hij organiseerde cavalerie tegenaanvallen waarbij 11RH werd ingezet41:
“…het den maarschalk MacDonald gelukte, eene voldoende magt kavallerie te vereenigen, welke vervolgens tegen de reserve ruiterij der Pruissen te Belwitzhof oprukte, met dat gevolg, dat de laatstgemelden moesten wijken en eene batterij rijdende artillerie der Pruissische reserve ruiterij, daarbij verloren ging. Het was juist van deze batterij, dat drie stukken geschut door de Hussaren van het 11e regiment werden veroverd, kort vóór dat met een ontzaggelijk groot verlies van manschappen, van wapens en materieel, de ordelooze terugtogt der Franschen plaats had.”
Kolonel de Marbot was in zijn naoorlogse geschriften zeer negatief over 11RH (en andere buitenlandse contingenten). Zo berichtte hij o.a. over het weifelend optreden op 22 en 23 augustus bij het oversteken van het riviertje de Bober. Terwijl zijn eigen 23eRegiment Jagers te paard zonder verkenningen op een brug afstormde, die de Russen ogenschijnlijk niet onklaar gemaakt hadden, bleef 11RH onder vijandelijk artillerievuur werkeloos staan. De brug stortte vervolgens in waarbij enkele ruiters en paarden verdronken. Bij dit gevecht raakte kolonel Liégaerd licht gewond en op 26 augustus zelfs voor een tweede keer. Marbot weet het gebrek aan dapperheid aan het gebrek aan Franse officieren binnen 11RH. Hij schreef dat Kolonel Liégard:
“le seul Francais qu’il y eût dans ce corps.”
Dit klopte niet want van de 38 officieren van 11RH, die aan den veldtocht van 1813 in Duitsland deelnamen, waren 11 Fransen, 3 Belgen, 5 Duitsers, 3 Italianen en 13 Hollanders. Van 3 was de geboorteplaats niet vermeld.

Ook bij een tweede gevecht op 26 augustus bij de Katzbach mopperde De Marbot op de houding van 11RH. Hij verwijt 11RH niet te hulp te komen als de beide regimenten Jagers te Paard worden aangevallen door drie Pruisische regimenten, waarbij de Fransen grote verliezen aan manschappen, wapens en materieel leiden:
“Quant au 11e de hussards, entièrement composés de Hollandais, dont l’Empereur avait cru faire des Francais par un simple décret, il fut impossible a son chef de Ie ramener a la charge. Mais nous sûmes nous passer de l’assistance de ces mauvais soldats, car Ie 23e et Ie 24e suffirent pour achever Ia déroute des trois régiments prussiens qui nous avaient attaques“
Hij vergeet echter te vermelden dat 11RH wel oprukt tegen de reserve cavalerie van de Pruisen bij Belwitzhof (of Brechelshof), deze verjaagt en hierbij 3 stukken artillerie veroverd en 6 vernield. In het gevechtverslag van generaal Sebastiani van 26 augustus wordt de inzet van 11RH wel op waarde geschat:
“A cinq heures l’ennemi débouche de Brechelsdorf avec 15 escadrons, et, passant en colonne entte Ie bois et Ie General CHARPENTIER, vient pour charger la brigade Wathier, qui va a sa rencontre, l’enfonce et Ia pour suit jusqu’au dela de Bielshof et lui prend 9 pièces de canon. Le 23e, Ie 24e chasseurs et Ie 11e hussards, qui exécutèrent cette charge, firent plus de 200 prisonniers et laissèrent Ie champ de bataille couvert de morts.”
Bij opsomming der geleden verliezen en van hen, die zich bijzonder hadden onderscheiden, vermeldde generaal Sebastiani:
“Je devais citer tous les chefs, tous les officiers, tous l’ont mérité. Les Colonels Marbot, Schneidt et Liépard sont blessés: les deux premiers sont encore & la tête de leurs troupes.“
Op 16 oktober 1813 nam 11RH deel aan de Volkerenslag bij Leipzig, die de totale ineenstorting van het Franse leger van Napoleon tot gevolg had. Ook 11RH had de nodige doden en gewonden. Twee officieren van het regiment werden hierbij gedood (ritmeester J.H. Boels en adjudant-majoor J.C. Huisman), twee gewond (luitenants E. Edeline en J. Staats-Boonen), drie krijgsgevangen (luitenants J.H. Harmann, C.J. Forst en F.C. van Gronsveld Diepenbroek) en twee vermist (o.a. luitenant J.C. Norbert).

De laatste lauweren oogstte 11RH in 1813 aan het riviertje de Kinzig. In samenwerking met artillerie hielden ze bij Hanau de weg naar de Rijn open voor het terugtrekkende Franse leger. Luitenant De Lassus schrijft:
“Les noms de Sebastiani et Excellmans sont souvent répétés avec louanges par les historiens. Le 11e Hussards peut être fier d’avoir sous de tels chefs pris part a cette campagne célèbre.”42
Inmiddels was het aantal officieren gestegen tot 46, waarvan 38 de veldtocht van 1813 in Duitsland hadden meegemaakt. Ook onder de huzaren en onderofficieren bevonden zich veel Fransen, want het aantal vrijwilligers en lotelingen uit Nederland was intussen door de veranderende politieke situatie opgedroogd.
Het overschot van het Franse leer trok terug over de Rijn en 11RH kwam bij Manheim terecht. Het overschot van het regiment kwam
“in eenen allerdeerlijksten staat”
in Frankrijk terug.
11RH nam verder niet meer deel aan significante gevechten en keerde in november 1813 naar Frankrijk terug, op hetzelfde moment dat Willem François Boreel in Haarlem zijn nieuwe korps cavalerie (het latere Regiment Huzaren van Boreel) formeerde.
Na de landing van Willem Frederik (de latere Koning Willem I) bereikte het vertrouwen van de keizer in zijn Hollandse troepen een nieuw dieptepunt. De desertie liep zo hoog op, dat de Hollanders een gevaar begonnen te vormen voor de gevechtskracht van het Franse leger. Om te voorkomen dat ze, net als de Saksen tijdens de Slag bij Leipzig, en masse naar de vijand zouden overlopen, beval Napoleon de ontwapening van alle Hollandse soldaten op de rechter Rijnoever.43 Zodra Napoleon terug was in Parijs ging hij nog verder en eiste van de Hollandse officieren opnieuw de eed van trouw, teneinde hen, evenals de Hollandse onderofficieren en huzaren tot Fransen te kunnen naturaliseren. Iedereen zou dan worden bevorderd: de huzaren tot onderofficier, de onderofficieren tot luitenant, enzovoort. Onder aanvoering van luitenant-kolonel Coengracht weigerden allen, van 11RH zonder enige uitzondering. Alle 147 overlevenden Nederlanders van het 11e Regiment Huzaren werden toen ontwapend en gevangen gezet. De officieren moesten zich naar de vesting in Aire in Noord-Frankrijk begeven, de onderofficieren en de huzaren werden naar de grenzen met Spanje getransporteerd.44 De Franse huzaren van 11RH werden verdeeld over andere regimenten. De administratie in Arras werd gesloten en het regiment werd ontbonden en hield op te bestaan. Na inname van Parijs door de geallieerden in 1814 werden de gevangen Nederlandse cavaleristen uit hun gevangenschap ontslagen en konden terugkeren naar het Koninkrijk Nederland, zoals de samengevoegde Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nu heette. Na terugkeer in Nederland namen veel oudgedienden van 11RH weer dienst de onderofficieren en huzaren voornamelijk bij de Huzaren van Boreel omdat deze eenheid al het best geformeerd was. Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1972 No. 101 is het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) daarom aangemerkt als voortzetting van het 11e Regiment Huzaren.

De oprichter van RHB had weinig op met Nederlandse officieren die in het Franse leger had gediend. Hij zelf had dat geweigerd. Hij weerde deze daarom zoveel mogelijk uit zijn regiment. Op twee na, gingen deze daarom naar andere in oprichting zijnde huzaren regimenten. Ook zal een belemmerende rol hebben gespeeld, dat Boreel bepaald had dat officieren van zijn regiment gedurende een jaar de helft van hun wedde in de staatskas moesten storten. Alleen J. Debetz en J.P. Molenaar namen dienst bij het Korps van Boreel. Beide als 1e luitenant. Tijdens de latere slag bij Waterloo (juni 1815) raakte Debetz gewond en na de slag werd hij beloond met een Militaire Willemsorde en bevorderd tot ritmeester.
Luitenant-kolonel Johan Renno, ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en ritmeester Louis Crooij van 11RH namen ook weer dienst bij de Nederlandse cavalerie en voerden in de periode 1815-1830 achter elkaar het bevel over het Regiment Ligte Dragonders No.4 (RD4). Luitenant-kolonel Coenegracht en Christiaan Lechleitner dienden ook in 11RH en commandeerde respectievelijk het 1e en 3e Regiment Carabinier (RC1 en RC3). J.J. Périé, die in juli 1811 in Parijs als wachtmeester stond aangetreden bij de Standaarduitreiking door Napoleon en in Moskou werd bevorderd tot 2e luitenant, was van 1837 tot 1846 als kolonel commandant van het Regiment Hussaren No.7 van het KNIL. De luitenants Jelle Bruijninga en Caspar Morbotter werden na de slag bij Waterloo bevorderd tot ritmeester en later tot majoor. Chirurgijn majoor Jan Martijn Von Zinckgraeff werd hoogleraar aan de universiteit van Leuven.

Ritmeester Geisweit van der Netten keerde pas op 7 september 1814 terug uit Russische krijgsgevangenschap. Hij kreeg geen nieuwe commanderende functie. Hij was wel van 1815 tot 1830 directeur van de Rijschool der Artillerie en Genie in Delft en een drijvende kracht achter de oprichting van de Rijks Veeartsen School te Utrecht. In 1838 werd hij benoemd tot generaal-majoor titulair.
Van alle cavalerie officieren die na de slag bij Waterloo onderscheiden werden met de Militaire Willems Orde, hadden er 18 in de periode 1795 tot 1814 gediend bij het regiment, dat achtereenvolgens Regiment Huzaren, 2e Regiment Huzaren en 11e Regiment Huzaren heette. Volgens Franse archieven dienden in totaal meer dan 1568 Nederlanders in het 11e Regiment Huzaren. Hun namen zijn op internet te vinden:
Hun namen zijn op internet te vinden (maar kijk bij gelegenheid ook eens op onze andere informatie pagina met militaire registers).
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 258 ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 144 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 120 ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 148 ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 167 ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 170 ↩︎
- Napoleon had de dienstplicht namelijk ingevoerd in Nederland. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 127 en 128 ↩︎
- Het eerder bij de 9e brigade eveneens ingedeelde 28ste regiment jagers te paard was nu naar de 14e Lichte Brigade gegaan en had dus plaatje geruild met 11RH ↩︎
- Die waren de luitenant-kolonels Motté en de la Motte. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 134 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 135 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 136 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 137 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 141 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 142 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 143 ↩︎
- Maar niet nadat de regimentscommandant, kolonel Boulnois met enige manschappen in het carré was doorgedrongen. Hij was gewond en zijn paard gedood. Hij werd gevangen genomen, maar snel weer door een paar van zijn jagers bevrijd. ↩︎
- Opgemerkt moet worden dat de 11RH geen lansen had en dus niet dicht genoeg bij in formatie staande en bajonet-voerende infanterie kon komen om hen sabelslagen toe te brengen. De lansiers waren hierbij dus in het voordeel en een aanval van het Franse 6e regiment lansiers was dan ook gedeeltelijk wel succesvol geweest. Het had echter de uitkomst van de slag niet kunnen veranderen. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 153 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 154 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 155 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 161 ↩︎
- Dagboek ritmeester Geisweit van der Netten. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 162 ↩︎
- https://www.wiewaswie.nl/nl/nieuws/in-militaire-dienst-met-napoleon-naar-rusland/ ↩︎
- Historique du 11e Regiment de Hussards par Ie Lieutenant DE LASSUS. Valence, Imprimerie de JULES CÉAS & Fits. 1890, pag 179 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 167 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 173 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 174 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 175 ↩︎
- ↩︎
Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 177
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 181 ↩︎
- Bij het oversteken van de Berezina was zijn sabelschede vol water geraakt en bevroren. Hierdoor kon hij de sabel niet terug in de schede plaatsen en moest deze in de hand houden. ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 279 en 280 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 187 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 189 ↩︎
- De Duitse schrijver Schmeisser ziet dit anders. Hij schrijft op bladz. 14 van Die niederländischen Kontingente in der Armee des ersten Kaiserreichs: «Das 11. Husaren-Regiment desertierte fast vollständig am Ende des Feldzugs.” ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎
- Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎


