Door kolonel (bd) Hans van Dalen, Regimentscommandant Regiment Huzaren van Boreel

Ik hoorde onlangs een paar officieren het idee opperen dat veteranen en militairen die met FLO zijn best nog bij crisissituaties ingezet zouden kunnen worden voor beveiligingstaken. Dit zou namelijk de leger, politie (en brandweer) ontlasten, zodat die hun jongeren en fitters mannen en vrouwen voor zwaardere taken zouden kunnen inzetten. Een soort ‘Veteranen korps’ noemden ze dit.
Maar het idee van een Korps Veteranen heb ik eerder gehoord. Namelijk toen onze Franse Koning Lodewijk dit opperde. Die stelde die niet alleen voor, maar richtte dit op 1 maart 1807 ook officieel op. Het Korps Veteranen kreeg een officiële status en bestond destijds uit tien compagnieën “welk getal kan worden vermeerderd, de omstandigheden zulks vereischende…”
De sterkte was vanzelfsprekend afhankelijk van de toestroom van de veteranen. De opzet was dus flexibele en het korps was een soort ‘overloop’ van het gewone reguliere leger. Het korps groeide dus als ergens anders in het leger bezuinigd werd. Bij dergelijke reducties werd commandanten gevraagd om fitte kerels te selecteren die na ontslag naar het Korps Veteranen gezonden konden worden.
De oude(re) militairen moesten meehelpen met het handhaven van de “publieke rust” en bewakingsdiensten uitvoeren bij kazerne, wapen- en munitieopslagplaatsen en andere belangrijke militaire en civiele infrastructuur. Destijds vervulden ze ook garnizoenstaken in steden waar geen garnizoen lag of was vertrokken voor oorlogshandelingen. Qua instructie, betaling en bewapening volgde ze de normale infanterie-eenheden van destijds. Ze kregen wel een ander uniform om vermenging met het normale leger te voorkomen.
De leiding van het korps lag in handen van officieren “welke door hunnen gevorderden ouderdom, door bekomene wonden, of door ongemakken, uit den dienst voortspruitende, buiten staat zouden zijn, den dienst bij den Legers met nut te continuëren” eventueel aangevuld met eerder met pensioen gestuurde en nog fitte officieren. Alleen zij die langer dan 24 jaar hadden gediend kwamen in aanmerking of bij opgelopen verwonding, tenminste 12 jaar hadden gediend.
Het korps was op zich een succes en groeide snel, naar 1300 man. Maar dit was voor een groot gedeelte te danken aan de gelijktijdige bezuinigingsrondes die het leger in deze periode troffen. Er werden vanwege bezuinigingen later ook twee compagnieën geschrapt bij het Korps Veteranen. Na inlijving van het Koninkrijk bij Frankrijk (1811) werd het Korps Veteranen met ongeveer 700 man opgenomen in het Franse leger als 11e Bataljon Veteranen met de standplaats in Cherbourg.
Korps Veteranen of Korps Kweekelingen?
Mijn eerdere post over Korps Veteranen riep de nodige reacties op de sociale media op. Deze nieuwe post vermoedelijk nog meer.
Behalve een Korps oud-gedienden (Veteranen) kan er namelijk ook een Korps Kweekelingen op gezet worden. Een korps van jongelui. We hebben tenslotte al ‘VeVa.’
Maar…ook dit is niet nieuw.
Het was zelfs één van de weinige ideeën van onze Franse Koning Lodewijk die wel uitgevoerd werd. Lodewijk hoopte door het aantrekken van wees- en armenkinderen de overvolle weeshuizen en de armenzorg te ontlasten. Hij liet op 22 september 1806 een brief aan alle lokale bestuurders sturen met de oproep alle jongens die “uyt hoofde van hunne jaaren en lighaamsgestel geschikt zijn om hun land te dienen” enthousiast te maken voor dienstneming. Er kwamen weinig aanmeldingen, waarop Lodewijk er een ‘verplichting’ van maakte. Alle weeskinderen moesten in het leger dienen.
Er stak een storm van verontwaardiging op in het ‘dienstplicht-avers’ Holland. Het regende petities, het kwam tot verzet en relletjes. Op sommige plaatsen rukte de bevolking de weeskinderen weer uit handen van de ronselaars. Lodewijk bond in en maakte van de verplichting weer vrijwilligheid.
In het voorjaar van 1808 lanceerde hij zijn plan opnieuw. ‘Alle welgemaakte, mannelijke kinderen van een gezond gestel, die hunne ouders hebben verlooren en op eenigerlei wijze ten laste van het algemeen zijn” zouden dienen in het leger om hun ‘schuld’ aan het vaderland terug te betalen. Dus niet alleen weeskinderen, maar ook kinderen van behoeftige, arme ouders.
Er waren vier klassen. Klas 1 was van nul tot drie jaar, klas 2 van drie tot zeven jaar, klas 3 van zeven tot veertien jaar en klas 4 van veertien tot achttien jaar. In de periode van Lodewijk kwam alleen klasse 3 daadwerkelijk tot stand. Ze werden echter niet direct naar het leger gestuurd, maar naar een speciaal opgericht ‘Koninklijk Instituut der Kwekelingen.’ Die was gevestigd in een paleis op het Binnenhof in Den Haag (dus waar nu ons parlementaire democratie huist !). Hier leerden de kwekelingen lezen, schrijven en rekenen én werden ze gevormd tot gedisciplineerde jongeren. Per dag vijf uur fysieke activiteiten, zoals marcheren, schermen, exerceren en sport. Ook kregen deze ‘koninklijke jongelui’ vaderlandsliefde en respect voor de Koning ingeprent.
Het liep niet bepaald storm. Veel bestuurders werkten nauwelijks mee aan de koninklijke plannen. Het instituut was gevuld met armenkinderen en met regimentskinderen, dat wil zeggen kinderen van militairen uit de omgeving van Den Haag.
Dat laatste werd later verboden door de Koning en toen steeg het aantal aanmeldingen sneller. Het regime werd immers minder streng.
In de zomer van 1809 waren er 1000 kwekelingen en in het kasteel te Honselersdijk (waar voorheen de officiersschool zat) werd een dependance ingericht. In augustus 1810, kort na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk telde het aantal kwekelingen 1410 in Den Haag en 500 in Honselersdijk. Dit aantal nam daarna af.

De klasse 4 kwam nooit van de grond en werd opgeheven. Lodewijk veranderde namelijk de plannen en maakte er het Legioen ‘Velites’ van. Deze term kwam uit de Romeinse legioenen en betekende ‘lichte infanterie.’ Dit legioen bestond uit twee bataljons met een leeftijdsondergrens van 16 jaar. Dit legioen werd in tegenstelling tot de Kweekelingen wel direct in het leger opgenomen en kwam in Amersfoort terecht. Dit leidde wederom tot grote onlusten onder de bevolking. In Amsterdam en Rotterdam kwam het in de zomer van 1809 tot massale onlusten en bevrijdingsacties om ‘velites’ te bevrijden. In Rotterdam waren zelfs troepenversterkingen nodig om de onlusten te bedwingen. Ondanks de protesten lukte dit ‘velites’ plan van Koning Lodewijk wel en bereikte het legioen een sterkte van ongeveer 1550 jeugdigen. De doorstroom naar het echte leger verliep vervolgens ook redelijk goed.
Wat dat betreft kent de huidige ‘VeVa’ constructie dus een aardige historische voorganger: Legioen Velites.
Bron: het zeer goede boek van Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd.

