1810 – 1813 11RH

1810 – 1813 Het 11e Regiment Huzaren van het Keizerrijk Frankrijk

Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen | 2e versie [13-03-2026]

Op 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland, verdeeld over negen ‘departementen’ ingelijfd bij het Keizerrijk Frankrijk. Deze departementen werden bestuurd door een prefect. Het waren Zuiderzee (Noord-Holland en Utrecht), Monden van de Maas (Zuid-Holland), Boven-IJssel (Gelderland), Monden van de IJssel (Overijssel), Wester-Eems (Groningen), Ooster-Eems (Oost-Friesland, op Duits grondgebied) en Friesland, dat als enige zijn naam behield. Zeelland en Brabant waren al eerde bij Frankrijk gevoegd. Net zoals Limburg dat al in 1795, net als Staats-Vlaanderen en de Oostenrijkse Nederlanden (België), bij Frankrijk was ingedeeld. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, derde hoofdstad van het Keizerrijk.

Op 14 juni arriveerde in Amsterdam al de 72-jarige luitenant-generaal Charles Lebrun als gouverneur-generaal over deze negen departementen. Vooraanstaande Nederlanders namen deel aan het bestuur, waaronder Gogel, Six, Van Hoogendorp, Van Maanen, Mollerus en admiraal Verheull. Het land gleed echter steeds verder af in armoede en de toch al tanende handel kreeg, door verscherpte naleving van het verbod op handel met Engeland, ook geen kans zich te herstellen.

Het ongeveer 20.000 man tellende Hollandse leger ging op in het keizerlijke leger, de Armée Imperial. Het Franse leger had tot dan toe 10 huzarenregimenten, het Hollandse 2e Regiment Huzaren werd nu als 11e Regiment Huzaren aan het Franse leger toegevoegd. Het Hollandse 2e Regiment Kurassiers werd als 14e Regiment Kurassiers opgenomen en uit de beide regimenten Garde te Paard, ontstond het 2e Regiment Chevau-Légers Lanciers van de keizerlijke garde, de zogenaamde Rode Lansiers.

De eerste anderhalf jaar na de inlijving stond voor de meeste Hollandse troepen in het teken van de kustverdediging. De keizer vreesde een herhaling van de Britse invasie van 1809 en deed er alles aan om de bescherming van de kust op peil te houden. Niet zonder reden, want de Britten voerden in het najaar van 1810 en het voorjaar van 1811 geregeld kleine landingen uit. Soms om te foerageren, maar ook om onrust te creëren en de Franse troepen te binden. Voorbeelden hiervan waren de landingen bij Ter Heide (zuid van Den Haag in sept 1810), Voorne en Petten (beiden voorjaar 1811).1

Om onrust te voorkomen ging het grootste gedeelte van het voormalige Hollandse leger pas per 1 januari 1811 in Franse betaling over. Tot die tijd bleef het Hollandse Ministerie van Oorlog verantwoordelijk voor de betaling en administratie. Alleen de voormalige Garde van de Koning, het 11e Regiment Huzaren en het 14e Regiment Kurassiers kwamen al per 1 september 1810 in Franse betaling. Als gevolg hiervan dienden zij zich na de inlijving zo snel mogelijk naar hun nieuwe depots in respectievelijk Versailles, Arras en Lille te begeven. Een duidelijke reden van dit verschil van overgang is niet te geven. Maar het kan geen toeval zijn dat de genoemde regimenten het hoogst stonden aangeschreven van alle Hollandse troepen. Zeker voor de Hollandse Garde gold dat Napoleon deze elitetroepen graag bij zijn eigen garde wilde voegen. Wat de verplaatsing van de cavalerie naar Frankrijk betreft kunnen ook de hoge onderhoudskosten in Holland een rol hebben gespeeld. De kosten per paard vielen in Holland een stuk hoger uit dan in Frankrijk, waardoor de verplaatsing van de huzaren en de kurassiers goed was voor de keizerlijke schatkist.2

Het 11e Regiment Huzaren vertrok dan ook in de tweede helft van augustus 1810 vanuit Deventer en Zutphen via Antwerpen, Mechelen, Brussel en Valenciennes naar nieuwe garnizoen in Arras (= voorheen Atrecht) in het noordwesten van Frankrijk. Eerste luitenant van Sypesteijn vertelt ietwat overdreven hierover3:

Op 30 augustus 1810 was iedereen, inclusief het depot-eskadron in Arras aangekomen. De organieke sterkte werd vastgesteld op een staf van 22 ‘hoofden’ en 17 paarden met vier eskadrons á 240 ‘hoofden’ en 200 paarden. In totaal 982 ‘hoofden’ en 817 paarden. 

In juli 1811 vond te Parijs voor de Tuileriën een grote parade plaats, waaraan het regiment deelnam. De regimentscommandant kolonel Collaert, vergezeld door de ritmeester Ramakers, opperwacht-meester Debetz en de wachtmeesters Bruijninga en Périé, ontving hier uit handen van keizer Napoleon de nieuwe Standaard van het regiment. Opperwachtmeester Debetz werd op de 2ekerstdag 1811 bevorderd tot 2e luitenant. 

 

Het 11e Regiment Huzaren had haar oude uniform (van het voormalige 2e Regiment Huzaren) mogen behouden. Ze hadden al een blauw uniform en het scharlakenrood van hun uitmonstering stond ver genoeg van de reeds gangbare couleurs distinct (van de andere regimenten) af om te mogen blijven. Wel waren er bij het 11e Regiment Huzaren maar liefst 196 man uit de voormalige Garde geplaatst, die allemaal nieuwe uniformen en wapens moesten krijgen. Bovendien gebruikte de Hollandse huzaren, evenals de soldaten, verouderde wapens met een afwijkend kaliber ten opzichte van de Fransen. Aanpassing had vanzelfsprekend financiële consequenties.4 De reden dat zoveel voormalige Gardisten naar het 11e Regiment Huzaren kwamen had te maken met het feit dat keizer Napoleon zijn garde wenste te ontdoen van ‘buitenlanders’. Hij wilde alleen pure Nederlandse garde-eenheden in zijn keizerlijke garde. De Duitsers die in de cavalerieregimenten van de garde dienden gingen hiermee meestal vrijwillig over naar het 11e Regiment Huzaren.5 In november 1810 ging de keizer nog een stapje verder en bepaalde dat met ingang van 1811 alle officieren van de artillerie, 14e Regiment Kurassiers en 11e Regiment Huzaren uitsluitend Hollanders mochten zijn. Een dergelijke nationalisatie zou de gevechtswaarde stimuleren en de betrouwbaarheid ervan vergroten.6 Dit streven zou de Keizer nooit helemaal bereiken. Hij zou zelfs later teleurgesteld raken in de betrouwbaarheid van deze (en infanterieregimenten) en daarom tijdens de latere veldtocht naar Rusland zou hij Franse officieren binnen deze regimenten plaatsen om hun betrouwbaarheid te vergroten.

Van april 1811 tot januari 1812 maakten vier compagnieën, onder bevel van ritmeester C.A. Geisweit van der Netten, deel uit van een mobiele colonne. Deze colonne moest onwillige lotelingen en deserteurs opsporen7, eerst in het oostelijk deel van België daarna in Normandië. Tijdens deze niet zo onplezierige opdracht zag hij nog wel kans om een boek over paardenkennis te voltooien en soms was er ook nog tijd voor plezier. Zo schreef hij uit oost België aan zijn vrouw ‘Coosje’ over een meisje wat hij daar had ontmoet: 

Aan de veldtocht in 1812 naar Rusland namen 15.000 Hollandse troepen deel. Alle drie de cavalerieregimenten (11RH, 14RK en 2RCL), het 3e Regiment Garde Grenardiers, het 33e Regiment Lichte Infanterie, Het 123e, 124e, 125e en 126e Regiment Infanterie van Linie, de batterij Rijdende Artillerie Hoogerwaard en het 1e Bataljon Pontonniers. De Hollandse troepen vormden nu geen eigen Hollandse divisie, maar werden verdeeld over de Franse korpsen, divisies en brigades. Begin januari 1812 waren intussen alle compagnieën weer terug bij 11RH in Arras en werd 11RH ingedeeld bij de Franse 9e Brigade Lichte Cavalerie onder leiding van brigadegeneraal Mouriez, die verder bestond uit het Franse ‘6e régiment chevau-légers.’ De 9e brigade was ingedeeld bij het 3elegerkorps van maarschalk M. Ney. Het regiment moest op voet van oorlog worden gebracht en het aantal paarden moest vermeerderd worden tot 1100. Van de benodigde paarden zouden er 380 te Hannover en Hamburg worden geleverd. Om deze op te halen en af te richten vertrok daarom al op 15 januari 1812 een voordetachement van 5 luitenants en 280 onderofficieren en huzaren, geleid door de ritmeesters Geisweit van der Netten en Louis Crooij. Bij gebrek aan paarden marcheerden de huzaren te voet met de uitrusting op karren, een zeer vernederende ervaring voor een huzarenregiment. De tocht ging via Brussel (10 jan), Maastricht (25 jan), Wesel (31 jan), Munster (3 febr) naar Osnabrück waar ze op 5 februari aankwamen. Ritmeester Crooij trok daarna met ruim honderd man door naar Hannover en ritmeester Geisweit van der Netten met de overigen naar Hamburg. Hier kwam hij op 13 februari aan. Nadat ritmeester Crooij zich met de opgehaalde paarden ook naar Hamburg was doorgetrokken, vertrok het gehele detachement op 28 februari uit Hamburg en kwam via Spandau op 22 april in Frankfurt a/d Oder aan.

Cornelis Antonie Geisweit van der Netten was ritmeester bij het 11e Regiment Huzaren. Hij kwam in 1787 in dienst als cadet bij het oudste stamonderdeel van het Regiment Huzaren van Boreel, het korps huzaren van Rijngraaf van Salm. Hij twee eskadrons van 11RH van een totale vernietiging op 5 september 1812. Gepensioneerd als generaal-majoor titulair.

Het 11e Regiment Huzaren (11RH) was op 1 februari vertrokken uit Arras en kwam op 1 februari in Ober-Olm aan. Het ging op 28 februari de Rijn over naar Leipzig. In de omgeving van Leipzig vormde het, tezamen met het Franse 4e Regiment Jagers te Paard en het 2e regiment Wurtembergsche chevaux légers, de 14e Brigade Lichte Cavalerie. Deze brigade fungeerde als voorhoede van het 3eCorps van Maarschalk Ney. Eind april werd het detachement van de ritmeesters Geisweit van der Netten en Crooij bij Neudamm verenigd met het 11RH en werden de nieuwe paarden verdeeld over de eskadrons. De officieren van het regiment waren destijds kolonel M.J.G. Collaert, luitenant-kolonel J.C. Renno, adjudant-majoor J.C. Huismans, onder-adjudanten majoors J.G.F. Pfaff en W. van Zandhuizen, officier betaalmeester B. Dikstaal (opgevolgd door T. van den Bergh), chirurgijn-majoor J.M von Zinkgraeff en aide chirurgijn W.H. Siliakus. De ritmeesters waren C.A. Geisweit van der Netten, L. Ramakers. U.H. Huber, A.J. Hoynck van Papendrecht, H. J. C.J. van Heeckeren van Enghuizen, L.A.J. Crooij, M.L. Pijman en L.R Quaita. De 1e luitenants waren R.F. de Ravallet, W.G van Kretschman, L. L. van Wiedenkeller, H.N. van Nijvenheim, A. Sloet van Oldruitenburg, J. Kramers en G.K.J.W. Wolf. De 2e luitenants waren M. Nolet, G.L. C. Bouwens van der Boyen, C.T. Lambrechts, J. van Sypesteijn, W.F. van Heeckeren tot de Wiersse, J.D van Eys, J. Rendorp, J.C. Nobert. Emer. H. Gideon, A.P van de Poel, van Heijningen en E. Edeline. Vlak voor de 1812 veldtocht werden nog enkele wachtmeesters tot officier benoemd. Dit waren J. Bruyninga, C. Basters, J.H. Luesemans, W.A. Verhellow, G.H. Liewerens, C.F Morbotter en C.J. Frost. 

Op 30 april werden de kantonnementen rond Leipzig verlaten en via Neudam, Wormsfeld, Friedberg, Driesen, Filehne, Schneidemuhl, Gaubitzer, Rogotno, Schelloleva en Orseba werd op 13 mei door 11RH Thorn aan de rivier de Weichsel (midden in de driehoek Danzig-Posen-Warschau) bereikt. Hier organiseerde maarschalk Ney een grote parade om de hem toebedeelde troepen te inspecteren. Daarna trokken de troepen over twee bruggen de stad binnen en brachten deze in staat van verdediging. 11RH trok door tot in de omgeving van Neumark aan de rivier Drewenza. Verder naar het oosten ontstond groot gebrek aan voer voor de paarden. Eerste luitenant Sypesteijn schrijft hierover8:

Omdat 11RH op 22 mei weer terug ingedeeld werd bij de oorspronkelijke 9e Brigade (verder op dit moment bestaande uit een regiment Wurtembergsche jager en het 6e regiment Lansiers9), keerde het terug naar Thorn. Op 1 juni werd de hoofdofficier toegevoegd van 11RH, luitenant-kolonel Renno, overgeplaatst naar het Franse 5e Regiment Huzaren. Twee nieuwe Franse luitenant-kolonels10 werden bij 11RH geplaatst, maar deze werden met de nodige argwaan bekeken. 

Uniformen van het 11e Regiment Huzaren

De aanval op Rusland begint

Al voortmarcherend bereikte 11RH op 20 juni het stadje Kalwary en trok door naar St. Töcken (Pools – Saintaka). Hier hield generaal Mouriez een inspectie over zijn troepen. Op 23 juni werd Debelen aan de grensrivier Niemen bereikt. Op 24 juni werd de aanval ingezet. Deelnemer aan de veldtocht eerste luitenant van Sypesteijn die zeer kritisch is op het gebruik van lichte cavalerie door Napoleon tijdens deze campagne schrijft over de eerste schermutselingen11:

Ook 11RH stak de rivier Niemen over via een pontonbrug, één dag later op 25 juni ’s morgens om 8 uur. Een ooggetuige12:

Het 3e legerkorps van Maarschalk Ney zette de mars over de linkeroever van de Wilna voort. De beiden brigade lichte kavalerie (9een 14e) vervolgden de vijand in draf. Doel was om het Russische leger (30.000 man sterk) af te snijden van de Russische hoofdmacht en Wilna (nu Vilnius) te veroveren, het eerste belangrijke aanvaldoel van de Franse legers. 

11RH had het zwaar. Het tempo van opmars lag hoog. Van Sypesteijn schrijft13:

Een voorbeeld van het ‘voortjagend’ tempo is de opdracht die het eskadron van ritmeester Geisweit van der Netten kreeg om een ‘jukbrug’ (voetbrug) bestemd voor het 3e legerkorps te gebruiken om de Wilna te overschrijden. Toen maarschalk Ney daar aankwam en zag dat deze jukbrug nog niet af was, gaf hij het eskadron opdracht de rivier te paard te doorwaden en vervolgens de wegen naar Wilna te verkennen en tot Suderwa op te rukken. 

De Wilna wordt overgestoken.

Op 29 juni stak de rest van 11RH de rivier de Wilna over. Een poging om twee Russische eskadrons van hun eigen troepen af te snijden mislukte. Van Sypesteijn[1]:

Om Wilna te veroveren werd op 1 juli aan de 9e Brigade Lichte Cavalerie opdracht gegeven om een snelmars uit te voeren. Dit werd uitgevoerd voorop 11RH. Van Sypestein schrijft14:

Het regiment begon nu al paarden te verliezen door ondervoeding, ondermeer veroorzaakt door de ‘verschroeide aarde’ tactiek van de Russen: 

Op 20 juli werd de rivier Duna bereikt en op 23 juli overschreden.   Het oversteken van deze snelstromende rivier ging niet gemakkelijk15:

1812 Veldtocht naar Moskou en terugtocht

De stad Polotsk, ongeveer 200 km van Minsk, werd door de Fransen veroverd, geplunderd en daarna in brand gestoken. De beide cavaleriebrigades bivakkeerden in de voorstad van Polotsk. Op 26 juli werd Woronowo bereikt, waar de 14e brigade zich had onderscheiden door 100 Russische huzaren gevangen te nemen. Op 29 juli werd Witebsk ingenomen

en bereikte 11RH Luwiza. Daarna lag 11RH tot 7 augustus in opstelling voor Leontschevo. Deze plaats was door de vijand intussen verlaten. Het regiment had toen al meer dan 400 paarden verloren en de overgebleven paarden waren in zeer slechte conditie. Van Sypesteijn schrijft over de conditie van de paarden met pijn in zijn hart16:

Begin augustus werden de eenheden van de Grande Armée weer geconcentreerd. De stelling bij Smolensk moest worden doorbroken om de opmars naar Moskou voort te kunnen zetten. 11RH werd nu ingezet om verband te houden tussen twee Franse cavaleriedivisies die vooruit waren geschoven om de Russische graaf Platow, Hetman der kozakken te verslaan. Dit laatste gelukte. Twee eskadrons van 11RH (onder leiding van luitenant-kolonel Motté en ritmeester Geisweit van der Netten) voerder offensieve verkenningen uit tot meerdere uren voor de eigen stellingen. De eenheid van ritmeester Geisweit van der Netten onderscheidde zich bij de terugtocht onder druk van de Russen. Hij verdeelde zijn eenheid in kleine groepen en liet de huzaren op terreinhoogtes opzichtig stelling kiezen, waardoor de Russen de daadwerkelijke sterktes overschatten en voorzichtiger werden. Op 9 augustus volgde 11RH de tocht van het 3e legerkorps naar Moghilnia en Eliséévo. Hier voegde ritmeester Hoynck van Papendrecht zich met 100 man, nieuwelingen en achterblijvers en enige nieuwe paarden bij het regiment. In de nacht van 13 op 14 augustus werd aangesloten bij der rest van de Franse troepen, bij het plaatsje Khomino aan de Dnjepr. 

Op 14 augustus werd direct de Dnjepr overgestoken. Van Sypesteijn schrijft hierover17:

Na een lange zware mars, overhaast en zonder te wachten op artillerie, werd 11RH ingezet bij Krasnoje aan de Dnjepr, zuidwest van Smolensk om te proberen de vijand te omtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de actie18:

De vijand stond, door een lage heuvelrug aan het oog onttrokken, achter een stuk moerasachtig grond in één massief blok opgesteld. De aanval was dapper, maar mislukte tot driemaal toe. Van Sypesteijn gaat verder met zijn gedetailleerd verhaal en wijt het falen aan slecht leiderschap19:

De Russische infanterie wist echter van geen wijken21 en trok zich na het vallen van de duisternis onder dekking van eigen cavalerie terug. 11RH verloor hierbij 8 doden en 21 gewonden. De Fransen als geheel hadden ruime 300 man verloren. 

Gevechten bij Smolensk 

De volgende dagen dekte de 9e Brigade de linkerflank van het 3e Franse Corps. Het regiment had hierbij alleen enige schermutselingen met groepjes kozakken. De Russen werden bij Smolensk op 16 augustus ten koste van grote verliezen aan beide zijden verdreven en trokken zich terug op een stelling die ongeveer 100 km voor Moskou bij Borodino lag. Het 3e Corps volgde de terugtrekkende Russen, waarbij de 9e Brigade de achterhoede beschermde. Sypestein schrijft over de betrokkenheid van 11RH bij deze gevechten22:

11RH trok hierna verder in de richting van Moskou23:

Tekening van Knötel, 11e regiment Hussaren in 1810. Cie á élite betekent de ‘compagnie die het langst inzetbaar gehouden werd, vaak de meest ervaren 1e compagnie van het 1e eskadron 

In de laatste week van augustus werden vier ritmeesters en vier luitenants overgeplaatst naar Franse huzarenregimenten en vervangen door enkele Franse officieren.

De overigen gaten werden opgevuld met bevorderingen. De ritmeesters M.L. Pijnman, H.J.C.J. van Heeckeren van Enghuijzen en L.R Quaita gingen alle drie naar het 8e regiment Hussaren. Ritmeester L.A.J. Crooij werd naar het 11eregiment Jagers te Paard overgeplaatst. 1e luitenant A. Sloet van Oldenruitenburg ging naar het 6e regiment Hussaren, 1e luitenant L.L. van Wiedenkeller naar het 8e regiment Hussaren, 2e luitenant J. van Sijpesteijn met bevordering als 1e luitenant naar 9eregiment Hussaren. De 2e luitenants E.J.A.P. van de Poel van Heijningen, beiden naar 7e regiment Hussaren.

Zelfs de betaalmeester (B. Dikstaal) werd overgeplaatst. Als kapitein ging hij naar het 6e regiment Hussaren.

De beide wachtmeesters Bruijninga en Basten werden tot 2e luitenant bevorderd.

Huzaren van het 1e, 11e en 7e Regiment. Gustave David, 1812. Collectie Nationaal Militair Museum, Soesterberg.

Nadat bij Dorogobusch op 27 augustus de Dnjepr was overgestoken ging de tocht naar Moskou verder via Wiasma en Gjatsk dat op 1 september werd bereikt: 

Op 1 september werd wachtmeester Caspar Morbotter die met een aantal tirailleurs een bos doorzocht, omsingeld door zo’n 150 kozakken. Hij hield stand en dit gevecht leidde uiteindelijk tot inzet van de gehele 9e Brigade tegen 5.000 Russische troepen. Eerste luitenant Sypesteijn (net overgeplaatst naar het 9e regiment Hussaren) vertelt over dit gevecht24:

11RH trok hierop naar het bivak terug. Er waren slechts 3 onderofficieren gewond en 5 paarden waren verloren gegaan. Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en de voorheen tot 2e luitenant bevorderde Jelle Bruijninga onderscheidden zich bij deze gevechten en werden benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur.’ Verder werden als beloning 2e luitenant Nobert tot 1e luitenant bevorderd en de wachtmeester J.H. Luesemans tot 2e luitenant. Ook werd er een dagorder uitgegeven voor de gehele Grande Armée, waarin 11RH eervol werd vermeld. 

Slag bij Borodino

De Russen deden een laatste poging hun hoofdstad Moskou te beschermen en richten bij Borodino een verdedigende stelling in op een voor hen gunstig stuk terrein. Het inrichten van deze stelling werd gedekt door de Russische achterhoede die uit cavalerie bestond. Meer nog dan de Russen, hadden de Fransen behoefte aan een beslissende slag. Van Sypesteijn schrijft25 

Op 4 september werd ook het Franse 6e Regiment Lansiers (dat ook deel uitmaakte van de 9e Brigade) overvallen door een grote overmacht aan kozakken. Het verloor hierbij meer dan 60 doden en gewonden, waaronder verscheidene officieren. 11RH kwam met succes te hulp, maar hierbij raakten wel 5 huzaren gewond door vijandelijk kanonvuur. 

Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht voert het 4 eskadron van 11RH ten aanval op 1 sept 1812 bij Gjask. De trompetter heeft als enige een afwijkend uniform en draagt een kolbak.

Op 5 september, vlakbij Borodino, verdreef 11RH met twee eskadrons een compagnie Russische tirailleurs van een hoogte, waar eigenlijk de eigen artillerie in stelling moest komen. Eerste luitenant van Sypesteijn26:

Overmoedig geworden zetten de regimentscommandant, kolonel Collaert en hem ondersteunende Franse luitenant-kolonel La Motte de aanval voort, zonder verkenning en zonder op eigen artilleriesteun te wachten. De beide eskadrons van 11RH raakten hierdoor omsingeld door vijandelijke zware cavalerie en kozakken bij het klooster Kolotskoi (nabij Borodino).  

Aan ritmeester Geisweit van der Netten leidde echter het gevecht en wist de omsingeling te doorbreken. Aan hem is te danken dat de beide eskadrons niet werden vernietigd. 

De Franse Brigade van Girardin kwam dus te hulp en hierdoor werd de vijand verjaagd. De verliezen waren zwaar. De beide eskadrons hadden samen maar liefst 126 man en 93 paarden aan doden en gewonden te betreuren. 1e luitenant van Kretschmar was door de Russen gevangen genomen. Ritmeester Huber werd door zeven lanssteken zwaar verwond, net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht met drie lanssteken. 

Slag bij Borodino

Op 7 september nam 11RH deel aan de slag bij Borodino. Ze maakte tijdens deze slag deel uit van het 2e Cavalerie Corps van Montbrun met in totaal 10.550 ruiters en 30 stukken rijdende artillerie. Het 2e Cavalerie Corps bestond uit de 2e Lichte Cavalerie Divisie (met hierin 11RH) en de 2e en 4e Zware Cavalerie Divisies. Het 2e Cavalerie Corps vormde een soort reserve achter het 3e Corps van Ney en de taak van de Ligte Cavalerie Brigades was tussentijds om de Franse zware artillerie te dekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de slag en de positie van 11RH. Het regiment stond vooraan en had zwaar te leiden van Russische artillerievuur: 

Chirurgijn majoor Jan van Zinckgraeff van 11RH probeerde het leven van de zwaar gewonde bevelhebber van de Franse cavalerie, Montbrun te redden. Tevergeefs. Van Sypesteijn: 

Majoor Jan van Zinckgraeff werd hiervoor later door Napoleon benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur’, een eer die voorheen doorgaans alleen maar combattanten te beurt viel. Het bevel over de cavaleriedivisie werd overgenomen door generaal Caulincourt, maar sneuvelde ook binnen een half uur. Daarna nam generaal Pajol het over.  Het wederzijdse kanonvuur was moorddadig27:

De Fransen slaagden er niet in om de hoofdopstelling te vermeesteren en dreven met cavalerie-aanvallen de Franse cavalerie terug naar de uitgangsstellingen. Gedurende vier á vijf uur was 11RH blootgesteld aan zwaar vijandelijk kanonvuur. Ritmeester Geisweit van der Netten zag dat28:

Eerste luitenant van Sypesteijn29:

Posities aan het einde van de slag bij Borodino. 11RH behoorde tot de cavalerie divisie van Montbrun die zwaar onder Russische artillerievuur te lijden had.

Het 2e Cavalerie Corps voerde tegen het einde van de slag een charge uit achter een standhoudende Russische versterkte opstelling. 11RH maakte deze charge niet mee, want het regiment was, in brigade verband, tijdens deze slag meer dan vier uur blootgesteld geweest aan hevig artillerievuur. Vanwege de geleden verliezen werd de 9e Brigade daarom later uit het gevecht genomen en vervangen door een zware Cavalerie Brigade, bestaande uit Franse kurassiers en Italiaanse dragonders. Op dat moment waren van 11RH van de twee eskadrons te velde nog maar 46 man inzetbaar. Ritmeester Geisweit van der Netten commandeerde dit restant, ondanks een schampschot aan zijn eigen hoofd. Van zijn eigen eskadron had hij nog maar 5 man over. Hij schreef later in zijn dagboek over deze slag30:

Ook kolonel Collaert was (licht) gewond geraakt en had zijn paard verloren. De luitenant-kolonels La Motte en Motté waren ook gewond (beiden aan een arm), net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht (arm), luitenant van Nijvenheid (schrapnel in de wang), luitenant Norbert (twee lanssteken in de schouder), luitenant Edeline (twee lanssteken in de arm en een sabelhouw op de borst), luitenant Basters (paard gedood en door granaat been verbrijzeld). Van Luitenant Lambrechts (dienst doend als ordonnans officier van generaal Beurman) werd het hoofd afgeschoten, terwijl luitenant Von Wiedenkeller (dienende bij 8e regiment Hussaren) gedood werd door een kanonskogel toen hij naar achterging om zich te laten verbinden wegens een wond aan de schouder. Ritmeester Crooy (bij 11e regiment jagers te paard) werd gewond aan zijn hand en van de ritmeester Pijman (5e regiment Hussaren) werd de top van een vinger afgeschoten.  Na terugkeer van de vermisten en licht gewonden kon de volgende dag slechts een klein eskadron op de been worden gebracht. Omtrent Borodino vertelt luitenant De Lassus31:

Moskou bereikt

11RH bleef tot 10 september in bivak om de wonden te likken en rukte daarna met de Grande Armée op naar Moskou32:

Van 14 september tot 26 september deed het voorpostendienst terwijl de stad in brand stond. Van Sypesteijn: 

Het regiment werd nu gekantonneerd in de ‘Duitse Wijk’ van Moskou (Немецкая слобода, of Nemetskaia sloboda): 

Napoleon reikte tijdens een wapenschouw in de laatste dagen van september decoraties uit. De luitenants Bouwens en Nolet werden vanwege hun aandeel in de slag bij Borodino ook opgenomen in ‘Legion D’Honneur. Ook werden er bevorderingen uitgesproken. De wachtmeesters Morbotter, Frost en Liewerens werden bijvoorbeeld betoonde moed bevorderd tot 2e luitenant bij het regiment. 

Tekening die ritmeester Geisweit van der Netten in zijn zakboekje maakte van Moskou (Koninklijke Bibliotheek)


Een peloton van 30 man ging op 3 oktober onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten (geholpen door de luitenants Norert en Verhellow) mee met een (strooptocht)colonne van 4.000 man onder Maarschalk Ney om voedsel te verzamelen. De huzaren, ingedeeld bij het 4e regiment jagers te paard (kolonel Boulnois) behoorden tot de voorhoede van deze eenheid: 

De Huzaren voerden hierna gebiedsverkenningen uit in de omgeving en wisten verschillende malen groepjes kozakken mee te lokken tot binnen schootsbereik van de Franse voltigeurs die vervolgens de kozakken onder vuur namen, uiteen dreven en op de vlucht joegen. De colonne van Ney keerde op 13 oktober weer terug naar Moskou, nadat hij melding had gehad van naderende sterke Russische eenheden. In de avond van die dag arriveerde het detachement van 11RH weer in de Duitse voorstad van Moskou. 

Het leger van Napoleon moest in de omgeving van Moskou nog enkele felle gevechten voeren om de toegangswegen vrij te houden. Hierbij waren o.a. twee officieren van 11RH betrokken die eerder naar andere Franse cavalerie regiment waren overgeplaatst. Op 4 oktober kwam 1e luitenant Jacob van Sijpesteijn om het leven toen hem een been werd afgeschoten door een kanonskogel op de weg van Moskou naar Kaluga. Op dezelfde weg werd ritmeester L.A.J. Crooij zwaargewond gevangen genomen terwijl hij diende bij het 11e regiment jagers te paard. Hij had vier lanssteken gekregen, twee in de rechterhand, één in de linkerarm en één in de linkerzijde. 

Het regiment telde intussen weer 320 ‘hoofden’ en 120 paarden. 200 onbereden huzaren werden onder bevel van ritmeester Ulrich Huber geplaatst bij het algemeen depot cavalerie. Kolonel Collaert werd gepensioneerd en vertrok naar Holland, mogelijk vanwege zijn rol voorafgaande aan Borodino of vanwege de opgelopen verwonding. Hij werd tijdelijk vervangen door luitenant-kolonel Motté en later kwam in zijn de Franse kolonel Jean Baptiste Liégaerd.

De terugtocht uit Rusland

Op 19 oktober 1812 begon de terugtocht uit Moskou. Al bij het verlaten van de stad werden felle gevechten gevoerd. 2e luitenant Johan Debetz werd voor zijn aandeel hierbij, later ook benoemd tot ridders in het ‘Legion D’Honneur.’ 11RH bleef ingedeeld bij het 3e Legercorps van maarschalk Ney, dat nu niet de voorhoede maar de achterhoede vormde. Dat bevreemde eerste luitenant van Seijpesteyn33:

Bitter voegt hij hieraan toe: 

Tijdens de terugtocht naar Borwosk (Boruisk) wat op 26 oktober werd bereikt stond de regimentsmarketenster, vrouw van Raai, continue klaar om de huzaren na aankomst te verkwikken met een borrel. Er moest nog gevochten worden bij Borowsk. Eerste luitenant van Sypesteijn34:

Op 27 oktober verliet 11RH Borowsk weer. Een 60 man sterk detachement onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten werd samen met een bataljon infanterie aan de divisie Razout geleverd om de vijand te observeren nabij Satino. Aan het einde van de dag trokken ze door naar Wereia, een stad die grondig geplunderd en uitgebrand was. Op 28 oktober werd de grote verharde weg weer bereikt en het slagveld van Borodino weer gepasseerd. Van Sypesteijn35:

De resten van 11RH werden op 31 oktober ingedeeld bij de divisie van generaal Claparède, die schatkist van het leger meevoerde. Het leger naderde Vjasma, ongeveer halverwege Moskou en Smolensk. Hier probeerde de Russische generaal Kutusoff de Fransen terugtocht af te snijden. Op 3 november leverde 11RH, samen met een bataljon infanterie, een achterhoede gevecht nabij de stad Vjasma, Hierdoor kon het 3e Corps van Ney zich in goede order terugtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn schrijft over dit achterhoede gevecht36:

Op 6 november werd Dorogobusch bereikt en de rivier de Dnjepr gepasseerd. De rivier voerde al hoog water en ijsschotsen, zodat doorwaden onmogelijk was. Gelukkig waren de bruggen nog intact, maar 

Na het verlaten van Smolensk werden de vestingwerken van deze stad door de Franse genie grondig vernield. Helaas kwamen hierbij ook de gewonden van de slag bij Borodino om het leven, die toen in het militaire hospitaal lagen. Bij Smolensk had 11RH nog maar 6 paarden over: 

Tekening van de terugtocht ellende

Het personeel van het regiment doorstaat onbeschrijfelijke ellende. In Smolensk weer een groepje regimentsleden zich weer te verenigen: 

Ongeveer 70 km voorbij Smolensk, lag Krasnoje, waar het regiment op de heenmars ook al slag had geleverd. Hier werd op 15 november het restant van 11RH door een vijandelijke aanval totaal uiteen geslagen. Hiermee hield 11RH als eenheid eigenlijk op te bestaan. Van Sypestein37:

Vervolgens moest de inmiddels ijskoude rivier de Berezina worden overgestoken. De bruggen over deze rivier waren in de nacht van 28 op 29 november door de Russen in brand gestoken. Bij het oversteken van de rivier, zwemmend te paard, werd het paard van ritmeester Geisweit van der Netten gewond. Hij zelf werd ook geraakt met een schampschot aan het linkerbeen. Totaal uitgeput werd hij later door de Russen gevangen genomen.38 Zijn aantekenboekje was gelukkig behouden gebleven en vormde later belangrijke input voor een groot gedeelte van de regimentsgeschiedenis.

11e Regiment Huzaren. Tekening van Jan Hoynck van Papendrecht

1813 – Het regiment wordt opnieuw opgericht

De overlevenden van de Rusland veldtocht werden snel weer ingezet. Alle troepen waren nodig voor de verdediging van Polen en de zwaar gehavende eenheden werden dan ook zo snel mogelijk gereorganiseerd. Zo mogelijk nog belangrijker voor de verdediging waren de vooraf in Polen en Pruisen achtergelaten eenheden. Voor vertrek naar Rusland had Napoleon in alle belangrijke steden en vestigingen in deze landen garnizoenen achtergelaten om de enorme depots van de Grande Armée te beschermen en om in geval van nood als reserve te fungeren. Deze garnizoenstroepen vormden na de vernietiging van de Grande Armée de hoofdmoot van de Franse aanwezigheid in Centraal-Europa en moesten de Russische opmars vertragen, terwijl Napoleon aan nieuw hoofdleger probeerde te vormen. Het lukte deze garnizoenen niet om de Russen tegen te houden, maar wel om een substantieel deel van de Russische krijgsmacht te binden, waardoor de Russen minder troepen tegen het nieuwe hoofdleger van Napoleon konden inzetten.39

Pas in februari 1813 kon in het depot te Elbing aan de monding van de Weichsel, weer een enigzins compleet eskadron worden geformeerd. Dat bestond uit de uit Rusland teruggekeerde restanten, herstelde gewonden en nieuwe rekruten vanuit het depot in Arras. Door toevoeging van de opgeheven 23e en 24e Regiment Jagers te Paard, kon later ook een tweede eskadron worden geformeerd. Ook kolonel Liégard had het overleefd en hij bracht door werving van vrijwilligers en inlijving van lotelingen de sterkte van het regiment weer op drie eskadrons, elk met 250 paarden. Ritmeester Hoynck van Papendrecht verzamelde intussen in Frankfurt aan de Oder nog meer gewonden en uit Rusland teruggekeerde manschappen en voegde zich midden maart al met 100 inzetbare ruiters bij het Elbe leger. De officieren van destijds waren kolonel J.B. Liégard, luitenant-kolonels P.G. Motté en de Fraije de Schiplaken, adjudant-majoor J.C. Huismans, chirurgijn-majoor J.M. von Zinckgraeff, officier-betaalmeester T. van den Berg ritmeesters A.J. Hoynck van Papendregt, J.H. Boers, 1e luitenants G.L.C. Bouwens (van der Boijen), J.H. Harmann, M. Nolet, W. van Zandhuisen, J.C. Nobert, 2e luitenants C.F. Morbotter, G.H. Liewerens, W.A. Verhellow, E. Edeline, J. Bruyninga, C.J. Frost, J. Staats-Boonen, Gh.H. Roode, F.C. van Gronsveld-Diepenbroek, van der Straat, H. van Rodenberg, J.R. Huismans, J.C. Ryx, J. Verboon, J.J. Périé, R. Everts en J.H. de Luesemans. 

11RH nam deel aan een grote verkenning vanuit Maagdenburg en aan de gevechten bij Weben en Neukirchen. 11RH werd ingedeeld bij de brigade van Wathier, die verder bestond uit twee regimenten jagers te paard, o. a. het 23e van Kolonel De Marbot. Deze brigade was ingedeeld bij de divisie Excelmanns van het 2e Cavaleriekorps van generaal H.F. Sebastiani. Het wederopgerichtte 11RH nam daarna deel aan de veldslagen bij Lützen (20 mei, zuidwest van Leipzig) en Bautzen (21 mei, oost van Dresden). Het was toen tijdelijk onderdeel van het 3e legerkorps van maarschalk Ney. Het eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht veroverde tijdens deze laatste slag op 21 mei bij Sprottau een complete Russische artillerietrein met 20 stukken geschut, 20 karren (caissons), 500 man en bijna 200 paarden. Ook werd hierbij een aantal vijandelijke artilleristen gevangen genomen. Ook hij werd hiervoor bevorderd tot officier bij het ‘Legion D’Honneur’. Van Sypesteijn schrijft hierover40:

Tijdens de gevechten in deze periode werd het Franse leger steeds verder teruggedreven voor het Russische en Pruisische leger. Op 23 augustus verliet keizer Napeleon (en maarschalk Ney) het leger en liet het opperbevel aan maarschalk MacDonald over. Deze had het moeilijk een goede terugtocht van het Franse leger te organiseren. Hij organiseerde cavalerie tegenaanvallen waarbij 11RH werd ingezet41:

Kolonel de Marbot was in zijn naoorlogse geschriften zeer negatief over 11RH (en andere buitenlandse contingenten). Zo berichtte hij o.a. over het weifelend optreden op 22 en 23 augustus bij het oversteken van het riviertje de Bober. Terwijl zijn eigen 23eRegiment Jagers te paard zonder verkenningen op een brug afstormde, die de Russen ogenschijnlijk niet onklaar gemaakt hadden, bleef 11RH onder vijandelijk artillerievuur werkeloos staan. De brug stortte vervolgens in waarbij enkele ruiters en paarden verdronken. Bij dit gevecht raakte kolonel Liégaerd licht gewond en op 26 augustus zelfs voor een tweede keer. Marbot weet het gebrek aan dapperheid aan het gebrek aan Franse officieren binnen 11RH. Hij schreef dat Kolonel Liégard:

Dit klopte niet want van de 38 officieren van 11RH, die aan den veldtocht van 1813 in Duitsland deelnamen, waren 11 Fransen, 3 Belgen, 5 Duitsers, 3 Italianen en 13 Hollanders. Van 3 was de geboorteplaats niet vermeld.

Tekening die ritmeester Geisweit van der Netten in krijgsgevangenschap van zijn Russische bewakers maakte (Koninklijke Bibliotheek)

Ook bij een tweede gevecht op 26 augustus bij de Katzbach mopperde De Marbot op de houding van 11RH. Hij verwijt 11RH niet te hulp te komen als de beide regimenten Jagers te Paard worden aangevallen door drie Pruisische regimenten, waarbij de Fransen grote verliezen aan manschappen, wapens en materieel leiden: 

Hij vergeet echter te vermelden dat 11RH wel oprukt tegen de reserve cavalerie van de Pruisen bij Belwitzhof (of Brechelshof), deze verjaagt en hierbij 3 stukken artillerie veroverd en 6 vernield. In het gevechtverslag van generaal Sebastiani van 26 augustus wordt de inzet van 11RH wel op waarde geschat:

Bij opsomming der geleden verliezen en van hen, die zich bijzonder hadden onderscheiden, vermeldde generaal Sebastiani: 

Op 16 oktober 1813 nam 11RH deel aan de Volkerenslag bij Leipzig, die de totale ineenstorting van het Franse leger van Napoleon tot gevolg had. Ook 11RH had de nodige doden en gewonden. Twee officieren van het regiment werden hierbij gedood (ritmeester J.H. Boels en adjudant-majoor J.C. Huisman), twee gewond (luitenants E. Edeline en J. Staats-Boonen), drie krijgsgevangen (luitenants J.H. Harmann, C.J. Forst en F.C. van Gronsveld Diepenbroek) en twee vermist (o.a. luitenant J.C. Norbert). 

Tenue en veldmuts 11e Regiment Huzaren (Musée de l’Armée)

De laatste lauweren oogstte 11RH in 1813 aan het riviertje de Kinzig. In samenwerking met artillerie hielden ze bij Hanau de weg naar de Rijn open voor het terugtrekkende Franse leger. Luitenant De Lassus schrijft: 

Inmiddels was het aantal officieren gestegen tot 46, waarvan 38 de veldtocht van 1813 in Duitsland hadden meegemaakt. Ook onder de huzaren en onderofficieren bevonden zich veel Fransen, want het aantal vrijwilligers en lotelingen uit Nederland was intussen door de veranderende politieke situatie opgedroogd.

Het overschot van het Franse leer trok terug over de Rijn en 11RH kwam bij Manheim terecht. Het overschot van het regiment kwam 

in Frankrijk terug.

11RH nam verder niet meer deel aan significante gevechten en keerde in november 1813 naar Frankrijk terug, op hetzelfde moment dat Willem François Boreel in Haarlem zijn nieuwe korps cavalerie (het latere Regiment Huzaren van Boreel) formeerde.

Na de landing van Willem Frederik (de latere Koning Willem I) bereikte het vertrouwen van de keizer in zijn Hollandse troepen een nieuw dieptepunt. De desertie liep zo hoog op, dat de Hollanders een gevaar begonnen te vormen voor de gevechtskracht van het Franse leger. Om te voorkomen dat ze, net als de Saksen tijdens de Slag bij Leipzig, en masse naar de vijand zouden overlopen, beval Napoleon de ontwapening van alle Hollandse soldaten op de rechter Rijnoever.43 Zodra Napoleon terug was in Parijs ging hij nog verder en eiste van de Hollandse officieren opnieuw de eed van trouw, teneinde hen, evenals de Hollandse onderofficieren en huzaren tot Fransen te kunnen naturaliseren. Iedereen zou dan worden bevorderd: de huzaren tot onderofficier, de onderofficieren tot luitenant, enzovoort. Onder aanvoering van luitenant-kolonel Coengracht weigerden allen, van 11RH zonder enige uitzondering. Alle 147 overlevenden Nederlanders van het 11e Regiment Huzaren werden toen ontwapend en gevangen gezet. De officieren moesten zich naar de vesting in Aire in Noord-Frankrijk begeven, de onderofficieren en de huzaren werden naar de grenzen met Spanje getransporteerd.44 De Franse huzaren van 11RH werden verdeeld over andere regimenten. De administratie in Arras werd gesloten en het regiment werd ontbonden en hield op te bestaan. Na inname van Parijs door de geallieerden in 1814 werden de gevangen Nederlandse cavaleristen uit hun gevangenschap ontslagen en konden terugkeren naar het Koninkrijk Nederland, zoals de samengevoegde Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nu heette. Na terugkeer in Nederland namen veel oudgedienden van 11RH weer dienst de onderofficieren en huzaren voornamelijk bij de Huzaren van Boreel omdat deze eenheid al het best geformeerd was. Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1972 No. 101 is het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) daarom aangemerkt als voortzetting van het 11e Regiment Huzaren.  

11e regiment Hussaren – collectie Vinkhuizen

De oprichter van RHB had weinig op met Nederlandse officieren die in het Franse leger had gediend. Hij zelf had dat geweigerd. Hij weerde deze daarom zoveel mogelijk uit zijn regiment. Op twee na, gingen deze daarom naar andere in oprichting zijnde huzaren regimenten. Ook zal een belemmerende rol hebben gespeeld, dat Boreel bepaald had dat officieren van zijn regiment gedurende een jaar de helft van hun wedde in de staatskas moesten storten. Alleen J. Debetz en J.P. Molenaar namen dienst bij het Korps van Boreel. Beide als 1e luitenant. Tijdens de latere slag bij Waterloo (juni 1815) raakte Debetz gewond en na de slag werd hij beloond met een Militaire Willemsorde en bevorderd tot ritmeester. 

Luitenant-kolonel Johan Renno, ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en ritmeester Louis Crooij van 11RH namen ook weer dienst bij de Nederlandse cavalerie en voerden in de periode 1815-1830 achter elkaar het bevel over het Regiment Ligte Dragonders No.4 (RD4). Luitenant-kolonel Coenegracht en Christiaan Lechleitner dienden ook in 11RH en commandeerde respectievelijk het 1e en 3e Regiment Carabinier (RC1 en RC3). J.J. Périé, die in juli 1811 in Parijs als wachtmeester stond aangetreden bij de Standaarduitreiking door Napoleon en in Moskou werd bevorderd tot 2e luitenant, was van 1837 tot 1846 als kolonel commandant van het Regiment Hussaren No.7 van het KNIL. De luitenants Jelle Bruijninga en Caspar Morbotter werden na de slag bij Waterloo bevorderd tot ritmeester en later tot majoor. Chirurgijn majoor Jan Martijn Von Zinckgraeff werd hoogleraar aan de universiteit van Leuven. 

Ritmeester Johan Debetz in een uniform van RH6 met zichtbaar de MWO. Zijn dochter trouwde later met 1e luitenant Baron van Voorst tot Voorst van het Regiment Lansier No.10, die ook met RHB verweven is. 

Ritmeester Geisweit van der Netten keerde pas op 7 september 1814 terug uit Russische krijgsgevangenschap. Hij kreeg geen nieuwe commanderende functie. Hij was wel van 1815 tot 1830 directeur van de Rijschool der Artillerie en Genie in Delft en een drijvende kracht achter de oprichting van de Rijks Veeartsen School te Utrecht. In 1838 werd hij benoemd tot generaal-majoor titulair. 

Van alle cavalerie officieren die na de slag bij Waterloo onderscheiden werden met de Militaire Willems Orde, hadden er 18 in de periode 1795 tot 1814 gediend bij het regiment, dat achtereenvolgens Regiment Huzaren, 2e Regiment Huzaren en 11e Regiment Huzaren heette. Volgens Franse archieven dienden in totaal meer dan 1568 Nederlanders in het 11e Regiment Huzaren. Hun namen zijn op internet te vinden:  

Hun namen zijn op internet te vinden (maar kijk bij gelegenheid ook eens op onze andere informatie pagina met militaire registers).


  1. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 258 ↩︎
  2. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 144 ↩︎
  3. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 120 ↩︎
  4. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 148 ↩︎
  5. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 167 ↩︎
  6. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 170 ↩︎
  7. Napoleon had de dienstplicht namelijk ingevoerd in Nederland.  ↩︎
  8. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 127 en 128 ↩︎
  9. Het eerder bij de 9e brigade eveneens ingedeelde 28ste regiment jagers te paard was nu naar de 14e Lichte Brigade gegaan en had dus plaatje geruild met 11RH ↩︎
  10. Die waren de luitenant-kolonels Motté en de la Motte.  ↩︎
  11. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
  12. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
  13. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 134 ↩︎
  14. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 135 ↩︎
  15. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 136 ↩︎
  16. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 137 ↩︎
  17. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 141 ↩︎
  18. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 142 ↩︎
  19. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 143 ↩︎
  20. Maar niet nadat de regimentscommandant, kolonel Boulnois met enige manschappen in het carré was doorgedrongen. Hij was gewond en zijn paard gedood. Hij werd gevangen genomen, maar snel weer door een paar van zijn jagers bevrijd.  ↩︎
  21. Opgemerkt moet worden dat de 11RH geen lansen had en dus niet dicht genoeg bij in formatie staande en bajonet-voerende infanterie kon komen om hen sabelslagen toe te brengen. De lansiers waren hierbij dus in het voordeel en een aanval van het Franse 6e regiment lansiers was dan ook gedeeltelijk wel succesvol geweest. Het had echter de uitkomst van de slag niet kunnen veranderen. ↩︎
  22. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
  23. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
  24. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 153 ↩︎
  25. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 154 ↩︎
  26. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 155 ↩︎
  27. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 161 ↩︎
  28. Dagboek ritmeester Geisweit van der Netten. ↩︎
  29. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 162 ↩︎
  30. https://www.wiewaswie.nl/nl/nieuws/in-militaire-dienst-met-napoleon-naar-rusland/ ↩︎
  31. Historique du 11e Regiment de Hussards par Ie Lieutenant DE LASSUS. Valence, Imprimerie de JULES CÉAS & Fits. 1890, pag 179 ↩︎
  32. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 167 ↩︎
  33. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 173 ↩︎
  34. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 174 ↩︎
  35. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 175 ↩︎
  36. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 177

    ↩︎
  37. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 181 ↩︎
  38. Bij het oversteken van de Berezina was zijn sabelschede vol water geraakt en bevroren. Hierdoor kon hij de sabel niet terug in de schede plaatsen en moest deze in de hand houden. ↩︎
  39. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 279 en 280 ↩︎
  40. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 187 ↩︎
  41. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 189 ↩︎
  42. De Duitse schrijver Schmeisser ziet dit anders. Hij schrijft op bladz. 14 van Die niederländischen Kontingente in der Armee des ersten Kaiserreichs: «Das 11. Husaren-Regiment desertierte fast vollständig am Ende des Feldzugs.”  ↩︎
  43. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎
  44. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!