11, 12, 13, 41, 42, 43 Brigade Verk. Peloton

Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel Hans van Dalen

De geschiedenis van de brigadeverkenningspelotons

In de betrekkelijk korte periode van 1983 tot 1991 hebben we binnen de organisatie van de cavalerie de beschikking gehad over brigadeverkenningspelotons. Over de geschiedenis van deze pelotons is, mede door de korte periode van het bestaan, relatief weinig te vinden. Met dit schrijven willen we de kennis die er nog is bundelen en voor het regiment vastleggen. 

We beginnen met het schetsen van de operationele situatie eind jaren zeventig van de vorige eeuw gevolgd door de noodzaak om de legerkorps cavalerie te reorganiseren. Deze reorganisatie is vastgelegd in de Studie Reorganisatie Cavalerie Legerkorps van 1983. We zoomen in op de voor de verkenningseenheden relevante stukken uit de Studie Reorganisatie Cavalerie Legerkorps. Na de beschrijving van de oprichting van de negen brigadeverkenningspelotons staan de ervaringen van het kader centraal. We eindigen met de opheffing van de brigadeverkenningspelotons in 1991.

De operationele situatie eind jaren zeventig

In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw was de defensiestrategie van de NAVO gericht op het afschrikken van de dreiging die uitging van de Sovjet-Unie en het Warschaupact tijdens de Koude Oorlog. Deze periode werd gekenmerkt door een hoge mate van spanning tussen Oost en West en intense militaire voorbereidingen.

De NAVO voerde het defensief waarin het Elbe-Seitekanaal en de Ilmenau rivier maximaal benut diende te worden. Het Elbe-Seitekanaal had een significante militaire hinderniswaarde. Voor de NAVO fungeerde het als een cruciale verdedigingslinie en vertraagde het de vijandelijke opmars. Tegelijkertijd moesten NAVO-troepen voorbereid zijn op het overwinnen van dezelfde barrière bij eventuele terugtrekkingen of tegenaanvallen. De strategische ligging en fysieke eigenschappen van het kanaal maakten het een belangrijk element in de verdedigingsplannen van het Eerste Legerkorps (1 LK).

1 LK had de beschikking over een drietal divisies waarmee het door de NAVO aan Nederland toegewezen vak verdedigd diende te worden. Eind 1979 verdedigde 1 LK met twee divisies voor, de 4e Divisie in noordelijk vak en de 1e Divisie in het zuidelijk vak, waarbij de 5e Divisie de Legerkorpsreserve vormde. Het zwaartepunt van een Sovjet aanval in het vak van 1 LK werd in het zuidelijke divisie vak verwacht. De nadruk lag nu vooral op het tegengaan dan wel beperkt houden van vijandelijke penetraties in het weerstandsgebied. Hiertoe werden allerlei scenario’s uitgewerkt en uitvoerig geoefend. Zo moest 1 Div voorkomen dat de vijand zowel ten zuiden als ten noorden van Uelzen zou doorbreken. Lukte dit niet, dan moesten deze penetraties door een legerkorpstegenaanval onder leiding van de commandant-5 Div teniet gedaan worden. Hiertoe werden 41 en 51 Pantserbrigade in reserve gehouden.

Met het operatieplan van 1979 beoogde 1 LK door het voorin concentreren van gevechtskracht en vuursteun reeds in de verdedigende fase succesvol te zijn. Dit gaf het optreden een lineair karakter gericht op het vasthouden en indien nodig met tegenaanvallen heroveren van de voorste rand van het weerstadsgebied. Sommige critici hadden het zelfs over een ‘Maginot’-achtig karakter. De voorwaartse concentratie van middelen had als belangrijk nadeel dat in het legerkorpsachtergebied bijna geen eenheden meer voor de beveiliging beschikbaar zijn. Slechts de 101steInfanteriebrigade en enkele afdelingen lichte luchtdoelartillerie kunnen hiervoor gebruikt worden.

Begin jaren tachtig nam de aandacht voor het legerkorpsachtergebied toe. Men zag in dat de beveiliging van het achtergebied door een gebrek aan middelen tot een absoluut minimum was teruggebracht. Gezien het te verwachten overrompelende optreden van de Warchaupact strijdkrachten, waarvan luchtlandingen en luchtmobiele operaties achter de linies deel konden uitmaken, werd dit niet langer verantwoord geacht. Het achtergebied moest, nu in de afgelopen paar jaar de pantser- en pantserinfanteriebrigades voor het gevecht voorin redelijk van materieel waren voorzien, meer aandacht krijgen.

Studie Reorganisatie Cavalerie Legerkorps 1983

In de memorie van toelichting bij de defensiebegroting voor 1983 is vermeld dat studies worden uitgevoerd naar een aantal grote eenheden van het legerkorps. Oa een studie over de structuur van de cavalerie (tank- en verkenningseenheden) van het legerkorps die inmiddels is afgerond. De Minister van Defensie De Ruiter heeft met betrekking tot de reorganisatie cavalerie-eenheden een brief gezonden aan de voorzitters van de vaste commissie voor Defensie van de Tweede en Eerste Kamer. De voor de verkenningseenheden relevante stukken uit de Studie Reorganisatie Cavalerie Legerkorps zijn hieronder opgenomen.

Uit de Studie Reorganisatie Cavalerie Legerkorps 1983

Gebleken is dat met een reorganisatie van de verkenningseenheden en een andere indeling van de tanks bij de tank- en verkenningsonderdelen belangrijke operationele voordelen kunnen worden bereikt en tevens de exploitatiekosten kunnen worden verminderd. Door in 1983 de reorganisatie van de legerkorps cavalerie in gang te zetten loopt dit herindelingsproces in de pas met de lopende modernisering van de Leopard-I-tanks en de instroming van nieuwe Leopard-II-Tanks.

De al eerder genoemde aandacht voor het legerkorpsachtergebied leidde tot de constatering dat voor de beveiliging beweeglijke, gepantserde eenheden met voldoende vuurkracht nodig zijn. Door de aard van hun middelen zijn verkenningseenheden bij uitstek geschikt voor deze taak. Zij beschikken namelijk over tanks, pantserinfanterievoertuigen, gepantserde verkenningsvoertuigen en mortieren. Verkenningseenheden ontlenen hun flexibiliteit en kracht aan de mogelijkheid deze verschillende elementen afgestemd op de operationele behoefte te combineren. De beschikbaarheid van middelen voor de beveiliging kan worden verbeterd door de hergroepering van de verkenningsmiddelen. Dan kunnen naast de twee reeds bestaande verkenningsbataljons twee extra verkenningsbataljons worden gevormd met elk 18 tanks. Deze reorganisatie is mogelijk omdat de pantser- en pantserinfanteriebrigades voor hun verkenningen steeds minder afhankelijk zijn van hun verkenningseskadron. De andere eenheden van de brigades zijn namelijk door de invoering van meer moderne middelen beter dan voorheen in staat om deze taak zelf uit te voeren. Zonder de verkenningsmogelijkheden van de brigades te schaden kunnen daarom de verkenningseskadrons van de brigades worden opgeheven, mits in de plaats daarvan lichte verkenningseenheden van pelotonsgrootte (zonder tanks) worden ingedeeld. Door de opheffing van de zelfstandige verkenningseskadrons komen middelen vrij, waaronder zes tanks per eskadron, waarmee de twee extra verkenningsbataljons kunnen worden geformeerd. De overige vrijkomende tanks kunnen aan bestaande tankeenheden worden toegevoegd.

De gevolgen van deze studie zijn een verschuiving van mn de zware verkenningseenheden van de Zelfstandige Verkennings Eskadrons van de brigades naar de Verkenningsbataljons.

Samenvattend zag de reorganisatie van de verkenningseenheden Cavalerie Legerkorps 1983 er als volgt uit: 

  • Opgeheven worden:
    • 53 Licht Verkenningsbataljon en 32 Licht Verkenningseskadron NTC in 1983
  • Geformeerd worden:
  • Negen brigadeverkenningspelotons
    • 11 BVP te Schaarsbergen
    • 12 BVP te Nunspeet
    • 13 BVP te Oirschot                           
    • 41 BVP te Seedorf
    • 42 BVP te Assen
    • 43 BVP te Havelte

    • Vier Verkenningsbataljons
    • 103 Verkenningsbataljon Leopard-II te Seedorf (een esk kv)
    • 104 Verkenningsbataljon Leopard I-V te Nunspeet (een esk kv)
    • 102 Verkenningsbataljon Leopard I-V (RIM status)
    • 105 Verkenningsbataljon Leopard II  (RIM status)

De reorganisatie resulteert in drie verschillende verkenningspelotons: De ‘zware’ verkenningspelotons (RHB) van de verkenningseskadrons van de verkenningsbataljons. Deze pelotons zijn samengesteld uit een commandogroep, uitgerust met een M113 C&V 25 mm, twee verkenningsploegen met elk twee M113 C&V 25mm, een tankgroep met twee Leopardtanks (twee Leo 1V-105 mm of Leo2-120mm), een tirailleurgroep met M113A1 met mitrailleur .50 en tot slot een ondersteuningsgroep met een M106 met mortier 4.2 inch. In 1989 verdwenen de mortieren en de verouderde gevechtsveldradar ZB 298 uit de organisatie van de verkenningseenheden. 
Deze pelotons zijn in feite de kleinste eenheid der verbonden wapens en bezitten een grote gevarieerde vuurkracht en ten aanzien van de tanks ook over een groot incasseringsvermogen.

Per eskadron kunnen de drie verkenningspelotons ook hun organieke samenstelling opheffen en de middelen functiegericht samenvoegen (POSO: Pelotons Organieke Samenstelling Opheffen). Er ontstaan dan twee verkenningspelotons elk met een commandogroep, uitgerust met een M113 C&V 25 mm en drie verkenningsploegen met elk twee M113 C&V 25mm, een tankpeloton bestaande uit zes Leopard tanks, een tirailleurpeloton bestaande uit een commandogroep, uitgerust met een M113 C&V 25 mm en een tirailleurpeloton met drie M113A1 met mitrailleur .50 en een mortierpeloton met drie M106 met mortier 4.2 inch.

  • Deze verkenningseenheden moesten bij een offensief opreden beschikken over opsporingscapaciteit én gevechtskracht. Hun opdracht luidde informatie over vijand en terrein te verschaffen, of de flank te beveiligen etc. De gevechtskracht was met name nodig om lichte weerstanden op te ruimen, teneinde de voorwaartse beweging te kunnen handhaven en beslissende gevechten te voorkomen. Daarnaast waren deze eenheden bij uitstek geschikt om beveiligingsopdrachten uit te voeren ter verschaffing van tijd en ruimte (het vertragend gevecht).

Het verkenningspeloton (RHB) van de brigade.

Elke brigade heeft in haar commandogroep een brigadeverkenningspeloton (BVP) welke bestaat uit een commandogroep met een M113A1 met een gevechtsveldbewakingsradar ZB 298 (deze verouderde radar is in 1989 uit de organisatie verdwenen), een landrover ¾ ton en een motorfiets en drie ploegen van twee M113 C&V 25mm.

  • De taakstelling van dit peloton beperkt zich tot het verrichten van verkenningen en op beperkte schaal uitvoeren van beveiligingstaken alsmede het uitvoeren van bewakingstaken. Door het ontbreken van tanks of antitankmiddelen kan minder agressief worden opgetreden en minder risico worden aanvaard dan door de verkenningspelotons van de verkenningsbataljons.

Het lichte verkenningspeloton van de pantserinfanterie- en tankbataljon. Deze pelotons beschikken naast de drie radarvoertuigen van het type YPR-765 slechts over ongepantserde en licht bewapende wielvoertuigen.

Terug naar de brigadeverkenningspelotons.

De reorganisatie van de ZVEn naar de BVPn verloopt zonder grote problemen. Op 13 april 1984 worden op de SROC de eerste vijf aan de school opgeleide commandanten voor de nieuw opgerichte brigadeverkenningspelotons beëdigd op de standaard van het Regiment Huzaren van Boreel. Het gros van de BVP-commandanten zullen reserveofficieren zijn. Luitenant-Generaal Bartels[1] zegt hierover: “Ter vervanging van de Zelfstandige Verkenningseskadrons werden bij de brigade lichte verkenningspelotons ingedeeld. Als commandant van een licht verkenningspeloton treedt op een 2eluitenant of kornet. Dit zal één de zwaarste commando’s bij het Wapen blijken te zijn. Immers deze jonge pelotonscommandant, met nagenoeg geen ervaring, zal zich in vele gevallen ver van zijn basis (Amersfoort) in een voor hem totaal vreemde omgeving moeten handhaven!” Luitenant-kolonel Rens in online geschiedenis BVPn: “Probleem met de BVPn was dat het soms het enige cavalerie-onderdeel was in de kazerne. De onervaren (dienstplichtig) kornet pelotonscommandant werd dan meteen in het diepe gegooid. De BVPn werden ook vaak misbruikt als oefenvijand of (nog erger) voor doelpresentatie”.


[1] Bartels, J.A.C., vier eeuwen Nederlandse Cavalerie, deel II pag 249


Ervaringen kader van de brigadeverkenningspelotons

Om de ervaringen van het pelotonskader weer te geven volgen hierna een aantal bijdragen. De eerste is die van een beroeps pelotonscommandant, 2e Luitenant Ben Doomernik, Commandant van 41 Brigadeverkenningspeloton in Seedorf. De tweede, gezamenlijke,  bijdrage is die van dienstplichtig pelotonscommandanten van 43 Brigadeverkenningspeloton in Havelte, de Kornetten Erik de Koning en Tymon Sevenster. Vervolgens laten we Wachtmeester-1 Meino Jongma, opvolgend Pelotonscommandant van 12 BVP in Nunspeet, aan het woord. Hij geeft een levendig beeld van de omschakeling van Zelfstandig Verkenningseskadron naar een brigadeverkenningspeloton. We eindigen met de Wachtmeester-1 Lammertse, opvolgend Pelotonscommandant 41 BVP in Seedorf, die bij de opheffing in 1991 in de GRIFFIOEN, het brigadeblad van 41e Pabrig, terugblikt op de drie jaar die hij bij het  BVP heeft mogen dienen.            

Beroeps pelotonscommandant  2e Luitenant Ben Doomernik    PC 41 BVP 1987

In 1987 was ik geplaatst bij Aesk 103 Verkbat te Seedorf als PC. Ik was bijna gereed met mijn 1e lichting en zou nog een 2e lichting draaien bij het eskadron. Op enig moment werd ik bij de plv BC geroepen, die me vertelde dat er een probleem was met de leiding van het brigadeverkennerspeloton bij 41Pantserbrigade, ook in Seedorf. Commandant 41PaBrig, Bgen Hovenier, had er persoonlijk op aangedrongen dat er geen dienstplichtig vaandrig meer mocht opkomen als PC 41BVP, maar dat er een beroepsofficier moest komen. Aan 103Verkbat de taak om deze te leveren. Gelet op het programma van de eskadrons viel de keuze op Aesk, waarin ik de enige OCOSD opgeleide luitenant was. Hoewel ik absoluut niet blij was met deze overplaatsing, meldde ik me toch, na het afronden van mijn lichting bij Aesk 103 Verkbat, bij commandant 41Stafstafcompagnie, maj Jeukens. Ik kreeg te horen dat de organieke OPC van het BVP langdurig ziek thuis was en dat een van de dienstplichtige wachtmeesters de rol van OPC zou overnemen, met verlenging van contract. Daarnaast zou er nog een dienstplichtig wachtmeester als contractverlenger dan wel KVV-er aanblijven bij het BVP. Dit waren Manfred Heddes en Bart Pronker. Beiden zouden later ook nog een lange carrière als beroepsofficier gaan volgen.

Het BVP was in feite de enige operationele manoeuvre eenheid binnen de ststcie. Ik moest grotendeels zelf mijn oefenprogramma vormgeven. Gelukkig was de luitenant opleidingen een cavalerieverkenner, want elnt Frits de Zwart, en ondersteunde deze enorm in de planning en het organiseren van randvoorwaarden. En hoewel de twee vaste kaderleden slechts 1 lichting als dienstplichtig onderofficier als ervaring hadden, bleken ze van onschatbare waarde voor de vorming van het peloton tijdens de parate tijd.

Aangezien we niet alleen de enige manoeuvre eenheid binnen de ststcie waren, maar ook nog eens de enige cavalerie-eenheid in een cie die verder geheel bestond uit “stoters”, vielen we meteen op met onze zwarte baretten. Het was dus van het grootste belang dat we onze herkenbaarheid en identiteit verder zouden uitbouwen binnen de cie. Hoewel het BVP al enige zaken had overgenomen van 41ZVE, zoals de totempaal, moest ook aan de buitenzijde van het gebouw te zien zijn dat 41BVP hier gehuisvest was, zeker omdat we de enige gebruiker waren van de zij ingang van het gebouw. Enkele handige huzaren maakten een bord met het bekende indianenembleem er op en dit werd aan de muur bevestigd. De C-41Ststcie werd uitgenodigd voor de onthulling en kon niet anders dan de ontstane situatie accepteren. Eenzelfde truc werd uitgehaald door een vlaggenmast bij 41AfdVa te ontvoeren in het midden van de nacht, deze blauw te verven en te voorzien van een oranje dop, waardoor deze niet meer herkenbaar was, en de mast voor onze ingang te plaatsen. Vanaf dat moment hing de BVP-vlag iedere ochtend trots voor het gebouw. Ook aan de binnenzijde van het gebouw zag je meteen waar 41BVP gelegerd was. Ons deel van het gebouw hing vol met foto’s en herinneringen aan vorige lichtingen en 41ZVE.

Met enige regelmaat liep Bgen Hovenier persoonlijk mee tijdens de kamerinspecties. Bij het BVP werden de kamerinspecties gedaan door de dienstplichtig kaderleden zelf. In eerste instantie was dit bij de overige clubjes van de stcie ook. Tot het moment ( vlak na mijn aantreden) dat C-41Pabrig samen met de CC tijdens een kamerinspectie een kaderlid van het stafwachtpel zag kaarten met enkele soldaten. Hij verordonneerde meteen dat alleen nog maar beroepskaderleden de kamerinspecties mochten uitvoeren, hetgeen zou betekenen dat ik dat dan binnen mijn peloton alleen zou moeten doen. Aangezien ik als nieuw geplaatst officier binnen de ststcie toch nog mijn opwachting moest gaan maken bij de brigadecommandant, besloot ik dit tijdens die kennismaking maar meteen te melden. Dat deed ik in mijn jeugdig enthousiasme niet zo handig want ik betichtte de generaal ervan dat hij het gezag van mijn kaderleden op deze manier ondermijnde, hetgeen de generaal duidelijk anders zag. Bij terugkeer bij de cie vertelde ik tegen de CC dat ik het probleem had aangekaart bij de brigC en dat mijn dpl kaderleden gewoon de kamerinspecties zouden uitvoeren, hem achterlatend in de veronderstelling dat de generaal daarvoor toestemming had verleend. Dat dit niet zo was, bleek ongeveer twee maanden later toen de generaal weer eens meeliep met de CC tijdens de kamerinspectie. Toen hij zag dat ik zijn order had genegeerd, werd mij in mijn eigen bureau een douw uitgedeeld, een krijgstuchtelijke straf, door de brigC persoonlijk. Toch moest ook hij toegeven dat mijn kaderleden het wel erg goed uitvoerden. Hij gaf aan dat als mijn kaderleden zich op een zeer positieve manier zouden onderscheiden, hij mogelijk de regeling voor ons toch zou terugdraaien. Vanaf dat moment deden we er alles aan om de generaal te overtuigen. We namen deel aan allerlei activiteiten om zo zichtbaar mogelijk te zijn voor de generaal, zoals de avondvierdaagse in Zeven, de Langemannshoftocht, de zwaarste onderdelen van de brigadesportdag, etc. Ook lieten we dit zoveel als mogelijk vastleggen in het communicatieblad van de brigade, “de Griffioen”. Er zijn in die tijd maar weinig edities verschenen waar 41BVP niet in werd vermeld. Na twee maanden was het gelukt om C-41Pabrig te overtuigen en mochten mijn dienstplichtige kaderleden voortaan zelf de kamerinspecties doen. Mijn straf bleef overigens wel staan.

Je zou bijna denken dat we niets anders te doen hadden, maar we legden ons zelf een zwaar opleidings- en trainingsprogramma op. Als eventuele initiële oorlogstaak had 41BVP het beveiligen van de uitgang van het Nato Pipeline System (NPS). Op dit punt kwam in geval van oorlog de brandstof voor de eenheden van 41Pabrig uit de grond. De alarmering van het peloton en het zo snel mogelijk oorlogsgereed verplaatsen naar het NPS en uitvoering van de beveiliging ervan werd meerdere keren getraind.  Het BVP had tijdens oefeningen als meest voorkomende taken het bewaken van de brig CP, het verkennen van routes en objecten voor het verplaatsen van de brig CP.  Tijdens oefeningen werd ik als C-41BVP beschouwd als een operationele ondercommandant van C-41Pabrig. Ik zat dan ook als jong luitenant tijdens bevelsuitgiftes van de brigade op de voorste rij met alle bataljonscommandanten en overige zelfstandige eenheidscommandanten. Hoewel ik niet altijd een terugkoppeling hoefde te geven, leerde ik hierdoor een hoop over commandovoering op het niveau van bataljons en de brigade. Ook werd regelmatig een beroep gedaan op het BVP om als oefenvijand op te treden, vaak door dit zelf bij de bataljons van de brigade te promoten. Ook hierdoor was onze getraindheid hoog te noemen. Bij onze uitstraling hoorde natuurlijk ook een zo professioneel mogelijk tenue. Op eigen kosten kochten we voor al het personeel helmbandjes, rugzakken, etc. bij de Amerikaanse PX shop op de kazerne in Garlstedt. Een van mijn grootste wensen was het doorlopen van een pantserstorm bij het korps commandotroepen. BVPn hadden echter geen hoge prioriteit en er bleek geen capaciteit voor ons te zijn. Gelukkig waren er drie (ex)commando’s in 41Ststcie aanwezig, de commandant, de CSM, en de SM opleidingen, waardoor ik een eigen programma mocht gaan ontwikkelen en uitvoeren. Een week afzien in het schitterend gebied van het Weserbergland was het resultaat. Een van de vele hoogtepunten uit die periode.

Ook bijzondere activiteiten waren de schietseries. Tijdens de schietseries waren de ststcien van de verschillende brigades afwisselend verantwoordelijk voor het organiseren en uitvoeren van de schietseries voor alle BVPn. Tevens werden de resultaten bijgehouden voor het winnen van de schietprijs voor beste BVP. Iedere ststcie had eigen regels voor het gebruik van alcohol, legeringsnormen, etc. Tijdens een door 13Ststcie georganiseerde schietserie was er geen enkele alcoholregeling van kracht en gaf de toenmalige commandant 13Ststcie daarin ook een verkeerd voorbeeld. Aangezien ik de eerste schietdag veiligheidsofficier was op de schietbaan, was het aan mij om enkele nog dronken schutters uit hun M113C&V torens te halen en uit te sluiten van het schieten die dag. Aangezien dit toevallig met name schutters van 13Ststcie betrof, mogelijk hadden zij het voorbeeld van hun ciescommandant gevolgd, werd ik na die eerste schietdag ontboden bij de C-13Ststcie die mij er van verdacht om de schietwedstrijd om de BVP prijs te saboteren. Na ons gesprek hierover mochten zijn schutters in ieder geval die schietserie niet meer drinken. Gewonnen hebben zij in ieder geval niet, wij die schietserie helaas ook niet.

Ondanks mijn eerdere teleurstelling over het moeten verlaten van Aesk 103Verkbat, had ik de tijd bij 41BVP zeker niet willen missen of zelfs ruilen. De professionele groei die ik daar doormaakte had ik niet bij het bataljon kunnen krijgen.

Dienstplichtig pelotonscommandant Kornet Ewout de Koning PC 43 BVP juli 88-april 89 en Dienstplichtig pelotonscommandant Kornet Tymon Sevenster PC 43 BVP mei 89-feb 90

Als PC BVP waren we inderdaad de enige Cavalerie officieren op de kazerne in Havelte. Nadeel was dat je de kameraadschap met mede Cavalerie officieren miste. Voordeel was de onafhankelijkheid en zelfstandigheid. Je kon alles zelf regelen zoals je vond dat het goed was. 

Nog een voordeel was dat je het feit dat het BVP de enige Cavalerie eenheid op de kazerne was kon gebruiken om de samenhorigheid in het peloton te vergroten. De mannen voelden zich onderdeel van een bijzondere eenheid en waren daar trots op! 

Wanneer we onze opwachting maakten in de mess bij hogeren in rang met “Kornet De Koning/Sevenster kregen we altijd de opmerking “Ah, van de Afdeling!”. Ons antwoord was dan “Nee, ik ben de commandant van alle parate Cavalerie eenheden van deze Brigade!”.

Speciaal was ook het Brigade appél. De Kornet liep dan samen met de Bataljonscommandanten naar voren om rapport uit te brengen.

Tijdens grote oefeningen had de Brigadecommandant, generaal Tomasso, nadat hij de bevelen aan de Bataljonscommandanten had gegeven, vaak moeite om te bedenken wat zijn BVP kon en moest doen. Als Kornet deed je dan een voorstel wat meestal ongewijzigd door de Generaal werd omgezet in een bevel. Soms ging je op tournee langs andere eenheden om te zoeken naar oefenmogelijkheden. Ook het optreden als oefenvijand leverde ons inziens ook de mogelijkheid tot oefening van de eigen BVP. Al met al hebben we als PC 43 BVP een fantastische tijd gehad die we voor geen goud hadden willen missen!

Wachtmeester-1 Meino Jongma in den beginne OPC van 12 BVP 

Voorjaar 1983 stapte ik voor de laatste maal uit mijn AMX 13 om deze daarna in te leveren. Ik was OPC van een verkenningspeloton bij 42 ZVE op de Generaal Winkelmankazerne te Nunspeet. Het ZVE hield op met bestaan en ik mocht mij melden bij een infanterie majoor, C- StStCie 12 Painfbrig. De omslag in de NATO-strategie was doorgedrongen tot in Nunspeet. 

Bij de mijn nieuwe eenheid snapte niemand wat er gebeurde en dat was deels een zegen en deels een vloek. Er werd een Brigade Verkennerspeloton (BVP) ingevoegd, cavaleristen, zwarte baret, ander gebruiken en op rupsbanden. 12 Painbrig was een gemotoriseerde brigade. Er moest in het begin nog even een hobbel worden geslecht, er waren geen voertuigen. In de overtuiging dat iedere brigade het materieel voor hun BVP uit hun ZVE betrokken leverde hier een uitdaging. 12 ZVE was mobilisabel. Uiteindelijk heb ik geshopt naar de beste C&Vs en A1 met de C-EOG van 41 ZVE, een Landrover en Moto Guzzi was overal wel te vinden. Zo gebeurde het dat bij de opkomst van de eerste lichting verkenners het BVP in de zomer 1983 met en alle materieel en menskracht van start kon gaan. Zo was het ongeveer bij alle zes gegaan, iedere brigade kreeg haar eigen BVP, maar ik was de enige zonder eigen logo omdat het mobilisabele ZVE geen embleem voerde.
Het was even lastig om de weg te vinden als cavalerie onderdeel binnen het YP en Centurion geweld, maar al snel snelde het nieuws rond in de brigade en konden wij aardig aan de bak met onder bevelstellingen of als oefenvijand. Met onze helderheidsversterkers werden wij geduchte mede- als ook tegenstanders met de toen nog heersende infra-rood optiek. Een motorordonnans die motorverkenner werd en snel effe hier en daar kon gaan kijken. De nabijbeveiligers vanuit het vtg van de pc, werden de mini tirailleurs.
Het was logistiek altijd een crime om met jouw peloton onder bevel te staan van een infanteriebataljon, ten eerste hadden ze een bloedhekel aan de cavalerie en nooit M113 onderdelen bij zich. Bij het tankbataljon was het prettiger samenwerken.
Tactisch waren we natuurlijk maat klein bier. Neven-nadering bewaken, bovenstroom WP bij het riviercommando, opmars routes bewijzeren, contactpunten bewaken en zo af en toe de opmars van een bataljon verkennen. Het grote mensen verkenningswerk gebeurde nu door het verkenningsbataljon. In Seedorf en Nunspeet hadden wij het geluk een verkenningsbataljon naast ons te hebben. Kennis door het lenen van hulpleiders, meedoen met verkennersoefeningen en specialistische logistiek ondersteuning was eenvoudig te regelen door gewoon eens aan te kloppen.
Schieten met het 25 mm boordkanon was voor zo’n peloton niet te organiseren, gelukkig werd daar de volgende oplossing voor bedacht. Er werd bij toerbeurt een brigade StStCie aangewezen die een SOB  organiseerde voor ons alle zes tegelijkertijd. Wij konden onze schietopleiding realiseren en kwamen elkaar een paar keer per jaar tegen. Ergernissen waren er ook. Ik had als OPC een landrover maar er waren steeds pogingen om dat voertuig in een poel te doen voor de brigade staf. Op het laatst haalde ik er maar een wiel af legde deze in de OUS en met het bordje “rij-verbod” bleef ik gevrijwaard. De COG, compagnies onderhoudsgroep was niet aangepast met de komst van extra M113s.
Een verhaal dat mij altijd bijblijft is het volgende. Voor een CI-inspectie werd de compagnies-exercitie uit en ten treure beoefend. Om goed voor de dag te komen liet ik zelfs huzaren omkleden, extra schoenenpoetsen, iedereen op dezelfde wijze de wapenriem Uzi etc etc, en extra geoefend met de Kornet. Na de compagnies-exercitie moesten wij spoorslags op rapport komen bij de CC die met een rode kop achter zijn bureau zat. Wij van geen kwaad bewust kregen onder uit de zak omdat wij geen binnenhelm droegen maar onze zwarte baretten. Op zo’n moment is een verkenningsbataljon als buurman een uitkomst.
Gemiddeld waren we toch zo’n 14 dagen per maand op pad. Heerlijk, geen kazerne gezeur maar met je vak bezig zijn. Wij kwamen overal, de hele Veluwe, op en rond Vogelsang en Bergen Hohne en overal in de Salzwedel boge. Het enig dat ik botweg weigerde te doen was het beveiligen van de brigade CP, dat deed het Stafwachtpeloton, wij waren daar te duur voor. Na drie lichtingen was het tijd om verder te gaan en mocht ik mij melden bij de C-104 Verkbat waarna ik bij het B-esk aan de slag kon gaan.
Ondanks dat het BVP naar mijn mening een ‘politieke’ eenheid  was om de cavalerie overeind te houden en er in veel opinies op neer gekeken werd, was het voor mij, samen met het OPC-schap bij het ZVE toch misschien wel mijn mooiste Wachtmeester-1-jaren. 

Wachtmeester-1 Lammertse, OPC van 41 BVP

Wachtmeester Lammertse, die drie jaar bij het peloton werkzaam is, blikt terug: “Het BVP heeft als taak het, met beperkte middelen, uitvoeren van verkenningen voor de brigade. Daarnaast doet het BVP de gebiedsbewaking in het brigade verzamelgebied. Daartoe valt het BVP rechtstreeks onder het bevel van de brigade. Het peloton bestaat uit twintig huzaren en korporaals en acht kaderleden. Het materieel waar het BVP de beschikking over heeft zijn zes M113 C&V’s, een M113A1, een Laro 3/4 T en een motor. Het werken met weinig mensen en materieel heeft voor- en nadelen, enerzijds zijn wij een flexibel instrument dat de brigade snel kan inlichten over een aantal zaken, anderzijds zijn onze mogelijkheden beperkt. Het unieke van dit peloton is dat we, ondanks dat we onder de ststcie vallen, een vrijwel volledig zelfstandige eenheid zijn. We verzorgen ons eigen lesmateriaal, we doen zelf alle herstelwerkzaamheden en bij oefeningen zorgen we ook zelf voor ons eten. En we draaien een hele boel oefeningen bij het BVP. Als er geen eigen oefeningen zijn dan worden we wel ingezet als oefenvijand bij oefeningen van derden. Een verschil met de andere pelotons van de ststcie is dat het peloton als eenheid tegelijkertijd opkomt. Daardoor ontstaat een hechte band tussen de pelotonsleden en voelen ze zich allen ook sterk verbonden met het BVP”

Opheffing Brigadeverkenningspelotons per 1991- 1993

De beëindiging van de Koude Oorlog, het uiteenvallen van het Warschau Pact, de hereniging van West- en Oost-Duitsland en de totstandkoming van een belangrijk wapenbeheersingsakkoord leidde in 1990 tot een verkleining en herstructurering van de Koninklijke Landmacht. De diensttijd werd verkort van 14 tot 12 maanden: 3 maanden opleiding en 9 maanden paraat. Voor dienstplichtig kaderleden werd dat 5 maanden opleiding en 9 maanden paraat. Later zakte de totale dienstplicht tijd terug naar 9 maanden om nog weer later niet meer toegepast te gaan worden (slapende dienstplicht). De tankbataljons werden ingekrompen tot 39 tanks, drie eskadrons van 13 tanks, waarvan één eskadron met KV. De Leopard 1V werd afgestoten, alleen de Leopard 2 bleef in de bewapening. De zes brigades werden ‘vierkant’ gemaakt. De vier gemechaniseerde brigades kregen ieder twee tankbataljons en twee pantserinfanteriebataljons. De pantserinfanteriebrigade kreeg één tankbataljon en drie pantserinfanteriebataljons. De lichte brigade ging bestaan uit twee verkenningsbataljons (103 en 104 Verkenningsbataljon), een tankbataljon en één pantserinfanteriebataljon. Er waren dus vijf parate tankbataljons nodig: 11, 41, 42, 59 en 101. 43 Tankbataljon werd opgeheven.  

Er kwamen in de jaren hierop volgend meer reducties. In 1991 werden de brigade verkenningspelotons (BVPn) opgeheven. De verkenningsbataljons werden opnieuw ingedeeld. Het mobilisabele 102 Verkenningsbataljon werd het divisie verkenningsbataljon van de 1e Divisie ‘7 December’. 103 Verkenningsbataljons bleef paraat bij de 41e Lichte Brigade met naast haar het mobilisabele 105 Verkenningsbataljon. Het voorheen parate 104 Verkenningsbataljon werd opgeheven in 1995 en had dus slechts 10 jaar bestaan. Hetzelfde lot ondergingen in deze tijd 59 en 41 Tankbataljon. 

De verkenningsbataljons hadden nu een staf, staf- en verzorgingseskadron en drie verkenningseskadrons, die elk bestonden uit twee verkenningspeloton (zes voertuigen) en een tirailleurpeloton (vier YPR 765 PRI 25 mm). Aanvankelijk hadden de verkenningseskadrons nog een tankpeloton, maar die verdween als snel uit de organisatie. De verkenningsvoertuigen waren eerst nog de M113 C&V 25mm en daarna als interim oplossing de YPR 765-pri. In 2003 werd een nieuw licht, speciaal met Duitsland ontwikkeld verkenningsvoertuig ingevoerd: de Fennek. 


Luitenant-kolonel bd. Arie Rens:

In 1983 werd begonnen met de realisatie van het project tankvervanging en daaraan gekoppeld de ingrijpende reorganisatie van de tank- en verkenningseenheden. Uit de organisatie verdwenen de Centurion, de Leopard I en de AMX-13. In plaats daarvan kwamen de Leopard II en de Leopard I-V.

De zes tankbataljons van de drie pantserbrigades kregen 52 tanks. Drie eskadrons met vier peloton van vier tanks en een staftank. Ook de bataljonscommandant had een tank. Daarvan werden 41 en 43 Tankbataljon in Bergen-Hohne en Langemanshof geheel paraat. 11 Tankbataljon Leopard-1V in Oirschot had een eskadron KV (klein verlof).

De andere zes tankbataljons van de zes pantserinfanteriebrigades kregen elk 61 tanks, twee eskadron met vier pelotons met vier tanks en een staftank. En twee eskadrons met drie pelotons met vier tanks en een staftank. Ook deze bataljons hadden een tank voor de bataljonscommandant. Hiervan waren 59 en 101 Tankbataljon in ’t Harde en Soesterberg met twee eskadrons paraat, een eskadron KV en een eskadron mobilisabel.

bron: VS 17-146 Het Brigade Verkenningspeloton

Bij de verkenningseenheden werden de zelfstandige verkenningseskadrons (ZVE) van de brigades, vijf paraat en vier mobilisabel, gereduceerd tot zes brigade verkenningspelotons (BVP) paraat en drie mobilisabel. Zo’n peloton bestond uit drie verkenningsploegen à twee M113 C&V, één M113A1 met een gevechtsveldbewakingsradar ZB 298, een landrover 3⁄4 ton en een motorfiets. Totale sterkte was 28 man. Van de verkenningsploegen was er één met Klein Verlof (KV). Alleen 41 BVP werd in 1988 op oorlogssterkte gebracht.

Probleem met deze BVP’n was dat het soms het enige cavalerie-onderdeel was in de kazerne. De onervaren (dienstplichtig) kornet pelotonscommandant werd dan meteen in het diepe gegooid. De BVP’n werden ook vaak misbruikt als oefenvijand of (nog erger) voor doelpresentatie.

Ook 53 Licht Verkenningsbataljon en 32 Licht Verkenningseskadron werden opgeheven. Ten behoeve van het Nationaal Territoriaal Commando bevonden zich nu nog vier gemotoriseerde verkenningseenheden in de organisatie, namelijk 301, 302, 303 en 304 Licht Verkenningseskadron.

Enige artikelen over de ontwikkeling van de Nederlandse Cavalerieverkenning:

1966

1968

1985

Facebook groep BVP’n

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!