Meidagen 1940
Door: Kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel
Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft een lange lijst van operationele inzet, waarbij Quatre Bras, Waterloo, de Tiendaagse Veldtocht, Indië, Afghanistan, Mali en Irak tot de bekende wapenfeiten behoren. Maar ook in mei 1940 heeft RHB, toen nog 4e Regiment Huzaren (4RH) genoemd, haar bijdrage geleverd in de strijd tegen de Duitse aanvaller. Bekend is natuurlijk de inzet van de pantserwagen-eenheden in de strijd om de residentie en de actie van luitenant George Maduro in Leidschendam bij villa Dorrepaal. Dit artikel gaat echter over de inzet van 4 RH bij de verdediging van de Grebbestelling, een inzet die wat minder bekend is. Het artikel is gedetailleerd van opzet.
Op 28 augustus 1939 begint de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger, dat uiteindelijk over 300.000 manschappen zou beschikken. Door het paarsgewijs samenvoegen van de toen bestaande halfregimenten cavalerie, werden het Ie en IIe Regiment Huzaren (1RH en 2RH) gevormd en ingedeeld bij de Lichte Divisie. De vier halfregimenten hielden daarmee op te bestaan. Op 1 september vertrokken de nieuwe geformeerde 1RH en 2RH naar oostelijk Noord-Brabant. Behalve deze twee nieuwe regimenten bestond er nog vier verkenningsafdelingen (I t/m IV), elk ingedeeld bij een legerkorps. Deze bestonden uit oudere lichtingen huzaren, eveneens afkomstig uit de voorgenoemde halfregimenten. 4HRH leverde het personeel voor de IIe Verkenningsafdeling (II. Verk. A.) 4HRH had dus eskadrons geleverd voor het Ie Regiment Huzaren (de nieuwe eskadrons 3-1RH en 4-1RH) en eskadrons voor II. Verk. A. Het II. Verk. A. werd gecommandeerd door luitenant-kolonel Jhr. S.M.S.A.A. De Marees van Swinderen.
Reorganisatie
Op 1 mei 1940 (dus negen dagen voor de Duitse inval) had de Nederlandse cavalerie juist een nieuwe reorganisatie ondergaan. Uit de Lichte Divisie verdwenen alle paarden, en daarmee dus ook 1RH en 2RH, die weer werden opgeheven. Uit II. Verk. A. ontstond toen 4RH, onder wederinvoeging van de twee eskadrons die 4HRH eerder (in september 1939) bij de vorming aan 1RH had afgestaan. De commandant van II. Verk. A. werd de nieuwe regimentscommandant van 4RH. De vier verkenningsafdelingen moesten hun bereden reserve eskadrons inleveren en hieruit werd een nieuw 5e Regiment Huzaren (5RH) gevormd.
4RH bestond na deze reorganisatie uit twee eskadrons te paard (1-4RH en 2-4RH, elk met slechts enkele lichte mitrailleurs), vier rijwieleskadrons (3-4RH, 4-4RH, 5-4RH, 6-4RH, elk met 12 lichte mitrailleurs), een mitrailleur eskadron (ME-4RH, motoren met zijspan en 12 zware mitrailleurs) en een eskadron pantserafweergeschut (E.Pag.-4RH met 4 stukken 4,7 cm en 6 motoren met antitankgeweren). Voor ondersteuning was er ook een peloton mortieren (2 stukken 8 cm) en een peloton pantserwagens. De regimentsleiding bestond uit een staf en een kleine verbindingseenheid. Regimentscommandant was luitenant-kolonel Jhr. S.M.S.A.A. de Marees van Swinderen (die tot de reorganisatie van 1 mei het commando over de II.. Verk. A. te Harderwijk had gevoerd en nauwelijks bekend was met zijn nieuwe operatiegebied), ondersteunt door majoor G.P. de Kruyff als hoofdofficier toegevoegd. Helaas was het regiment niet voltallig. De antipantsergeweren ontbraken en ook het peloton pantserwagens was er nog niet. Ter vervanging hiervan waren wel twee verouderde pantserwagentjes van het Korps Rijdende Artillerie aanwezig.[1] Voor haar oorlogstaak was het Regiment extra versterkt met het 3e en 4e peloton pantserwagens afkomstig van het 2e eskadron Pantserwagens.
[1] Elke vooroorlogse verkenningsafdeling (I, II, III en IV) had een sectie onder bevel gekregen. Een sectie bestond uit twee pantserwagens. Er waren vijf rupspantserwagens, Carden-Loyd VIb en drie wielpantserwagens Morris, zogenaamde ‘Buffels.’ Het Nederlandse leger wilde in 1932 zes Mark VIb’s aanschaffen, maar de fabriek kon er maar vijf leveren. De chef van de generale staf wilde ze geen indelingsnummer geven, maar de namen Panter, Lynx, Jaguar, Poema en Luipaard. De rupspantserwagens waren bewapend met een Vickers mitrailleur, de wielpantseragens met een lichte mitrailleur M.20. De sectie die bij 4RH onder bevel stond, stond onder leiding van jhr. Andringa de Kempenaar, NIMH archieven 409-503-003c

De oorlogsopdracht van 4RH
De oorlogstaak van 4RH lag in het zuidelijk gedeelte van de Veluwe. Na de mobilisatie was het Regiment daarom vanuit haar vredeslocatie, de Boreelkazerne in Deventer, naar Ede, Arnhem en Apeldoorn verplaatst. 4RH diende als vertragend element voor het in het zuidelijk gedeelte van de Grebbelinie verdedigende IIe Legerkorps. Deze taak moest uitgevoerd worden zonder grote gevechten aan te gaan. Met te veel verliezen zou het Regiment immers haar vervolgopdracht, het vormen van een mobiele reserve-eenheid achter de Grebbelinie, niet meer kunnen uitvoeren. De vijand moest daarom vooral met het tijdig stellen van voorbereide vernielingen tijdverlies worden opgelegd. Het 3erijwieleskadron (3-4RH) was aan Brigade B afgestaan, die het Land van Maas en Waal verdedigde, maar in plaats hiervan was het 2e eskadron (te paard) van 3RH (2-3RH) onder bevel van 4RH gesteld.

4RH treedt op in front van II LK. (Huzaren van Boreel)
4RH hoopte haar taak in drie vertragingslijnen uit te kunnen voeren. De eerste vertragingslijn was het Apeldoorn-Dierenkanaal. Eén rijwieleskadron (4-4RH o.l.v. ritmeester Jhr. mr. C.L. van Beijma Thoe Kingma) moest de vijftien bruggen over dit kanaal opblazen en daarna terugtrekken naar Ede. De tweede vertragingslijn was de lijn Schweizerhöhe-Wolfheze-Oosterbeek. Deze lijn werd door twee eskadrons bezet. Een tweede rijwieleskadron (5-4RH o.l.v. kapitein mr. M. Nijhoff, afkomstig van de infanterie) zou ten zuiden van de spoorlijn Arnhem-Ede tussen Oosterbeek, Heelsum en Renkum voorbereidende versperringen stellen en die tijdelijk verdedigen. Ten noorden van de spoorlijn zou een bereden eskadron (2-3RH o.l.v. ritmeester A.D.C. van der Voort van Zijp) nabij Schweizerhöhe een hindernis opwerpen op de weg Arnhem-Ede en deze kort verdedigen. De derde vertragingslijn was de linie Lunteren-Ede-Oranje Noord. De resterende eskadrons zouden hiertoe in een wijde boog om Ede heen, verdedigende posities innemen om de vijand nog meer vertraging op te kunnen leggen. De regimentscommandopost was in café de Langenberg in de oostrand van Ede gevestigd. Na uitvoering van haar vertragende taak, moest 4RH de eigen infanteriestellingen in de Grebbelinie doorschrijden en zich gereedhouden voor reservetaken in het verzamelgebied in de bossen bij Hotel ‘De Donderberg’ in Leersum. Terwijl het gros van 4RH aan de vooravond van de oorlogsdagen in de infanteriekazerne Johan Willem Friso in Ede was gelegerd waren de twee voorste eskadrons verder naar het oosten gelegerd, namelijk 4-4RH te Dieren en 5-4RH te Arnhem.[1]
[1] NIMH archieven, 409-503-001

10 mei
De oorlog begint vroeg
In de vroege ochtend van 10 mei vielen de Duitsers Nederland binnen, met onder andere luchtlandingen bij de Moerdijkbruggen, de bruggen in Dordrecht en Rotterdam en op diverse vliegvelden in de residentie. Eenheden van het 18e en 6e Duitse leger overschreden in het oosten onze landsgrenzen. Op de centrale nadering over de Veluwe werd door het hier optredende 18e Leger het 10e Legerkorps ingezet. Dit legerkorps bestond uit twee infanteriedivisies (227e en 207e) en twee SS Regimenten (‘Der Führer’ en ‘Leibstandarte’) en moest via de Veluwe (Arnhem en Amersfoort) oprukken richting Utrecht om later Amsterdam te bereiken. Het echte Duitse zwaartepunt lag zoals bekend, echter in Noord-Brabant om met gepantserde eenheden na contact te hebben gemaakt met de luchtlandingseenheden en via de Moerdijkbruggen, de bruggen bij Dordrecht en Rotterdam de vesting Holland bij verrassing binnen te dringen.

4RH ontving al in de voornacht waarschuwingen over dreigend gevaar. Om 04.35 werd bevel ontvangen dat de graad van strijdvaardigheid 4 inging. Kort daarop, om 04.58 kwam de melding van staf IIe Legerkorps (II LK.) binnen dat de oorlogstoestand werd ingetreden. De eskadrons en ondergeschikte eenheden waren al rond 03.00 gealarmeerd en in positie gebracht. Rond 05.00 hadden alle eenheden hun opgedragen oorlogsstellingen betrokken. De regimentsstaf betrok een commandopost in café De Langenberg aan de oostrand van Ede.[1] Het opblazen van de bruggen over het Apeldoorns-Dierenkanaal werden zonder al te grote problemen uitgevoerd door 4-4RH, onder leiding van ritmeester Jhr. Mr. C.L. van Beyma thoe Kingma. De pelotonscommandant van het 4e peloton, 2e luitenant N.G. Pierson schrijft hierover[2]:
“Omstreeks 1 uur (= 10 mei) komt het eerste alarmeerende bericht op de commandopost Station EERBEEK binnen. Direct worden per telefoon de pelotonscommandanten gewaarschuwd. De dubbelposten bij de bruggen krijgen nogmaals opdracht, zoo scherp mogelijk op te letten. Tegelijkertijd wordt iedereen gewekt. Kort daarna komen de bevelen door: ‘ontstekingsmiddelen direct en de omgeving van de ladingen uitleggen.’ Men wacht nog slechts op het bevel: ‘ontstekingsmiddelen aanbrengen.’ Gedurende dit moment van rust wordt de hoop, dat het slechts een oefening is, heel langzaam verdrongen dor de zekerheid dat de oorlog is begonnen. Dan verdwijnt alle twijfel door het bevel: ‘ontstekingsmiddelen aanbrengen en ongeveer tegelijkertijd de komst van vliegtuigen. Iedereen gaat aan het werk. Bij enkele bruggen is een boot, bij de meeste bruggen moet men zich behelpen met ladders of staat tot zijn middel in het water om de slagpijpjes in de trotyl te bevestigen. Er heerscht spanning welke brug van de vijftien het eerste klaar zal zijn. De huzaren spannen zich tot het uiterste in. Na drie kwartier is de brug bij LAAG SOEREN klaar. Ook van de andere bruggen komt telefonisch bericht. Steeds meer vliegtuigen ook. Bij de Brummensche brug slaan de kogels in het water. Men merkt het ternauwernood. Dan het bevel: ‘Bruggen laten springen en pelotons verzamelen op de bevolen plaatsen.’ Weer iedereen naar de bruggen. Nu om ’t laatste. Burgers verdringen zich daar. Ze zijn uiterst belangstellend of ’t zal lukken. Dreigen dat er geschoten zal worden, maakt dat ze hoogstens enkele tientallen meters teruggaan. Tot tweemaal toe dooft het vuurkoord van de Laangsoerenschebrug uit. De derde keer lukt het wel. Men kijkt op het horloge en rent weg, nu ook de burgers in een panische schrik. Eén loopt in de sloot en wordt pas na de explosie verlost. Na anderhalve minuut, het tijdstip waarop de brug de lucht in moet gaan, gebeurt er niets. Toch brandt het vuurkoord nog. Na 2 minuten en 50 sec. gaat de brug als eerste. Kort daarna hooren we de ontploffingen van de andere bruggen. Natellen. Vijftien maal moet die langgerekte knal gehoord worden en onze taak aan het Apeldoornsch Dierenschekanaal zal volbracht zijn.”
[1] Huzaren van Boreel, van 1813-1963, eigen uitgave ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan, pag 37
[2] NIMH archieven, 409-503-006
Intussen werd de door infanterie-eenheden verdedigde voorpostenlijn aan de IJssel al snel door de Duitsers doorbroken, o.a. bij Zutphen, Doesburg en Westervoort. Geheel verwonderlijk was dit niet omdat o.a. artillerie en reserves ontbraken. Vanuit Westervoort probeerde het SS Regiment ‘Der Führer’ via Oosterbeek, Renkum en Wageningen op te rukken in westelijke richting en kwam al snel in aanraking met 5-4RH. Dit eskadron was versterkt met een sectie zware mitrailleurs, twee mortieren en een stuk pantserafweergeschut. Kapitein Nijhoff had twee pelotons huzaren in achterwaarts gelegen opvangopstellingen bij Renkum en Heelsum gepositioneerd en de rest van zijn eskadron in de oostrand van Oosterbeek stelling laten betrekken. Kapitein Nijhoff vertelt over de initiële ontplooiing van zijn eskadron[1]:
“De oorlogsopstelling van mijn eskadron in den vroegen morgen van 10 mei was al volgt: commandogroep en twee pelotons te OOSTERBEEK; een peloton te HEELSUM (in opnamestelling nabij Veentjesbrug); een peloton bij KEIJENBERG en QUAD NOORD, richting BENNEKOM. Dit laatste peloton met opdracht aldaar vernielingen uit te voeren en den kunstweg HEELSUM-BENNEKOM-EDE af te sluiten bij KEIJENBERG. De twee pelotons bij OOSTERBEEK aldaar opgesteld. Het zuidelijke peloton nabij station OOSTERBEEK-LAAG, het noordelijke peloton nabij SCHELMSE BRUG, vuur uitbrengen zoowel langs den spoorbaan als langs den kunstweg ARNHEM-UTRECHT. Bij dit noordelijke peloton was aanvankelijk ingedeeld een sectie zware mitrailleurs, die echter bij het begin der vijandelijkheden door C.-4RH naar EDE werd teruggeroepen.
Tusschen zuidelijke en noordelijke peloton en wel waar op de stafkaart het woord ‘boom’ staat, stond de mij toegevoegde tweede sectie zware mitrailleurs, vuur uitbrengend op de kunstweg ARNHEM-WAGENINGEN nabij hoogte ‘DEN BRINK’, dus tot oostelijke van het spoorviaduct over genoemde kunstweg. In de onmiddellijke nabijheid dezer sectie zware mitrailleurs was de mij toegevoegde sectie mortieren opgesteld, vuur uitbrengend op de splitsing spoorwegen ARNHEM-UTRECHT en ARNHEM-NIJMEGEN en op de inzinking in den kunstweg Oost van station OOSTERBEEK-LAAK. Dit laatste als voornaamste staak. Tenslotte had ik een stuk pantserafweergeschut opgesteld bij Oostelijke ingang OOSTERBEEK…”
[1] NIMH archieven: 409-503-007

5-4RH treedt op in het zwaartepunt van de vijand
5-4RH slaagde erin om alle bevolen vernielingen tijdig op te blazen, maar de eskadronscommandant was bij het opblazen van een brug in Oosterbeek door een scherf in zijn voet gewond geraakt. Ondersteund door een stok kon hij echter bij zijn eskadron blijven. Om 11.00 werd in Oosterbeek een kort vuurgevecht met de naderende Duitsers gevoerd, waarna rond 12.00 op Heelsum werd teruggevallen. De korporaal de Vries en huzaar Bruijl die de opdracht hadden een patrouille op de Utrechtse straat uit te voeren raakten bij de terugtocht vermist en werden door de Duitsers gevangengenomen. Dienstplichtig korporaal M. de Vries doet verslag van zijn ervaringen[1]:
“In de morgen van 10 mei 1940 deelde mijn eskadronscommandant mede dat wij in onze stelling aan de rand van OOSTERBEEK (Arnhemse zijde) ten gevolge van de spoordijk die voor ons lag, niet voldoende uitzicht hadden. Ik kreeg opdracht van kapitein NIJHOFF met nog een man, BRUYL, naar een hoogte te gaan bij KEMA (= lokale fabriek) teneinde van daar uit het voorterrein waar te nemen. Wij zijn naar voren gegaan tot bij de KEMA. Ik schat dat dit een afstand van ongeveer 2 kilometer was. Te plusminus 7.00 zijn wij op onze post aangekomen. De verbinding met de kapitein werd onderhouden door een dienstplichtige die in een schuur te OOSTERBEEK zat en gezichtscontact had met ons beiden. Mijn opdracht luidde om wanneer ik vijand zag naderen, een wit laken op de verkeersweg te leggen en dan terug te trekken. De verbindingsman zou dit laken dan zien liggen en aan de commandant melden dat de vijand in aantocht was.
Terwijl wij ons op post bevonden is het viaduct in de spoorbaan tusschen ons en ons onderdeel gesprongen. Het verkeer kon deze plaats niet meer passeren, doch te voet konden wij er nog door. Te ongeveer 09.30 kwam een meisje per fiets uit ARNHEM. Ik vroeg haar hoe het in de stad was. Ze deelde mede dat de Duitsers daar waren. Te 10.00 uur nadereden de eerste Duitsers. Ik had een kijker bij me en stond verdekt opgesteld achter ene paal van de bovenleiding van de trams. BRUYL stond in de ingang van de KEMA. Wij zagen enige luxe wagens gevolgd door een autobus naderen. Doordat wij tegen de zon inkeken kon ik niet zien wie zich in de wagens bevonden. Toen zij dichterbij waren gekomen zag ik mensen met witte armbanden om. Deze witte armbanden waren het kenteken van een hulpcomité van de burgerij uit ARNHEM. Toen de auto’s vlak bij waren beduidde ik de bestuurders dat zij moesten stoppen. Tot mijn verbazing zag ik uit een luxe wagen een Duitse officier stappen. Deze riep mij toe: “Handen omhoog!” Ik gaf hieraan geen gevolg en opende meteen het vuur. Ook BRUYL begon te schieten. Door dit vuur hoopten wij gelegenheid te krijgen ons witte laken uit te leggen. Toen ik in de richting liep waar ik het laken moest neerleggen werd ik door een schot getroffen en viel neer. Onze verbindingsman had inmiddels het schieten gehoord en ook gezien dat ik viel. Hij heeft dit aan kapitein NIJHOFF doorgegeven. Nadat ik gewond was ben ik in een portiek gekropen. Terwijl ik daar heen ging bleven de Duitsers schieten. Van alle kanten kwamen zij tevoorschijn. Ik heb ongeveer een kwartier in het portiek gelegen. Toen werd ik door zusters van een rusthuis in de omgeving, die van de Duitsers opdracht hadden gekregen, weggehaald. Met het transport moest men nog enige tijd wachten omdat ons onderdeel achter de spoordijk vuur afgaf op de Duitsers. De Duitsers hebben mij ondervraagd, doch ik heb hen niets losgelaten. Ik ben aanvankelijk in de kelder van het rusthuis ondergebracht en later van daar naar het gemeenteziekenhuis te ARNHEM getransporteerd. ….BRUYL is goed optreden. Hij heeft vanuit zijn dekking veel vuur afgegeven. Hij is niet gewond geraakt, doch krijgsgevangen gemaakt.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Dienstplichtig huzaar A.W. Bruijl vult hem aan. Ook hij wordt krijgsgevangen gemaakt, maar gedwongen tegen het Nederlandse geweervuur in te lopen[1]:
“Op 10 mei 1940 stond ik met korporaal DE VRIES op post bij OOSTERBEEK. Het was de voorste post. DE VRIES stond voor een villa aan de andere kant van de straat, ongedekt. Ter hoogte van mij stond een reparatiewagen van de tram aan de kant van de weg. Omstreeks 10 uur à half elf kwamen de Duitsers. Ik kon toen achter de tramwagen springen. DE VRIES werd al spoedig gewond. Ik schoot op de Duitsers, die voor de tramwagen stonden, terwijl ik er achter was. Ik ondervond hier dat het opnieuw vullen van het magazijn van mijn karabijn te veel tijd kostte. Toen ik ongeveer drie houders had verschoten – ik zag getroffen Duitsers liggen – drongen de Duitsers, die wel 50 man sterk waren, zo op dat ik geen tijd meer had om nogmaals mijn magazijn te vullen. Ik heb toen mijn ene hand omhoog gestoken terwijl ik met mijn andere hand de karabijn vasthield. Mijn bajonet was wel opgeplant, maar de overmacht was te groot, ik moest mij overgeven. Toen de Duitsers mij vroegen of er nog meer van ons waren, waarbij ze in een richting wezen, waarvan ik niet wist of er jongens van ons zaten, antwoordde ik ontkennend, doch meteen werd er uit die richting door de Hollanders gevuurd. De Duitsers wilden toen mijn hoofd inslaan. Ik moest met de handen omhoog tegen het Hollandse vuur inlopen, gevolgd door de Duitsers. Ik liep voortdurend maar in de richting van een boom, doch op het laatst werd het vuur de Duitsers te erg en moest ik weer met hun terugkeren. Ik werd hierbij niet gewond.
Toen ik terug kwam, zag ik DE VRIES liggen. Ik dacht eerst dat hij dood was, doch dit bleek niet zo. Ik vroeg de Duitsers of ik hem mocht verbinden, hetgeen werd toegestaan. Ik probeerde hem met behulp van een tafellaken, dat wij bij het ontdekken van vijand als sein voor onze jongens zouden hebben gebruikt, te verbinden, maar de wond in het bovenbeen, bleek er groot te zijn. Toen ik met hem bezig was begonnen onze jongens weer te schieten, van een andere kant dan zo juist. Ik moest van de Duitsers daar weer tegenin lopen, waarbij ik evenmin gewond werd. Ik was de eerste krijgsgevangenen te OOSTERBEEK. Het gevecht van mijn eskadron duurde ongeveer een half uur; zij hebben al vechtende kunnen terugtrekken en ontkomen. DE VRIES heeft zich correct gedragen. Even voordat de Duitsers kwamen, zag ik dat er een burger op DE VRIES toeliep en iets tot hem zei. Alles kon ik niet verstaan, maar het kwam er op neer dat wij ons maar moesten overgeven.. DE VRIES dreigde hem met zijn karabijn en sommeerde hem door te lopen. Als krijgsgevangene in OOSTERBEEK zag ik rijen wagens met Duitse gewonden passeren, die vermoedelijk van VEENENDAAL afkwamen. Toen ik naar Fort WESTERVOORT vervoerd werd zag ik hoe bij een ziekenhuis vele kisten met Duitse doden stonde opgestapeld. Op 2e Pinksterdag werd ik op transport naar Duitsland gezet.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Kapitein Nijfhoff verklaart over de gevechten in Oosterbeek[1]:
“Contact met 6-1 RH (= zuidelijke neveneenheid) in de Betuwe heb ik niet gehad. Brug en pont waren vernield. Wel met troepen aan den IJssel. Ik zond een wachtmeester en ordonnans naar hun commandopost te VELP. Deze kwam terug met de melding, dat de Velperweg onder vijandelijk artillerievuur lag, hetgeen ik te 08.50 aan de C.-4RH doormeldde. Te OOSTERBEEK zelf ontving ik eerst artillerievuur om 11.00 uur uit infanterie geschut dat de vijand in eerste lijn bracht. De vijand deed zich in auto’s en Nederlandse bussen, voor het eerst zien bij hoogte DEN BRINK om 09.45. Om 11.15 vijand bij de Utrechtse Straatweg nabij viaduct. Ongeveer 200 man. Liggen verspreid in boschperceel KEMA en rukken op langs spoorbaan ARNHEM-EDE. Eveneens vijandelijke patrouille gemeld bij Station OOSTERBEEK-LAAK.
[1] NIMH archieven: 409-503-007
De melding van 5-4RH werd op de commandopost van 4-RH inderdaad ontvangen. Luitenant-kolonel de Marees van Swinderen besloot beide vooreskadrons terug te laten vallen[1]:
“Te 08.50 meldt C.-5-4RH vanuit Oosterbeek dat artillerievuur werd ontvangen uit de richting ARNHEM-ZEVENAAR, waarop deze commandant door mij werd gemachtigd voor overmachtige vijand terug te gaan op de volgende stelling, welke terugtocht in samenwerking moest geschieden met het middenvooreskadron te SCHWEIZERHöHE. In verband hiermede werd door mij opdracht verstrekt aan C.-4-4RH om de spoorbrug bij DIEREN te laten springen en vervolgens terug te trekken naar mijn commandopost.
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De melding werd vervolgens ook door 4RH doorgegeven aan staf II LK.:
“Overleg werd vervolgens gepleegd met C.-II LK. de toestand medegedeeld alsmede, dat met uitzondering van de spoorbrug bij DIEREN alle vernielingen waren verricht. Opdracht ontvangen: voeling houden met vijand met kleine patrouilles, teruggaan naar volgende lijn…..09.55 opdracht om terug te gaan op de lijn MEULUNTEREN-EDE-RENKUM..”
Kapitein Nijfhoff legt uit hoe hij deze opdracht om terug te vallen liet uitvoeren[1]:
“Ik verzoek om 11.30 terug te mogen trekken naar HEELSUM en ontvang machtiging van C.-4RH volgens eigen inzicht te mogen handelen. Met C.-2-3RH (= noordelijke neveneenheid) had ik contact per motorordonnans, speciaal daartoe bij mij toegevoegd. Ik heb deze ordonnans tusschen 12.20 en 12.30 via WOLFHEZE naar C.-2-3RH teruggestuurd, met het bericht dat ik mij ging losmaken van den vijand en op HEELSUM terugtrok. Ik heb tusschen 12.40 en 13.00 OOSTERBEEK verlaten. Volgorde: mortieren + sectie zware mitrailleurs, zuidelijk peloton, noordelijke peloton, plus stuk pantserafweergeschut en commandogroep. Behalve commandogroep die te HEELSUM bleef bij het aldaar in opnamestelling liggend peloton, gingen de afdeelingen door naar RENKUM en wel naar ORANJE-NASSAUOORD aan den Oostenlijken voet van den Wageningschen berg.”
[1] NIMH archieven: 409-503-007

De eskadrons vallen terug op Ede
In opdracht van de Regimentscommandant trok vervolgens 4-4RH ook terug naar een opstelling zuid van het station Ede-Wageningen om de zuidelijke naderingen naar Ede te beveiligen. Ritmeester van Beyma thoe Kingma liet zijn eskadron via Otterlo terugvallen op Ede en vertelt hierover[1]:
“Drie pelotons gaf ik opdracht een zogenaamd bruggehoofd-opstelling in te nemen bij de spoorwegovergang bij het station EDE, terwijl het 4e peloton eenzelfde opdracht kreeg voor de spoorwegovergang op plusminus 1200 meter ten Noordwesten daarvan. De spoorbaan in de richting ARNHEM werd vernield onder leiding van het Stationspersoneel en twee mitrailleurs werden in stelling gebracht, front Zuidoost. Een belangrijk versperring werd aangebracht op de kunstweg naar BENNEKOM, door het omver werpen van een 3 tal wagons, alsmede door het laten vallen van eenige boomen. Om vuur te kunnen brengen op deze versperringen waren 4 mitrailleurs in stelling gebracht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006

Luitenant Pierson van het 4e peloton van 4-4RH[1]:
“Nog enkele dingen oppikken en weg naar het verzamelpunt van het 4e Pel. bij de papierfabriek 1500 meter noord van EERBEEK. Een groep is er al. Na tien minuten komt een gedeelte van de laatste groep. De rest hiervan is nog bij de Brummensche brug. Pas op commando van den T.B.O (= Territoriaal Bevelhebber Oost) mag deze de lucht in. Dit commando komt ’s middags om ongeveer 16.00. Tenslotte marcheert het 4e Pel. op. De andere pelotons zijn reeds langs de verschillende marschwegen naar Ede vertrokken waar verzameld zal worden in een boschrand Noord van EDE. Na ongeveer 5 km marcheeren zien we een rookpluim in de heide. Burgers vertellen dat daar een Duitsche bommenwerper is neergestort. Wanneer we de weg ARNHEM-APELDOORN kruisen, zien we op de heide Noord van ARNHEM een troep paarden rennen, die in deze richting komen Iedereen dekt. Al spoedig blijkt, dat het eigen cavaleriepaarden zijn zonder ruiters. Ze naderen ons tot op 2 kilometer. en buiten dan af naar het Oosten. Opvangen lukt niet, dus door. Via de ‘Hooge Veluwe’ komen we in OTTERLO. Onderweg worden nog verschillende paddestoelen omgegegooid. In OTTERLO wordt weer halt gehouden, daarna via het fietspad naar EDE. Even buiten EDE heeft men al versperringen gemaakt. We gaan door het bosch er om heen en melden ons op het genoemde punt. Hier krijgen we opdracht om naar het station EDE te gaan waar al twee pelotons zijn. Eén peloton is nog niet terug…”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
Ook 5-4RH valt terug. Naar Heelsum en doorschrijdt de Grebbelinie
5-4RH was intussen al in Heelsum aangekomen en had daar een opstelling ingenomen. In tegenstelling tot de andere eskadron van 4RH had 5-4RH veel vijanddruk. Vanuit de stelling in Heelsum werden vijandelijk verkennende motorrijders buiten gevecht gesteld en het stuk pantserafweergeschut kon een Duitse pantserwagen tot stilstand brengen. De Duitsers dreigden een omtrekkende beweging over Wolfheze te maken en de huzaren in Heelsum af te snijden. Door tijdig (om 15.50 uur) op Renkum terug te trekken, lukte dit niet. Kapitein Nijhoff vertelt over de gevechten in Heelsum[1]:
“Het stuk pantserafweergeschut werd te HEELSUM bij Veentjesbrug opgesteld en heeft daar evenals later uitstekende diensten bewezen. Bij HEELSUM is slechts om ongeveer 15.20 contact geweest met vijandelijke pantserwagens en gemotoriseerde troepen bij de Veentjesbrug. Door vuur van pantserafweergeschut tot staan gebracht. Om 15.40 bevel van C.-4RH terug te trekken in de lijn pompstation ORANJE NASSAUOORD – KWADENOORD. Ik werd echter uit de richting WOLFHEZE omtrokken en besloot het eene peloton te HEELSUM terug te doen gaan tot den Wageningschen berg om daar mijn laatsten weerstand te bieden. Dit peloton moest verband nemen met achterliggende troepen en de versperringen aldaar open te houden…”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Over zijn eerdere verwonding schrijft kapitein Nijhoff[1]:
“Ik werd reeds in den morgen te OOSTERBEEK aan den voet gewond. Middenvoetsbeentje gebroken. Een scherfwond van een springende burg. Met hulp van een stok en een gerequireerde auto was ik, na een zeer stevig verband, uitstekend in de gelegenheid mijn onderdeel te blijven commandeeren. Dat ging de volgende dag niet meer. Ik heb toen in het Militair Hospitaal te UTRECHT een gipsschoen gekregen waarmee ik naar mijn onderdeel teruggekeerd ben.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
De Division Geschichte van de aanvallende Duitse SS Verfügungsdivision, later SS Division ‘Das Reich’ schrijft ook over de zware gevechten rond Heelsum en Renkum[1]:
“In Arnheim hat sich das III./DF (= 3e bataljon) mit Fahrrädern beweglich gemacht und ist, unterstützt von Teilen der 15./DF (= motorrijdercompagnie), weiter in Richting Wageningen vorgestoßen. Bei Heelsum prallen de Kompanien wieder auf stärkeren Feindwiderstand, der durch die rasch nachgezogenen schweren Waffen des Regiments im Zusammenwirken mit den schweren Granatwerfern und schweren Machinegeweren der 12./DF (= zware mitrailleur compagnie) zum Schweigen gebracht wird. Hartnäckig verteidigt sich der Gegner am Waldrand westlich Renkum. Das ausgezeichnet liegende holländisch Artilleriefeuer, vermutlich aus der Grebbe-Linie, verursacht bittere Ausfälle beim III./DF”.
[1] Divisions Geschichte Das Reich, Band I.
Het Kriegstagebuch van SS Regiment Der Führer vermeldt specifiek dat het gehele regiment vanwege de zware tegenstand geconcentreerd werd bij Renkum[1]:
„Erst bij Heelsum stieβ das III. Btl. auf stärkeren Feind. Auch er wurde mit Unterstützung der vom Rgt. herangeführten schweren Waffen, mit festem Zupacken schnelle zurückgeworden. In Renkum stieβ das III. Btl. abermals auf starken Widerstand aus geschickt eingebauten MG.-Nestern am Waldrande westlich Renkum, der unterstützt wurde durch Artillerie Feuer aus der Grebbe-Linie. Da ferner von der Aufklärung Feindkräfte in der rechte Flanke des Regiments infolge notwendigen Abhängens der zu Fuss marchierenden nachfolgenden Teile der 207 Inf. Div. volkommen offen war, wurde dat Regiment mit allen Teilen, die inzwischen die Kriegsbrücke bei Arnheim überschritten hatten, im Raume Renkum und ostwärts um 20.30 unter starker Sicherung für die Nacht 10./11. Mai zusammengezogen. Dat II. Btl. was er gelungen mit vordersten Teilen um 12.15 den Übergang über die IJssel bei Doesburg zu erzwingen und somit den nachfolgendem Infanterie Regiment 368 den Übergang bei Doesburg zu öffnen. Das II. Btl. wurde auf Befehl der 207 Infanterie Division am Abend des 10 Mai dem Regiment DF wieder unterstellt und während der Nacht nach Renkum zugeführt, wo es am 11 Mai früh eintraf.“
[1] Kriegtagebuch SS Rgt DF, pag 3
Inderdaad lukte 5-4RH om met drie pelotons in stelling in de oostrand van Renkum om enige uren stand te houden en de Duitsers vertraging op te leggen. Aan het einde van de middag werd Renkum echter los gelaten en teruggetrokken via Wageningen naar het verzamelgebied van 4RH achter de Grebbelinie, bij Leersum. In de oostrand van Wageningen werden de terugtrekkende huzaren nog beschoten door eigen troepen, maar gelukkig leidde dit niet tot verliezen. Bij de terugtocht uit Wageningen raakten opnieuw drie man vermist, namelijk de huzaren Ten Barge, Boss en Schuurman. De Duitsers bezetten onmiddellijk Renkum en verkenden Wageningen. Het 5e eskadron had haar vertragingstaak dus voorbeeldig uitgevoerd. Kapitein Nijhoff[1]:
“Om 15.50 commandopost bij pompstation betrokken; opstelling van het eskadron bij HEELSUM: één peloton en een stuk pantserafweergeschut bij pompstation, één peloton bij ORANJE – NASSAUOORD, één peloton bij KEIJENBERG en KWADENOORD, mortieren op WAGENINGSCHE BERG en dus één peloton doorgestuurd naar West WAGENINGEN. Vijandelijke pantserwagens en 200 man gemeld te HEELSUM. Om 16.50 was de Oostrand van HEELSUM geheel door vijand bezet. Ontvang vuur van mitrailleurs en infanteriegeschut (brisantgranaten). Om 17.00 verzocht ik om steun van artillerie dat ik om 17.30 ook kreeg. Om 17.45 de stelling Pompstation verlaten en teruggetrokken door WAGENINGEN naar LEERSUM. Verliezen: 1 korporaal en 4 man.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
In een ander rapport schrijft hij over de gevechten en de hierop volgende terugtocht door de Grebbelinie[1]:
“Te RENKUM heeft zich tussen 16.00 en 18.00 een ernstig vuurgevecht ontwikkeld. Mijn onderdeel lag West van de Renkumsch beek, aan den voet van den berg, de vijand Oost van de beek, in de Renkumsche dorpsrand en schootsveld was wederzijds uitnemend. Uit eigen waarneming, naderhand door betrouwbare getuigen bevestigd, meen ik wel dat de Duitsers daar nogal verliezen hebben geleden. Toen ik te 18.00 mijn onderdeel successievelijk uit RENKUM Westwaarts stuurde en mijn zuidelijke peloton, dat het eerst ging, de Westrand van Wageningen uitkwam, werd door zware mitrailleurs uit de richting Grebbeberg op hen gevuurd. Ik was daar zelf niet bij aanwezig, daar ik eerst later met het Noordelijke peloton Westwaarts ben gegaan. Mijn pelotonscommandant vertelde mij echter, dat bij het ontvangen van dit vuur, hij zijn troep in greppels heeft doen dekken, vrijwilligers gevraagd heeft om niettemin voorwaarts te gaan en dat dezen, met onderbroek op een karabijn bij wijze van witte vlag, voorwaarts gegaan zijn, waarop het vuur ophield. De vrijwilligers waren de wachtmeester DIJKSTRA en twee man, die zich mijn inziens hiermee onderscheiden hebben. Het vuur uit de eigen voorposten schijnt niet gemakkelijk geweest te zijn.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Over de vermissing van de huzaren Ten Barge, Boss en Schuurman meldt hun pelotonscommandant (1e peloton) reserve eerste luitenant der Wielrijders, W.H. Gesner van der Voort[1]:
“…In Oosterbeek hadden wij vrijwel geen contact met den vijand. In de loop van den ochtend kregen wij bevel om terug te trekken op de 2e stelling aan de voet van de WAGENINGSCHE BERG. Inmiddels had zich bij mij gevoegd een groep infanterie (commandant sergeant VAN GRINSVEN van 3-III-43RI) die naar ik meen, door het springen van de spoorbrug niet meer bij haar onderdeel had kunnen komen. Deze groep infanterie heeft al die vijf dagen mijn peloton versterkt. In onze tweede stelling aangekomen kregen wij na eenige tijd contact met den vijand. Sterkte onbekend. Naar schatting plusminus drie uur gevochten. Geen verliezen geleden en ook niet kunnen constateeren of wij verliezen hebben toegebracht. Over het algemeen genomen vochten mijn mannen zeer goed en de troep bleef voortdurend in de hand. In het rechter gedeelte van zijn stelling (het pompstation) bevond zich ook mijn eskadronscommandant, die – hoewel aan één van zijn beenen gewond – prachtig de leiding behield en zich, door zijn rust en kalmte – bij ons allen als een zeer dapper soldaat heeft doen kennen. De houding van de kapitein heeft op die van zijn mannen ongetwijfeld een gunstigen invloed gehad.
Toen de druk van den vijand – mede door een stuk artillerie – te zwaar werd, heeft de eskadronscommandant telefonisch verzocht (naar ik meen van den RC) om te mogen terugtrekken. Dit is toegestaan, waarna wij zijn teruggetrokken naar LEERSUM. Mijn meest linksche groep, is – gelijk opdracht was – via een andere weg teruggetrokken dan de andere groepen (waarbij ik zelf) Doch mijn wachtmeester BOSMAN, commandant van die groep, heeft drie soldaten blijkbaar niet mede kunnen krijgen. Althans zijn, deze drie als vermist opgegeven…Bij onze terugtocht naar LEERSUM ben ik – voor de Grebbeberg – door eigen artillerie beschoten. Na veel moeite en mede door het dapper optreden van eenige soldaten en een wachtmeester, zijn we erin geslaagd de eigen troepen van hun vergissing te overtuigen. De vaandrig die ik sprak, had opdracht gekregen om de asperges aan te brengen en te schieten op alles, wat zich in het voorterrein vertoonde daar er geen eigen troepen meer in het voorterrein zouden zitten. ’s Avonds waren wij in LEERSUM. We overnachtten op De Donderberg.”
[1] NIMH archieven, 409-503-008

De commandant van het eskadron pantserafweergeschut, eerste luitenant J.L. Hollertt had zijn stukken verdeeld over de vier voorste eskadrons van 4RH (5-4RH, 2-3RH, 1-4RH en 6-4RH). De stukken verplaatsen met de terugtrekkende eskadrons mee naar achteren. Het bij 5-4RH ingedeelde stuk pantserafweergeschut kreeg vijandcontact. Huzaar K. Wind van stuk No. 1, ingedeeld bij 5-4RH, sneuvelde bij het terugtrekken doordat hij op een eigen mijn trapte bij het passeren van een antitankhindernis[1]. Eerste luitenant Hollertt[2]:
“11.30 Stuk No.1 teruggetrokken met 5-4RH naar 2e stelling te HEELSUM. Enkele vijandelijke motorijders buiten gevecht gesteld. Twee man eigen bediening gewond aan hoofd en handen, doch deze hebben zich later zelfstandige teruggemeld te LEERSUM. 15.00 Stuk No.1 teruggetrokken met 5-4RH naar RENKUM. Mortier vuur ontvangen. Eén vijandelijke mitrailleur buiten gevecht gesteld. Stuk No.1 heeft nadat 5-4RH vanuit RENKUM was teruggetrokken te 18.00 getracht met deze troepen WAGENINGEN te passeeren, doch hier waren reeds alle wegen versperd. Hierna getracht te rijden over BENNEKOM, EDE, VIANEN, het PAKHUIS. De Planken Brug was opgeblazen en kon niet gepasseerd worden. Eén man sneuvelde tengevolge van een landmijn te 19.05. Trekker was vastgereden in berm. Kraanwagen gehaald van Beers-Nefkens te EDE. 20.00 trekker weer rijdend en opgesteld in de boerderij aan Maanderdijk, daar EDE reeds bezet was door den vijand. Nachtelijk vuur van eigen artillerie.
[1] Hij werd begraven op een kerkhof te Ede.
[2] NIMH archieven, 409-503-013
Huzaar N. Wendels was één van de gewonden in Heelsum. Hij vertelt hierover[1]:
“Ik heb eerst in stelling gezeten in OOSTERBEEK bij een wasserij in de buurt van een beek. Wij keken over de weg. Commandant was wachtmeester KOOPS. Hier ben ik gewond geraakt aan mijn hand. Met het kanon werd te laag geschoten. De kogels raakten het beton van de brug. Ik kreeg de terugvliegende splinters in mijn hand. Het kanon stond zoo vlakbij, dat door de luchtdruk het kijkervizier van het kanon afvloog. Wij konden niet verder vuren; er werd door de Duitsers veel mitrailleurvuur afgegeven. De wachtmeester gaf daarop het bevel terug te trekken. Alles is uit elkaar gegaan. Ik ben met ordonnans HARDENBURG op de motor naar WAGENINGEN gereden en vandaar naar RHENEN. In RHENEN ben ik ’s nachts in een hulpverbandplaats door een dokter verbonden. Het was ongeveer 6 à 7 uur nadat het gebeurd was..”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Bij 5-4RH was ook een sectie mortieren ingedeeld. Op 10 mei werd o.a. mortiervuur afgegeven op de samenkomst van spoorlijnen Rhenen-Ede en Arnhem-Nijmegen en op de Klingelbeekweg. De terugtrekking van 5-4RH werd daarnaast ook gesteund met het afgegeven van mortiervuur op plaatsen waar de vijand zich ophield.[1]Reserve eerste luitenant J.M. Fentener van Vlissingen voerde het bevel over het Mitrailleur Eskadron van 4RH (ME-4RH). Hij had zijn secties met de zware mitrailleurs eveneens verdeeld over de voorste eskadrons van 4RH. De 1e en 2esectie waren ingedeeld bij 5-4RH, maar de 1e sectie werd al snel teruggehaald om de commandopost van 4RH te beveiligen tegen luchtaanvallen. De 3e sectie was ingedeeld bij 6-4 RH. De 4e sectie bevond zich bij 2-4RH. Hij bezocht de secties op 10 mei waar deze zich bevonden. Hij vertelt hierover[2]:
“Ik had aanvankelijk bij mijn eskadron één officier, namelijk de luitenant HUISING van de Wielrijders. Deze heeft zich al aanstonds misdragen. Hij klaagde in het bijzijn van den troep op 10 of 11 mei over het niet op tijd zijn van het eten. Ik heb aan den Overste gevraagd hem te verwijderen. Hij is echter gebleven, doch ik had hem verboden zich met den troep te bemoeien. De kornet DRIEBEEK en de wachtmeester VLIELANDER HEIN hebben mij daarna geholpen. DRIEBEEK hield ook het onderdeel van HUISING in goed in de gaten. DRIEBEEK was commandant van één peloton van twee secties, terwijl in feite HUISING commandant was van de overige twee secties….DRIEBEEK en VLIELANDER HEIN liet ik zooveel mogelijk zelfstandig. Zij hadden militairen van de laatste lichting onder bevel. Zelf bemoeide ik mij in hoofdzaak met de secties, waarbij oudere lichtingen waren ingedeeld. In totaal had ik bij het eskadron ongeveer 22 sergeanten en 5 wachtmeesters. De rest van het eskadron zou, ter vervanging van de Wielrijders op 1 juni uit het depot komen onder de luitenants OGTROP en DE MARES OYENS.”
[1] NIMH archieven, 409-503-015
[2] NIMH archieven, 409-503-014
Ook in Ede wordt de Grebbestelling achterwaarts doorschreden
Op de commandopost van 4RH was intussen een directief van commandant II LK. binnengekomen om niet te snel terug te vallen. Dit directief kwam echter laat en werd kon dus niet meer uitgevoerd worden. Luitenant-kolonel de Marees van Swinderen[1]:
“Te 10.55 beveelt C.-II LK. niet terugtrekken vóór strikt noodzakelijk is. Hiermede kan echter in de voorste lijn geen rekening mee worden gehouden, aangezien het rechter vooreskadron reeds uitvoering had gegeven aan mijn voorafgaande bevel om terug te trekken.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Ten noorden van de spoorweg Arnhem-Ede lag het ‘midden-eskadron’ 2-3RH. Dit eskadron, onder commando van ritmeester A.D.C. van der Voort van Zijp, moest de Duitsers vertraging opleggen langs de weg van Arnhem naar Ede. Hier was minder vijanddruk en het eskadron viel min of meer gelijktijdig met het zuidelijke eskadron (5-4RH) in fasen terug naar Ede. Tijdens deze terugtocht werd het eskadron wel meerdere keren aangevallen door vliegtuigen. Een ingedeeld stuk pantserafweergeschut ging tijdens de terugtocht verloren. Ritmeester van der Voort van Zijp[1]:
“Nadat op 9 mei 1940 om ongeveer 23.30 op den commandopost van den Regimentscommandant bericht was dat het eskadron te 05.00 op graad 4 van gevechtsvaardigheid moest rekenen, werd de reveille op 03.00 gesteld. Te plusminus 03.30 werden doffen knallen gehoord, terwijl even later escadrilles in grooten getale uit Oostenlijke richting op ongeveer 1500 meter hoogte voorbij trokken. Hiermee bleek dat de oorlogstoestand ingetreden was. Onverwijld werd opgezadeld, teneinde zoo spoedig mogelijk gereed te zijn de kazernes te verlaten alvorens een aanval daarop ondernomen zou worden….In verband met de snelheid welke geboden was, liet ik de pelotons afzonderlijke afmarcheeren naar de te bezetten punten, terwijl ik mijn persoonlijk per auto naar voren liet brengen om de vernielingen onder mijn persoonlijke leiding te doen uitvoeren. Te plusminus 05.00 werden de eerste vernielingen reeds uitgevoerd, het eskadron was om ongeveer 05.00 in zijn opstelling. De vernieling op den kunstweg werd eerst te 08.45 uitgevoerd, teneinde terugtrekkende troepen uit de richting ARNHEM, alsmede de burgerbevolking de gelegenheid te geven in Westelijke richting terug te gaan…..Met rechtereskadron (NIJHOFF) werd verband opgenomen. Aangezien de aangevraagde burgerwerkkrachten uit ARNHEM eerst om ongeveer 09.00 aankwamen, waren alle aankomende burgers door mij te werk gesteld om den kunstweg bij SCHWEIZERHöHE te vernielen. De versperring met landmijnen, alsmede de zaagploegen van de genie bleven weg. Eerst veel later, nadat de vernieling op den kunstweg een feit geworden was, werden te plusminus 11.00 de landmijnen aangevoerd, die bij de versperring uitgeladen moesten worden hetgeen veel tijd vorderde. Om ongeveer 10.15 werd bericht ontvangen dat een bommenwerper geland was en werd een patrouille uitgezonden. Te 08.45 werden parachutisten gemeld; een uitgezonden patrouille kwam na ongeveer een uur terug en meldde niets gezien te hebben. Eenige malen stonden wij bloot aan een aanval van vijandelijke vliegtuigen, tengevolge waarvan bij het 3e peloton een paniek onder de paarden ontstond, waardoor 17 dieren zich losrukten en in Oostelijke richting verdwenen. Het gelukte een aantal paarden op te vangen, waaronder één die ernstig gewond was; de andere negen paarden bleven verloren.
(dit waren vermoedelijke de losgeslagen paarden die 4-4RH bij hun terugtocht had gezien). Van burgers die per auto uit ARNHEM kwamen werd later vernomen dat de paarden aldaar op waren gevangen en aangezien deze stad nog vrij van vijand was, stemde ik er in toe dat een wachtmeester plus drie man met dien auto terug zouden rijden om de paarden op te halen. Helaas keerden zij niet terug, waardoor de wachtmeesters KATUIN en de huzaren POST, VAN DER NAT en VAN PELT als vermist moesten worden opgegeven. Te 11.40 werd bericht ontvangen, dat aangezien het rechter eskadron terug moest gaan onder druk van den vijand, het eskadron terug moest gaan in de richting LANGENBERG. Nadat door mij orders hiertoe waren uitgegeven, waarbij ik het stuk pantserafweergeschut op den kunstweeg bij SCHWEIZERHöHE opdracht gaf, den stelling te verlaten, werd om 11.50 bericht ontvangen: stelling handhaven, vijand niet sterk.”
[1] NIMH archieven, 409-503-016
Ritmeester van der Voort van Zijp besloot vanwege de niet aangebrachte vernielingen toch de stelling op te geven en terug te trekken. Bij de Zuid Ginkelse Heide werd een waarschuwend element onder leiding van kornet C.E. Graaf van Limburg Stirum (gedetacheerd vanuit 4RH bij 2-3RH) achtergelaten. Dit element raakte echter in gevecht met verkenningselementen van de 207e Divisie.[1] Kornet Graaf van Limburg Stirum (die zelf de mitrailleur bediende), een korporaal Bonkerk en huzaar Dijkers sneuvelden hierbij. Een vierde huzaar (ingedeelde motorordonnans, de huzaar Kuperus) kon ontkomen met hulp van een lokale boer die hem een burgeroverall gaf en later de eigen troepen weer bereiken. 2-3RH was aan het einde van 10 mei inmiddels via de Klomp-Veenendaal naar het opgedragen verzamelgebied van 4RH bij Leersum getrokken.
[1] Meer specifiek: een patrouille van de 15e Kradschützen Kompanie van SS Regiment ‘Der Führer’ die vanwege de weerstand bij Renkum een noordelijke omtrekkende route probeerde te verkennen.

[1] NIMH archieven, 409-503-016
Ritmeester van der Voort van Zijp[1]:
“Aangezien de voorgenomen vernielingen met landmijnen in het vak SCHWEIZERHöHE tot voorbij den spoorlijn bij paal 86, alsmede die door den zaagploeg der genie bij de objecten 41 en 43 niet waren uitgevoerd, en alle afweer tegen pantserwagens ontbrak, was standhouden over een frontbreedte van ongeveer 3 km, een onuitvoerbare opdracht en mede in verband met den opdracht eerder ontvangen, liet ik onder achterlating van een patrouille het eskadron teruggaan met opdracht aan te sluiten bij 4RH bij LANGENBERG. Dit was te 12.30. Te plusminus 15.00 werd een achterhoede stelling ingenomen nabij kilometerpaal 7.4 op den kunstweg EDE/DE KLOMP. Van de patrouille welke onder leiding van kornet VAN LIMBURG STIRUM stond werd bericht ontvangen, dat zij onder druk van den vijand teruggegaan waren naar kilometerpaal 12 kunstweg EDE/ARNHEM. Helaas is dit het laatste bericht van de patrouille geweest. Om ongeveer 18.30 bracht één der manschappen (= huzaar Kuperus), als boer vermomd, de treurige tijding dat de patrouille overvallen en beschoten was. Korporaal BONKERK en huzaar DIJKERS zouden gesneuveld zijn, omtrent den kornet vreesde hij hetzelfde, doch had hem niet zien liggen. Tevens gingen hierbij een lichte mitrailleur, alsmede twee motorrijwielen verloren. Nadat het regiment de stelling bij LANGENBERG verlaten had, bleef het eskadron, waarbij een peloton pantserwagens ter plaatse en werd te 19.30 geleidelijk een aanvang gemaakt met het verlaten van de achterhoede stelling. Te plusminus 21.00 werd LEERSUM bereikt alwaar het eskadron een bivak betrok in de bosschen nabij het gedenkteeken van Lombok, en werd hier den verdere nacht doorgebracht.”
Niet alles ging onmiddellijk goed. Reserve eerste luitenant Vlielander was pelotonscommandant van het 1e peloton van 2-3RH en vertelt hoe hij maar net het leven er vanaf bracht[1]:
“…Den volgende morgen reveille om 3 uur, een half uur later verscheen een groot aantal vliegtuigen op grootte hoogte in Westelijke richting vliegend. De kenteekenen waren eerst niet met zekerheid vast te stellen. Terugkeerende vliegtuigen vlogen echter lager en een enkel toestel schoot met mitrailleur. In verband met kwetsbaarheid zoo snel mogelijk afgemarcheerd. Order ontvangen om met mijn peloton in reservestelling te komen bij paal 19.6 kunstweg EDE-ARNHEM en de vernieling op den kunstweg uit te voeren. Alles voor de vernieling klaar gemaakt, echter met het laten springen gewacht, teneinde het verkeer in Westelijke richting zoolang mogelijk gelegenheid te geven door te gaan. Na een ontvangen bevel van den Regimentscommandant, dat ook de vernieling op den kunstweg oogenblikkelijk moest worden uitgevoerd, dit gedaan om ongeveer 08.45 uur. Even voordat ik liet springen, kwam een auto met een genieofficier uit Oostelijke richting. Deze deelde mij mede landmijnen te gaan halen, die in het vak SCHWEIZERHöHE moesten worden gelegd en vroeg, de weg zoolang open te houden. Aangezien hij dacht 1 ½ uur noodig te hebben, was het, gezien het zoojuist ontvangen bevel, onmogelijk hieraan te voldoen. Ik heb hem doorgelaten en daarna de vernieling uitgevoerd. Na de ontploffing was een viertal boomen, waarom een lading was aangebracht, blijven staan. Na een 20-tal minuten te hebben gewacht, ging ik met korporaal BOOKER kijken. Een tiental meters van de eerste boom, dook BOOKER plotseling weg en ik volgde zijn voorbeeld. Op hetzelfde moment sprongen de ladingen. BOOKER had iets zien rooken en hierop zeer juist en snel gereageerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Kornet F. van der Maesen de Sombreff was pelotonscommandant van het 3e peloton van hetzelfde eskadron 2-3RH en doet ook verslag. Het waren zijn paarden die op hol sloegen[1]:
“..Als commandant van het 3e peloton 2-3RH bezette ik na te 03.00 gealarmeerd te zijn, te ongeveer 06.40 de stelling, die ons peloton als midden-voorpeloton was aangewezen. Deze stelling was gelegen aan de harde weg EDE-ARNHEM, ter hoogte van SCHWEIZERHöHE en bestond uit twee opstellingen van lichte mitrailleurs. De eerste mitrailleur stond 150 meter vanaf het kruispunt kunstwegen bij SCHWEIZERHöHE aan de rechterkant van de weg; de tweede stond in een bos bij kilometerpaal 7, rechts van de weg, met het doel vuur uit te brengen op een pantserwagen-hindernis, die 30 meter Oost in de kunstweg moest worden aangelegd. Tevens stond er op voornoemd kruispunt en stuk 4.7 cm (= pantserafweergeschut). Dit stuk stond bij mijn aankomst ter plaatse reeds in stelling. Ik stelde mijn handpaarden op in het bos, dicht bij Hotel Westend, en liet er zes paardenhouders achter. De andere mannen gingen naar de stelling, voerder de nodige opruimingen in het schootsvak van de mitrailleurs uit, en werkten aan het graven van bovengenoemde tankval, die nog over de gehele breedte van de weg moest worden uitgegraven. Men had ons vroeger medegedeeld, dat in geval van oorlog 100 arbeiders deze tankval zouden komen graven. Doch deze kwamen nu niet, zodat wij het zelf probeerden te doen. Het resultaat was, dat hij op geen stukken na klaar kwam.
Terwijl ik daar bezig was zag ik opeens een aantal van mijn paarden de weg oversteken in wilde galop. De paardenhouders vertelden, dat de dieren door een luchtgevecht vlak boven hun hoofd waren opgeschrikt en zich hadden losgerukt. Er waren er 17 van door. Hiervan werden er zeven opgevangen, waarvan er één door prikkeldraad gelopen was, en zo een diepe beenwond had opgelopen. Enige kilometers in de richting ARNHEM werd nog een schimmeltje aangetroffen en teruggebracht. Wachtmeester KATUIN trachtte nog met een auto de paarden in ARNHEM op te halen, maar hij werd krijgsgevangen gemaakt.”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Het peloton trok in eskadronsverband terug naar de oordrand van Ede en had een vreemde ontmoeting met een aantal ‘mannen’[1]:
“Om ongeveer 12.00 trokken wij op bevel van den eskadronscommandant ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP terug op EDE, alwaar wij een nieuwe stelling innamen, namelijk aan den kunstweg EDE-DE KLOMP, bij kilometer paal 7. Ik bezette met mijn peloton een lijn, lopende vanaf kilometerpaal 7, 200 meter in zuidelijke richting. Ik kreeg opdracht daar in stelling te blijven, totdat ik bevel kreeg terug te trekken. Intussen kwamen veel troepen langs de kunstweg , terugtrekkend op DE KLOMP. Op een gegeven moment kwam een 50-tal mannen, die van verre veel leken op een aantal tuchthuisboeven in gesloten colonne aanmarcheren. Zij waren ongewapend, gekleed in stalkleding, hadden kaalgeschoren hoofden en deels geen schoenen. Wij begrepen niet wat het kon zijn, doch vuurden niet, omdat de pelotons aan de linkerkant van de weg niet vuurden. Later vertelden men, dat het ontvluchtte Polen waren. Het bevreemdde, dat zij daar zonder geleidde marcheerden. Na enige tijd merkte ik niets meer van eigen troepen, behalve een vechtwagen…die nog op de weg stond. Tenslotte kwam tegen 18.00 een wachtmeester van ons eskadron met het bevel van ‘zo snel mogelijk terugtocht’ brengen. Op de terugtocht passeerden wij de ‘Polen’, die ik Duits hoorden spreken en zich haastten achter de linie te komen. Tegen het donker bereikten wij DE KLOMP, en bereikten met de andere pelotons te 22.00 LEERSUM, waar het eskadron bivakkeerde in een bos.. nabij de Graftombe. De paarden werden afgezadeld.”
[1] NIMH archieven, 409-503-017

Zoals opgedragen hadden de in derde lijn gepositioneerde eskadrons van 4RH stellingen betrokken in een wijde boog om Ede. 1-4RH (te paard), onder leiding van ritmeester K.G.A. Feist, lag in de bosrand aan de westzijde van de Ginkelse Heide, tussen de verkeersweg en de spoorlijn. Het eskadron was versterkt met één van de twee pelotons pantserwagens. In de late middag van 10 mei werden ongeveer vijf Duitse pantserwagens gezien.[1] De stellingen van het eskadron kwamen onder artillerievuur te liggen en Duitse eenheden naderen in gevechtsformatie over de Ginkelse Heide. Het lukte om de Duitse eenheden op afstand te houden. Evenals de andere eskadron kreeg ook 1-4RH aan het begin van de avond het bevel om terug te trekken achter de Grebbelinie en via de Klomp-Veenendaal naar het Regimentsverzamelgebied in Leersum te gaan. Ritmeester Feist vertelt over deze dag[2]:
“Bij de reveille te 04.00 bevonden zich zeer vele vliegtuigen boven de kazerne. Met het oog op eventueele luchtaanvallen kregen pelotonscommandanten opdracht hun pelotons te verzamelen in het bosch Oost van de kazerne, en elke man die gereed was, daar heen te sturen. Enkele lichte mitrailleurs waren in stelling gebracht. Nadat de pelotons gereed waren kregen ze opdracht naar hun gevechtsopstelling te gaan. 1-4RH had opdracht de kunstweg EDE-ARNHEM ter hoogte van paal 10 af te sluiten en stelling te nemen aan Oost Zijde bedekte terrein ‘SIJSELT.’ Toegevoegd was één peloton pantserwagens. De opstelling was als volgt: één peloton aan weerszijden kunstweg Ede-Arnhem, een groep aan Noordrand bedekt terrein Sijselt (nabij ‘Twaalf Apostelen’), het peloton pantserwagens met de beide mitrailleur groepen in Oostrand bedekt terrein SIJSELT; één peloton nabij paal 79,5 aan den spoorbaan Ede-Arnhem en een peloton nabij paal 79 van genoemde spoorbaan. Wielrijders patrouille Zuid van station EDE en een groep in reserve in bedekte terrein SIJSELT. Gedurende de ochtend en een deel van de middag waren slechts vijandelijke vliegtuigen boven de stelling. Omstreeks 14.00 echter meldden burgers dat parachutisten geland zouden zijn nabij Panorama Hoeve. Bevestiging hiervan is niet gekregen. Te 17.45 werd de navolgende mondelinge opdracht ontvangen van C.-4RH: 4-4RH neemt stelling Zuid van station EDE t/m spoorbaan EDE-ARNHEM. 1-4RH zal aansluiting krijgen met dat eskadron door het terugnemen van de troepen die de Oostrand bedekte terrein bij SIJSELT hebben bezet, tot in het bedekte terrein. Eén peloton naar paal 9 kunstweg EDE-ARNHEM.
[1] De vraag is of dit Duitse pantserwagens waren, of dat eigen pantserwagens voor Duitse werden aangezien.
[2] NIM archieven, 409-503-003

Hierop gaf C.-1-4RH aan zijn ondercommandanten het volgende bevel:
Peloton pantserwagens neemt terrein ZUID SIJSELT, langs spoorbaan, waar, teneinde vijandelijke pantserwagen en vijandelijke afdelingen die vanuit Zuidelijke richting deze spoorbaan overschrijden, aan te vallen. Een peloton dat Oostelijke rand SIJSELT bezet had ter hoogte van paal 79 van de spoorbaan, kreeg opdracht in het bedekte terrein bij SIJSELT terug te gaan tot aansluiting verkregen werd met 4-4RH. Het peloton dat zich bevond bij paal 79,5 kreeg opdracht zich te begeven naar paal 9 aan den kunstweg EDE-ARNHEM, front Oost. De wielrijders patrouille kreeg opdracht aan te sluiten bij commandopost 1-4RH. Het teruggaan van het peloton pantserwagens en het peloton bij paal 79,5 heeft niet dadelijk plaats gevonden doordat de vijand op het moment waarop mijn order hen bereikte, begon op te dringen. Bovendien kwam het bericht dat deze order werd ingetrokken door C.-4RH. Dit bericht kwam tegelijk met het bericht tot teruggaan. Te 18.00 bericht van vóór peloton ontvangen dat vijandelijke troepen in het vóórterrein zijn. Even later werden vijandelijke pantserwagens gemeld nabij het boschperceel ‘de Ginkel’, waarschijnlijk vijf stuks. Van evacueerende bevolking werd vernomen dat RENKUM was bezet door ongeveer 200 Duitschers in autobussen; hierbij zouden zich ook pantserwagens bevinden! Te 18.20 werd artillerie vuur ontvangen vanuit de richting Zuid Ginkel. Waarschijnlijk was dit vuur uit 3,7 cm geschut. Tevens melding dat sterkere vijandelijke afdelingen naderden in tirailleur linie over de Arnhemse heide. Te 18.30 kreeg 1-4 RH de navolgende opdracht: terugtrekken richting DE KLOMP. Deze order is onmiddellijk daarop door mij doorgegeven aan de onderdeelen, behalve aan het 4e peloton, dat de terugtocht van het eskadron moest maken. Door het snelle oprukken van den vijand langs de kunstweg EDE-ARNHEM, dreigde dit peloton afgesneden te worden. Daarom gaf ik opdracht aan het eskadron af te marcheeren richting DE KLOMP, en haalde zelf het laatste peloton op. Bij de terugtocht hiervan bleek de vijand reeds zware mitrailleurs en licht geschut geplaatst te hebben Zuid van de nieuwe kazerne bij ‘De Langenber’g, zoodat wij van dichtbij bevuurd werden en de takken boven ons werden afgerukt. In een ren galop gelukte het echter zonder verliezen dekking te vinden. Het eskadron is te LEERSUM weer geheel verzameld geworden.”
Pelotonscommandant J.J.L van de Lijnden (2-1-4RH) vertelt over deze dag bij 1-4RH[1]:
“…De bepakking hing klaar achter de paarden. Om 03.00 gewekt met hevig luchtafweergeschut. We kregen order om gereed te maken om 05.30 uit te rukken. Om 04.30 Duitsch vliegtuig scheert over de kazerne heen; piloot wuift met hand. Daarna mitrailleur opgesteld tegen luchtdoelen. Troep zeer rustig, eten, inpakken, realiseert werkelijkheid niet. Gestraften uit de cel. 06.00 stelling ingenomen. Ontelbare vliegtuigen de hele dag. 1 zeer laag vliegend. Erop geschoten met karabijnen. Paarden 8 van 6 jaar, zóó van het depot. Ongetraind. Speelgoed.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Het peloton van luitenant van de Lijnden kreeg opdracht om een opstelling bij de spoorwegovergang zuid van Ede in te nemen. Deze opstelling werd later op de dag (na terugkeer vooreskadrons) overgenomen door 4-4RH.
Zijn peloton heeft een vreemde ontmoeting met Polen:
“30 Polen, kaderklasse. Ontsnapt 9 mei bij grens, komen langs spoorlijn. Zeer model. Willen via UTRECHT naar ENGELAND. Korporaal en één man begeleiden hen richting EDE. En moeten ze koeien evacueren: “Koeien in de weiden bij EDE, moesten naar WAGENINGEN. Halverwege bericht vijand reeds in WAGENINGEN, BENNEKOM. Wij reeds terug. Koeien in bosschen. Evacuees. Niet groote stroom; enkele uit RENKUM-EDE, ook EDE-ARNHEM. Omstreeks 10.30 berichten: vijand reeds in ARNHEM, requiseert auto’s en nadert EDE.”
Tijdens de terugtocht raakt nog een huzaar van zijn peloton gewond aan het hoofd doordat hij tijdens de galop een boom raakte. De twee man die de Polen naar EDE begeleiden meldden zich later op ‘gevorderde’ fietsen terug bij zijn peloton. De luitenant van Lijnden vertelt verder over de terugtocht te paard van 1-4RH[1]:
“Kunstweg EDE-UTRECHT in Westelijke richting. Door VEENENDAAL, binnendoor naar LEERSUM (over brug ROODE HAAN). Sprongsgewijs werd in den rug beveiligd….Met moeite werd personeel dat de asperge hindernis moest stellen, ervan weerhouden ook de laatste erin te zetten. Om dit te voorkomen stuurde de eskadronscommandant onmiddellijk een luitenant per motor. Er was nu nog slechts ruimte voor één paard. De pantserwagens konden er niet meer door, zijn den volgende dag nog op ander manier binnengekomen. Hele regiment in één lange colonne over. Niet over weg begroeid met bomen, zodat van boven geen zicht, maar midden door de weiden. Rit door brandend VEENENDAAL. Infanterie soldaten liepen rond met armen vol flesschen en conserven (uit brandende winkels). Grebbelinie was goed onder water, maar zag er klein en speelgoedachtig uit. Bij HOOGE BRUG bij ROODE HAAN: vliegtuigen zeer hoog. Opeenhoping twee eskadrons huzaren (1-4RH en ME-4RH). Onmogelijk nu te dekken. Ter plaatse stil gestaan. Vliegtuigen gaan verder. Bosschen zijn vol loeiende koeien… Paarden zeer moe. Bivak in bosch bij LEERSUM..”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Het peloton pantserwagens in De Sijselt (4e peloton, afkomstig van 2e eskadron Pantserwagens, maar nu ingedeeld bij 4RH) dat moest samenwerken met 1-4RH ontving het terugtocht bevel echter niet en is in de nacht op eigen initiatief via de Klomp teruggekeerd. Dit pantserwagenpeloton stond onder bevel van reserve 2e luitenant A.A. Moolenburgh. Deze stuurde een motorordonnans naar het hoofdkwartier van het 4RH in Hotel Pension de Langenberg om poolshoogte te nemen. De motorordonnans werd onderweg gevangengenomen. Een tweede ordonnans constateerde al Duitse eenheden in Ede. Het besluit om in de nachtelijke uren (zonder coördinatie met de in de omgeving bevindende andere eenheden) was opmerkelijk en niet zonder risico. Luitenant Moolenburgh vertelt over zijn acties en zijn besluiten van de 10e en 11e mei[1]:
“In de nacht van 9 op 10 mei vertrokken van APELDOORN naar EDE om zich te stellen onder de bevelen van C.-4RH. Een opstelling ingenomen aan de Westrand van de GINKELSCHEI HEI tusschen EDE en ARNHEM. Te 16.00 kwam het bevel te blijven patrouilleren tusschen EDE en de GINKELSCHE HEIDE Noord langs de spoorlijn (= dit is in het bosgebied DE SIJSELT). Dit werd gedaan zonder verdere bijzonderheden. Te 20.00 werd een nachtopstelling ingenomen, in de nabijheid van de Jan Willem Friso kazerne. Hiervan werd bericht gezonden naar de commandopost van 4RH, welke bericht niet overkwam wegens gevangenneming van den ordonnans. Een tweede ordonnans werd uitgezonden, tevens om te verkennen of de commandopost reeds teruggetrokken was. Deze ordonnans meldde mij om 22.00 dat er niets meer bij ‘De Langenberg’ te zien was en dat het Regiment geheel teruggetrokken was. Besloten werd om in de opstelling te blijven om bij het aanbreken van den dag via DE KLOMP terug te gaan naar 4RH. In het voorterrein werden velerlei soorten lichtsignalen waargenomen. Te 02.00 kwam een dermate artillerievuur, waarvan niet te constateeren was, of het van eigen of vijandelijke artillerie afkomstig was, dat besloten werd er onder uit te krijgen en te trachten DE KLOMP te bereiken. De wagen 19 zakte direct weg in een gat, waar hij ook met behulp van een andere wagen niet uit kon komen, zoodat wegens het vuren en de hevige duisternis de wagen werd achtergelaten met een motorfiets die geheel stuk was geschoten. De bemanning ging over in de 23. De 20 ging een half uur later terug, daar de bemanning de uitwerking van het bombardement afwachtte in de Johan Willem Friso kazerne. Te 07.00 werd DE KLOMP bereikt, na het afbreken en weer opbouwen van verschillende hindernissen en langs omwegen langs verschillende asperges. Bij DE KLOMP werden we door eigen troepen over de spoorweg geholpen en via VEENENDAAL bereikten we om 12.00 LEERSUM, waar zich na navraag het Regiment bevond, waarbij ook 3-2 E. Paw. (= andere pantserwagenpeloton ingedeeld bij 4RH).”
[1] NIMH archieven, 409-503-019

In de Duitse Division Geschichte worden de gevechten bij Ede ook genoemd[1]:
“Die 15./DF, zur Aufklärung gegen Ede und ostwärts angesetzt, meldet starke Feindkräfte in die Flanke (= een element van deze eenheid stuitte vermoedelijk op de achtergebleven patrouille van Limburg Stirum). Das kann sich unangenehm auswirken, da die Bataillone der 207. Infanterie-Division noch nicht aufgeschlossen haben. In den Abendstunden des 10. Mai werden alle Teile des Regiment im Raum Renkum zusammengezogen”.
[1] Divisions Geschichte Das Reich, Band I
Het 2e eskadron (2-4RH), onder leiding van ritmeester A.M.C. Mazel, lag in stelling in de tussen de kunstweg Ede-Arnhem en de weg Ede-Lunteren in de omgeving van het zogenaamde ‘Doolhof.’ Hij vertelt ons[1]:
“Op 10 mei om ongeveer 04.00 bevel ontvangen in de Jan Willem Friso kazerne te EDE dat graad 4 is ingetreden. Het eskadron maakte zich onmiddellijk gereed voor den afmarsch. Om 04.00 kwam het eerste bevel van C.-4RH: bezet met uw eskadron versterkt met een sectie zware mitrailleurs en een peloton pantserwagens, een opstelling in den Oos rand Eder Bosch van viersprong zandwegen Oude Kreilsche weg zandweg Oostrand Eder Bosch tot rijwielpad en houdt aldaar tot nader order stand. Om 17.15 ontving ik het tweede bevel: trek met uw eskadron zoo spoedig mogelijk terug langs opgegeven terugtocht weg. Nabij VELDHUIZEN wordt opdracht ontvangen te marcheeren naar bedekte terrein Noordwest LEERSUM (Oost Breedeveen). De pelotons en de sectie mitrailleurs verzamelden zich nabij ‘Doolhof’. Het peloton pantserwagens was te 16.45 gedirigeerd door C.-4RH op den driesprong bij ‘De Langenberg.’ Van de verzamelplaats weggereden te 17.50 uur. Aankomst bedekte terrein Noordwest LEERSUM te 23.00. De sectie mitrailleurs heeft zich onderweg bij het mitrailleur eskadron terug gemeld.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005

2-4RH had dus ook een pantserwagen peloton onder bevel gekregen. Dit was het 3e peloton van het 2e eskadron Pantserwagens (3-2 E. Paw.) onder bevel van 1e luitenant H. Meijer. Het peloton werd in het noorden van Ede ingezet. Aan het einde van de dag werd het peloton pantserwagens, weggehaald bij 2-4RH en bij 2-3RH onder bevel gesteld, die intussen in opstelling was gekomen aan de weg Ede-Arnhem, tussen 2-4RH en 1-4RH in. Luitenant Meijer vertelt over zijn inzet[1]:
“Op 10 mei om 03.00 bericht van C.-1RH dat ik met mijn peloton moest melden op de mij bekende commandopost van C.-4RH. Om 04.00 afmarsch met 3-2 E. Paw., aankomst op commandopost C.-4RH. Onderweg vele vliegtuigen, die zich in Oostelijke en Westelijke richting begaven. Om 07.00 bevel van C.-4RH: Neem met uw peloton een opstelling in aan den rand van de heide tusschen De Driesprong en De Langenberg. Treedt voornamelijk op als pantserafweergeschut. Stel u in verbinding en werk samen met C.-2-4RH. Te 07.20 opstelling ingenomen nabij De Driesprong met twee wagens en de beide k.w. (?) in den richting van OTTERLOO en HOENDERLOO bestreken en de 3e wagen opgesteld in de boschrand Noordwest van De Driesprong, de motor mitrailleurgroep verlengt de rechtervleugel van het peloton. Te 15.45 bevel van C.-4RH: Verken de kunstweg EDE-ARNHEM tot de Koningsweg. Te 16.00 patrouille van één wachtmeester en drie man per motorrijwiel marcheert af en keert terug met het volgende bericht[1]: “Op kunstweg EDE-ARNHEM op ongeveer 200 meter West van PLANKEN WAMBUIS onder vuur genomen door vijandelijke afgestegen motorrijders. Deze naderden langs den kunstweg richting EDE op het rijwielpad.” Te 18.30 verzamel uw peloton en bescherm mijn commandopost tegen vijandelijk pantserwagens die naderen langs den kunstweg en die zich reeds in de bosschen nabij EDE bevinden (= gemeld door 1-4RH en burgers). Te 19.00 aangekomen bij de commandopost van C.-4RH. Deze was rechter reeds verlaten. Geen vijand contact. Te 19.15 teruggetrokken en verband opgenomen met C.-2-3RH ter versterking der achterhoede stelling. Te 19.20 bevel van C.-4RH stel u onder bevel van C.-2-3RH. Te 19.30 sprongsgewijs de aftocht der terug trekkende troepen dekkende. Dekkend teruggetrokken bij de versperring één wagen achtergelaten ter bescherming van de bezetting der versperring. Om 20.15 kreeg ik bevel van C.-4RH om den staf te beveiligen tegen luchtaanvallen op de terugtocht. Dit bevel is uitgevoerd. Om 21.00 aangekomen te LEERSUM en kwartier betrokken te BROEKHUIZEN. De achtergelaten pantserwagen heeft zich teruggemeld.”
[1] De patrouille moet langs de post van kornet van Limburg Stirum (2-3RH) gekomen zijn, die omstreeks dit tijdstip nog in leven had moeten zijn. Vreemd dat er geen contact is gelegd.
[1] NIMH archieven, 409-503-018
Het 6e eskadron (6-4RH) onder commando van reserve ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford, beveiligde de uiterste noordflank van Ede in de lijn Meulunteren, Wekerom en Roekel. Op 10 mei was hier geen gevechtscontact. Na de achterwaartse doorschrijding van de voorste eskadrons verplaatste ook 6-4RH zich naar het verzamelgebied in Leersum. Ritmeester Quarles van Ufford vertelt hierover[1]:
“Om 04.00 ontving ik het bevel in de Mauritskazerne te EDE van C.-4RH: voer uw oorlogsopdracht uit, opruimingen en vernielingen aanbrengen. Het 1e peloton marcheert de 04.15 af naar ROEKEL en voert zijn opdracht uit. 2e Peloton minus 1 groep en 3e peloton marcheeren af naar het HOORNISNEST en voeren hun opdracht uit. Een groep van het 2epeloton bezet de Otterlooscheweg-zandweg aan den boschrand Oost. 4e peloton marcheert af naar MEULUNTEREN en voert daar zijn opdracht uit. De vernielingen en versperringen konden ongestoord tot stand gebracht worden. Bij de uitvoering der vernielingen verloor de kornet C. BARON DE VOS VAN STEENWIJK (= 2e peloton) door een ontijdige ontploffing het leven. Te 11 uur werd van C.-4RH het tweede bevel ontvangen: Trek met uw eskadron terug naar LUNTEREN en sluit den weg LUNTEREN-EDE af. Het 1e, 2e en 3epeloton trokken terug langs de Lijkweg naar MEULUNTEREN alwaar 4e peloton zich bij hen voegde. Het eskadron marcheerde naar LUNTEREN en bezet de Driesprong van kunstwegen Zuid van DOESBURG. Na doortocht der bereden eskadrons marcheerde 6-4RH langs kunstweg EDE-LUNTEREN-SCHAAMSTEEG-MEIJKADE kunstweg richting EDERVEEN-DE KLOMP en kwam aldaar binnen de hws (=hoofdweerstandstrook). Vandaar werd verder gemarcheerd naar LEERSUM, alwaar tot legering werd overgegaan. Behalve vliegtuigen werd dien dag geen vijand gezien en werd niet op vijand gevuurd. Bij het HOORNISNEST werd uit een laagvliegend vliegtuig mitrailleur vuur ontvangen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-009
In een later rapport vertelt hij over moeilijkheden bij het passeren van de hoofdweerstandstrook[1]:
“Ik heb zelf hooguit tien minuten in de (opname) stelling gelegen. Toen was alles doorgetrokken en mijn taak ten einde. Ik stuurde toen de mij toegevoegde pantserafweergeschut langs den grooten kunstweg naar DE KLOMP en leidde mijn eskadron via SCHAAMSTEEG-MEIJKADE naar EDERVEEN. Ik kon langs deze weg het pantserafweergeschut niet bij mij houden ter rugdekking daar mij bekend was dat de brug die ik over moest gesprongen was en het land opzij met landmijnen was belegd. De pioniers die deze brug hadden laten springen hadden eenige plaatsen volgens afspraak klaar gelegd waarlangs ik de beek kon passeeren. Bij EDERVEEN waren de asperges volgens mijn afspraak nog niet gesteld en is hiermee gewacht tot mijn eskadron binnen was. Mijn eskadron kwam dus niet langs de groote straatweg bij DE KLOMP doch bij EDERVEEN in de hoofdweerstandslinie. Ik was het laatste eskadron dat binnen kwam.”
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Kornet Jhr. Mr. E. van Lennep was commandant van het 3e peloton van 6-4RH. Hij schrijft hierover[1]:
“Om 04.00 in opdracht van de eskadronscommandant vernielingen aangebracht bij het HOORNISNEST (kaartvierkant 37-58). Telefonisch en door middel van ordonnansen verband opgenomen met luitenant SIMON THOMAS van 1RH (= noordelijk neveneenheid) die zijn opstelling had bij VALK (kaartvierkant 34-59). Telefonische contact werd verbroken door de vernielingen. Bij het aanbrengen van de vernielingen kwam de pelotonscommandant 2-6-4RH, de kornet C. BARON DE VOS VAN STEENWIJK om het leven. Ik heb het commando van dit peloton overgenomen. De burgerarbeiders hebben zich tijdig gemeld, zoodat alle wegdoorgravingen behoorlijk konden worden voltooid. Omstreeks half negen vuur ontvangen uit laagvliegend vijandelijk vliegtuig. Wij vuurden terug met lichte mitrailleurs. Gezegd werd dat het vliegtuig ongeveer vijf kilometer verder gedaald was. Omstreeks 12.00 uur in opdracht van de eskadronscommandant terug naar LUNTEREN waar andere pelotons reeds waren. Omstreeks 16.30 bij zuivelfabriek (kaartvierkant 31-51) tezamen met andere pelotons. Terugtocht gedekte van bereden eskadrons van 4RH. Hierna terug op LEERSUM alwaar tot legering werd overgegaan.”
[1] NIMH archieven, 409-503-012
Kornet Baron de Vos van Steenwijk sneuvelde dus doordat hij een niet ontplofte vernieling ging inspecteren. Op het moment van zijn inspectie kwam de trotyl alsnog tot ontploffing. In zijn militaire Staat van Dienst staan zijn verwondingen: ‘verwonding door explosie, hoofd en gehele bovenlichaam onherkenbaar verminkt, rechter arm verbrijzeld, vele brandwonden.’[1]
[1] Het zwaar verminkte stoffelijk overschot van de kornet Baron de Vos van Steenwijk werd met een draagbaar (klimmend over de omgeblazen bomen) naar de deel van boerderij Het Laar gebracht, boerin Schols gaf een laken om het af te dekken. Om 10 uur werd het stoffelijk overschot naar het veldhospitaal in Driebergen getransporteerd. Op 11 mei werd hij begraven in een oorlogsgraf op de Algemene Begraafplaats in Driebergen. Na het overlijden van zijn vader werd de kornet Baron de Vos van Steenwijk in 1964 herbegraven en bijgezet in het familiegraf op de gemeentelijke begraafplaats in IJhorst vlakbij het familielandgoed Voorwijk (in Drenthe).
Eerste luitenant J.L. Hollertt (E. Pag) over de inzet van het bij 6-4RH ingedeelde stuk pantser-afweergeschut[1]:
“Trekker No.4 vernietigd door eigen artillerie vuur. 08.00 de bedieningsmanschappen van dit stuk zijn afgemarcheerd en nabij VEENENDAAL onder vuur van eigen troepen de voorpostenstrook binnengekomen en vandaar na twee uren te hebben gewacht medegereden met pantserwagen van wachtmeester ROSSIER naar LEERSUM.”
[1] NIMH archieven, 409-503-013
Op de commandopost van 4RH was om eerder om 11.00 een bevel binnengekomen om één eskadron ter beschikking te stellen van de Territoriale Bevelhebber Oost (TBO). Hiervoor wilde men 4-4RH aanwijzen, die ter beschikking van het regiment al aan het terugkeren was naar de Ede om de zuidrand van Ede regdekking te kunnen geven en om eventueel verkenningen uit te voeren richting Bennekom en Renkum in verband met de sterke vijandruk op het rechter vooreskadron 5-4RH. Om 11.55 kwam echter een tegenbevel dat deze terbeschikkingstelling aan TBO niet doorging. 4-4RH was na zijn terugtocht via Otterlo in de zuidrand van Ede in stelling gebracht, aansluitend op 1-4RH. Ritmeester Beijma thoe Kingma (1-4RH)[1]:
“Om ongeveer 17.45 ontving ik de opdracht om met mijn eskadron langs de spoorbaan via DE KLOMP naar LEERSUM te marcheren. Om 18.00 marcheerde het eskadron af en om 20.30 meldde ik me te LEERSUM bij C.-4RH.”
[1] NIMH archieven 409-503-006
Het vierde peloton van 4-4RH had opdracht om de spoorwegovergang ten westen van Ede te beveiligen. Luitenant Pierson, commandant van het 4e peloton[1]:
“Opdracht naar het Station EDE te gaan en de Zuid uitgangen van EDE af te sluiten. Dit wordt uitgevoerd en men wacht verder af. De stemming van de troep is uitstekend, hoewel er nog geen tijd is geweest voor eten. Telkens gaan nu enkele menschen wat halen bij burgers, want het ziet er naar uit dat de keukenwagen niet meer komt. De overigen turen naar de vliegtuigen, die overkomen en maken elkaar wijs dat ze telkens Engelsche machines zien. Deze gedacht geeft hoop en werkt daarom gunstig. De bewoners van EDE beseffen nog niets van het gevaar dat hun boven het hoofd hangt. Ze halen de theetafel naar buiten, om toch vooral niets van het schouwspel te missen. Politie moet komen om de menschen die daarom zeer ontstemd zijn, in huis te krijgen. Omstreeks 18.30 krijgt het 4e peloton, opdracht op te pakken en aan te sluiten aan de staart van het eskadron, dat langs de spoorbaan EDE-DE KLOMP marcheert naar het Westen achter de Grebbelinie. Over VEENENDAAL begeeft het eskadron zich naar LEERSUM en overnacht daar in de bosschen.”
[1] NIMH archieven 409-503-006
Rond 17.00 kreeg luitenant Fentener van Vlissingen van ME-4RH bevel om met drie van zijn zware mitrailleur secties (1e, 2e en 4e[1]) de terugtocht weg van het Regiment naar Leersum te beveiligen tegen luchtaanvallen. Eén sectie moest de terugtocht dekken door de kunstweg naar Velthuizen af te sluiten. De commandogroep kreeg tegelijkertijd opdracht om versperring aan te leggen op de kunstweg naar Velthuizen. Luitenant Fentener van Vlissingen[2]:
“De commandogroep legt versperring aan op de kunstweg naar VELTHUIZEN. Het 1e peloton in stelling gebracht op de driesprong van de weg EDE-DE KLOMP. De 4e sectie in stelling tegen luchtdoelen. Nadat het Regiment gepasseerd was trok het eskadron terug naar LEERSUM.”
[1] De 3e sectie zware mitrailleurs van ME-4RH was met 5-4RH via Wageningen intussen de Grebbelinie gepasseerd en op weg naar Leersum
[2] NIMH archieven, 409-503-014
Er was ook een sectie rupspantserwagens van het Korps Rijdend Artillerie ingedeeld bij 4RH. Hun commandant was reserve 1e luitenant der Rijdende Artillerie Jhr. W. van Andringa de Kempenaer. Zijn rupspantserwagens werden ingezet ter beveiliging van de regimentscommandopost. Hij vertelt[1]:
“De 2e sectie Rupspantserwagens, gemobiliseerd bij het KRA te ARNHEM, werd door mij op den dag der concentratie te Ede overgenomen van den Res. 1e luitenant KRA BREDT. Tot den 1 mei is de sectie ingedeeld gebleven bij II. Verk. A. (=2e Verkennings Afdeling; vanaf 1 mei tot de demobilisatie bij het 4RH, dat de taak der II. Verk. A. op dien dag heeft overgenomen. Afwisselend werd gelegerd in EDE en ARNHEM. Toen op 10 mei des ochtends de oorlog uitbrak heeft de sectie na tijdige alarmeering (reeds om half 12 van den vorigen avond werd ik tot een bespreking in verband met den verscherpten toestand opgeroepen) stelling genomen op den Langenberg, ten oosten van EDE. De rupspantserwagens werden opgesteld ter weerszijden van het café ‘De Langenberg’ ter directe beveiliging hier, daar het diende als commandopost van luitenant-kolonel commandpost 4RH met staf. Toen tegen de vroege avond de Duitsche troepen, althans de voorposten hiervan ‘De Langenberg’ waren genaderd, en de terugtocht op DE KLOMP-LEERSUM een aanvang nam, heb ik, na reeds in den voormiddag de ordonnansen en oplaadwagens naar LEERSUM te hebben weggezonden, de terugtocht der overige onderdeelen gedekt. Achter mij zijn nog teruggetrokken de groote pantserwagens van het 2e E. Paw. Telkenmale is opnieuw halt gehouden en front gemaakt naar den vijand die echter niet tot achtervolging is overgegaan en zich blijkbaar tevredenstelde met den 10 mei het dorp EDE te bezetten. De nachts te 10 uur werd door de sectie zonder verdere bijzonderheden het dorp LEERSUM bereikt, alwaar de oplaadwagens en ordonnansen werden teruggevonden en de nacht werd doorgebracht. Sectie werd gestald in een garage, terwijl het personeel onderdak vond bij een bakkerij daar tegenover gelegen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

4RH bestond niet alleen uit gevechtseenheden. Ook ondersteunende eenheden hadden een taak te vervullen. De verbindingsafdeling (Vbd.A.) moest verbindingen onderhouden naar de eskadrons en naar de commandopost van II LK. Tweede luitenant W.F.A. de Beaufort schrijft over de inzet van zijn Vbd.A. 4RH op 10 mei[1]:
“In den vroegen morgen commandopost Langenberg bij EDE bezet. De telefoongroepen uitgezonden naar 2, 5 en 6-4RH en 2-3RH. De optische sein sectie naar 4-4RH gestuurd ter bediening van telefoon. De centrale te EDE bezet. Radiosectie opgesteld in verbinding met II LK. Te circa 18.00 bevel gekregen terug te trekken op DE KLOMP. Vandaar te 19.30 afgemarcheerd naar LEERSUM en in boschperceel overnacht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Om de gewondenafvoer de regelen waren er meerdere inlaadpunten vastgesteld (o.a. in Ede), terwijl de hoofdverbandplaats te Driebergen was geplaatst. Over de inzet van geneeskundige dienst schrijft de reserve Officier van Gezondheid 1e klasse, A. J. van Ravenswaay[1]:
“Om 05.00 telefonische informatie aan het bureau C.-4RH ontvangen van uitvoering 4e graad van strijdvaardigheid. 05.15 overeenkomstig het eerder uitgegeven bevel voor de Geneeskundige Dienst begeven zich de gewondenauto’s en het geneeskundige personeel naar de onderdeelen, die hun waren aangewezen. De verschillende hulpposten werden door het daartoe aangewezen geneeskundig personeel betrokken. Het inlaadpunt te EDE onder bevel van den Officier van Gezondheid 2e klasse K. BIJLSMA. De regimentsarts begeeft zich naar de commandopost van C.-4RH en neemt de leiding der geneeskundig verzorging op zich. In den loop van den ochtend maakt de regimentsarts enkele inspectietochten langs de verschillende hulpposten, verzorgt de kornet DE VOS VAN STEENWIJK, die gesneuveld is en verzorgt o.a. de eskadronscommandant 5-4RH, die gewond is…..Per gewondenauto wordt het stoffelijk overschot van kornet DE VOS VAN STEENWIJK overgebracht naar de Hoofdverbandplaats te DRIEBERGEN. Enkele malen werd in de loop van den dag op het inlaadpunt en de hulpposten hulp verleend aan gewonden. Toen het bevel voor den terugtocht uit EDE werd gegeven, werd het inlaadpunt opgeheven. De daar nog aanwezige gewonden, wier toestand het niet noodzakelijk maakte, dat ze per gewondenauto onmiddellijk afgevoerd werden, zijn per autobus in de colonne meegevoerd…..Vanuit DE KLOMP werd de autobus met gewonden doorgestuurd naar de Hoofdverbandplaats te DRIEBERGEN met bevel zich onmiddellijk na aflevering der gewonden te LEERSUM bij den regimentsarts te melden. Hetgeen geschied is. Legering te LEERSUM.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Algehele toestand aan het einde van de dag van 10 mei
Door de terugtocht van 4RH moesten ook de noordelijke huzaren regimenten (1RH en 5RH) hun stellingen op de Veluwe loslaten. Deze eenheden vielen ook terug op meer westwaarts gelegen stellingen in een wijde boog om Amersfoort, maar lagen dus nog vóór de Grebbestelling. In het zuidelijk gedeelte hadden de Duitsers in de nacht van 10 op 11 mei intussen het 368e Infanterie Regiment (van de 207e Infanterie Divisie) aangetrokken en Ede laten bezetten. Het 322e Regiment was intussen aangetrokken naar Bennekom. Opmerkelijk is dat de Duitsers in de Division Geschichte van SS Regiment ‘Leibstandarte’ 4RH als ‘Aufklärungs-Abteilung II’ aanduiden. Dit is redelijk juist, want de 2e Verkennings Afdeling (II. Verk. A.) was de oorspronkelijke aanduiding van 4RH voor de reorganisatie van 1 mei 1940. 4RH had overigens destijds als vredeslocatie de Boreelkazerne in Deventer en deze kazerne was één van de oorlogsdoelen van de Duitsers. Deze kazerne werd door het andere SS Regiment (‘Leibstandarte’) speciaal bezocht en bezet. Hun Division Geschichte bericht hierover[1]:
“Das verstärkte II. Bataillon (Gruppe Deventer) ..war nach überwinden der Regge-Übergänge ostwärts Enter in Rijssen auf Deventer abgedreht….Die 13. (IG-)Kompanie berichtet: Nachdem wir die ersten Häuser der Stadt Deventer erreicht haben, geht es hinein in die Stadt. Wir suchen die Kaserne und stellen dann fest, daß sie leer ist….Nach längere Verhandlung erklärt sich das Oberhaupt der Stadt zur Übergabe bereit. Am IJsselufer werden wir von rasendem MG-Feuer empfangen. An der anderen Seite erkannten wir zahlreiche Betonbunker, die besetzt waren”.
[1] Divisions Geschichte Leibstandarte, Band I

Aan het einde van de eerste oorlogsdag had 4RH haar beveiligende en vertragende taak in front van II LK. naar behoren uitgevoerd. De opgedragen vernielingen waren vrijwel allemaal gesteld en op de hoofdopmarsroute (zuid) was de Duitsers aanzienlijke weerstand geboden door 5-4RH. Zonder al te zware verliezen waren alle eskadrons van 4RH intussen via de Grebbeberg en De Klomp teruggekeerd achter de hoofdweerstandstrook, verzameld in Leersum en hoewel vermoeid, gereed voor vervolgacties. Een tiental militairen was gesneuveld, gewond of krijgsgevangen gemaakt. Daarnaast waren een pantserwagen, een stuk pantserafweergeschut en een aantal paarden verloren gegaan.

11 Mei
Gevechten in de voorpostenstrook en de eerste aanval op de Grebbeberg
Op 11 mei, de tweede oorlogsdag, zetten de Duitsers de aanval in op de Grebbeberg. De aanval werd geleid door SS Regiment ‘Der Führer’ die de hele dag nodig had om de zogenaamde ‘voorposten’ op te ruimen. Deze voorposten vormden de gevechtsbeveiliging voor de Nederlandse hoofdstelling op de Grebbeberg. De Duitsers schrijven hier zelf in hun Divisions Geschichte over:
“In der Nacht zum 11. Mai belegt der Gegner den Raum um Renkum mit heftigen Artilleriefeuer, daß sich in den Morgenstunden noch verstärkt. Die vom Regiment befohlene Aufklärung stellt fest, daß die Holländer ihre Stellungen im Walde westlich Renkum in der Nacht geräumt haben.“
De Duitsers meldden stevige gevechten in de oordrand van Wageningen. Dit is feitelijk onmogelijk omdat er op 11 mei geen Nederlandse militairen meer in Wageningen waren. Wel voerde Nederlandse artillerie beschietingen uit op de door de Duitsers bezette stad. Het regimentsdagboek[1]:
“Um 09.30 tritt das Regiment zum Angriff auf Wageningen an. Das Regiment setzte für das weitere Vorgehen zunächst die verstärkte 15. Kompanie an. Ihr folgte entfaltet dat Regiment mit I. Batl. rechts, III. Batl. links und II. Balt. dahinter im Angriff gegen Wageningen. Der Feind hatte sich an dem Ortrand Wageningen mit MG. und schweren Waffen eingenistet und leistetet hartnäckig Widerstand. Starke Straβensperren und Minefelder waren vor dem Ort gelegt. Trotzdem gelang er auch hier im festen energischen Zupacken den Gegner in kurzer Zeit vorm Ostrand zurüchkzudrängen. Schritt für Schritt kämpfte zich das Regiment durch den Ort durch. Jedes einzelne Haus wurde zu einem feindlichten Widerstandsnest, von Bäumen und aus Hecken, feuerte der Gegner, unterstützt von gut liegendem starken feindlichen Artilleriefeuer, auf den bereits in Besitz genommenen Ortsteil. Um 11.00 war die Stadt in unserer Hand. Weiter lag das Artilleriefeuer auf Wageningen en führte zur fast völligen Vernichtung der Stadt.”
[1] Kriegstagebuch SS Rgt DF, blz 4
De meldingen van het SS Regiment naar hun bovengeschikte niveau, de 207e Infanterie Divisie waren beter. 4RH was als vijand geïdentificeerd, maar nu werd Wageningen vrij van vijand gemeld[1]:
„Feind (anscheinend Aufklärungs Abteilung auf Krädern) aus Gegend Renkum kämpfend über Wageningen ausgewichen. Wageningen beim Durchschreiten feindfrei und von Zivilbevölkerung geräumt gefunden. Regiment im Vorgehend, I. Btl. Rechts, III. Btl. Links der Strasse Wageningen – Grebbe – Schleuse. II./SS-DF nordwestlich Wageningen, I./SS-A.H. nordwestlich Renkum.“
[1] Kriegstagebuch 207 Inf. Div., 11 Mai.

De Division Geschichte gaat verder over de eerste Duitse aanval op de Grebbeberg:
“Am frühen Nachmittag tritt das Regiment zum Angriff auf die Grebbeberg an….. Wieder muß in zähem Ringen Kampfstand um Kampfstand, Bunker um Bunker zum großen Teil im Nahkampf bezwungen werden. Nur langsam geht der Angriff vorwärts….. Gegen 19.00 Uhr meldet Obersturmbannführer Wäckerle[1], daß sich das III./DF mit seinem vordersten Teilen bis auf 600 Meter an die eigentliche Grebbe-Linie herangearbeit hat…… Auf Befehl van Oberführer[2]Keppler fassen alle schweren Waffen ihr Feuer erneut zusammen. Under dieser Feuerwand gelingt es den vordersten Zügen des III./DF sich gegen 21.00 Uhr an die Grebbe am Fuße des Grebbe-Berges heranzuarbeiten. Jeder weitere Versuch aber, den gewaltsamen Übergang noch in den beginnenden Nachtstunden zu erzwingen, scheitert an dem immer stärker anschwellenden feindlichen Abwehrfeuer”.
[1] Luitenant kolonel. Wäckele was commandant van het IIIe bataljon van SS Regiment DF
[2] Brigade generaal
De Duitsers zagen zich gedwongen om meer infanterie-eenheden van de 207e Infanterie Divisie aan te trekken en brachten ook meer artillerie afdelingen in stelling. Pogingen van het SS Regiment om het riviertje de Grebbe over te stekken en met een nachtaanval de Grebbeberg te veroveren, mislukten[1]:
“Das gut liegende Flach- und vor allem Steilfeuer verhindert jede weitere Annäherung an die Grebbe, und die laufend von den Holländern abgeschossenen Leuchtkugeln verhindern ein Näherbringen des Übersetzmaterials durch die Pioniere”.
[1] Divisions Geschichte Das Reich, Band I
Over de artillerie regelingen voor de vijf beschikbare artillerie afdelingen meldt de 207e Divisie[1]:
„Artillerie Regiments Kommandeur als Artillerie Kommandeur eingesetzt (IV./AR 256, II./SS AR, III./AR 207). Regiments Gefechtsstand Straβe Wageningen – Renkum, 1 kilometer ostwärts Wageningen. I./SS angewiesen auf II./SS AR, III./SS angewiesen auf III./ AR 207. IV./AR 256 bekämpft mit Flieger feindliche Artillerie Stellungen westlich Grebbe-Berg. II./AR 207 und III./AR 311 in Bereitstellung um Oosterbeek.“
[1] Kriegstagebuch 207 Inf. Div., 11 Mai

De Duitsers planden nu om hun reservebataljon links naast de hoofdaanvalas in te zetten en het zuidelijk gedeelte van de Grebbeberg te bestormen. Het regimentsdagboek[1]:
„Angesichts dieser Lage entschloss sich das Regiment, in der Nacht von 11 – 12 Mai im Schutze der Dunkelheit den Ubergang über die Grebbe und den Durchburch auf den Grebbe-Berg durchzuführen. Zu diesem Zweck wurde das II. Btl. über Wageningen Buitenwaarden vorgezogen und links vom III. Btl. zum Angriff bereitgestellt. Das III. und II. Btl. sollten gegen den Südteil des Grebbe-Berges geführt werden, während das I. Btl. nördlich der Strasse Wageningen-Grebbe gleichzeitig einen Scheinangriff gegen den Nordteil des Grebbe-Berges duchführen sollte. Gegen 03.00 Uhr musste dieser Angriffsplan jedoch aufgegeben werden, da durch das nicht enden wollende und gut liegenden, starke feindliche Abwehrfeuer jedes Annähern stärkere Kräfte an die Grebbe und auch das Vorbringen von Übersetzgerät unmöglich war. Es wurde daher befohlen, dass sich dat II. und III. Btl. von der Grebbe absetzen und die Truppe ruhen sollte.“
[1] Kriegtagebuch SS Rgt DF, blz 5 en 6
Daarentegen mislukte ook een Nederlandse pogingen om met de inzet van het reservebataljon (II-19RI) een gedeelte van de voorpostenstrook te veroveren. Deze tegenaanval kwam niet goed uit de verf door de chaotische toestand op de Grebbeberg zelf en onervarenheid van de Nederlandse soldaten. Het als desondanks als reactie afgegeven eigen artillerievuur verhinderde echter wel de bovengenoemde Duitse voorbereidingen om de Grebbeberg nog in de avond te veroveren.

4RH is legerkorpsreserve en krijgt beveiligingsopdrachten
Zaterdag 11e mei verliep voor het meerendeel van 4RH overigens relatief rustig. In de verzamelgebieden rondom Leersum en Maarsbergen werden de paarden van de bereden eskadrons omgewisseld voor fietsen. De paarden werden achtergelaten bij het 2-4RH. Deze laatste eenheid had nu de zorg voor de ongeveer 500 paarden van drie eskadrons[1]en was dus niet meer inzetbaar. Diverse pelotons van de eskadrons werden op bevel van commandant II LK. ingezet om meldingen van gelande Duitse parachutisten en noodgelande Duitse vliegtuigen te onderzoeken. In vrijwel alle gevallen waren het echter valse meldingen. Ritmeester Feist (1-4RH) had opdracht gekregen om met zijn eskadron eventueel gelande parachutisten bij Maarn aan te vallen[2]:
“Ik kreeg de beschikking over een commando auto teneinde ter verkenning vooruit te gaan. 1-4RH volgde onder oudste luitenant en bereikte te ongeveer 13.00 MAARN. Tevens was het bericht gekomen dat een vijandelijk vliegtuig gedaald was in de richting AUSTERLITZ en werden twee pelotons ter verkenning uitgezonden. Niets werd gevonden. Ik ging met enkele manschappen per auto op onderzoek uit. Nabij hotel ‘Austerlitz’ werd vernomen dat bedoeld vliegtuig vermoedelijke nabij WASWATER was gedaald. Daar aangekomen zagen we parachutisten in zwart leren pakken[1] die voor ons weg vluchtten in de richting STERRENBOSCH. Hoewel wij op hen schoten, gelukt het hun in de dichte bosschen weg te komen. Te ongeveer 16.00 heb ik één peloton, plus wielrijders patrouille te voet doen verkennen in zuidelijke richting West kunstweg MAARN – HUIZE MAARSBERGEN, daar nabij deze weg meerdere parachutisten gemeld waren. Te ongeveer 19.00 zijn deze afdeelingen zonder resultaat teruggekeerd. Daarna is gebivakkeerd in boschperceel Zuid van de spoorbaan MAARN-MAARSBERGEN.”
[1] Er waren geen Duitse parachutisten geland achter de Grebbe-stelling. Omdat Nederlandse motorordonnansen zwarte leren jassen droegen op hun motoren, werden ze vaak voor Duitse parachutisten aangezien.
[1] de paarden van zichzelf 2-4RH, 1-4RH en die van 2-3RH
[2] NIMH archieven, 409-503-003
2-3RH werd tegen gemelde parachutisten ingezet tussen Doorn en Driebergen. Ritmeester van der Voort van Zijp vertelt over zijn vergeefse zoekactie op zaterdag 11 mei[1]:
“Te plusminus 12.30 werd opdracht ontvangen om het eskadron te verplaatsen naar DRIEBERGEN, met taak: in de omgeving gelande parachutisten onschadelijk te maken. Te plusminus 13.30 werd afgemarcheerd en te plusminus 15.30 DRIEBERGEN bereikt. Onderweg werden twee pelotons aangewezen om terreinstroken af te zoeken waar parachutisten geland zouden zijn. Zonder resultaat bereikt te hebben meldden deze pelotons zich later te DRIEBERGEN terug. Omstreeks 17.30 werd opdracht ontvangen, met 2/3 van het bereden eskadron rijwielen in ontvangst te nemen op den commandopost 4RH te LEERSUM, teneinde de volgende dag met een op rijwiel bereden eskadron naar UTRECHT te marcheeren en aldaar steun te verlenen bij ongeregeldheden in die stad. Met een gevorderde auto ben ik persoonlijk naar LEERSUM gegaan om de rijwielen in ontvangst te nemen. Op de commandopost van de RC (=Regimentscommandant) vernam ik, dat de uitgegeven order gewijzigd zou worden. Ik kreeg opdracht om mij met mijn eskadron op 12 mei 08.00 te LEERSUM te melden, waarna een gedeelte van het eskadron ter sterkte van 150 man (zonder personeel ingedeeld bij de treinen) op rijwielen bereden gemaakt zou worden, ter uitvoering van de opdracht welke mij reeds verstrekt was. Hierna ben ik terug gereden naar DRIEBERGEN, alwaar het eskadron den nacht heeft doorgebracht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-016

Ook 2-4RH werd ingezet tegen parachutisten, in de lijn Dartheid naar Maarsbergen. Ritmeester Mazel[1]:
“Om 11.00 uur kreeg ik de opdracht: verplaatst uw eskadron naar MAARSBERGEN, alwaar uw onderdeel moet worden ingekwartierd. Tijdens uw mars naar Maarsbergen moet in het terrein Oost begrensd door coördinaatlijn 18 West, begrensd door den kunstweg DARTHEID-MAARSBERGEN, parachutisten gezocht worden. Hiervoor werden door mij aangewezen het 1e, 2e en 4e peloton, die zich te 13.30 terug melden bij de Rooms Katholieke Kerk te MAARSBERGEN zonder resultaat. Daarna ging het eskadron in het bedekte terrein nabij MAARBERGEN tot beveiligde legering over. Om 17.30 ontving ik een tweede bevel om met mijn eskadron op 12 mei 08.00 te melden in het bedekte terrein te DARTHEIDE.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005
4-4RH en 5-4RH kregen bovendien daarnaast de taak om een paar forten rondom Utrecht te beveiligen tegen mogelijke vijandelijke overvallen. Ritmeester Beijma thoe Kingma (4-4RH)[1]:
“Om ongeveer 16.00 melde ik het eskadron minus twee pelotons bij C. Groep UTRECHT. De twee ontbrekende pelotons kwamen aldaar aan te 19.30. Gelegerd werden de commandogroep en twee pelotons in het Fort BILTSTRAAT, één peloton in Fort HOOFDDIJK en één peloton in Fort VOORDORP. Ik kreeg om ongeveer 16.30 het bevel om het terrein in de omgeving van de Hoijel kazerne af te zoeken naar parachutisten die aldaar geland zouden zijn. Er werden geen parachutisten gevonden. Een zelfde bevel is ontvangen voor een wijk in de nabijheid van het politiebureau. Ook daar werden geen parachutisten gevonden.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
Luitenant Pierson van 4-4RH[1]:
“Zaterdagmorgen komt het bevel kwartieren te zoeken. In de omgeving van hotel ‘De Donderberg’ is niets geschikts meer te vinden, daarom wordt hier van de tentzeilen gebruik gemaakt. Omstreeks 11.00 komt er mededeeling dat er valschermtroepen gesignaleerd zijn in de boscomplexen Noord van LEERSUM. Het 3e en 4e peloton rukken direct uit onder commando van den reserve 1e luitenant Jhr. A. Th. DE MURALT. Tot 17.00 wordt het terrein doorzocht, doch zonder resultaat. Wel wordt één groep van geringe hoogte door een Duitsche bommenwerper beschoten. Nadat men dekking heeft gezocht, wordt dit vliegtuig ook van onze kant onder vuur genomen. Even later ratelt een zware mitrailleur. Kort daarna daalt de bommenwerper en vliegt in brand. Om 17.00 komt het bevel ‘Direct terugkeren naar het hotel ‘De Donderberg’. Hier krijgen we opdracht onmiddellijk naar UTRECHT te gaan en ons te melden in het Fort ‘De Bilt. De commandogroep, het 1e en 2e peloton zijn reeds afgemarcheerd om 14.30. In het Fort ‘De Bilt’ aangekomen krijgen we bevel naar de Hoijel kazerne te gaan. Hier is reeds de commandogroep en het 1e en 2e peloton. Na een uur wachten weer naar het Fort ‘De Bilt.’ Omstreeks 21.00 nemen we nu hier definitief intrek. Nog iets wordt gegeten. De nacht verloopt zonder bijzonderheden.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006

Kapitein Nijhoff van 5-4RH die eerder zo succesvol gevochten had in Oosterbeek en Renkum en gewond was geraakt aan zijn voet, schrijft over deze dag[1]:
“Het eskadron krijgt opdracht tezamen met 4-4RH en onder commando van C.4-4RH zich onder bevelen te stellen van C. groep Utrecht. De eskadronscommandant, reserve kapitein Nijhoff, die gewond is, blijft te Leersum. Aankomst in Hoijelkazerne te UTRECHT. Van 17.00-22.00 wordt een gedeelte van het eskadron door C. groep Utrecht belast met het opsporen van parachutisten, die in de omgeving zouden zijn geland. Deze opsporing had evenwel geen resultaat. … Om 22.00 de volgende opdracht ontvangen: Het eskadron minus één peloton wordt gelegerd in het fort ‘Vechten.’ Eén peloton wordt gelegerd in het fort ‘Het Hemeltje.’ Het eskadron heeft tot taak: de betrokken forten tegen overvallen te beveiligen, waakzaam te zijn tegen in de nabijheid landende parachutisten, beschikbaar stellen van afdeelingen om de inwendige veiligheid van Utrecht te verzekeren. Om ongeveer 23.00 tot legering in bedoelde forten overgegaan. Voor het fort ‘Vechten’ één peloton aangewezen voor wacht, voor fort ‘Hemeltje’ één groep.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Een speciale verkenningsopdracht voor 6-4RH
6-4 RH kreeg een speciale opdracht en voerde op 11 mei in opdracht van commandant 4RH nog een verkenningsopdracht naar Ede uit. Hiervoor werd een pantserwagen en een stuk pantserafweergeschut onder bevel gesteld van het eskadron. Deze aanvullende verkenningsopdracht naar Ede kon niet worden uitgevoerd omdat de pantserwagen en stuk pantserafweergeschut de gesloten wegversperring bij De Klomp niet meer konden passeren. Er werd telefonisch contact gemaakt met personen in Ede en de verkenning werd deels te voet uitgevoerd. Ritm Jhr. W. Quarles van Ufford bericht over deze verkenningsopdracht[1]:
“Het uitgangspunt DE KLOMP was door versperringen niet te bereiken, waarop als uitgangspunt de Buursteeg genomen werd. Aldaar ontving ik bericht van C. 4RH de pantserwagen terug te sturen naar LEERSUM. Het stuk pantserafweergeschut kon de hoofdweerstandstrook niet uit wegen de versperringen…. Om 10.00 uur hoorde ik van een burger dat er veertien (Duitse) pantserwagens in EDE waren. Om 14.00 patrouille van vijf man gestooten op 15 man vijand, gekleed in zwarte motorkleeding, gewapend met automatische karabijnen bij VELDHUIZEN op de kunstweg DE KLOMP-EDE. Te 13.30 bij KERNHEIM 30 Duitschers gezien met blokjes, waarschijnlijk springmiddelen Om 16.45 was centraal EDE bezet door vijand. Om 16.30 kreeg ik bericht van de gemeentepolitie dat 20 man vijand met officier bij LANGENBERG gesignaleerd was. Om 16.30 uur, zagen ze Duitschers draden aanleggen bij het station EDE-WAGENINGEN en in het dorp kleine afdeelingen infanterie. ’s Avonds meldde de burgemeester van EDE dat hij een pantserwagen en zes andere gemotoriseerde voertuigen, waarbij hij vermoedde anti-luchtvaartgeschut, richting BENNEKOM, zag rijden. Om 16.30 werden nog vijftig Duitsche wielrijders gesignaleerd op de kunstweg DE KLOMP-EDE, richting DE KLOMP.
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Luitenant Jhr. Mr. B.W.F. van Riemsdijk was commandant van het 1e peloton van 6-4RH en vertelt over zijn deelname aan de verkenning naar Ede[1]:
“Omstreeks 13.30 uur moest ik op bevel van de eskadronscommandant mijn peloton verzamelen en het eskadron brengen naar DE KLOMP, van waaruit een verkenning moest plaatsvinden van EDE en de naaste omgeving. In VEENENDAAL commando weer overgedragen aan mijn eskadronscommandant. Vervolgens met mijn eskadronscommandant contact gezocht met de commandant van één der voorbataljons (majoor KLAASSEN). Deze deelde onze mede dat EDE bezet was. Mijn eskadronscommandant kreeg telefonisch contact met de autoriteiten te EDE. Hieruit bleek ons dat EDE bezet was door vijand (pantserwagens, lichte troepen en infanterie). Kreeg vervolgens opdracht mijn peloton gereed te maken voor het verrichten van bovenbedoelde verkenning, waartoe alle overbodige bagage van de wielen werd genomen. Hiermee juist gereed gekomen bevel van mijn eskadronscommandant ontvangen weer op te pakken en het eskadron terug te brengen naar LEERSUM….”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
Eerste luitenant J.L. Hollertt had vanwege het verlies op de vorige dag van de trekker van stuk No.4, de stukken gewisseld. Hij meldt over de inzet van het bij 6-4RH ingedeelde stuk pantser-afweergeschut, dat de verkenning moest ondersteunen[1]:
“ Te 12.00 heb ik het stuk No.2 ingedeeld bij 6-4RH en laten deelnemen aan verkenning tegen EDE. Doch de versperringen nabij VEENENDAAL konden nergens meer worden gepasseerd. 18.00 terug naar LEERSUM.
[1] NIMH archieven, 409-503-013
ornet Jhr. Mr. E. van Lennep was commandant van het 3e peloton van 6-4 RH en kreeg het bevel over de achterblijvers van het eskadron[1]:
“Omstreeks 13.30 geheele eskadron naar VEENENDAAL, van waaruit verkenning zou geschieden in de richting EDE. Eerste peloton met eskadronscommandant zouden de hws (= hoofdweerstandstrook) uitgaan. Aan mij werd het bevel over de achterblijvenden gegeven. Omstreeks 17.00 uur geheele eskadron terug naar LEERSUM.”
[1] NIMH archieven, 409-503-012

Op de nieuwe commandopost van 4RH (hotel Darthuizen) werden de verbindingen weer snel opgebouwd. 2e luitenant De Beaufort van Vbd.A. 4RH vertelt[1]:
“Verbinding tot stand gebracht van commandopost Hotel Darthuizen met II LK. Vbd.A. Aangewezen als beveiliging commandopost. Telefoonverbinding uitgevoerd met 1 en 2-4RH en 2-3RH te respectievelijk MAARN, MAARSBERGEN en DRIEBERGEN. Telefoonverbinding van commandopost doorgetrokken naar nieuwe commandopost in Hotel Donderberg te circa 20.00 Radio sectie geheelen dag in verbinding met II LK. Gedurende de nacht Vbd.A. aangewezen als wacht bij de commandopost.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
4RH raakt haar pantserwagens kwijt
De twee bij 4RH onder bevel gestelde pantserwagens pelotons kregen bevel om naar Den Haag te rijden en zich weer onder bevel te stellen van hun organieke eskadron (2e eskadron Pantserwagens). Reserve 2e luitenant A.A. Moolenburgh (4-2 E.Paw.)[1]:
“Te 13.30 werden 3 en 4-2 E.Paw. doorgezonden naar Den Haag naar het A.H.K. (= Algemeen Hoofdkwartier) dat te 18.00 bereikt werd. Vanuit het A.H.K. werden eenige opdrachten uitgevoerd, namelijk een patrouillering langs de Suezkade, waar een huis werd gebombardeerd in een zijstraat en een patrouillering met huiszoeking in Wassenaar op zondag 12 mei in samenwerking met het 1. R.H.M. (= 1e regiment Huzaren Motorrijders).”
[1] NIMH archieven, 409-503-019
Luitenant Meijer (3-2 E. Paw.)[1]:
“Te ongeveer 13.00 mondelinge last van C.-4RH: Begeef u met alle aanwezige pantserwagens naar ’s GRAVENHAGE en meldt u bij het A.H.K. Te ongeveer 13.20 afmarsch over ZEIST-UTRECHT naar DEN HAAG. Bij HAAGSCHE SCHOUW op verzoek bataljonscommandant aldaar één wagen achtergelaten onder den korporaal PAAP, om op te treden tegen parachutisten in samenwerking met het eskadron (= 2 E. Paw.). Te ongeveer 17.00 aankomst te ’S GRAVENHAGE. Aldaar 3 en 4-2 E. Paw. gemeld bij Sous-Chef. Te 18.00 het eskadron verzameld op de Lange Voorhout en onder commando teruggekomen van C.- 2 E. Paw.
[1] NIMH archieven, 409-503-018
De pantserwagens van het 3e peloton werden vervolgens in de avond van 11 mei en op 12 mei individueel ingezet voor patrouilles en verkenningstochten naar aanwezige Duitse parachutisten bij vliegveld Ypenburg en Wateringen. Op 12 mei werd deelgenomen aan de aanval op Wateringen, waarbij één pantserwagen verloren gingen enkele bemanningsleden gewond raakten. Over de effectiviteit van de inzet van de pantserwagens bij Wateringen verschillen de meningen. De commandant van Groep Den Haag, luitenant-kolonel T. Beets was duidelijk minder enthousiast.[1]
[1] NIMH archieven, 409-503-018
Ook de 2e sectie rupspantserwagens van de KRA onder bevel van 4RH werd naar de residentie gedirigeerd. Reserve 1e luitenant der Rijdende Artillerie Jhr. W. van Andringa de Kempenaer vertelt hierover[1]:
“Bij het aanbreken van den dag, den 11 mei, werd de sectie uit het dorp naar het nabijgelegen bosch buiten de kom overgebracht en aldaar onder de boomen opgesteld. Omstreeks 13.30 bereikte commandant 4RH telefonisch opdracht van het A.H.K., onverwijld alle rups- en wielpantserwagens naar Den Haag te dirigeren om zich aldaar bij het A.H.K. te melden. De sectie is toen onmiddellijk opgeladen en tesamen met de wielpantserwagens vertrokken via UTRECHT, BODEGRAVEN, WOERDEN, LEIDEN en WASSENAAR naar DEN HAAG (via de oude weg wegens luchtgevaar). Ter hoogte van WASSENAAR geraakte een transport midden in een groote verwarring in verband met het aldaar plaats vindende vuurgevecht, aangezien daar parachutisten geland heetten te zijn. Na aldaar getankt te hebben, heb ik de sectie doen afladen en ben over den weg doorgereden tot aan het HAAGSCHE BOSCH, alwaar wij werden aangehouden door Nederlandsche militairen met de mededeeling dat doorrijden zeer gevaarlijk was, aangezien verschillende Nederlandsche pantserwagens in handen zouden zijn van NSB-ers of Duitschers. Het heette dat deze door DEN HAAG reden en een ieder onverhoeds neerschoten. Ik heb toen één rups, welke inmiddels een defect aan de carburator had gekregen en slecht meekon, in het HAAGSCHE BOSCH achtergelaten, alsmede de beide oplaadwagens en één motorordonnans, terwijl ik met één motorordonnans en mijn eigen rupspantserwagen door ben gereden naar het A.H.K. Aldaar heerschte dien middag een zeer groote verwarring in verband met tallooze de ronde doende geruchten en oncontroleerbare verhalen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De rupspantserwagen van luitenant Andringa de Kempenaer werd vervolgens samen met een tweede rupspantserwagen van de 4e sectie (onder bevel van wachtmeester Schut) naar Voorburg gestuurd ter beveiliging van de commandopost van het artilleriecommando van het 1e Legerkorps. In de loop van 12 mei werd de sectie ter beveiliging terug gecommandeerd naar het A.H.K.[1]
[1] Hier werd de capitulatie meegemaakt. Na de capitulatie werden voertuigen en wapens in beslag genomen door de Duitsers. Het personeel sloot weer aan bij 4RH.

Toestand ’s avonds op 11 mei
Terug naar de Grebbelinie in de avond van 11 mei. Om 18.30 kreeg het eskadron 6-4RH opdracht om terug te keren naar Leersum. Tijdens de terugtocht werd het eskadron ter hoogte van de Amerongse Berg nog aanvallen door een vijandelijke vliegtuig, wat geen schade aan richtte. Om 21.15 kreeg 6-4RH vervolgens opdracht om een peloton huzaren te leveren voor beveiliging van de regimentscommandopost bij Hotel Donderberg bij Leersum. Deze beveiliging was tegen parachutisten. Dit was het 3e peloton van kornet Jhr. Mr. E. van Lennep. Hij vertelt hierover[1]:
“21.15 uur. In opdracht van de eskadronscommandant mij met mijn peloton gemeld bij C.-4RH. Opdracht: beveiliging van commandopost (Hotel Donderberg) in samenwerking met eenige groepen infanterie, een stuk pantserafweergeschut en een stuk 6-veld. Verband opgenomen met den majoor C. van de in de nabijheid legerende infanterie.
[1] NIMH archieven, 409-503-012
’s Nachts om 02.00 werd het gehele eskadron gealarmeerd om het peloton te hulp te komen dat hevig vuurde op vermoedde vijand in de bossen bij Donderberg. Van Lennep:
“Op zondag 12 mei om 02.00 uur is deze infanterie plotseling verdwenen richting RHENEN. Omstreeks 02.30 vuur ontvangen uit bosch bij Donderberg. Door wie gevuurd werd is nooit gebleken. Heen en weer vuren duurde tot de ochtendschemering. Geen verliezen. Toen kwamen de overige pelotons van 6-4RH het mijne aflossen. Later in den morgen omliggende terrein doorzocht, zonder resultaat.”
Eerste luitenant van Riemsdijk van het 1e peloton lost inderdaad het 3e peloton bij de commandopost af en kreeg later een escorteringsopdracht[1]:
“Bevel ontvangen zorg te dragen voor beveiliging van de onmiddellijke omgeving van commandopost en taak overnemen van ons 3e peloton, dat een andere opdracht had gekregen. Overval van parachutisten werd geducht. In de naaste omgeving werden geregeld schoten gehoord. Mijn peloton heeft niet tot het afgeven van vuur behoeven over te gaan. Bij de ochtendschemering bevel gekregen van C.-4RH om de bewaking van de geïnterneerden in Kasteel Broekhuizen over te nemen van aldaar liggende infanterie. In den loop van de zondagmorgen (= 12 mei) bevel ontvangen deze geïnterneerden per bus of vrachtwagen over te brengen naar WIJK BIJ DUURSTEDE. Dit is vervolgens onder mijn persoonlijke leiding onder bewaking van een 10-tal manschappen in twee autobussen van de Utrechtsche Buurtspoorweg Maatschappij geschied. Geen bijzonderheden.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
4RH had dus een relatief rustige dag. Diverse eskadrons werden voor doorzoekings- en beveiligingsopdrachten ingezet in het achtergebied en de drie pelotons pantserwagens en rupspantserwagens waren naar de Residentie afgestoten. Alleen 6-4RH had een verkenningsopdracht naar Ede gehad. In het noordelijk deel van de Veluwe waren de eskadrons van 1RH in gevecht geraakt met oprukkende troepen van het andere SS Regiment ‘Leibstandarte.[1]’ Ditzelfde regiment trad overigens met een subeenheid ook op in het vak van 4RH, want in de nacht van 10 op 11 mei werd het eerste bataljon van dit SS Regiment onder bevel gesteld van de 207e Infanterie Divisie, de haar indeelde bij het SS regiment ‘Der Führer’. Het bataljon werd voor flankbeveiliging ingezet. Over de inzet van dit extra SS-bataljon schrijven de Duitsers:
“09.30 Uhr: Auftrag: I./LAH übernimmt den Schutz der rechten Flanke durch Vorgehen auf Bennekom. Aufklärung hat Feind zwei Kilometer nordostwärts Bennekom festgestellt. Mit einem Stoß des Gegners aus nördlicher Richtung in die Flanke des Regiments DF muß gerechnet werden. I./LAH folgt dem Angriff des Regiments bis an den Ostrand des Waldes ostwärts Bennekom und bleibt dort zur Verfügung des Regiments liegen. Trotz hartnäckigen Widerstand der Holländer im unübersichtlichen Gelände ist Wageningen gegen 11.00 Uhr vom Regiment DF genommen. Um dieses Zeit ist auch das I./LAH ohne Feindberührung am befohlenen Ort, Waldrand ostwärts Bennekom, angekommen.”
[1] Het derde cavalerieregiment op de Veluwe, 5RH had in de meidagen geen enkel gevechtscontact
Rond 17.30 kreeg dit SS-bataljon het bevel de onderbevelstelling bij 207e Divisie te beëindigen en via Arnhem, Zevenaar en Emmerich weer naar het eigen SS Regiment ‘Leibstandarte’ terug te keren.
12 mei
De dag begint met beveiligingsopdrachten
12 mei zou een drukkere dag worden voor 4RH, niet in het minst omdat op deze dag de Grebbeberg in alle ernst werd aangevallen. 4RH bevond zich echter nog steeds in de bossen west van Leersum. In de vroege zondagochtend 12 mei werd het 4e peloton van 4-4RH ingezet om uitgebroken relletjes in de stad Utrecht te onderdrukken. Ritmeester Beijma thoe Kingma (4-4RH) over deze dag[1]:
“Ik kreeg om ongeveer 11.00 uur het bevel om in de Oostrand van UTRECHT naar parachutisten te zoeken en tegelijkertijd aldaar de ontstane wanordelijkheden te onderdrukken. Door voortdurende patrouillediensten, huiszoekingen, het afzetten van straten werd de orde hersteld. Niet verhinderd kon worden dat er nog herhaaldelijk geschoten werd. Eén en ander noopte mij tot krachtdadig optreden, waarbij van de mitrailleurs gebruik gemaakt werd. Parachutisten werden niet gevonden.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
Zijn luitenant Pierson (4e peloton van 4-4RH) vertelt hierover[1]:
“Zondagochtend, al vroeg, komt opdracht met een peloton uit te rukken. In de stad UTRECHT wordt vanuit huizen geschoten. Vooral het luchtdoelgeschut aan de Oostzijde van UTRECHT wordt door schieten uit woningen gehinderd. Aangezien we geen opdracht krijgen, waar we precies in de stad moeten zijn, worden enkele huzaren weggestuurd om te verkennen. Militaire Politie heeft enkele straten afgezet met lichte mitrailleurs, doch heeft geen personeel genoeg om de huizen te doorzoeken. Van de achterzijde dringen we enkele verdachte huizen binnen. Doch geen resultaat. Huis na huis wordt doorzocht. Onderwijl wordt er telkens geschoten en permanent komen er nieuwe berichten binnen over schieten uit woningen. Nadat een kogel vlak bij één van onze huzaren in de muur slaat, gaan we de methode van de Militaire Politie volgen, om namelijk zoo gauw een raam open gaat direct te schieten. Zoo verlopen ongeveer twee uur. Onderwijl is ook een kapitein van de Militaire Politie aangekomen. De commandant van het uitgerukte peloton meldt zich bij bovengenoemde kapitein en komt onder zijn commando te staan. Enkele burgers worden nog in arrest gesteld en naar het politiebureau vervoerd. Ongeveer twaalf uur kan op last van den kapitein der Militaire Politie het peloton inrukken… Om één uur wordt er opnieuw uitgerukt. Weer wordt er in de richting van het luchtdoelgeschut geschoten. Het is uiterst moeilijk te controleren uit welk huis van een heel rij wordt gevuurd. Vooral wanneer het slechts een enkel schot is. Dan wijst een 2e luitenant van de artillerie een bepaald raam aan waaruit, volgens zijn meening wordt geschoten. Een onderzoek levert geen resultaat op. Zoo verloopt ook de middag. Al maar nieuwe berichten over schieten uit woningen. Mijn inziens werd, afgegaan op het geluid, alleen met pistolen geschoten. Militairen verzekerden mij, dat ook van geweren en mitrailleurs gebruik is gemaakt. Aan het einde van de middag rukken we definitief in.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
Ook 5-4RH leverde later op de dag om 15.00 aanvankelijk een groep ter bestrijding van de onrust in de stad Utrecht. Dit was een groep van het 3e peloton onder leiding van wachtmeester Prins. Om 16.00 uur werden nog twee groepen per rijwiel van het 3e peloton de stad ingestuurd. Dit keer onder leiding van de pelotonscommandant kornet Kortlang. Alle groepen hebben zich op 13 mei om ongeveer 16.00 uur terug gemeld bij het eskadron. Wachtmeester Prins vermeldt in zijn rapport over zijn inzet[1]:
“Na aankomst Hoijelkazerne om ongeveer 15.30 gezonden naar goederenemplacement van de Spoorwegen, dat bezet zou zijn door N.S.B.-ers. Wel werd daar geschoten, doch van N.S.B.-ers was niets te bekennen. 17.00 terug Hoijelkazerne. Om 20.00 uur gezonden naar NEDERHOUT DEN BERG voor bescherming militaire telefooncentrale aldaar, in verband met vrees voor overval door parachutisten. Geen vijand gezien. Op 13 mei om 11.00 terugkeer naar Hoijelkazerne. 12.30 opdracht te marcheeren naar WESTBROEK ter bestrijding van parachutisten. Geen vijand waargenomen. 13.30 terug UTRECHT.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
Ook de twee groepen van kornet Kortlang keren terug zonder bijzonderheden. Hij vermeldt in zijn rapport[1]:
“Beide groepen zijn gemarcheerd naar de Hoijelkazerne en hebben aldaar een piketwacht gevormd. Eenmaal werd uitgerukt naar een woning van waaruit zou zijn geschoten. Het onderzoek had evenwel geen resultaat. Een tweede maal werd uitgerukt in verband met een gemelde daling van parachutisten in de omgeving van UTRECHT. Van een daling is echter niets gebleken.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
De combinatie van vermeende onrust in Utrecht en gemelde landingen van Duitse parachutisten[1] werd gezien als poging van de Duitsers om de Hollandse waterlinie bij Utrecht te penetreren ter voorbereiding op een link-up van de Duitse troepen bij de Grebbeberg. De situatie werd bedreigend genoeg ingeschat om ook enkele pantserwagens vanuit Den Haag in de middag van 12 mei weer terug te halen naar Utrecht. Helaas waren nog maar twee pantserwagens van het 4e peloton inzetbaar. 2e luitenant Moolenburgh vertelt hierover[2]:
“Zondag 12 mei werd 4-2 E. Paw. bevolen zich te begeven met de 20, 23, munitiewagen en vier motoren naar UTRECHT ter handhaving van de rust en orde. Na een tocht tijdens welke bevuurd door eigen troepen, o.a. een stuk 6-veld in LEIDEN, werd te 21.00 het peloton gemeld bij den C.- Groep UTRECHT; de orde was inmiddels weergekeerd. Maandag 13 mei werd alleen gepatrouilleerd in de omgeving van gedaalde vliegtuigen..”
[1] Deze melding werd niet bewaarheid. Er waren geen Duitse parachutisten achter de Grebbelinie of in de omgeving van de Nieuwe Hollandse Waterlinie geland.
[2] NIMH archieven, 409-503-019
Later op de dag van 12 mei kreeg 4RH het bevel om opnieuw met twee eskadrons bij Utrecht forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie te bezetten. Hiervoor werden wederom het 4e en 5e eskadron ingezet. Maar het Duitse SS Regiment ‘Der Führer’ lukte het om in de loop van 12 mei de frontlijn op de Grebbeberg te doorbreken. In reactie daarop werd het restant van 4RH (dus zonder het 4e, 5e en 2e eskadron) door het II LK. onder bevel van de commandant van de 4e Divisie (IV Div.) geplaatst. Commandant van IV Div. was kolonel van Loon. Het bevel hiertoe kwam om 15.00 op de regimentscommandopost binnen. Regimentscommandant luitenant-kolonel de Marees van Swinderen[1]:
“..te 15.00 een bevel van C.-II LK. kwam, inhoudende dat 4RH onder de bevelen kwam van C.-IV Div. en moet afmarcheeren in de richting van RHENEN. Het regiment had inmiddels het 4e en 5e eskadron, de pantserwagens en rupsauto’s naar elders moeten dirigeren ten behoeve van C.-Groep Utrecht en A.H.K.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Om 15.30 werd het bevel uitgegeven:
“…De afmarsch vindt te 17.45 plaats, terwijl 4RH te 18.50 bij den driesprong van kunstwegen bij kilometerpaal 104 aan den kunstweg AMERONGEN-RHENEN is aangekomen, onder commando van den oudste ritmeester.
Een nieuwe opdracht voor 4RH
Om 17.45 verplaatste het gehalveerde Regiment zich naar Rhenen, terwijl de Regimentscommandant op de commandopost van 4e Divisie om 18.00 zijn opdrachten in ontvangst nam[1]:
“herneem met één eskadron KRUIPONDER (wordt aangewezen op de kaart, ter breedte van 300 à 500 meter). Van hieruit waren twee secties infanterie zonder bekende redenen op eigen gezag teruggegaan in Zuidwestelijke richting. 4RH komt in reserve in het boschterrein Noord van REMMERDEN. Uw commandopost te nemen bij SCHOON in het café ‘Rustoord’ te ELST. Tijdens de uitvoering werd het bevel ontvangen om Zuid van KRUIPONDER eveneens een eskadron in te zetten aangezien ook hier de eigen troepen de stelling hadden verlaten. Voor het noordelijke eskadron werd aangewezen 2-3RH plus één sectie zware mitrailleurs. Voor zuidelijke eskadron 6-4RH…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Majoor de Kruyff was erbij[1]:
“De overste DE MAREES VAN SWINDEREN en ik zijn eerst op den commandopost van Kolonel VAN LOON geweest…De kapitein LEFEVRE DE MONTIGNY gaf hier de orders, de kolonel zat erbij.”
[1] NIMH archieven, 409-503-002
Ook de ritmeester Jhr. Mr. C.C. van Lidth de Jeude (toegevoegd aan majoor de Kruyff) was bij de bevelsuitgifte aanwezig[1]:
“… Tegen de avond plusminus 17.30 werd de Regimentscommandant ontboden bij de Divisiecommandant, kolonel van Loon teneinde een opdracht in ontvangst te nemen. Daarbij waren mede vertegenwoordig majoor de Kruijff en ik. De opdracht luidde (verstrekt door de kapitein Lefevre de Montigny) om de stellingen bij KRUIPONDER welke door de secties infanterie verlaten waren, te bezetten. Voor deze taak werd aangewezen het eskadron Quarles van Ufford hetwelk ter plaatse arriveerde en de opstelling innam. Spoedig bleek dat een grooter gedeelte van de stelling verlaten was dan oorspronkelijk bekend was, zoodat een tweede eskadron (van der Voort van Zijp) werd aangewezen een deel van de stelling bij KRUIPONDER te bezetten. Het regiment stond opgesteld in het bedekt terrein tusschen de KOERHEUVEL en de jeugdherberg BERG EN DAL.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
In een naoorlogs rapport geeft luitenant-kolonel de Marees van Swinderen meer achtergrond over deze bevelsuitgifte op de commandopost van de IV Div.[1]:
“De afmarsch van het regiment vond plaats onder commando van den oudsten ritmeester te 17.45, terwijl C.-4RH vergezeld van zijn ritmeester-adjudant P. van Notten, hoofdofficier van het regiment majoor G.P. de Kruyff en diens adjudant eerste luitenant Jhr. C. van Lidth de Jeude zich te 18.00 op den commandopost van C.-IV Div. melden. Hier werd den indruk bij mij gevestigd, dat de staf geruimen tijd onder zeer hoogen druk had gewerkt en thans nog werkte. De divisiecommandant was mij onbekend. De Chef Staf, had ik echter als leerling aan de Rijschool en later in den Staf van de Lichte Divisie leeren kennen als een uitmuntend officier. De divisie commandant nam weinig of geen notitie van mijn aanwezigheid, terwijl wij aan denzelfden tafel zaten, en voerde de Chef Staf het woord, menig maal onderbroken door andere aangelegenheden. De Chef Staf schetste de toestand te KRUIPONDER, waar een sectie infanterie zonder meer de hoofdweerstandslijn had verlaten, en uitte de klacht dat zijn opdrachten door de troepen op weinig bevredigende wijze werden uitgevoerd. Als gevolg kreeg ik den opdracht een eskadron aan te wijzen om KRUIPONDER te hernemen, waarvoor ik de meest ervaren EC de ritmeester VAN DE VOORT VAN ZIJP bestemde met 2-3RH. De rest van 4RH moest ik brengen naar het boschterrein Noord van REMMERDEN alwaar het regiment in reserve zou komen. Over de toestand Oost van RHENEN had de Chef Staf eveneens een minder gunstig inzicht en op mijn vraag in hoeverre dit terrein nog vrij van vijand was, teekende de Chef Staf een lijn op mijn kaart ongeveer op 1 kilometer oost van en evenwijdig aan den spoorlijn loopende. Dit laatste is van veel belang geweest voor mijn besluit later op den avond om tot den aanval over te gaan…..In verband met de beschrijving van de volgende gebeurtenissen is het van belang met nadruk vast te leggen, dat er tijdens mijn onderhoud op de commandopost van de C.-IV Div. met geen enkel woord is gerept van een verdediging van RHENEN of wel van het bestaan van stellingen aan den spoorlijn Oost van dien plaats….Tijdens het uitgeven van de bevelen, bracht een ordonnans het bericht dat bovendien nog een eskadron moest worden gezonden naar de stelling Zuid van KRUIPONDER, aangezien de bezetting van dat stelling gedeelte eveneens zijn opstelling had verlaten. Het was te voorzien, dat de omstandigheden te midden waarvan 4RH zou komen te werken, hooge eischen aan de leiding van de eskadronscommandanten zou stellen ten aanzien van het moreel en den geest van den troep. C.-6-4RH de ritmeester Jhr. W. QUARLES VAN UFFORD werd door mij aangewezen om genoemde taak uit te voeren en zich naar de stelling Zuid van KRUIPONDER te begeven..”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B
Tegelijkertijd werd de commandopost van 4RH naar Elst verplaatst. Luitenant-kolonel de Marees van Swinderen[1]:
“C.-4RH moest diens commmandopost inrichten in het café Rustoord te ELST dus liefst op 3 ½ kilometer van de plaats van zijn troep in het bosch Noord van REMMERDEN. Aanleiding daartoe zal de aanwezigheid van een telefooncentrale geweest zijn, teneinde op deze wijze de verbinding met den divisiecommandant ten allen tijde mogelijk te maken. Het café was overvol zoodat van een onderbrengen van de staf geen sprake kon zijn, de telefoon gesprekken onder moeilijke omstandigheden en bezwaarlijk konden plaats vinden….”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B
De opdrachten waren dus ten eerste om met één eskadron de naar verluid door eigen troepen verlaten, frontlinie west van het riviertje de Grebbe, nabij de boerderij de Kruiponder, 2,5 km oost van Achterberg te bezetten. Deze positie lag dus voor de weerstandslijn in de nabijheid van de voorposten, een vrijwel onmogelijke opdracht. Hiervoor werd desondanks 2-3RH aangewezen. Ten tweede was er een aanvullende opdracht om een tweede eskadron op de rechterflank hiervan te laten aansluiten, achter de ‘Haarwal.’ Deze opdracht kreeg 6-4RH. De eskadrons namen hun stellingen in en probeerden contact te maken met aanwezige infanterie-eenheden, maar het bevel werd al snel herroepen. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[1]:
“Te 20.30 werd per telefoon een nieuwe opdracht van C.- IV Div. gegeven, luidende de eskadrons, die vooruitgegaan zijn, terughalen en het regiment te verzamelen in het terrein West van BERG en DAL in de buurt van de Jeugdherberg[1].”
[1] Iets ten noorden van de Koerheuvel was een jeugdherberg Berg en Dal. In de lokale bosrand verzamelde het regiment zich nadien.
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Over dit bevel is later de nodige commotie ontstaan.[1] De Regimentscommandopost werd hierna aan de autoweg noordwest van Rhenen ingericht. De paardenarts 2e luitenant Peters werd op pad gestuurd om de eskadrons terug te halen[2]:
“Met het oog op de duisternis en totaal onbekendheid met het terrein en de artillerieopstellingen werd door C.-4RH een officier-geleider gevraagd, in het terrein bekend, teneinde C.-4RH te kunnen inlichten. Aangezien het terughalen van de vooreskadrons zeer moeilijk zou zijn en niemand van 4RH, eenige terreinkennis bezat werd deze taak opgedragen aan den paardenarts 2e klasse PETERS, uit deze streek afkomstig, en is deze officier met eenige motorordonnansen op lofwaardige wijze hierin geslaagd.”
[1] De controverse ontstond omdat kapitein Wiersinga het gesprek met ritmeester van der Voort van Zijp had aangegrepen om met zijn ‘uitgedunde’ compagnie ook achterwaarts te gaan en de stelling te verlaten. Hierdoor ontstond een gat in de tussenverdediging. Zuid van hem zaten nog twee secties infanterie die pas in de ochtend van 13 mei de stelling los lieten. De reden van herroeping van het bevel door commandant 4e Divisie was omdat eigen infanterie bij Kruiponder intussen weer in stelling was gekomen. Opvallend is daarnaast dat de divisiecommandant, kolonel van Loon, na de oorlog stelde, slechts bevel gegeven te hebben voor terughalen van één eskadron en niet van beiden.
[2] NIMH archieven, 409-503-001
De eskadrons 2-3RH en 6-4RH gaan voorwaarts
2-3RH had de nacht van 11 op 12 mei bij Driebergen doorgebracht en wisselde eerst nog van paarden naar fietsen. Ritmeester van der Voort van Zijp[1]:
“Te 06.00 werd afgemarcheerd uit DRIEBERGEN en te 07.30 werd het eskadron opgesteld in de bosschen nabij de commandopost C.-4RH, waarna de rijwielen werden aangevoerd en alle werkzaamheden verricht werden om het eskadron op rijwielen bereden te maken. Om 10.30 marcheerde het eskadron op rijwielen naar DRIEBERGEN. Na aankomst werd kwartier gemaakt en gegeten. Om 14.20 kreeg ik bericht onmiddellijk terug te keeren naar LEERSUM en werd te 15.00 afgemarcheerd. Te LEERSUM aangekomen kreeg het eskadron opdracht om met het Regiment af te marcheeren in de richting RHENEN en werd het eskadron voorste eskadron in de hoofdmacht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-016
Tijdens de verplaatsing werd enige malen halt gehouden vanwege het optreden van Duitse vliegtuigen.
“Nabij de driesprong Noordwest REMMERDEN (kaartvierkant 24-68) kreeg ik opdracht om met mijn eskadron, waarbij een sectie mitrailleurs, op te rukken naar het einde van de kunstweg (DIJKSCHWEG richting HAARSTEEG, kaartvierkant 30-67) en een aanval te doen op KRUIPONDER, dat in handen gevallen was van den vijand. Rechts van mij zou het eskadron QUARLES van UFFORD vooruitgaan naar punt 6.5 (kaartvierkant 30-67). Tijdens mijn opmarsch naar de uitgangsstelling bleek mij dat de door mij te betreden wegen reeds met landmijnen versperd waren, waardoor de opmarsch in colonne met ééne met de wielen aan de hand moest geschieden. Ook bleek dat de sectie mitrailleurs niet gevolgd was, noch de munitieauto met handgranaten. Verder op, ik meen WETERINGSTEEG werden wederom mijnversperringen aangetroffen. Ik heb hierna de rijwielen achtergelaten. Nadat ik mij met mijn pelotonscommandanten in verbinding had gesteld, met den kapitein WIERSINGA, die aldaar in stelling lag, heb ik met genoemde officier de stelling verkend.”
De gezamenlijke verkenning met kapitein Wiersinga beschrijft ritmeester van der Voort van Zijp na de oorlog in een ander rapport als volgt[1]:
Volgens mededeling van den kapitein had hij nog ongeveer 40 man, de rest was teruggeweken met nevenafdeelingen. Hij had verliezen geleden, juiste getallen herinner ik mij niet meer. KRUIPONDER was niet meer in eigen handen. Met kapitein WIERSINGA die heel bedaard en rustig was heb ik met mijn pelotonscommandanten een verkenning in het voorterrein gedaan en kwamen wij bij de laatste boerderij in het voorterrein. Ik meen ‘KONINGSHOEVE.’ Alvorens met mijn eskadron een aanval in te zetten was het noodzakelijk het aanvalsterrein te verkennen. Wij waren daar nimmer geweest, onze kaarten waren niet bijgewerkt. Omtrent het verloop van de stelling, alsmede bezetting was ons niets bekend aangezien wij zoo juist uit DRIEBERGEN over LEERSUM te RHENEN waren aangekomen. Tijdens deze verkenning zagen wij vuurwerkseinen uit de richting van den vijand en werden wij eenige malen onder vuur genomen (artillerie- en mitrailleurvuur). Tijdens de verkenning begon de duisternis reeds te vallen en was het voor mij moeilijk een juiste indruk van het terrein te verkrijgen voor een geschikte uitgangsstelling voor het eskadron te bepalen. Teruggekomen op de commandopost van kapitein WIERSINGA vielen er geweerschoten vlak bij. Het bleek een patrouille onder een cadetsergeant te zijn die terugkeerde en ook al door de schemering voor vijand was aangezien. Verband met nevenafdeelingen was er niet en het telefonisch verband met opstelling zware mitrailleurs (ik meen van 19RI) Noord en achterwaarts gelegen was verbroken. Ik schat de verkenning nog geen uur heeft geduurd.”
[1] Dit rapport is ook opgenomen in de NIMH archieven, 409-503-016
Hij vervolgt zijn eerdere betoog en vertelt over de terugtochtsorder en nieuwe opdrachten in de nacht:
“Aangezien het bijna geheel donker geworden was en het oriënteren in het terrein uiterst moeilijk was, geen verbinding verkregen kon worden met neven stellingen om vuursteun te vragen en niet bekend was op welk uur aanvallen van andere onderdeelen ingezet zouden worden, besloot ik in verband met één en ander, mijn Regimentscommandant te vragen om toezending van de sectie mitrailleurs, toezending van handgranaten en vaststellen uur van de aanval van neven afdeelingen, teneinde bij het aanbreken van den dag een gezamenlijke aanval te kunnen ondernemen, die meer succes zou waarborgen, dan een plaatselijke aanval van één eskadron zonder eenige oriëntatie en zonder vuursteun. Nog voordat ik mijn bericht geschreven had, kreeg ik door een ordonnans (luitenant Paardenarts PEETERS) bericht terug te keeren en te verzamelen bij BERG EN DAL. Tijdens ons verblijf in de frontlijn en den terugtocht, werden wij aanhoudend onder artillerievuur genomen, zonder evenwel verliezen te lijden. Op den terugmarsch passeerden wij de compagnie van den kapitein GOOSSEN van II-11RI (= tweede bataljon van het 11e Infanterieregiment), dat in opmarsch was naar de frontlijn. Op het punt van BERG EN DAL aangekomen, vond ik daar 6-4RH, dat eveneens opdracht had te BERG EN DAL te verzamelen en bovendien bevonden er zich onderdelen van II-11RI. De stemming bij dit laatste onderdeel was zéér laag gestemd en bleek mij dat de commandant er toe mede werkte om een paniekstemming te weeg te brengen, doordat hij getallen van verliezen opgaf, die mij bij controle bij den bataljonsarts volkomen onjuist en overdreven waren. Bovendien deed hij uitkomen, dat de vijand reeds in opmarsch was en dichtbij genaderd was. Met eenige andere officieren heb ik alle troepen van dit onderdeel die in de richting VEENENDAAL trachten te verdwijnen teruggezonden en heb ik tenslotte het commando over II-11RI overgedragen aan den oudst aanwezige compagniescommandant en den majoor VAN DIJK gelast in zijn commandopost (een aldaar staande woonwagen) te blijven…..”
Kornet F. van der Maesen de Sombreff was commandant van het 3e peloton 2-3RH en bevestigt het verhaal van zijn ritmeester[1]:
“Te 04.00 reveille. Te 06.00 trok het verzamelde eskadron naar LEERSUM. Aldaar werden de paarden vastgezet, de pelotons aangevuld en omgetoverd in wielrijders. Wij vertrokken dan per fiets naar DRIEBERGEN. Vandaar gingen wij terug over LEERSUM naar RHENEN, waar wij tegen de avond aankwamen. Er zou een aanval gedaan worden op KRUIPONDER…Hiertoe werd het eskadron verdekt opgesteld in enige boerderijen, terwijl de pelotonscommandanten met ordonnansen onder leiding van den ritmeester het voorterrein gingen verkennen en contact gingen opnemen met eigen troepen. Wij vonden de commandopost van een kapitein van 8RI (=kapitein WIERSINGA) die ons van de toestand op de hoogte stelde en ons het terrein toonde. Ook maakte hij ons vertrouwd met het geluid van naderende artillerie-projectielen…..Hierop besloot de ritmeester de aanval te wagen, hoewel een wagen met handgranaten en een sectie zware mitrailleurs niet was meegekomen. Dit ging echter niet door, omdat juist toen drie ordonnansen onder leiding van den paardenarts PEETERS ons het bevel bracht terug te gaan op BERG EN DAL, omdat er artillerievuur op dit terrein gelegd zou worden..”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Ook 6-4RH had opdracht gekregen om meer zuidelijk stelling te betrekken in de frontlinie en de voorgenomen aanval te verkennen. Ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford schrijft over de uitvoering van deze opdracht op 12 mei[1]:
“Om 15.30 uur kreeg ik opdracht om me met mijn eskadron naar kilometerpaal 106 van de kunstweg ELST-RHENEN te begeven. Mijn eskadron was voorhoede eskadron van 4RH. Hier moest ik nadere bevelen afwachten. Aldaar aangekomen kreeg ik om 18.30 opdracht de frontlijn MAATSTEEG te verkennen ter hoogte van kaartvierkant 170-442.[1] Ik moest hier de vijand terugwerpen en de GREBBE bezetten ter hoogte van coördinaat 171-442. Links was ik aangeleund door 2-3RH waar ik verband mee op moest nemen. Op de kunstweg ACHTERBERG-GREBBE West van LAAREIND werd hevig geweer en mitrailleur vuur ontvangen vanaf den Laarschenberg. Het eskadron werd te 21.00 verzameld, gedekt opgesteld bij een boerderij West van LAAREIND. Hier bereikte mij een motorordonnans van C.-4RH met het bevel om terug te trekken en me te melden bij BERG EN DAL. Bij BERG EN DAL werd gerust. Ik ontvang te 01.30 bevel om me naar RHENEN te begeven en een opnamestelling in te nemen aan den Westkant van RHENEN….”
[1] Dit zijn de coördinaten op de nieuwe kaart. In het bericht van 2-3RH worden bijvoorbeeld de coördinaten van de oude kaarten gebruikt.
[1] NIMH archieven, 409-503-009 en 409-503-010
Kornet Jhr. Mr. E. van Lennep, commandant van het 3e peloton (3-6-4RH):
“Te ongeveer 15.30 bevel van eskadronscommandant. Mijn peloton is voorpeloton van het vooreskadron van 4RH. Marschweg: ELST-REMMERDEN. Bij kilometerpaal 106 werd het eerste peloton voorpeloton. Doorgemarcheerd langs spoorwegovergang bij paal 25 naar de boerderij West van LAAREIND. Gedurende het laatste gedeelte van dezen opmarsch werd zeer vaak in onze nabijheid met lichtspoormunitie gevuurd. Zuidoost van de Dijkscheweg zag ik een sectie Nederlandse infanterie in tirailleurlinie, richting LAARSCHE BERG. Bij LAAREIND ontvingen wij hevig geweer- en mitrailleurvuur. Dank zij ondiepe greppel langs den weg geen verliezen. Omstreeks 20.30 op bevel van eskadronscommandant naar BERG EN DAL.”
1e luitenant van Riemsdijk was er ook bij met het 1e peloton (1-6-4RH) en meldt licht gevechtscontact[1]:
“Rond 15.20 uur in opdracht van eskadronscommandant peloton verzamelt voor opmarsch naar RHENEN. Bij kilometerpaal 105 3e peloton afgelost als voorpeloton. Vervolgens doorgemarcheerd tot boerderij West van LAARHEID. Mijn peloton – zoowel als de andere – ontvingen aldaar vuur. Lichtspoormunitie werd waargenomen in onze direct nabijheid. Rechts van ons boven op de LAARSCHE BERG een tiental manschappen op afstand van ongeveer 800 meter zien springen in een loopgraaf. Ik meende het Nederlandsche uniform te onderkennen. Van dezelfde zijde bleek het eskadron echter vuur ontvangen. Geen verliezen. Vervolgens op bevel van eskadronscommandant teruggereden naar BERG EN DAL. Sectie infanterie gepasseerd onder commando van een luitenant of vaandrig, welke zich ingroef ten Oosten van spoorlijn.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
Luitenant Fentener van Vlissingen van ME-4RH moest secties zware mitrailleurs ter beschikking stellen aan de twee eskadrons die richting Kruiponder en Haarwal gingen. Hij schrijft[1]:
“Bij de opmarsch naar ELST werd de 1e sectie ingedeeld bij de voorhoede, 2e, 3e en 4e sectie zorgden voor marschbeveiliging tegen luchtaanvallen. Om 18.45 kreeg ik bevel om een sectie naar C.-2-3RH te sturen die in opmarsch was naar KRUIPONDER. Ze lieten de motoren staan bij de begraafplaats wegen landmijnengevaar en trokken te voet verder naar DIJK. C.-2-3RH niet gevonden. Op last van C.-4RH (paardenarts PEETERS) terug naar de commandopost van 4RH. Intusschen waren de 2e, 3e en 4e sectie opgesteld bij de Jeugdherberg. Ze waren eerder in stelling geweest in de REMMERSTEINSCHE bossen.
[1] NIMH archieven, 409-503-014
Reserve 2e luitenant paardenarts A.J. Peeters was door de Regimentscommandant 4RH op pad gestuurd om het terugtochtsbevel aan de beide eskadrons over te brengen. Hij vertelt hierover[1]:
“..Ik was op de commandopost en hoorde dat troepen van ons waren ingesloten bij KRUIPONDER[1] het was ongeveer tien uur (’s avonds) toen de overste een vrijwilliger vroeg. Ik heb mij toen opgeworpen als ordonnans. Hij heeft mij attent gemaakt op de gevaren. Ik was goed bekend op de GREBBEBERG. Ik heb daar 26 jaar gewoond. Ik kreeg van de overste opdracht om met een andere vrijwilliger daar naar toe te gaan, hem de opdracht mede te delen en in elk geval de boodschap over te brengen. Toen wij in Achterberg aankwamen, lagen daar de mijnenvelden op de weg. De motor hield ik in de ene hand en met de andere hand voelde ik of er mijnen lagen (bij het wachthuisje bij paal 25). Daar hebben wij ongeveer twee uur over gedaan. Wij zijn gegaan lans de Achterberge straatweg, langs de molen aan de Cuneraweg (daar lag ook artillerie- en mitrailleurvuur op). Wij kregen contact met de Duitsers en werden beschoten (West van de spporbaan na 23.00). Wij kwamen terecht Zuidwest van KRUIPONDER (Leuvendaalse weg). Later kreeg ik contact met de troep, waaraan ik het bericht moest overbrengen. Aan de luitenant DIJKSHOORN heb ik het bericht overgebracht. De ritmeester VAN DER VOORT van ZIJP was daar ook. Wij zijn daarna teruggegaan. Wij zijn door DE MEENT gegaan in Noordelijke richting, vermoedelijk Weteringsteeg. Ik heb mij weer gemeld bij mijn commandant. De overste was toen in Plantage Willem III.”
[1] Hetgeen niet klopte.
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Beide eskadrons trokken zich dus op bevel van C-4RH weer terug, passeerden weer de mijnversperringen met de fiets aan de hand en verzamelden zich bij Berg en Dal, waar overigens ook de helft van het Mitrailleur Eskadron zich bevond. Hier heerste grote verwarring. Ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford, commandant 6-4RH[1]:
“Na door C.-4RH terug gecommandeerd te zijn uit de omgeving van LAAREIND met opdracht mij te melden bij BERG EN DAL kvt. 167 443, trof ik aldaar aan den ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP met zijn eskadron. Toen wij elkander ontmoetten was het reeds duister en waren er geen andere onderdeelen nog aanwezig. Ik liet mijn eskadron rusten in de buurt van een gebouw dat mij als jeugdherberg werd aangeduid en liep met den ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP eenige tijd op de weg heen en weer of zaten bij de jeugdherberg. In de volslagen duisternis welke toen heerschte kwamen inmiddels andere troepen aan welke voor zoover ik kon constateeren een zeer ongeregelde indruk maakten. Hierbij bevond zich Majoor VAN DIJK[1], welke op mij de indruk, maakte de toestand niet te beheerschen en zeer verwarde verhalen deed over groote verliezen die hij geleden had» Ik hoorde hem bij herhaling roepen: “Alles komt in orde, jongens!” Het was aldaar op den weg in een woord “een bende!” Iedereen riep en schreeuwde door elkaar en door de duisternis kon niemand elkaar vinden. Ik ben toen zelf naar mijn eskadron gegaan om te zorgen dat dit op zijn plaats bleef en geen contact zou krijgen met bovengenoemde onderdeelen. Mijn ondercommandanten heb ik bij mij gehouden.”
[1] Behorende tot II-11RI
[1] NIMH archieven, 409-503-010
Reserve eerste luitenant J.M. Fentener van Vlissingen (ME-4RH) vertelt in groten lijnen hetzelfde over de terugkeer bij Berg en Dal en de ontmoeting met ‘weifelde’ infanterie[1]:
“Bij aankomst van den Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP bij BEG EN DAL was mijn eskadron opgesteld langs den verharden weg. Het was reeds donker. Ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP raakte kort na zijn aankomst In gesprek met enige officieren waarvan één steeds met luider stem verkondigde: “alles komt in orde jongens.” Daar Ik opdracht ontvangen had tot legering over te gaan, heb ik aan luitenant HUIZING het commando overgegeven en ben met den kornet DRIEBEEK naar de Jeugdherberg gegaan. Daar aldaar genoeg ruimte in de bosschen aanwezig was, was ik spoedig bij mijn eskadron terug. De weg was toen vol met militairen. De ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP gaf mij order den weg af te zetten door met eenige menschen. elkaar de hand te geven en zoo de stroom te stuiten. Nadat dit geregeld was, is hij op verzoek van een officier wiens naam mij niet bekend is, meegegaan teneinde den BC, op het onhoudbare van den toestand te wijzen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-014

Ook de verbindingsafdeling (Vbd.A.) vervulde haar ondersteunende rol bij de aanval van de twee eskadrons. Een ordonnans ploeg wordt mee naar voren gestuurd. 2e Luitenant de Beaufort[1]:
“In de vroegen morgen voormalige commandopost van 11RI bezet. Centrale te LEERSUM bezet. In den middag afgemarcheerd naar ELST. Verbinding onderzocht met vaste lijn naar commandopost 2-3RH en 6-4RH. Luitenant MOUWEN met optische seinsectie ordonnans post ingericht bij kilometerpaal 25 aan de spoorlijn bij RHENEN. Bij terugnemen van 2-3 RH en 6-4RH deze post ingetrokken. ’s Avonds afgemarcheerd naar BERG EN DAL. Onderweg opdracht ontvangen naar RHENEN te marcheeren, aldaar te circa 02.00 op 13 mei aangekomen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Ook geneeskundige hulpposten werden naar voren gestuurd. Luitenant A.J. van Ravenswaay[1]:
“Enkele ongevallen behandeld, o.a. de ordonnans BANGMA. Deze doorgestuurd naar hoofdverbandplaats en vandaar naar psychiatrische kliniek te UTRECHT…. In de loop van den avond uit LEERSUM vertrokken naar kilometerpaal 12,5 aan de kunstweg AMERONGEN-RHENEN. Bij de hier gehouden bespreking werden opdrachten aan verschillende eskadrons gegeven en in verband daarmede hulpposten vastgesteld. Korte tijd daarna bereikte mij het bericht, dat de opstellingen gewijzigd waren en na overleg met C.-4RH werd mij opgedragen de geneeskundige verzorging te regelen. Daar 4RH stellingen betrok waar reeds tevoren andere onderdeelen gelegen waren ingericht, die nog bezet waren werd voor 4RH een hulppost ingericht bij kilometerpaal 12,3 kunstweg AMERONGEN-RHENEN (plantage Willem III) waar gewondenauto’s en geneeskundig personeel, dat niet bij de onderdeelen was ingedeeld, vereenigd werden….”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Regimentscommandant luitenant De Marees van Swinderen vertelt over zijn verplaatsing naar zijn eskadrons die zich in omgeving van de Jeugdherberg bij Berg en Dal bevonden[1]:
“Na het telefoongesprek heb ik mij toen naar het regiment begeven en verkreeg eenig oponthoud ten aanzien van de verplaatsging, aangezien ik aan den commandant van de artillerie (= I-15RA) een officier verzocht had om mij door de stelling van dat wapen te geleiden. Na het regiment in marsch gezet te hebben begaf ik mij met den staf van het regiment langs den kunstweg, die van paal 104,75 aan den kunstweg RHENEN-ELST naar VREEWIJK ten Noorden van RHENEN loopt, op weg naar de aangewezen plaats voor het regiment bij BERG EN DAL. Op dit weggedeelte werd mijn auto herhaalde malen aangehouden door posten, waarvan de beteekenis mij tot dusver nog niet duidelijk is geworden……Het was intusschen volkomen donker geworden, hetgeen niet belette dat men een vrij aanzienlijke individueel verplaatsing van manschappen in Westelijke richting kon waarnemen…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B
De Duitse aanval op de Grebbeberg op 12 mei
Het was eenheden SS Regiment Der Führer gelukt om in de middag van de 12 mei de linies van het Nederlandse 8steRegiment Infanterie (8RI) op de Grebbeberg te doorbreken.[1] Dit Nederlandse regiment verdedigde de Grebbeberg zelf en het 19e Regiment Infanterie (19RI) het gebied noord van de Grebbeberg rond Achterberg. 8RI had twee bataljons in de frontlijn opgezet. Haar derde bataljon had eerder als gevechtsbeveiliging in de voorpostenlinie gevochten en was niet meer inzetbaar. Het tweede bataljon van 19 RI (II-19RI) was divisiereserve in de omgeving van Rhenen en was, zoals bovenvermeld al in de avond van 11 mei een keer tevergeefs ingezet. De Duitsers hadden de nacht en de ochtend van de 12 mei extra artillerie (in totaal vijf afdelingen) aangetrokken en het artillerievuur geconcentreerd op het gebied op en rond de Grebbesluis. Artillerie moest het Nederlandse verzet breken[2]:
“Um am 12 Mai den Angriff gegen den Grebbe-Berg erfolgreich durchführen zu können, ist eine noch straffere Artillerie Zusammenfassung under Einsatz von neuen Abteilungen vor und während des Angriffes gegen die Befestigungslinie, besonders die Werke 36 (Grebbe-Schleuse) und die anschliessenden Flankierungswerken nördlich und südlich der Grebbe-Schleuse notwendig. Der Angriffsbeginn wird erst nach erfolgtem Einschiessen und einer sichtbaren Wirkung des Artillerie-Feuers gegen die Befestigungen möglich sein.”
[1] Dit was gebeurd ten noorden van de Grebbesluis, bij Heimerstein. De Duitsers rukten daarna op ten noorden van de Heimersteinse laan, richting Kruiponder. Een van de tegenmaatregelen is geweest een stoot van een compagnie van II-19 R.I. langs de Heimersteinselaan, onder bevel van Commandant I-8 R.I. en niet langs de zogenaamde Holleweg. Er werd ook drie maal artillerievuur op de Duitsers afgegeven. Ook poogden de Duitsers via de gesprongen brug en nog intact zijnde sluis naar de overkant te van het inundatiekanaal te komen. De sluis zelf was niet vernield (omdat vanwege de lage waterstand in de Rijn anders de inundaties zouden leeg lopen), wel de hierbij liggende brug over het inundatiekanaal. De sluis lag hoofdzakelijk aan de zuidkant van de brug. Naoorlogs interview met A.M.M. kolonel van Loon, commandant IV Div.
[2] Kriegstagebuch 207 Inf. Div., 12 Mai
Om 14.00 vermeldt het oorlogsdagboek van de 207e Infanterie Divisie:
“Das sehr schwierige Einschiessen der Artillerie (mit Hilfe von 2 Artillerie Fliegern) is beendet. Schon beim Einschiessen wird eine gute Wirkung (Volltreffer auf Kampfanlagen und Brände von Häusersn in der Stellung) beobachtet. Feuerplan zur Unterstützung des Einbruches: Zusammenfassung von 5 Artillerie-Abteilungen auf die Einbruchsstelle in der Zeit von 14.00-14.20 Uhr…”
De Duitse aanval zelf kon echter voor de zogenaamde ‘stoplijn’ (halverwege de Grebbeberg op de grens van het dierenpark) tot staan worden gebracht. Nederlandse tegenstoten mislukten door coördinatieproblemen en zeer hevige Duits artillerievuur. Ook een grotere Nederlandse tegenaanval van het (noordelijk verdedigende) tweede bataljon van 8RI (II-8RI) o.l.v. majoor Jacometti mislukte rond 18.00 uur. Ook andere tegenaanvallen, uitgevoerd zonder directe artillerie ondersteuning en zonder dat iedere op de Grebbeberg gelegerde commandant op de hoogte was gebracht, mislukten volledig. Een nieuwe inzet van het reservebataljon II-19RI kon bijvoorbeeld niet eens voorbij de hindernissen van de eigen stoplijn komen, omdat ze o.a. werden bevuurd door eigen troepen.
Het Kriegstagebuch van de 207e Divisie vermeldt de Nederlandse tegenstoot (= 17.35) en zelfs een Nederlandse luchtaanval (=18.00) en schrijft[1]:
“14.20 Angriffsbegin des SS-Rgts DF mit Teilen III./SS und II./SS. 15.15 gelingt dem III./SS der Einbruch in die Grebbe-Stellung nach Wegnahme der starken Stellung bei 36 (Grebbe-Schleuse). II./SS geht südlich davon in starkem Abwehrfeuer von dem Grebbe-Berg selbst und von den Anlagen 33 (südlch des Nieder-Rhein) über. 16.00 hat sich III./SS bis an den vorderen Rand der Waldlichtun auf dem Grebbe-Berg (an Strasse Grebbe-Schleuse – Rhenen) durchgekämpft. Feind kämpfte im Walde geschickt in einzelen Widerstandnesern und auf Bäumen. 17.35 wird Gegenstoss der Holländer abgewehrt. II. und III./SS halten den gewonnen Brückenkopf. SS-Pionier Kompanie arbeitet an Grebbe-Brücke. Die Flankierung aus Richtung 47 und 48 durch starkes MG-Feuer gegen Strasse Wageningen-Grebbe-Schleuse und südlich davon wird derart fühlbar, dass Ansatz des I./SS in dieser Richting notwendig wird. 18.00 Bombenangriff von 6 holländische Fliegers (Fokker) auf Gelände nördlich Strasse Wageningen – Grebbe mit anschliessendem Tiefangriff auf vordere Teile am Grebbe-Berg und Grebbe-Schleuse. Wirkung gering..”
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div., 12 Mai


De Duitse Divison Geschichte vermeldt meer details en vertelt over de gevechten van 12 mei het volgende[1]:
“Südlich der Straße Wageningen-Rhenen, mit Stoßrichtung allgemein Westen, soll das III./DF den Angriff eröffnen. Das II./DF folgt, rechts rückwärts gestaffelt, mit dem Auftrag, nach dem III./DF die Grebbe zu überscheiten und dann rechts neben dem III./DF (nordlich der Straße) über den Grebbe-Berg auf Rhenen anzugreifen. Dat I./DF verbleibt vorerst nördlich der Straße zur Verfügung des Regiments, um dann in Nachtstoß den Erfolg beider Bataillone auszuweiten……Teils über die letzten Balken der gesprengten Schleusenanlage, teils in Floßsäcken, drängen die Stoßtrupps den Hang zum Grebbe-berg hinauf[1]. Zwei Panzerspähwagen der 15./DF rollen in Schußposition und helfen durch gutliegendes Punktfeuer auf die Scharten der Kampfanlagen…….Ungestüm drängen die nachfolgende Teile des III./DF nach und säubern jetzt systematisch die starken, zum Teil noch unversehrten Befestigungseinrichtungen und starke Feldstellungen…..Rasch ist das II./DF herangekommen, formiert sich rechts neben dem III. Bataillon zum Angriff, und gegen 16.00 ist der Osthang in der Hand des Regiments….. Das I./DF ist nördlich der Straße ebenfalls zum Angriff angetreten, schaltet in zähem Kampf Bunker um Bunker aus und befreit damit die beiden andere Bataillone vom Flankenfeuer aus diesen Stellungen…..Aber vom Westteil des Grebbe-Berges, aus der dritten Feindstellung, eröffnet der Gegner von neuem sein starkes Feuer auf die Kompanien des II. und III./DF, die nunmehr nur noch langsam vorwärts kommen…. Gegen 19.00 Uhr wird die Höhe des Grebbe-Berges erreicht. Hier aber bleibt der weitere Angriff vorerst liegen. Rasch formieren sich die Züge, Gruppen und Kompanien der Bataillone, denn schon setzt der Holländer zu Gegenstoßen an, die aber alle abgewiesen werden können”….
[1] Voorop gingen de 9e (Hauptsturmführer Harmel) en 12e compagnie van II./DF. Heinz Harmel zou later divisiecommandant worden van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg die o.a. in de Slag om Arnhem vocht.
[1] Division Das Reich Band I

Er bestaat een uitgebreid verslag uit 1941 over de Duitse aanval op de Grebbeberg[1]:
[1] Onbekende Duitse schrijver, Artikel: Der Durchbruch an der Grebbeschleuse ‘Wie dat SS-Regiment ‘Der Führer: den Grebbeberg nahm. Underredung mit einem Teilnehmer an den Kämpfen, ‘Der Soldatenfreund, Taschenjahrbuch für die Wehrmacht, 1943. Ausgabe D: Waffen SS.
“Währenddessen arbeitete sich fast unbemerkt daß JII. Bataillon unter führung des damaligen Obersturmbahnführer Wäckerle (er ist im vergangenen Jahr als Standartenführer und Kommandeur der SS-Standarte Westland im Osten gefallen) längs der Strasse vor. Am weitesten vorn, die 9. Kompanie unter Führung des Hauptsturmführers Härmel. Erst als diese Kompanie auf nur wenige hundert Meter an die Grebbeschleuse und die davor sich befindlichen Bunker herangekommen war, erkannte der Feind die Gefahr, die ihm von hier drohte, und belegte nun die Strasse mit einem wütenden Feuer. Nur die Gräben links und rechts, boten den Männern der 9. Kompanie Deckung, und in ihnen arbeiteten sie sich weiter vor. Dann aber wurde die Lage kritisch; für mehrere Stunden risz die Verbindung zwischen der 9. Kompanie und dem Bataillon ab. Das starke Feuer vom Berg und aus den Bunkern vor der Schleuse machte es den nachfolgenden, Kompanien zunachst unmöglich, den Anschluss an die 9. Kompanie zu finden. Dann aber, gegen Abend, arbeitete sich der Bataillonskommandeur selbst nach vorn und übernahm nun persönlich die Aufklärung. Durchbruch der Kompanie bei der Grebbeschleuse und damit der direkte Angriff auf den Grebbeberg schien unmöglich. Etwa 50 Schritt vor der Schleuse standen zur beiden Seiten der Strasse überhöht mehrere Bunker, dazwischen Feldstellungen. Gegen einen direkten Angriff waren diese Kampfanlagen durch Wassergräben geschützt. Unmittelbar hinter der Schleuse aber erhob sich, steil nach vorn: abfallend, der Grebbeberg, auf dem, mit Wirkung auf die Strasse, Infanteriegeschütze und schwere Maschinengewehre eingebaut waren. Angesichts dieser gewaltigen Abwehrkraft entschloss sich der Regimentskommandeur, den Grebbeberg von Süden zu umgehen. Nach Einbruch der Dämmerung sollten Stosstruppe über den Rhein setzen, weiter westlich dann wieder die rechte Rheinufer gewinnen und die Bunker des Grebbebergs von rückwärts unschädlich machen. Wahrend aber noch die Vorbereitungen zu diesem Unternehmen getroffen wurden, das übrigens scheiterte, weil der Feind auch auf dem jenseitigen Rheinufer Kampfanlagen besass und schon die ersten Schlauchboote zusamnen schoss, begann der Chef der 9. Kompanie, Hauptsturmführer Härmel, aus eigenen Entschluss, unter Zustimmung des Bataillonskommandeurs, den direkten Angriff auf die Schleuse.
Überraschend schnell gelang es, die vor der Schleuse gelegenen Bunker auβer Gefecht zu setzen. Unter dem rasenden Feuer der unmittelbar über der Schleusenbrucke auf dem Berg gelegenen leichten und schweren Waffen versuchten nun einige der wagemutigen Männer der 9. Kompanie, das jenseitige Brückenende zu erreichen. Sie fielen im feindlichen Geschoszhagel oder durch den Strom, den die Holländer durch die Brücke jagten. Die nacholgenden Kameraden mieden die Brücke, sturzten nach rechts zum Grebbeufer und durchschwammen den Flusz. Die nächsten setzten in Flosssacken über. Auch hierbei gab es noch Verluste, aber die meisten kamen hinüber. Ein Bunkers jenseits der Grebbe wurde durch eine einige Handgranate auβer Gefecht gesetzt, während, die Besatzung eines weiteren Bunkers sich kampflos ergab, als unversehens deutsche Soldaten die Bunkertür öffneten. Damit war der entscheidende Schlag getan. Der Durchbruch an der Grebbsschleuse war erzwungen/ Die 9. Kompanie drang längs der Strasse nach Rhenen in Richtung auf den heutigen Soldatenfriedhof vor und setzte eine in der Nähe gelegene feindliche Batterie ausser Gefecht deren Bedienung über das Erscheinen der Deutschen fassunglos war. Noch in derselben Nacht und in Morgengrauen folgten die anderen Kompanien des II. Bataillons nach und vernichteten die noch zahl reichen Widerstandsnester auf dem Grebbeberg. Ein grosser Teil der Besatzung ergab sich oder floh. Der Grebbeberg war gefallen.”


De Duitsers begonnen hierna met brugslag over het inundatiekanaal en de Grebbe om zware wapens te kunnen overzetten. Verder trokken ze een vierde bataljon aan, namelijk het I. bataljon van het 322e Infanterie Regiment. Dit bataljon moest het gat dichten tussen het III. bataljon (snel oprukkend langs de ‘ingesneden’ hoofdweg richting de stoplijn en de spoorbaan) en het I. en II. bataljon (die beiden de noordrand van de Grebbeberg aan het zuiveren waren). Dit bataljon verdwaalde echter en ook de inzet van de 15e ‘Kradschützenkompanie’ kon het gat niet meer sluiten.[1]
[1] Kriegstagebuch SS Rgt DF, blz 7 en 8

Van het II. SS Bataljon is ook een ooggetuige verslag. SS-Rottenführer (korporaal) Günther Hecker was binnen de 8eKompanie richter van een mortier. Hij vertelt o.a. over de Nederlandse luchtaanval[1]:
“ lm Morgengrauen befanden wir uns mit leichten und schweren Infanteriewaffen (8.0 cm Granatwerfer, sMG u. 3,7 cm Pak) im sogenannten Obstgarten und hatten vor uns die Festung Grebbeberg, unten Hotel Grebbe, rechts von uns führte die ProvinzstraBe zum Grebbeberg-Achterberg. Hier entwickelte sich nunmehr für uns eines der hartesten Gefechte. Ein förmlicher GeschoBregen flog uns ununterbrochen um die Ohren. Der Grebbeberg war bestückt wie ein Kriegsschiff und feuerte aus allen Kalibern, wobei der Gegner uns durch die starken Befestigungen überlegen war. Er konnte durch die Höhenlage alles einsehen und immerhin ein gröBeres niederes Sumpf und Wiesengelande mit dem FluB IJssel (= hij bedoelt de Grebbe) in seine Schutzstellung einbauen. Darüber hinaus hatte er Minenfelder angelegt. Mir ist gut in Erinnerung, daB unser Rgts.-Panzerspahwagen ca. 1.500 m auf der StraBe direkt zum Grebbeberg in Brand geschossen wurde und die Hollander zweimotorige ‘Fokker’-Doppelrumpf-Flugzeuge im Tiefflug gegen uns einsetzten.”
[1] Gunther Hecker, artikel in ‘Der Freiwillige’ 34e Jahrgang, juni 1988
Over de voortzetting van de aanval en de doorbraak door de stoplinie zegt de regimentsgeschiedschrijver van SS Regiment ‘Der Führer’[1]:
“Ein weiteres Vortragen des Angriffs nach Westen zur Erreichung der Bahnlinie ostwärts Rhene erforderte erneute planmäβige Bereistellung, da sich die Holländer in dem Waldgelände zwei Kilometer ostwärts Rhenen in einer gut ausgebauten, stark befestigten und verdrahteten Stellung erneut zum Widerstand festgesetzt hatten. Mehrfache gegen diese feindlichte Stellung angesetzte Angriff blieben inm heftigen feindlichen Abwehrfeue liegen. Das I./DF was inzwischen zum Angriff gegen die starke feindlichen Bunkerstellung an der Grebbe nordostwärts des Grebbe-Berg angesetzt worden. Auch dieser Angrifff gelang dank der Zähigkeit der von Bunker zu Bunker vorstürmenden Stoβstrupps. Aber dieser Angriff vermochte keine Entlastung mehr für die auf dem Grebbe-Berg angreifende Batallione zu bringen, da er infolge starker feindliche Feuerwirkung aus der dritten Feindstellung am Nordhang des Grebbe-Berg nur noch langsam an Boden gewinnen konnte. Auch was er notwendig, dem II./DF und III./DF die zur Durchführung des Angriffs und zur Abwehr mehrerer feindlicher Gegenstöβe notwendigen schweren Waffen vorzubringen, was erst möglich war nach Herstellung einer Behelfsbrücke über die Grebbe, anstelle der zerstörten dortigen Schleusenbrücke…”
[1] Otto Weidinger, Kameraden bis zum Ende, blz 31-32
SS-Untersturmführer[1] Fritz Kauerauf nam als pelotonscommandant van de 13e Kompanie /DF[2] deel aan de vervolgaanval en kreeg als gevolg van Nederlands artillerievuur een nat pak[3]:
“Aus unserer Sicherungsstellung in der 2. Linie der holländischen Grebbestellung traten wir nachmittags zum weiteren Angriff an. Aber die Geschichte klappte nicht so recht; es verlief sich irgendwie. Gegen 16.00 Uhr, als ich mich gerade in einem Bunker des Kompanietrupps befand, wo man Funkverbindungen hatte, und alles unter Decknamen lief — unsere Kompanie hieB „Arbeitgeber” -, begann ein Feuerzauber, wie wir ihn bis dahin nicht erlebt hatten. Ich kam nicht mehr dazu, mir die interessanten Karten mit den eingezeichneten Bunkern und Stelllungen der Holländer anzusehen, als es schwere Granateinschlage in jeder Menge hagelte. Nicht nur Scharfschützen aus Obstbaumen behinderten uns jetzt, sondern auch ein Trommelfeuer ungeahnten AusmaBes der gegnerischen schweren Artillerie. Jeder suchte Deckung, und wir sprangen einzeln aus diesem mörderischen Einschlagsbereich heraus. Dabei landete ich einmal beim Heranziehen eines schweren Koffers — wie wir diese Granaten nannten — mit meinem ganzen Klumpatsch, Fliegerdreibein, Ersatzlauf fürs Maschinengewehr, Munitionskasten und meinem eigenen Gewehr mitten in einer Gracht, wie die kleinen Kanale zwischen den Wiesen hieBen. Völlig naB stapfte ich ans Ufer, und gottseidank war jetzt auch der Feuerschlag zu Ende.”
[1] tweede luitenant
[2] Dit was de ondersteuningscompagnie met zware wapens. Hauptsturmführrer Hans Kempin was de compagniescommandant. Hij zou in 1945 zelfs divisie commandant worden van de (maar kort bestaande) 38. SS-Grenadierdivision Nibelungen en 32.SS-Freiwilligen-Grenadier-Division 30.Januar.
[3] Kriegsfreiwilliger Fritz Kauerauf in der „Grebbeiinie”, artikel in ‘Der Freiwillige’ 34e Jahrgang, juni 1988


3-4RH komt weer onder bevel van 4RH
3-4 RH was oorspronkelijk ingedeeld bij Brigade B die in het Land van Maas en Waal optrad. Tijdens een verkenningsopdracht vanuit dit gebied richting Elst en Rhenen, werd het eskadron echter onmiddellijk ingelijfd door de commandant van de 4e Divisie en ingezet om de Grebbeberg op te gaan richting de stoplijn. Later werd het eskadron weer onder bevel gesteld van 4RH en moest vervolgens de ruglijn bij de spoorlijn te bezetten. Ritmeester Baron van Pallandt van 3-4RH vertelt over 12 mei en de hierop volgende chaotische nacht[1],[2]:
”Te ongeveer 15.30 opdracht ontvangen van C.-Brigade B met het eskadron uit te rukken en te verkennen richting ELST en RHENEN. Met het eskadron afgemarcheerd en verkend richting RHENEN. Te ongeveer 16.30 telefonisch bericht aan C.-Brigade B dat ELST en RHENEN nog vrij van vijand zijn. Zet verkenning voort. 1 kilometer West van RHENEN opgevangen in commandopost C.-IV Divisie. Hij gaf mij opdracht door RHENEN te marcheeren naar de Grebbeberg, in het bosch ten Oosten van RHENEN en Zuid van de straatweg en NOORD van de Rijn verband te zoeken met infanterie die stoplijn heeft geformeerd. Zoo de stoplijn is geformeerd er doorheen gaan en vijand in oostelijke richting verdrijven. Te ongeveer 17.30 aangekomen per rijwiel op de stoplijn tot kilometerpaal 110. Verband opgenomen met de commandant van de stoplijn (waarbij de kapitein GRETER gezonden door C.-II. LK). Stoplijn niet, althans onvoldoende bezet. Door zeer onoverzichtelijk toestand niet verder dan den stoplijn kunnen doordringen. Met het eskadron een bruggenhoofd geformeerd Oost van het viaduct over den spoorlijn te RHENEN.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005
[2] Volgens rapport Nierstrasz had 3-4RH opdracht zich onder bevel te stellen van commandant II-19RI. Dit is echter niet gebeurt. NIMH archieven, 409-503-001
Er waren intussen door Commandant Veldleger meer noodmaatregelen genomen om een dreigende Duitse doorbraak op de Grebbelinie te voorkomen. Niet alleen 3-4RH was vanuit Brigade B ter beschikking van commandant II LK., maar later volgde geheel Brigade B[1] en vervolgens ook het reservebataljon van Brigade A (I-46RI onder leiding van majoor P.C. Dekker). Ook delen van IV. LK. werden achter de Grebbelinie gepositioneerd.[2] Toen de Duitsers op 12 mei de hoofdweerstandstrook op de Grebbeberg binnendrongen liet de divisiecommandant van IV Div. alle plannen om de voorpostenstrook te heroveren vallen. Het reservebataljon I-46RI werd onder bevel gesteld van commandant II-19RI (majoor van Apeldoorn) en moest de ruglinie versterken. Het bevel hiertoe kreeg het mondeling om 19.30 van een officier van de divisiestaf. Het bataljon had echter zijn complete verbindingsafdelingen en mitrailleur compagnie in de Betuwe bij Lienden achter moeten laten. Het bataljon bezette in de schemering de opgedragen opstelling van de Rijn tot kilometerpaal 25 (1 ½ km) en verlengde dat later met het naar het noordwesten omgebogen gedeelte (totaal nu 2 km). Op de linkerflank (noord richting Berg en Dal[3]) zou later het IIe bataljon van 11RI (II-11RI) worden gepositioneerd. II-11RI is door allerlei misverstanden echter in het omgebogen gedeelte terecht gekomen in plaats van in de lijn van kilometerpaal 25, langs de kunstweg en spoorlijn naar Berg en Dal/Achterberg. Dit had gevolgen voor de eenheden van 4RH.
[1] Dit kon omdat het te verdedigen terrein tussen Maas en Waal zich hier vernauwt. Ter hoogte van Dreumel en Heerewaarden.
[2] Rapport Nierstrasz, NIMH archieven, 409-501-001
[3] Berg en Dal staat niet op de kaart maar is het gedeelte van Achterberg wat west van de spoorlijn ligt.

Ritmeester Baron van Pallandt (3-4RH) die met zijn eskadron na terugvallen van de stoplijn een bruggenhoofd ten oosten van de spoorbaan had gevormd, vertelt over de nog voortdurende gevechten op de Grebbeberg[1]:
“Verwarring, beschoten door eigen troepen uit alle richtingen. Het eskadron formeert een bruggenhoofd à cheval (= bereden) van de straatweg Oost van het viaduct over den spoorlijn. Mij omstreeks 20.00 begeven naar de commandopost van C.-IV Div. Hier kreeg ik opdracht om het eskadron over het viaduct terug te nemen en een bruggenhoofd te formeren West van het viaduct en dit viaduct hardnekkig te verdedigen. Zuid van mij zouden zich tot aan den spoorbrug over den Rijn 2 compagnieën infanterie bevinden, aangevoerd op rijwielen. Opstelling ingenomen, 3 voorpelotons, 2 pelotons 200 meter West van het viaduct. 4e peloton Noord van het viaduct, 1e peloton links en rechts van de straatweg. 3e peloton Zuid van de straatweg bij het station RHENEN en Zuid daarvan. 2e peloton in reserve 200 meter West van viaduct. Verband opgenomen, Zuid 1 compagnie infanterie aanwezig. Noord 1 sectie infanterie met zware mitrailleur. Bij het viaduct 1 zware mitrailleur (kapitein der Koninklijke Marechaussee GELDERMAN).”
[1] NIMH archieven, 409-503-005A

De alarmerende meldingen van de eskadronscommandant van 3-4RH op de divisie commandopost hadden grote invloed. Alle offensieve acties aan Nederlandse zijde werden gestaakt en de ruglinie werd zo goed mogelijk versterkt. De Regimentscommandant van 4RH luitenant-kolonel De Marees van Swinderen, werd vervolgens aangesteld als commandant over alle Nederlandse troepen die aan spoorweg in stelling lagen. Hij was immers ter plaatse de hoogste in rang. De bevelen werden hem telefonisch overgebracht door kapitein van de Generale Staf Fiévez.[1] Men verzuimde echter alle betrokken commandanten van de nieuwe bevelsverhoudingen op de hoogte te stellen. Om 20.30 kwam het eerste bevel binnen op de regimentscommandopost van 4RH[2]: “4RH thans in opmars naar RHENEN, marcheert naar het bosch bij BERG EN DAL (kaartvierkant 167-443) en blijft daar als Divisiereserve ter beschikking van C. IV Div. Noord van 4RH in het REMMERSTEINSCHE BOSCH, komen drie bataljons onder bevel van luitenant-kolonel LAND. Bij kaartvierkant 164,5-443 zo zult U een officier van 8RA (= Regiment Artillerie) vinden, om U te begeleiden naar BERG EN DAL!” Luitenant-kolonel Jhr. S. De Marees van Swinderen stelt zelf hierover[3]:
“Op 12 mei bevond ik mij op den kunstweg, 500 meter ten Westen van den viersprong van kunstwegen in vierkant 167-442. Het regiment was toen in opmarsch naar BERG EN DAL, 500 meter Noord van genoemde viersprong…”
[1] Na de oorlog stelt luitenant-kolonel De Marees van Swinderen dat de kapitein Fiévez een door hem ondertekend schriftelijk bevel had gegeven, geschreven op een blocnote, 10 tot 15 regels. NIMH archieven, 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-017
[3] NIMH archieven, 409-503-002 en NIMH archieven, 409-503-001B
Het divisiebevel om stelling te nemen langs de spoorlijn en alle daar aanwezige troepen onder bevel te nemen, bereikte hem aanvankelijk mondeling:
“Bij de knik in de kunstweg ten Noorden van LIJSTERING aangekomen meldde zich de ritmeester E. BARON VAN PALLANDT bij mij, de C.-3-4RH, welk eskadron tot dusver onder de bevelen van den Commandant Brigade B in te Betuwe te 21.00. Hij overhandigde mij een bevel van den Commandant IV Div. geschreven op een brief blocnote. Dit bevel dat uiteraard direct na gebruik door mij werd vernietigd hield in: 1. Begeef U met Uw regiment naar RHENEN. 2. Neem aldaar het bevel over. 3. Belet het overschrijden door den vijand van den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL tusschen den Rijn en kilometerpaal 25 aan dien spoorweg…..”
“Gegevens over de daar aanwezige troepen, alsmede van commandoposten werden mij niet verstrekt. De toestand te RHENEN was mij op dat tijdstip dus ook wat terreinomstandigheden betreft ten eenemale onbekend. Aangezien spoed vereischt was, zijn mijn bevelen zonder voorafgaande verkenning op grond van kaartstudie gegeven.”

Ritmeester Baron van Palland (3-4RH) bevestigt deze mondelinge opdracht en plaatst zijn eskadron weer onder bevel van 4RH[1]:
“Te ongeveer 22.00 mij opnieuw begeven naar C.-IV DIV. met verzoek om hulp. Ik kreeg daarna opdracht om C-4RH op te zoeken, Noord van RHENEN en hem opdracht van C.-IV Div. te overhandigen met opdracht tot ondersteuning. Na bij viersprong van wegen VEENENDAAL-RHENEN en ELST-VREEWIJK C.-4RH gevonden te hebben, opdracht overhandigd en mijn eskadron onder zijn bevelen geplaatst.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005A
Behalve het bevel van 4e Divisie vertelde ritmeester Baron van Pallandt nog twee zaken, namelijk dat zijn eigen eskadron (3-4RH) in opdracht van IV Div. oost van de spoorweg te Rhenen in stelling was gekomen en zowel rechts (compagnie infanterie) als links (mitrailleur compagnie) aangeleund was. Hij had deze onbevredigende situatie ook aan de divisie commandant gemeld. Daarnaast vertelde hij dat het terrein oost van Rhenen een ‘gekkenhuis’ was, waarbij iedereen op iedereen schoot, terwijl er slechts ‘zwakke vijandelijke troepen’ aanwezig waren. Gekoppeld aan eerdere melding van de Chef Staf van IV Div. dat het terrein tot 1 km oost van de spoorbaan vrij van vijand was, besloot de Regimentscommandant om zijn opdracht ‘aanvallend’ uit te voeren.

4RH moet de ruglinie bezetten en alle hier aanwezige troepen onder bevel nemen
Een uur later om 21.30 kwam er het (tweede) schriftelijke bevel binnen, opnieuw opgesteld door kapitein Fiévez[1]:“Verplaats uw regiment naar RHENEN. Neem contact op met C.-II-19RI (badhuis RHENEN), die thans het bevel voort aan den spoorbaan. Neem het bevel op U over alle troepen aan en achter den spoorbaan tusschen den RIJN en kilometerpaal 25. Verdedig de spoorbaan tot het uitersten, geen man mag de spoorbaan overschrijden, de grootste belangen zijn hiermede gemoeid..” Veel meer informatie kreeg hij echter niet. Ook werden hem geen extra verbindingsmiddelen ter beschikking gesteld. Sommige infanterie eenheden die aan de spoorlijn lagen, wisten bijvoorbeeld niets van een gezamenlijke commandant. De commandopost van II-19RI was bovendien aanvankelijk niet te vinden, waardoor pas in de nacht van 13 mei er fysiek contact was tussen de Regimentscommandant en de bataljonscommandant van II-19RI en het te laat was voor betere onderlinge afstemming. Dat er ook nog andere infanterieonderdelen, zoals I-46RI langs de spoorlijn lagen, had niemand de Regimentscommandant van 4RH verteld. Door het uitblijven van duidelijke orders en de onoverzichtelijke bevelsrelatie traden sommige ondercommandanten daarom naar eigen goeddunken op.
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Als gevolg van de Duitse doorbraak naar en door de stoplijn had 4RH dus de opdracht gekregen om in samenwerking met de overblijfselen van het reservebataljon, het IIe bataljon van het 19e Regiment Infanterie (II-19RI), een verdedigende opstelling achter de spoorlijn tussen de Rijn en kilometerpaal 25 in te nemen en vluchtende infanterie te stoppen. Deze lijn werd de ‘ruglijn’ genoemd en hier was een stelling voorbereid, met o.a. een loopgraaf. Bij kilometerpaal 25 boog de stelling in noordwestelijke richting. Deze ombuiging was bedoeld tegen vijand die de Grebbeberg ten noorden zou omtrekken. Er waren plannen gemaakt om de stelling in noordoostelijke richting verder te laten lopen, maar deze waren niet uitgevoerd. Het noordelijk gedeelte van de stelling in de ruglijn werd bezet door de al genoemde eskadrons 2-3RH en 6-4RH die hiertoe de opdragen acties in de frontlinie moesten afbreken. 3-4RH (ook al aanwezig) en 1-4RH kregen de opdracht om het zuidelijk gedeelte van de ‘ruglijn’ te bezetten.Ritmeester van Lidth de Jeude vertelt over de bevelsuitgifte op de regimentscommandopost in de nacht van 12 op 13 mei[1]:
“….De opdracht luidde zich met het regiment te begeven naar RHENEN en aldaar het commando over te nemen en door 4RH een opstelling te doen innemen aan de spoorlijn AMERSFOORT-KESTEREN van kilometerpaal 25 (bij VREEWIJK) tot de brug over de Rijn. Deze spoorlijn moest over de aangegeven breedte worden vastgehouden. Ritmeester VAN PALLANDT bracht dit bevel mondeling aan de Regimentscommandant. ’s Avonds ongeveer 23.30 gaf de Regimentscommandant bevel aan de onderdeelen op te marcheren tot aan het kruispunt van de autoweg en de kunstweg van Jeugdherberg BERG EN DAL naar RHENEN. Aldaar gaf hij het bevel aan ritmeester VAN PALLANDT met zijn eskadron opstelling in te nemen aan de spoorweg van de brug over de Rijn tot de kunstweg RHENEN-WAGENINGEN. Aan ritmeester FEIST om met zijn eskadron opstelling in te nemen aan de spoorweg van de kunstweg RHENEN-ARNHEM (inbegrepen) tot ongeveer kilometerpaal 24,4. Aan ritmeester VAN DE VOORT VAN ZIJP daaraan aansluitend en iets achterwaarts op de Oude Vreewijkscheweg zijn eskadron als reserve eskadron op te stellen. Dit laatste eskadron heeft naderhand een gewijzigde opstelling gekregen, front noord-oost, ter hoogte van kilometerpaal 25. Voor zoover ik mij kan herinneren werd dit geheel onder het commando van majoor DE KRUYFF gesteld. Rekening moest worden gehouden met het overschrijden van de spoorweg bij aanbreken van de dag…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Ritmeester Baron van Palland (3-4RH) ontving zijn opdracht[1]:
“In den nacht van 12 op 13 mei van C.-4RH bevel ontvangen mijn ingenomen stelling te handhaven. Noord aangeleund door 1-4RH en 2-3RH. Het 4e peloton van 3-4RH gevoegd bij het 1e peloton aan de straatweg.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005A
Na de bevelsuitgifte ging de Regimentscommandant van 4RH (in het donker) zelf op verkenning. De verkenning (uitgevoerd samen met de eskadronscommandant van 3-4RH) leverde weinig op. De commandopost van commandant II-19RI was niet gemakkelijk te vinden[1] en bovendien waren er volgens de Regimentscommandant maar weinig infanterie eenheden in de stelling te vinden. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[2]:
“Na de ondercommandanten te hebben verzameld en de bevelen voor de bezetting van RHENEN, c.q. het innemen van een uitgangsstelling voor den aanval te hebben gegeven, ben ik vergezeld van ritmeester baron VAN PALLANDT, vooruitgegaan, ter verkenning van de voorste lijn en commandoposten, aangezien genoemde ritmeester eenigzins bekend was met de toestand nabij station RHENEN. Bij de verkenning zijn door mij geen troepen van infanterieregimenten waargenomen, met uitzondering van een zware mitrailleur welke zich bevond nabij het viaduct en die af en toe vuurde. Overigens heb ik geen gevechtshandelingen waargenomen en ben ik niet op posten gestoten. Na lang zoeken vond ik toevallig de commandopost van den majoor VAN APELDOORN, die het commando over RHENEN voerde. De inlichtingen welke ik van dezen majoor ontving waren vaag, een schets van de opstelling van de troepen werd mij niet verstrekt en geschiedde het overgeven van het commando op de kaart 1:50.000. Van een verband van den majoor met de ondercommandanten in de voorste lijn, is mij verder niets gebleken…”
[1] De commandopost van II-19RI was gevestigd in de kelder van een dokterswoning, een witte villa ongeveer 400 meter van de Oude Watertoren.
[2] NIMH archieven, 409-503-002
Dit klopte echter niet. Er waren wel degelijk infanterie-eenheden in de stelling aanwezig, namelijk drie compagnieën van I-46RI, twee compagnieën van II-19RI en de mitrailleur compagnie van II-19RI. In het noorden zouden ook nog eenheden van II-11RI moeten zijn. Vermoedelijk heeft de duisternis en onbekendheid met het terrein en verloop van de stelling parten gespeeld. De commandopost van II-19RI werd omstreeks 02.30 gevonden.[1] Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[2]:
“Ten slotte vond wij, zonder maar ergens te zijn aangehouden een eenzame post op ongeveer 700 meter West van den spoorlijn bij het Badhuis, die mededeelde dat er zich een majoor bevond in den schuilkelder, onder dat badhuis gelegen. Dit bleek den commandant van RHENEN te zijn, aan wien ik mijn opdracht meededeelde, verder het commando over RHENEN te zullen voeren. De schuilkelder was overvol, hetgeen uiteraard niet ten goede kon komen aan eenige leiding. Ik had den majoor eens ontmoet bij den aanvang van de mobilisatie, toen hij zich bij mij meldde in mijn functie van garnizoenscommandant te DEVENTER, ten einde het commando over het station DEVENTER te aanvaarden. Hij maakte toen in de enkele oogenblikken van ons onderhoud een opgewekten, goedigen indruk. Thans was het tegendeel het geval, voor wat de eerste eigenschap betreft, en gaf hij blijk van vermoeidheid en apathie.”
[1] Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven, 409-503-001 en 409-503-001B
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
Het overleg met commandant II-19RI, majoor van Apeldoorn, was teleurstellend. Ook die kon niet alle posities van de troepen vertellen, bovendien was er geen kaart of schets op de commandopost aanwezig waarop alle dispositie ingetekend waren. Niemand vertelde daarnaast de commandanten van I-46RI (die zich slechts enkele honderden meters ten zuiden van de commandopost van II-19RI bevond) en II-11RI dat de Regimentscommandant van 4RH het bevel over alle troepen in de stelling over zou nemen. Om 04.00 arriveerde overigens nog luitenant van Helten van I-24RI op de commandopost en vroeg toestemming om te mogen telefoneren met de commandopost van IV Div. Hij informeerde de Regimentscommandant ook over de toestand bij I-24RI.[1]
[1] NIMH archieven, 409-503-001B
In deze uiterst verwarde en onoverzichtelijke toestand realiseerde de Regimentscommandant dat met de reeds beperkte, gedemoraliseerde en door elkaar gemengde troepen niet veel viel uit te richten. Hij besloot de bevolen verdediging dan maar met zijn eigen regiment te voeren, zo goed en zo kwaad als dat mogelijk was.[1] Hij probeerde de verdediging te ordenen langs de spoorlijn van de Rijn tot kilometerpaal 25. Tevens vatte hij het plan op om, bij het aanbreken van de dag, de spoorlijn te overschrijden en de hardnekkige verdediging aan de oostzijde te voeren, maar de toestand aan de oostzijde was onbekend. Hij gaf majoor de Kruyff de taak om te plaatse het bevel op zich te nemen. De kreeg de volgende opdracht[2]:
“Marcheer met 1-4RH, ME-4RH minus 1 sectie, plus drie stukken pantserafweergeschut 4,7 , sectie mortieren, naar den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL en neemt stelling West van deze spoorweg in een vak begrensd ten Duiden door den kunstweg WAGENINGEN-AMERONGEN (inbegrepen). Gij krijgt onder Uwe bevelen 3-4RH, welk eskadron, welk eskadron is opgesteld ter hoogte van station RHENEN, à cheval van den kunstweg WAGENINGEN-AMERONGEN en West van het spoorwegravijn. Noord van u komt 203RH versterkt door 1 sectie mitrailleurs door U af te geven. Zuid van 304RH bevindt zich een compagnie infanterie. Taak is het beletten, dat vijandelijke troepen den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL in uw vak overschrijden.”
[1] Het besluit om alleen op de troepen van 4RH te vertrouwen, werd hem later wel verweten. Hij zou meer pogingen hebben moeten ondernemen om contact te leggen met alle andere eenheden in de stelling. Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-001
Aan de eskadronscommandant van 2-3RH gaf hij het volgende bevel, maar voegde hier aan het einde nog wat aan toe, namelijk zijn ‘aanvallende intentie’:
: “2-3RH met één stuk pantserafweergeschut en 1 sectie zware mitrailleurs van ME-4RH. Begeef U naar den kunstweg RHENEN naar kilometerpaal 25 aan den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL. Stel U gereed Zuid van paal 25 en ga voorwaarts tot aan den spoorlijn. Er moet op gerekend worden, dat bij het aanbreken van den dag de spoorlijn zal worden overschreden, teneinde de voorgelegen bosschen van vijand te zuiveren..”

De beide eskadrons 2-3RH en 6-4RH die in BERG EN DAL aanwezig waren, kregen de nieuwe opdracht om stelling te betrekken in de westrand van Rhenen. Ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford (6-4RH)[1]:
“Ik ontvang te 01.30 bevel om me naar RHENEN te begeven en een opnamestelling in te nemen aan den Westkant van RHENEN….”
[1] NIMH archieven, 409-503-009 en 409-503-010
Ritmeester van der Voort van Zijp had tijdens de bevelsuitgifte de aanvallende intenties van de Regimentscommandant goed begrepen[1]:
“Bij mijn Regimentscommandant aangekomen….kreeg ik opdracht onverwijld met mijn eskadron een gereedstelling in te nemen aan den kunstweg Oost van RHENEN en VREEWIJK. Toegevoegd zouden worden een sectie mitrailleurs en een stuk pantserafweergeschut….Rechts van mij bevond zich majoor DE KRUIJFF met andere onderdelen van 4RH. De opdracht was om na gereedstelling langs de kunstweg voorwaarts te gaan tot den spoorlijn…Voor mij bevonden zich eigen troepen en vijand door elkaar. Zo mogelijk moest ik na het bereiken van den spoorlijn doorgaan en daarna de voorgelegen bosschen te zuiveren van vijand.”
[1] NIMH archieven, 409-503-016
ME-4RH kreeg ook posities te betrekken in de ruglijn en de stellingen van 6-4RH en 2-3RH te versterken met haar mitrailleurs. Luitenant Fentener van Vlissingen[1]:
“Om 22.40 kreeg ik een tweede bevel om één sectie (1e sectie) naar C. 6-4RH te sturen en wederom een sectie (2esectie) naar C.-2-3RH. De andere twee secties (3e en 4e sectie) moest ik onder commando stellen van majoor DE KRUYFF. De 1e sectie (= ingedeeld bij 6-4RH) krijgt opdracht afsluitingsvuur te leggen bij de spoorwegovergang 1200 meter Noord van station RHENEN. 2e sectie krijgt opdracht op linkervleugel van 2-3RH vuur uit te brengen op Noord Rand LAARSCHE BOSCH. 3e en 4e sectie ontvangen opdracht in stelling te komen Noordwest van Oude Watertoren nabij driesprong harde wegen, alwaar gedeeltelijk mitrailleurnesten gebouwd zijn. Hun taak is vuur uit te brengen op gelegenheidsdoelen Oost van spoorlijn en tevens het overschrijden van vijandelijke troepen over deze spoorlijn beletten.”
[1] NIMH archieven, 409-503-014
Kornet A.A.M. Driebeek was pelotonscommandant van twee secties. Elke sectie bestond uit drie stukken zware mitrailleur. Hij maakt ook melding van de aanvallende taak van 2-3RH[1]:
“Wij kwamen midden in de nacht van 12 op 13 mei aan. We hebben vier stukken ingegraven en vuren voorbereid om deze te kunnen uitbrengen op het gebied Oost van de spoorbaan noord van de weg RHENEN-WAGENINGEN. Als ik mij goed herinner zat luitenant VAN VLISSINGEN bij de Regimentscommandant. Hij is regelmatig bij ons geweest… Mijn peloton kreeg opdracht zich in te graven in het verhoogde terrein tusschen de Oude Watertoren (vierkant 16/44) van RHENEN en de huizen aan den harden weg in Noordoostelijke richting door Oude Watertoren. Wij bereidden de ons opgedragen vuren voor in Oostelijke richting op de spoorlijn VEENENDAAL-KESTEREN en gaven de opgedragen vuren af, toen één der eskadrons in de morgen van 13 mei deze spoorlijn in oostelijke richting overschreed, onder commando van den ritmeester VAN DE VOORT VAN ZIJP.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Reserve eerste luitenant J.M. Fentener van Vlissingen (ME-4RH) vertelt over de vervolgopdracht van de nacht van 12 op 13 mei[1]:
“Tegen 3 à 4 uur in de nacht kreeg ik opdracht van majoor DE KRUYFF de zware mitrailleurs zoodanig op te stellen, dat beide flanken van den vijand konden worden bestreken en dat de spoorwegovergang bij VREEWIJK en het gebied Oost daarvan onder vuur kon worden genomen. Ik ben op verkenning uitgegaan en ben geweest op het hoogste punt Oost van den KOERHEUVEL. Daar trof ik een compagnie zware mitrailleurs van de infanterie. Daarna ben ik nog verder naar voren gegaan om mij zoveel mogelijk van den toestand van het terrein op de hoogte te stellen. Ik heb een half eskadron opgesteld in de huizen Zuid van het kerkhof in de buurt van den Ouden Watertoren (= bij 1-4RH) en de andere helft Noord van VREEWIJK (= bij 2-3RH), Noord van de Israëlitische begraafplaats. Ik heb het eskadron van Voort van Zijp (=2-3RH) rechts en links van mij zien oprukken. Het zuidelijke peloton (DRIEBEEK) had weinig doelen.[1] Meer doelen waren gelegen in de richting ACHTERBERG. Ik bewoog mij tusschen de pelotons in en had veel contact met den kapitein van de zware mitrailleurs van de infanterie (= kapitein WEZEPEEL van II-19RI). Deze had alles goed voor elkaar, en stelde mij van den toestand van het terrein op de hoogte. Hij raadde mij aan West van de spoorlijn te blijven, omdat Oost daarvan teveel hakhout was.”
[1] Dit peloton was ingedeeld bij 1-4RH in de buurt van het peloton van luitenant van Lijnden.
[1] NIMH archieven, 409-503-014
Pelotonscommandant kornet Driebeek vertelt ons[1]:
“Tegen schemer werd mijn peloton toegevoegd aan luitenant van Lijnden. Wij hebben de stukken meegenomen en vertrokken naar de Paasheuvel (vierkant 16/44). We hebben ons in het terrein verspreid. Dit was ’s nachts.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Het offensieve gedeelte van het plan werd namens de divisiecommandant verboden door de ’s nachts bij de regimentscommandopost op bezoek komende kapitein van de Generale Staf Fiévez[1]. Dit werd later nog eens telefonisch bevestigd door de divisiecommandant. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[2]:
“Inmiddels werd er een behoorlijk artillerievuur op RHENEN gelegd en kwam het telefonisch bericht van den divisiecommandant dat mijn voorgenomen aanval niet mocht worden ingezet. Het is mij niet bekend wat hiervan de reden is geweest, echter was dat bevel door mij in hooge mate betreurd, aangezien een passieve verdediging van een stelling van bijna 2 kilometer met zeer verzwakt regiment huzaren, waarbij zich wellicht nog eenige andere deelen zouden kunnen voegen, mij van weinig invloed wilde voorkomen, tegen een organisatie als waarover de vijand kon beschikken..”
[1] Kapitein Fiévez was eigenlijk inlichtingenofficier van het hoofdkwartier van het Veldleger bij IV Div., maar omdat er geen chef staf was bij deze divisie meer was, nam hij deze taak maar op zich.
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
De opdracht van 4RH wordt uitgebreid
De Regimentscommandant kreeg hierna eveneens de opdracht om ook ten noorden van kilometerpaal 25 de verdediging op zich te nemen. Hiertoe nam hij het noordelijk gedeelte 2-3RH iets terug. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[1]:
“..Van C.-IV Div. werd kort daarna bericht ontvangen dat de commandant van het gedeelte der stelling Noordwest van kilometerpaal 25 faalt in de bevelvoering[1] en C.-4RH een officier moet aanwijzen om het bevel over dit onderdeel over te nemen. Aangezien C.-IV Div. mij bevolen had de spoorlijn niet te doen overschrijden en gewezen had op het belang dat het overschrijden van dezen spoorlijn aldaar aan den vijand moest worden ontzegd werd door mij 2-3RH eenigzins teruggenomen en versterkt met 2 secties zware mitrailleurs, waardoor tevens mijn open vleugel beter werd beveiligd. Kort daarna wordt de telefonische verbinding met C.-IV Div. verbroken en kan vanwege het artillerievuur niet worden hersteld. De verbinding met de vooreskadrons is alleen mogelijk per ordonnans…”
“Inderdaad grensde de toestand op de Noordwest vleugel aan het misdadige. Officieren en manschappen lagen te slapen of waren weggedoken in onderkomens, geen enkele mitrailleur was in stelling gebracht. Piketten waren niet uitgezet en verband met nevenstelling bestond niet. Patrouilles waren niet uitgezonden.[2]”
[1] De divisiecommandant bedoelde de leiding van II-11RI.
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Over het aanvallend voornemen van commandant 4RH ontstond na de oorlog de nodige commotie, waarover later meer. Uiteindelijk was het Regiment dus langs de spoorlijn (‘ruglijn’ genoemd) opgesteld met een gevechtsgroep Zuid onder bevel van de Majoor G.P. de Kruyff, bestaande uit 1-4RH en 3-4RH plus sectie zware mitrailleurs en sectie pantserafweergeschut. Oost van Vreewijk (nu Noord Rhenen) was gevechtsgroep Noord gepositioneerd onder commando van de eskadronscommandant van 2-3RH, de ritmeester van der Voort van Zijp. Deze gevechtsgroep bestond uit 2-3RH plus een sectie zware mitrailleurs en een sectie pantserafweergeschut en achterwaarts in het reserve gehouden eskadron 6-4RH. Majoor G.P de Kruyff vertelt over zijn opdracht en de vijandelijke artilleriebeschietingen[1]:
“Ik had om 22.00 bevel van ontvangen C.-4RH om met 1-4RH, ME-4RH, 3 stukken pantserafweergeschut en een sectie mortieren naar spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL te marcheren en daar stelling te kiezen West van dezen spoorweg. Ik zou onder bevel krijgen 3-4RH welke reeds opgesteld was ter hoogte van het station RHENEN. Noord van 3-4RH zou 2-3RH in stelling komen. De taak was te beletten dat vijandelijke troepen den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL in mijn vak zouden overschrijden. 3-4RH plus een sectie zware mitrailleurs was op circa 100 meter Noord en Zuid van den kunstweg WAGENINGEN-AMERONGEN al in stelling. Noord van 3-4RH kwam 1-4RH. Het ME-4RH (minus twee secties) en de sectie mortieren komt in stelling circa 100 meter Oost van den Kunstweg RHENEN-VREEWIJK, front Oost, ter hoogte van de Oude Watertoren, met opdracht vuur te brengen op de Oostzijde van den spoorweg KESTEREN-VEENENDAAL en de sectie mortieren op de Oostzijde van het viaduct zuid van station RHENEN. Mijn commandopost bevond zich aanvankelijk ongeveer 50 meter ten Zuidoosten van Oude Watertoren in een leegstaande woning aan den kunstweg RHENEN-kilometerpaal 25 aan den spoorlijn. Luitenant VAN LITH DE JEUDE was bij mij in de commandopost. Toen in den morgen van 13 mei een granaat vlak voor en direct daarna een tweede vlak achter het huis sprong, waarbij dit lichtelijk werd beschadigd, kwam het mij gewenscht voor mijn commandopost te verplaatsen en koos ik deze een 100 meter noordelijker eveneens in een leegstaande woning aan den kunstweg. Tenauwernoood hier aangekomen zijnde, werd opnieuw artillerievuur ontvangen. Het dak van de woning werd hierbij getroffen, zoodat ik het raadzaam achtte mijn commandopost nogmaals te verplaatsen, nu in een loopgraaf, welke zich in de nabijheid bevond. In de loopgraaf bevond zich o.a. een zware mitrailleur. De loopgraaf liep naar voren en was verbonden met loopgraven tot aan de spoorlijn. De hele ochtend viel er artillerievuur.”
[1] NIMH archieven, 409-503-002

Een kleine Duitse eenheid bereikt de spoorlijn
Intussen was aan het einde van 12 mei een laatste Duitse poging om nog met een stootgroep het viaduct over deze spoorlijn bij Rhenen te veroveren mislukte door het krachtige verzet van de marechaussees, infanterie en huzaren (3-4RH). De Duitse stootgroep verschanste zich na de mislukte actie, tegenover het station Rhenen in een nabijgelegen timmerfabriek ‘De Stoomhamer.’ Deze actie van de Duitse stootgroep richting het spoorwegviaduct wordt door de Duitsers beschreven:
“Vorn, beim III./DF, befiehlt der Kommandeur Regiment DF nach Klärung der Lage: Durchbruch des III.DF bis an den Bahneinschnitt ostwärts Rhenen noch in den Nachtstunden…..Punkt 22.00 treten die drei Stoßgruppen des III./DF fast lautlos an: doch schon nach einzigen fünfzig Schritten setzt der Feuerkampf mit ungeahnter Heftigkeit ein. Die rechte Stoßgruppe, unter persönlicher Führung des Kommandeurs III./DF, durchbricht trotzdem ungestüm mehrere durchlaufende Feindstellungen, setzt mit MPi und Handgranaten einzige Geschütze außer Gefecht und hat bereits 23.00 Uhr das Angriffsziel, den Bahneinschnitt ostwärts Rhenen, erreicht……Im letzten Haus vor der Bahnlinie sammelt Obersturmbahnführer Wäckerle die kleine Schar seiner Männer…. Im Verlauf der Nachtstunden meldet sich noch ein Stoßgruppe der 10./DF, dem weiter südlich ebenfalls der Durchbruch gelungen war.”
Pogingen van de Duitsers om versterkingen aan te trekken, mislukten eveneens. Het derde bataljon van het SS Regiment was dus afgesneden, terwijl het eerste en tweede SS-bataljon van dit regiment verder naar achteren, de inbraak op de Grebbeberg zelf afschermden. Het derde SS-bataljon werd als eerste afgelost, met uitzondering van het ingesloten gedeelte. Het Kriegstagebuch van de 207e Infanterie Division stelt[1]:
“Gegenangriffe finden nicht statt. Die Ablösung III./SS durch I. und III./IR 322 ist bis zum Morgengrauen durchgeführt. III./SS zur Verfügung an Grebbe-Berg Südteil. Teilen III./SS darunter Kommandeur, ist gelungen, in der Nacht bis zum Bahndamm ostwärts Rhenen vorzustossen. Bahndamm und Ostrand Rhenen noch stark Feind-besetzt. Aus Gegend nördlicht Rhenen feuern etwa 6 feindliche Batterien. Aus Gegend südlich Nieder-Rhein (Opheusden) Flankierung durch MG, die bis Mittag 13.5 anhält.”
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div., 13 Mai

De volgende bataljons van het inmiddels aangesloten 322e Regiment weigerden echter om in de nacht voorwaarts te gaan en het ingesloten gedeelte van het derde SS-bataljon te ontzetten. Als reden gaven de bataljonscommandanten ongeoefendheid en gebrek aan artillerie ondersteuning aan. Een Duitse aanval van het 368e regiment over de weg Ede-De Klomp was eerder die dag eveneens vast gelopen in het vuur van de Nederlandse verdedigers van de Grebbelinie.De Commissie van Onderzoek van de Generale Staf, onder leiding van luitenant-kolonel V.E. Nierstrasz, die de verwarrende gebeurtenissen op de Grebbeberg later onderzocht, vatte de dispositie van de Nederlandse eenheden in de namiddag van 12 mei als volgt samen[1]:
“spoorlijn bezet door II-19RI (twee compagnieën en een mitrailleur compagnie) en 4e mitrailleur compagnie (minus één sectie), in de avond versterkt met I-46RI (drie compagnieën, afkomstig uit de Betuwe), 3-4RH (teruggenomen van de Grebbeberg), 4RH en op de Noordvleugel (ten onrechte) delen van II-11RI. C.-4RH met het bevel belast, met opdracht het overschrijden van de spoorweg te beletten. Onderdelen van 8RI en van I-24RI en III-11RI, teruggetrokken van de Grebbeberg, komen in en door de stelling. Bij het viaduct RHENEN aanraking met een klein Duitse afdeling, die door de stoplijn was gestoten en zich tegenover het station[1] had genesteld.”
[1] In de timmerfabriek
[1] NIMH archieven, 409-503-001B

13 mei
In de avond en nacht bleef de situatie chaotisch waarbij meerdere eenheden door elkaar raakten. De eskadrons namen hun opgedragen stellingen zo goed mogelijk in, vaak naast de noch aanwezige restanten van infanterie-eenheden. Zo nam 3-4RH en een peloton van 1-4RH stelling bij restanten van II-19RI en de Marechaussee eenheid van kapitein G.J.W. Gelderman die bij de belangrijke spoorwegviaduct lag. De Marechaussee eenheid had tot taak zich van de Grebbeberg terugtrekkende of vluchtende Nederlandse soldaten op te vangen en de ruglijn te laten bezetten.
2-3 RH komt in stelling
2-3RH nam op haar beurt omstreeks 00.30 de opgedragen opstelling langs de spoorlijn bij Vreewijk in en probeerde in de nacht voorwaarts te gaan, de spoorlijn te passeren om de opdracht uit te voeren. Om 03.00 uur begon Duitse zware artillerie de Nederlandse stellingen te bestoken. Rhenen brandde op tal van plaatsen. Ritmeester van der Voort van Zijp (2-3RH) was al snel gedwongen af te zien van het ‘aanvallend voornemen’ en vertelt over de chaos in de nacht[1]:
“Nadat het eskadron ter plaatse was aangekomen, heb ik twee voorpelotons (1e en 2e peloton) aangewezen, terwijl de ingedeelde sectie zware mitrailleurs op mijn linkerflank den aanval met vuur zou ondersteunen. Het 4e peloton zou als ondersteuningspeloton volgen op 300 meter, terwijl ik het 3e peloton voorlopig als reserve wilden houden omdat mijn niet bekend was of ik op mijn linker vleugel aangeleund was. Ik heb de commandanten der voorpelotons opdracht gegeven om verband op te nemen met neventroepen en heb ik om 03.00 bevel gegeven om uit de gereedstelling voorwaarts te gaan met kompasstand 17. Zonder beduidend vuur te ontvangen, gelukte het aan de voorpelotons om de spoorlijn te bereiken, echter was er een te groot gat tusschen dezer pelotons als gevolg van versperringen in het voorterrein, waarom ik het 4e peloton (ondersteuningspeloton) als middenvoor peloton ingezet heb en het 3e peloton ondersteuningspeloton werd. Van de voorpelotons kreeg ik bericht, dat de spoorlijn bereikt was en droeg ik op deze te overschrijden. Het bleek echter dat de spoorlijn met prikkeldraad afgesloten was en dat bij het zich vertonen op de spoordijk zwaar mitrailleurvuur afgegeven werd uit Zuidelijke richting. Ik kreeg bevel van C.-4RH om terug te gaan naar de uitgangstelling aangezien eigen artillerievuur afgegeven zou worden op en Oost van den spoorlijn. 04.30 werd het eigen artillerievuur oost van de stelling gelegd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-016
Reserve eerste luitenant Vlielander, commandant van het 1e peloton van 2-3RH was rechter voorpeloton[1]:
“In de loop van nacht werd het eskadron gereed gesteld aan den Noordweg, ten Westen van de spoorbaan AMERSFOORT-RHENEN. Ik kreeg opdracht met eenige manschappen het terrein te verkennen tot aan de spoorlijn, er rekening mede te houden, dat in het voorterrein eigen troepen en vijand door elkaar zouden zitten. Eigen partij was gedemoraliseerd. Loopgraaf aan de spoorlijn intact gevonden Men had geen verbinding gehad met den commandant. Eenig vuur ontvangen uit huizen van de overzijde van de spoorlijn. Terug gemeld bij den eskadronscommandant en bevinden medegedeeld. Het eskadron ging daarna voorwaarts tot aan de spoorlijn.[1] Hier in stelling gekomen.”
[1] Het eskadron 2-3RH was reeds voorwaarts gegaan VOORDAT de luitenant zijn verkenningsresultaten had gemeld.
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Het eerste peloton slaagde er niet in de spoorlijn te passeren. Het tweede peloton, onder leiding van luitenant Bossum Buisman was linker voorpeloton en had meer succes. Luitenant Bossum Buisman meldt ons[1]:
“We daalden de ingezonken spoorbaan af en beklommen de tegenovergelegen helling. We slaagden erin gaten in de zware versperringen te krijgen en met mijn mannen erdoor te kruipen. Mijn peloton bereikte de weg oost van de spoorbaan en ontmoette op die zijweg een Nederlandse patrouille die mij mededeelde dat omgeving vrij van Duitsers was. Ik zocht nu contact naar rechts met VLIELANDER, doch vond geen huzaren, noch andere troepen. Ik besloot tenslotte dezelfde weg terug te keren. Eén en ander heeft enige tijd gekost en op de commandopost van de ritmeester VAN DER VOORT VAN ZIJP teruggekomen, kreeg ik eerst een standje zoo laat te zijn teruggekeerd en hoorde ik tevens dat de aanval afgelast was van hogerhand en kort daarop zelfs teruggegaan zou worden i.v.m. eigen artillerievuur op spoorbaan…”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Zijn collega pelotonscommandant van het 3e peloton Kornet F. van der Maesen de Sombreff commandeerde het reservepeloton wat later ondersteuningspeloton werd[1]:
“Nadat wij bij BERG EN DAL enige tijd hadden gerust, begaf het eskadron zich naar de kunstweg, die in Noordelijke richting loopt ten Oosten van de oude Watertoren (kaartvierkant 167-441). Hier werd een aanval op de spoorbaan georganiseerd, die te 03.00 zou plaats hebben. Ik was ondersteuningspeloton en zou ter plaatse blijven. Doch spoedig kwamen de voorpelotons terug, omdat zij in het voorterrein alleen eigen troepen hadden aangetroffen en omdat zij de spoorweg wegens versperringen toch niet konden oversteken. Al zeer spoedig hierop volgde een hevig artilleriebombardement, waardoor wij verliezen leden. Vlak bij de watertoren vonden wij lege loopgraven, waarin het eskadron dekking zocht. Nadat het eskadron nog enige tijd in stelling had gelegen in de bosrand Noord van VREEWIJK, kwam het bevel tot de terugtocht…”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
1-4RH en pantserafweergeschut worden ook aangetrokken en in stelling gebracht
Ritmeester Feist van 1-4RH had met zijn eskadron de nacht doorgebracht in een bosperceel zuid van de spoorlijn Maarn-Maarsbergen. Hij vertelt[1]:
“s Morgens kwam bevel terug te gaan naar LEERSUM, teneinde het eskadron van fietsen te voorzien, en de paarden over te geven aan C.-2-4RH. Na ontvangst der rijwielen werd teruggemarcheerd naar Maarn. Te Maarn kwam mededeeling dat parachutisten Zuid en Noord van MAARN waren geland, zodat twee pelotons werden uitgestuurd. Verder bijzonderheden deden zich niet voor tot te ongeveer 15.00 opdracht kwam het eskadron naar Leersum te doen terug gaan teneinde een opdracht te ontvangen. Aankomst te LEERSUM ongeveer 17.00. Eerst werd gegeten en daarna werd afgemarcheerd richting RHENEN met afstanden tusschen de eskadrons van 500 meter. In het eskadron beval ik afstanden van 100 meter tussen de pelotons. Bij het bereiken van den driesprong (kaartvierkant 24-68) kreeg 1-4RH de opdracht met één peloton mitrailleurs en sectie mortieren van 8 als reserve te gaan rusten in de REUMELSTEINSCHE BOSCH. Op de aangewezen plaats aangekomen bleek dat daar vlakbij artillerie zat. Naar mededeeling van één der officieren bleek verblijf onmogelijk door vijandelijk artillerie vuur dat veelvuldig werd afgegeven. De door mij uitgezonden ordonnans naar C.-4RH bracht het bevel mee dat mijn onderdeel terug moest keren naar de driesprong. Aldaar aangekomen, meldde ik mij bij commandopost 4RH. Alhier kreeg 1-4RH opdracht zich te begeven naar Oost zijde REUMELSTEINSCHE BOSCH teneinde aldaar den nacht door te brengen. Ook de andere eskadrons zouden daar de nacht doorbrengen. Te 22.30 aangekomen op een punt ongeveer 1,5 kilometer Noord van RHENEN, bevond zich ritmeester BARON VAN PALLANDT (=commandant 3-4RH) die mij namens C-4RH mededeelde dat ik hem moest volgen naar Rhenen, teneinde een loopgraaf te bezetten nabij het viaduct. De eigen infanterie was uit deze loopgraaf teruggetrokken. Over een weg vol met afgeschoten takken bereikten we RHENEN, waar bij de Noordwest uitgang van het dorp de rijwielen werden achtergelaten. Te voet gingen we verder tot we bij het viaduct Kapitein GELDERMAN van de Marechaussee vonden die ons één zijner menschen mee gaf om ons naar onze stelling te brengen. Het was toen ongeveer 23.00. Met het eskadron werd de stelling bezet en bleken nog ongeveer 10 man infanterie met zware mitrailleur in de loopgraaf aanwezig te zijn. Piketten werden bij de mitrailleurs geplaatst, waarna de rest van het eskadron eenige rust kreeg. Hoewel deze nacht veel geschoten werd, merkten we niets van de vijand.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
De commandant van het 2e peloton van 1-4RH, luitenant van de Lijnden vertelt over de nachtelijke tocht[1]:
“In stikdonker werkelijk struikelend erheen. Kaarten zijn er niet van dit gedeelte (van de loopgraaf). Niemand weer waar hij is. In de verte mitrailleurvuur hoorbaar, ook artillerie (zeer weinig). Mitrailleurvuur naderen wij steeds. We komen in een verlaten dorp, aan de voet scherpe helling. Alles valt op elkaar; wielen (=rijwielen) tegen huizen. Mitrailleurs ratelen vlakbij. Veel geschreeuw, gedaanten vliegen links en rechts voorbij, van vijand weg. Ik pak er één vast, die wartaal uitslaat, huilend in het donker verdwijnt. Wij loopen tot vlak bij een ratelende mitrailleur; worden dan in een donker gat geduwd, loopgraaf waar eskadron in verdwijnt. Er bij staat opperwachtmeester marechaussee die steeds herhaalt “maak jullie niet zenuwachtig, elke kogel is niet raak, er gebeurt hier niets, de stelling is prachtig.” Wij zeggen hem niet zenuwachtig te zijn, maar verzoeken hem van zijn kant nu niet zenuwachtig te willen maken. We vertellen hem huzaren te zijn. Daarop vertelt hij, dat alle infanterie reeds vlucht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Ook het pantserafweergeschut van 4RH werd zo goed mogelijk in stelling gebracht. Eerste luitenant Hollertt:
Opdracht ontvangen C.4RH 2 stukken in te deelen bij C.-gevechtsgroep Zuid, majoor DE KRUYFF en één stuk bij C.-2-3RH. Wegens overbodigheid ter plaatse gaf majoor DE KRUYFF opdracht 2 stukken te doen terugtrekken naar West rand RHENEN, alwaar zij zich zouden melden bij C.-4RH. Ik heb stuk No.2 stelling doen nemen tegenover brug over spoorweg Oost van RHENEN te 02.00 op 13 mei en dit onder commando gesteld van C.-3-4RH.”

Weinig slaap, nachtelijke artilleriebeschietingen
In de nacht van zondag 12 op maandag 13 mei hielden de gevechten rond de spoorweg aan. De beide eskadrons 3-4RH en 1-4RH lagen in het zwaartepunt van de strijd en werden beschoten met vijandelijk artillerievuur. Er werd wel teruggeschoten. Majoor de Kruyff had namelijk aanvankelijk de mortieren van het regiment (onder leiding van kornet C.A. Crena de Jongh) onder bevel. Op zijn aanwijzingen werd om 03.00 mortiervuur afgegeven op de Oostzijde van de kruising kunstweg Rhenen-Wageningen en de spoorlijn. Rond 05.00 uur werd geschoten op de bosrand nabij de oude watertoren. De mortiersectie zelf stond in stelling aan de oostkant van de verharde weg door Vreewijk, zuidoost van de oude watertoren in kaartvierkant 441-167. Om 06.00 kreeg de mortiersectie opdracht om terug trekken.[1] Majoor de Kruyff vertelt hierover[2]:
“1 Stuk pantserafweer 4,7 op den kunstweg WAGENINGEN-AMERONGEN ter hoogte van het viaduct nabij RHENEN. 1 stuk pantserafweer 4,7 op den kunstweg RHENEN-VREEWIJK, zuid van VREEWIJK. Aangezien voor de sectie mortieren en twee secties zware mitrailleurs geen plaats was, zijn deze wederom ter beschikking van C.-4RH gesteld. Met uitzondering van enkele zwakke groepen en een mitrailleur compagnie (à 8 stukken), waren de loopgraven en de stellingen van 1-4RH niet door infanterie bezet. Bij het aanbreken van den dag is op onze stellingen gedurende meerdere uren een hevig vijandelijk artillerievuur gelegd, terwijl van verschillende zijden mitrailleurvuur ontvangen werd, waardoor de indruk werd gevestigd, dat de druk van de vijand op deze stellingen toenam. Het artillerievuur werd bij voortduring herhaald en met groote nauwkeurigheid afgegeven.
[1] NIMH archieven, 409-503-015
[2] NIMH archieven, 409-503-002
Hij ging vervolgens naar de regimentscommandopost[1]:
“Vervolgens met ik met de luitenant VAN LITH DE JEUDE naar den Overste geweest om te hooren wat de Overste van den toestand wist. Ik had geen telefonische verbinding meer met den Overste. Hierbij werden wij onder vuur genomen uit huizen in den Noordrand van RHENEN. Toen ik goed en wel op de commandopost was viel daar zwaar artillerievuur. De commandopost (een wit huis) was tot schuilplaats ingericht. In de commandopost waren de Overste en de majoor VAN APELDOORN (= commandant II-19RI) van de infanterie….”
[1] NIMH archieven, 409-503-002
De Commissie van Onderzoek van de Generale Staf vatte de stand van zaken in de ochtend van 13 mei als volgt samen[1]:
“toenemend artillerievuur, voornamelijk op en bij RHENEN. Meerdere onderdelen van de Grebbeberg trekken terug door de stelling achter de spoorlijn, waar zich van Zuid naar Noord in voorste lijn bevinden: 3-I-46RI, 3-4RH, 1-4RH, 3-II-19RI, 2-I-46RI, 2-II-19RI, een compagnie van II-11RI, 1-I-46RI. Daarachter MC-II-19RI, ME-4RH, 2-3RH, helft 4e mitrailleur compagnie en sectie mortieren-4RH. E.Pag-4RH gedeeltelijk bij viaduct, gedeeltelijk bij Westrand van RHENEN. 6-4RH reserve West van commandopost 4RH en een sectie 4e mitrailleur compagnie Zuid van 6-4RH.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B

In de ochtend kreeg 1-4RH aanvankelijk het bevel kreeg terug te trekken[1], maar liet twee pelotons onder leiding van luitenant Bartels in de ruglinie achter. Deze werden onder bevel van 3-4RH gesteld die wel compleet in de ruglinie bleef. Later keerde 1-4RH met een derde peloton weer terug naar de ruglinie, terwijl één peloton de regimentscommandopost bewaakte. De rol van de eskadronscommandant, ritmeester Feist werd later stevig gediscussieerd. Niet duidelijk was wie het terugtocht bevel gegeven had. Een achtergelaten Nederlands stuk pantserafweergeschut werd, door luitenant Bartels met hulp van enkele huzaren onder vijandelijk vuur weer in de eigen stelling gebracht. Ritmeester Feist (1-4RH) vertelt zelf over de gevechten[2]:
“Bij het aanbreken van den dag was er nog niets te merken van de vijand. Een ordonnans bracht het mondelinge bericht dat 1-4RH moest terugtrekken naar de Oost zijde REMMERSTEINSCHE BOSCH, doch daar ik niet wist of het bericht juist was overgekomen, liet ik twee pelotons onder luitenant BARTELS achter en meldde mij met de twee andere pelotons onder commandopost 4RH. Aldaar kreeg ik opdracht mij in verbinding te stellen met majoor DE KRUYFF (= leider groep zuid) en de loopgraaf bezet te houden. Daar er voldoende ruimte was in de loopgraaf stuurde ik nog een peloton naar de loopgraaf en liet het andere achter nabij de viersprong nabij RHENEN met opdracht de commandopost van 4RH, welke ongeveer 400 meter van dit punt lag, te beschermen en eventueel doordringende vijandelijke afdeelingen in de flank te bevuren. Bij terugkeer in de loopgraaf was de indruk dat zich slechts zwakke vijandelijke afdeelingen tegenover ons bevonden. Wel vonden echter zeer hevige artilleriebeschietingen plaats en sloegen de granaten rond de loopgraaf in. Bij het aanbreken van de dag zagen we enkele stukken 4,7 geschut met trekkers aan de overzijde van de spoorweg staan. Samen met een luitenant der infanterie heeft huzaar E.J. DAMVELD één deze trekkers aan de eigen zijde gebracht, hetgeen geschiedde onder vijandelijk vuur. De afdeeling infanterie die zich in onze loopgraaf bevond was ondertusschen teruggetrokken nadat zij de zware mitrailleur, die ze achterlieten, onbruikbaar maakten. Door luitenant BARTELS werd deze zware mitrailleur hersteld met behulp van reserve onderdeelen, die zich bevonden op een achterwaarts gelegen wagen. Geleidelijk kwamen er meer vijandelijke afdeelingen tegen over ons. Het vijandelijk infanterie vuur werd steeds intenser. Tegen den middag kwamen enkele gewonde Nederlandsche soldaten in onze loopgraaf aan, zoo ook aan den vijand ontvluchtte gevangenen. Steeds meer vijanden werden zichtbaar aan den overkant der spoorbaan…”
[1] De Regimentscommandant ontkent dit bevel gegeven te hebben.
[2] NIMH archieven, 409-503-003
Eerste luitenant J.A.C. Bartels vertelt zelf over deze actie van huzaar Damveld[1]:
“Ik was al luitenant toegevoerd bij ritmeester FEIST van het 1e eskadron 4e Regiment Huzaren. In de nacht van 12 op 13 mei hadden wij stelling genomen in de loopgraaf West van de spoorbaan Noord van het viaduct. Ik heb mij daar in verbinding gesteld met kapitein GELDERMAN die 50 meter West van het viaduct lag richting RHENEN. Toen het licht werd om ongeveer 5 uur zag ik twee pantserafweergeschut trekkers met twee stuks geschut aangehaakt. Plusminus 120 à 130 meter noord van den weg RHENEN-WAGENINGEN. Hierna heb ik contact opgenomen met luitenant SCHEEPSTRA die 300 à 400 meter noord van den grooten weg lag met 1 sectie infanterie, iets terug van de spoorbaan. Ik had DAMVELD meegenomen als dekking. Hij meldde zich toen vrijwillig om het pantserafweergeschut op te halen, waarna luitenant SCHEEPSTRA zei: “Dan ga ik ook mee.” Zij zijn achter langs een omweg tot de westelijke toegang van het viaduct gegaan tot zij kwamen Oost van het Huisje dat noord van het viaduct staat. Daarna zijn zij aan den noordelijken kant van de brug in gebukte houding langs de balustrade gegaan, waarna ik ze zeer naar het noorden zag gaan. Zij zijn gaan zitten in de eerste pantserafweergeschut trekker, waarna zij de wagen startten, zij hoefden den wagen niet te draaien. Het stuk werd overgenomen door luitenant HOLLERT. Dit stuk hebben zij gehaald steeds onder vuur dat kwam vanaf de overkant van het viaduct en was gericht op het stuk pantserafweergeschut. DAMVELD kwam bij mij terug en zei: “Luitenant ik heb het stuk gehaald en ben er goed af gekomen, alleen gaten in mijn jas.” Ik weet niet meer wie er gereden heeft, luitenant SCHEEPSTRA of DAMVELD…Toen DAMVELD terug was heeft hij zich weer aangemeld om het 2e stuk pantserafweergeschut te gaan halen, maar ik wilde het risico niet aan, omdat het vuur te hevig was. Het stuk pantserafweergeschut werd in stelling gebracht op 150 meter van de spoorbrug, deze kon niet meer vooruit omdat het viaduct te hevig onder vuur lag.
[1] NIMH archieven, 409-503-003 en 409-503-004
. Luitenant Bartels maakt melding van vuur in de rug van de eenheid:
“Op een gegeven moment werden wij in de rug beschoten vanuit de huizen die achter ons lagen. Ik heb contact opgenomen met kapitein GELDERMAN die 25 à 30 meter van de groote weg aflag. Ik heb verder die huizen onderzocht, aanvankelijk alleen. Later kwam DAMVELD bij mij, die zonder daartoe opdracht gekregen te hebben meeging. Wij vonden echter niets.”
Luitenant van Lijnden:
“Daar ik linkervoorpeloton ben, beveilig ik linkerflank en rug door één lichte mitrailleur. Ik doorzoek met enkele menschen huizen vlak achter mijn stelling. Verlaten; alles erin. De huzaren voelen zich niet op hun gemak: alles beweegt door de wind, daar ruiten ingeslagen zijn om binnen te komen. Dubbelpost geplaatst om uit te kijken bij ruit richting Oost. Troep laat ik slapen, ze zijn dood op. Zelf waken. Ik had ’s middags in MAARN enkele uren geslapen. Dit steeds wanneer er gelegenheid was. Ik was dus niet moe. Zon komt prachtig op. Ik zie bij .7 een trekker met 4.7 cm geschut. Erbij enkele doode Nederlandsche soldaten….. Om 05.00 uur komt naast mij (Noord) eskadron VAN ZIJP aan, in verspreide vorm. Ik vraag een collega, wat zij gaan doen. Zij zeggen spoor weg over te trekken, daar eskadron FEIST reeds lang in het bosch is (Oost van spoorweg). Ik zeg hem, dat dit niet zoo is en dat op onze rechtervleugel steeds gevuurd wordt.”
Wachtmeester P.V.O. Bartels was groepscommandant in het peloton van luitenant van Lijnden. Hij is geen familie van luitenant Bartels. Hij vertelt[1]:
“Wij hebben in de nacht de stellingen betrokken, op aanwijzing van den ritmeester FEIST. Van de toestand was mij toen niet veel duidelijk. Wij zaten op de uiterste linkervleugel. Toen het dag werd zag ik dat wij aan de aan de spoorlijn lagen. Gedurende de nacht is er weinig gebeurd.”
[1] NIMH archieven 409-503-003

Luitenant van Lijnden moest in opdracht van zijn eskadronscommandant met zijn peloton de loopgraaf verlaten, kreeg opdracht weer terug te keren en kwam onder zwaar artillerievuur te liggen. Erger nog: men vreesde voor een gasaanval:
“06.00 uur. Bevel eskadronscommandant onmiddellijk stelling te verlaten daar eigen artillerie vuur op stelling komt (?). Personeel verzamelen bij wielen (=fietsen). Ik voer bevel uit, één peloton blijft in stelling. Op onze tocht naar de wielen wordt steeds gevuurd vanuit RHENEN (naar onze indruk vanuit huizen, zeer vlak bij, korte droge knallen). Artillerie is begonnen met vuren. Weldra veel treffers op driesprong. We gaan iets meer Noord zitten… Omstreeks 06.30 terug naar stelling. Ritmeester aan ’t hoofd. Wij worden nu bevuurd. Gaan binnendoor: weer bevuurd. Eskadronscommandant zegt: onmogelijk er te komen en bericht dit aan Regimentscommandant. Bevel Regimentscommandant: dan blijven bij driesprong. Wanneer wij verplaatsen wordt er steeds op ons gevuurd. Terug op de driesprong wordt artillerievuur steeds heviger. Daken storten in; ik laat de huzaren uit de huizen kome, die ik eerder had laten doorzoeken, daar wij nog steeds bevuurd werden. Daarna hevig artillerie vuur. Vlak bij ons vallen de projectielen. Plotseling een zoete lucht en nevel. ‘Gas’ wordt geroepen. Ieder gasmasker op.
De vermeende gasaanval bleek gelukkig niet bewaarheid te worden. Luitenant Bartels[1]:
“Inmiddels was ritmeester FEIST naar de commandopost van het regiment gegaan en had mij het commando over het eskadron overgedragen.[1] Kort daarna kwam er enorm artillerievuur op de loopgraaf. Er kwam gedeeltelijk vijandelijk vuur vanaf de richting WAGENINGEN, gedeeltelijk vuur schuin over onze loopgraaf. Dit schijnt artillerievuur te zijn geweest om de brug tot springen te brengen. Ik heb mij toen met luitenant VAN LIJNDEN langs de troepen begeven om de menschen gerust te stellen. Eén peloton lag van zuid naar noord onder luitenant JANINCK, daarna een wielrijders patrouille, daarna één peloton onder cadet-vaandrig LAURILLARD, daarna één peloton onder luitenant van LIJNDEN, waar de harde weg naar de spoorbaan een knik maakt en overgaat in een landweg. Toen het artillerievuur losbarstte was ik juist bij luitenant VAN LIJNDEN, omdat ik daar beter uitzicht had op het voorterrein. Cadet-vaandrig LAURILLARD was verontrust door de kruitdamp die naar binnen kwam en dacht dat het gas was. Hij vroeg mij om de gasmaskers op te laten zetten. Om geen paniek te krijgen heb ik de gasmaskers laten opzetten tot de kruitdamp was opgetrokken.
[1] Het halve eskadron. Luitenant van Lijnden had de andere helft van het eskadron onder bevel en was inmiddels met deze helft ook weer in de stelling teruggekeerd.
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Wachtmeester P.V.O Bartels[1]:
“Overdag kregen wij artillerie en infanterievuur van den vijand en werd door ons ook gevuurd. Wij vuurden op waarschijnlijke vijandelijke opstellingen. Ik heb van de uitwerking weinig waar kunnen nemen. De pelotonscommandant heeft herhaalde malen opdracht gegeven om het terrein te bestrijken met mijn mitrailleur. Op een gegeven moment hebben wij de stellingen verlaten, want eigen artillerievuur zou voor de stelling gelegd worden. Wij hebben gedurende dien tijd in dorp RHENEN gepatrouilleerd. Ik ben daarbij herhaalde malen beschoten. Ik geloof dat daar Duitschers zaten maar ik heb niemand waargenomen (Oost van het centrum van RHENEN). Daar zijn wij een uur geweest en kregen toen opdracht ons stellingsgedeelte opnieuw te betrekken.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003

Luitenant van Lijnden ging hierna zijn eskadronscommandant ritmeester Feist zoeken voor nadere instructies. Hij ontmoette die op de regimentscommandopost en sprak hier met de regimentscommandant. Zijn verhaal wijkt dus af van dat van zijn eskadronscommandant[1]:
“Eskadronscommandant is reeds lang niet meer te vinden (zocht majoor DE KRUYFF). Ik besloot mijn peloton niet noodeloos te laten beschieten op een plaats vanwaar zij onbruikbaar was. Ik ga naar regimentscommandopost waar eskadroncommandant schijnt te zijn. Ook daar artillerievuur. Onderweg erheen gieren van zware mitrailleurkogels (vijand of eigen?). Na lang zoeken vond ik hem in onderkomen van commandopost van regiment. Ik vroeg de Regimentscommandant of het zijn bedoeling was, om eskadron doelloos te laten beschieten midden in een dorp. Hij zei mij, bericht te hebben ontvangen van mijn eskadronscommandant dat de stelling niet te bereiken was en of dat waar was. Ik zei hem, dat dat afhing van zijn bevelen. Moest de stelling bereikt worden, dan werd zij bereikt. Hij droeg mij toen het commando op van dat deel van het eskadron. Ik besloot met het halve eskadron in verspreide vorm via Noord en Oost van de Watertoren naar de stelling terug te gaan. Dit terrein lag ook onder artillerievuur en er waren vele trechters in. Zonder verliezen kwamen wij (08.30) in de stelling, waar de rest van het eskadron was achtergebleven.
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Niet alleen de mannen voorin de loopgraaf gedroegen zich dapper. Ook koks stonden hun mannetje. Ritmeester Feist droeg naderhand op voordracht van opperwachtmeester Roos een kok een onderscheiding voor[1]:
“Sergeant Kok Willem Schaftenaar stond met zijn keukenwagen in een bosje verzameld met nog enkele keukenwagens van 4RH, toen hevig artillerievuur los barstte op de plaats waar de keukenwagens stonden. Een zich aldaar bevindende colonne motorrijders, alsmede de keukenwagens begaven zich in allerijl naar achteren. Niettemin heeft de sergeant Schaftenaar zich met zijn keukenwagen naar de opgegeven plaats voor de keukenwagens begeven, waar hij zich alleen heeft opgehouden tot het tijdstip waarop het eskadron uit de Grebbelinie moest terugtrekken, terwijl het een wonder mag heetten dat de keukenwagen niet geheel is vernietigd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-004
Nederlandse tegenaanval wordt gepland, maar ook de Duitsers zetten hun aanval voort.
Het Nederlandse opperbevel had overigens voor 13 mei een grote aanval geraamd vanuit Achterberg om de frontlijn op de Grebbeberg terug te veroveren. De aanval moest gebeuren door vier infanteriebataljons (II-24RI, I en III-29RI en I-20RI), gesteund door de divisieartillerie en een toegezegd Engels luchtbombardement. De Duitsers maakten zich op hun beurt juist gereed om op 13 mei de definitieve doorbraak door de Grebbelinie te bewerkstelligen. Terwijl het derde bataljon van het SS Regiment Der Führer haar posities bij de spoorweg bezet hield, kregen de beide andere bataljon de opdracht de Nederlandse stellingen naar het noordwesten op te rollen. Twee bataljons van het volgende 322e Infanterie regiment moesten de aanval vanuit de Grebbeberg naar het westen voortzetten.

6-4RH had inmiddels na terugkeer in West Rhenen in de nacht van 12 op 13 mei weer opdracht gekregen in het noorden opnieuw stelling te nemen langs de spoorlijn in de oostrand van het oord Vreewijk (nu noordelijk gedeelte van Rhenen). Ondanks hevig vijandelijk artillerievuur kon hier, in samenwerking met aanwezige infanterie, voorlopig nog standgehouden worden. Ritm jhr. W. Quarles van Ufford (6-4RH) schrijft over deze nachtelijke opdracht[1]:
“Hier (= West Rhenen) ontving ik te 03.30 de volgende opdracht: Neem stelling in ter hoogte van VREEWIJK en belet elk doordringen van vijand in de richting van RHENEN en breng vuur op spoorwegovergang bij kilometerpaal 25. Aldus geschiedde en wij bleven daar tot 08.00 onder hevig artillerievuur.”
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Kornet Jhr. Mr. E. van Lennep (3-6-4RH) lag met zijn peloton onder artillerievuur. Hij vertelt ons[1]:
“Te 01.00 geheele eskadron via REMMERDEN naar RHENEN. Opname stelling ingenomen langs de Rijksstraatweg bij Westuitgang RHENEN. Omstreeks 03.30 van eskadronscommandant opdracht ontvangen stelling in te neemen in een boschrand bij VREEWIJK. Aldaar verband opgenomen met den commandant van een sectie zware mitrailleurs (een onderofficier) die vlak voor en onder mij een stelling had. Boven ons op vrij groote hoogte cirkelde voortdurend een vijandelijk vliegtuig. Rond 07.00 uur drie Nederlandsche vliegtuigen waargenomen die in een duikvlucht de vijandelijke artillerie bestookten. Om 08.00 uur op geringen afstand kwam een geheele compagnie infanterie langs, die blijkbaar terugtrok. Omstreeks 08.30 uur deelde een luitenant van de achter ons vurende batterij artillerie mij mede, dat hem gebleken was, dat genoemde compagnie infanterie geheel ten onrechte was teruggegaan. Hij verzocht mij hem bij te staan bij het terugsturen van terugtrekkende infanterie en hen er op te wijzen dat het feit, dat men onder artillerievuur ligt, geen reden tot teruggaan mag zijn. Gedurende den tijd dat ik in de opstelling ben geweest heb ik geen vijand gezien. Wel zag ik op een afstand van ongeveer één kilometer voor mij, voortdurend kleine groepjes infanteristen sprongsgewijze voortgaan, verdwijnend
[1] NIMH archieven, 409-503-012
Eerste luitenant Jhr. Mr. B.W.F. van Riemsdijk (1-6-4RH) vult hem aan. Hij had in de nacht een ontmoeting met kaderleden van een bataljon wat gepland stond voor deelname aan de grote tegenaanval van 13 mei[1]:
“Bevel ontvangen van eskadronscommandant via REMMERDEN naar RHENEN te gaan. Met gehele eskadron opnamestelling ingenomen langs Rijksstraatweg bij Westuitgang van RHENEN. Omstreeks 4 uur opdracht ontvangen stelling te nemen ter hoogte van VREEWIJK, vormde rechter peloton. Een groep gebracht in de nabijheid van spoorwegovergang paal 25, alwaar ik aantrof een majoor en luitenant. Volgens eigen zeggen commandant van het rechter voor-bataljon, dat met 3 andere bataljons een tegenaanval zou uitvoeren in Zuidelijke richting op de LAARBERG. Bedoelde majoor medegedeeld, dat hij zich bij een andere spoorwegovergang bevond, dan hij veronderstelde. Deze majoor heeft zich vervolgens verwijderd. In het voorterrein heb ik geen manschappen van een dezer bataljons kunnen onderscheiden. Na opgenomen contact met C.-4RH en in overleg met mijn eskadronscommandant mijn peloton teruggebracht naar Westuitgang van RHENEN langs de Rijksstraatweg, met opdracht langs dezen weg een eventueele terugtocht van 4RH te dekken. Artillerievuur nam in hevigheid toe, zoowel in RHENEN, dat toen begon te branden alsook in mijn onmiddellijke nabijheid. Terugtrekkende gedemoraliseerde kleine afdeelingen infanterie (10-15 man) passeerden mij. Ik wist deze menschen te doen halthouden. Het aantal nam echter gestaag toe, waarbij ook officieren.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
4RH krijgt opdracht het front van de stelling bij te draaien.
Om 08.00 kreeg 6-4RH een nieuwe opdracht. Ditmaal om een opnamestelling in te nemen iets meer naar achteren nabij de oude watertoren, front oost. Ook moest ter bescherming van de regimentscommandopost een tweede peloton worden geleverd. Immers ook 1-4RH had reeds een peloton hiertoe afgestaan. Het nieuwe extra peloton werd het 3epeloton van 6-4RH. Ritmeester jhr. W. Quarles van Ufford[1]:
“Opdracht neem een opnamestelling in op niet verharden weg. Noord van protestantse kerk kaartvierkant 167-441 en plaats peloton ter bescherming van den commandopost aan den kunstweg West van oude Watertoren. Deze stelling werd bezet, deze lag onder hevig artillerievuur. De linksche groep van het peloton aangewezen om de commandopost te beschermen
[1] NIMH archieven, 409-503-009 en 409-503-010
Kornet van Lennep (3-6-4RH) voerde deze opdracht uit maar zag meer en meer troepen terug trekken[1]:
“Omstreeks 08.45 bevel van eskadronscommandant teruggegaan op de Oude Veenendaalsche weg ter beveiliging van commandopost 4RH….Op verzoek van een luitenant-adjudant van de artillerie kreeg ik van mijn eskadronscommandant opdracht met mijn peloton naar De Koerheuvel te gaan ten einde die ‘te bezetten.’… Vanuit de bovenste verdieping van De Koerheuvel zag ik aan den westelijke uitgang van RHENEN vele troepen, grootendeels terugtrekkend in de richting van REMMERDEN…Omstreeks 10.00 uur bracht een ordonnans bevel van mijn eskadronscommandant om De Koerheuvel te verlaten en mij bij hem te melden….. Gedurende deze periode werden eenige van onze huzaren gewond door granaatscherven.”
[1] NIMH archieven, 409-503-012
Het eerste peloton raakte in de ochtend het verband met het eskadron kwijt. Eerste luitenant Jhr. Mr. B.W.F. van Riemsdijk (1-6-4RH)[1]:
“Uit uitlatingen van officieren en onderofficieren kreeg ik de indruk dat RHENEN ontruimd werd. Officieren en onderofficieren hadden deze troepen niet meer in de hand. Verzamelde mijn peloton om weer RHENEN binnen te trekken, teneinde contact te krijgen met mijn eskadronscommandant c.q. .C.-4RH. Trachtte nog vrijwilligers uit de honderden toen bij de West-uitgang van RHENEN bevindende manschappen mede te krijgen, maar zonder resultaat. Bij mijn opmarsch terug naar RHENEN ben ik eenige manschappen van mijn peloton kwijtgeraakt. Trof mijn eskadronscommandant met de andere drie pelotons aan op de Beukenlaan te RHENEN. Nam aldaar tevens een stelling in. Artillerie vuur nam steeds in hevigheid toe.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011

In de buurt van 6-4RH lagen ook nog de twee pelotons zware mitrailleurs van ME-4RH onder leiding van eerste luitenant F.M. Fentener van Vlissingen. Hij vertelt verder[1]:
“Er is dien dag gevuurd o.a. op een samentrekking van vijandelijke infanterie in de uiterste boschpunt Noord van den Leeuwendaalschen weg, Noord van den commandopost 8RI. Wij hebben afgewacht tot er ongeveer 50 à 60 vijanden bijeen waren, aanvankelijk zagen wij er slechts 3 of 4. De Noordelijke mitrailleurs hebben hierop gevuurd. De Zuidelijke mitrailleurs (DRIEBEEK) hebben enkele malen gevuurd, echter niet op eigenlijke mitrailleurdoelen. Later heb ik van den Regimentscommandant opdracht gekregen mij in verbinding te stellen met den majoor DE KRUYFF. Deze kreeg het bevel over het eskadron van den ritmeester VAN VOORT VAN ZIJP, het eskadron van den ritmeester FEIST, en over het ME-4RH. De majoor zat in een huis vlakbij mijn Noordelijke mitrailleurs (= intussen zijn 3e cp), ongeveer 500 meter West van de spoorlijn in de lijn van het eskadron van VOORT VAN ZIJP. Dit eskadron maakte front Oost. Het eskadron FEIST lag aan de spoorlijn tot aan den weg RHENEN-WAGENINGEN.”
[1] NIMH archieven, 409-503-014
Om 08.00 kreeg de eskadronscommandant van 2-3RH van de Regimentscommandant opdracht om de stellingen van II-11RI[1] (gelegen langs de kunstweg aan de spoorlijn) over te nemen en bovendien moest de eskadronscommandant het bevel over II-11RI over te nemen. Hiertoe werd 6-4RH doorschreden, maar door zwaar artillerie vuur en mitrailleurvuur lukte het niet om de nieuw opgedragen stelling te bereiken. Ritmeester van der Voort van Zijp (2-3RH) vertelt wederom[2]:
“Om ongeveer 08.00 kreeg bericht om op den commandopost van 4RH te komen. Van C.-4RH kreeg ik opdracht, het bevel over te nemen van II-11RI dat in stelling lag ongeveer langs den kunstweg van paal 25 aan den spoorlijn naar viersprong kunstwegen kaartvierkant 26-27 en met mijn eskadron deze stelling over te nemen. Ik heb mij naar de aangegeven opstelling van II-11RI begeven en trof daar slechts één compagnie aan van dit bataljon (kapitein VAN DE VENNE) en bovendien nog een andere compagnie (kapitein RUITER, 1-I-46RI). De toestand bij deze onderdeelen was zeer verward. Intusschen begon de vijandelijke artillerie het vuur op onze stellingen bij RHENEN te beantwoorden. Van de bezetting in laatst genoemde stelling lagen menschen en officieren te slapen, of waren deze weggedoken in onderkomens; geen enkele mitrailleur was in stelling gebracht.[1] Piketten waren niet uitgezet en er was geen verband met neven afdeelingen. Patrouilles om het verband op te sporen waren niet uitgezonden. Ik ben toen teruggegaan naar commandopost C.-4RH en heb hier melding gemaakt van mijn bevindingen.“
[1] Dit was overigens logisch want deze eenheden waren reserve voor de troepen die nog in de stoplinie hoger op de Grebbeberg lagen.
[1] II-11RI was het reservebataljon van de 2e Divisie die opdracht had om de stoplijn weer te herstellen, maar feitelijk ook niet verder dan de ruglijn was gekomen. De overname van de stelling door eenheden van 4RH moest dit bataljon weer vrijmaken om toch weer te proberen voorwaarts te gaan.
[2] NIMH archieven, 409-503-016

Ritmeester van der Voort van Zijp (2-3RH) trok zijn eskadron terug om uit artillerievuur om de om de nieuwe stelling te betrekken[1]:
“Het vijandelijke artillerievuur was intusschen in kracht toegenomen en lag thans op de uitgangsstelling waar mijn eskadron zich bevond. Tijdens dit vuur kreeg ik enkele verliezen te betreuren, te weten huzaar STAMMES gedood en huzaren VAN DIJKE en DE JAGER gewond. Onder zwaar vuur heb ik het eskadron achterwaarts verzameld teneinde mijn nieuwe opdracht uit te voeren. Tijdens deze afmarsch ben ik veel materieel en manschappen kwijt geraakt, die ik later als vermist heb moeten opgeven. (WILBIE, KAANDORP, VAN SLOOTEN, HEILOO, TERBEEK, DEKKER en korporaal ZORG). Nadat het eskadron verzameld was in het bedekte terrein Noord van VREEWIJK, heb ik verband laten opnemen met de bezetting van de nieuwe opstelling. Aangezien er op dat tijdstip zwaar artillerievuur op deze stellingen viel, heb ik een vuurpauze af willen wachten om de stelling te bezetten, temeer daar wij van verschillende zijden eigen mitrailleur vuur ontvingen.“
[1] NIMH archieven, 409-503-016
2-3RH raakte bovendien het onderling verband kwijt. Reserve eerste luitenant Vlielander, bericht hierover[1]:
“Eenigen tijd later ontvingen wij bevel terug te gaan naar de uitgangstelling. Intusschen was het vijandelijk artillerievuur heviger geworden en wij zochten zooveel mogelijk dekking in en achter de huizen. De ritmeester was inmiddels weggegaan, in verband met een ontvangen order. De troep hield zich uitstekend. Typerend voor de rust en koelbloedigheid was bijvoorbeeld het volgende. In de commandopost had een korporaal wat eieren gevonden. Ik vroeg hem er voor mij een paar te bakken. Deze waren juist in de pan toen een treffer voor op het huis kwam. Rustig werd verder gebakken. Een moment later een treffer vlak achter het huis in de tuin. Deuren eruit, glaswerk naar binnen, enz. Aangezien het mij leek, dat het wellicht speciaal op de commandopost was gemunt – mogelijk was het heen en weer loopen gesignaleerd, – gaf ik bevel de commandopost een honderd meter verder te verplaatsen. De korporaal zei: ‘zonde van het ei, luitenant, verderop is misschien niets te vinden.’ Hij kreeg echter een goede ingeving en volgde met pan en eieren, die op de nieuwe post verder werden gebakken. Toen het artillerievuur in hevigheid toenam en speciaal de huizen het doelwit leken, gaf ik bevel in het omliggende terrein dekking te zoeken. Hier vonden wij tot onze grootte vreugde goed ingerichte loopgraven, waaraan wij ongetwijfeld te danken hebben, dat wij niet meer verliezen hadden. Tot nu toe was van mijn peloton één man gedood en één zwaar gewond. Het artillerievuur nam zeer in hevigheid toe. Granaten en scherven huilden over de loopgraaf, het zand stoof naar binnen. Geen enkele treffer kwam in de loopgraven. Ook nu bleef de rust en het moreel zeer goed, zelfs de noodige grappen werden nog verkocht. Bij ons in de loopgraven waren ook de majoor DE KRUYFF en zijn luitenant-adjudant, die korten tijd te voren bij ons waren gekomen.
Bij zijn terugkomst gaf de ritmeester ons bevel, ons groepjesgewijs te begeven naar en in stelling te komen bij viersprong ‘V’ van VREEWIJK. Na den ondercommandant het bevel te hebben medegedeeld, afgemarcheerd. Direct na de afmarsch per rijwiel, die door de daling zeer snel ging, sloegen eenige granaten zeer dichtbij in. Door de stof en rook van de ingeslagen granaten den zijweg aan mijn rechterhand voorbij gereden. Direct daarop nog een paar granaten, waarop één zoo dichtbij, dat ik door de luchtdruk tegen de grond werd geslagen. In het dorp het peloton opgewacht, waarbij bleek, dat slechts enkele manschappen, waaronder de wachtmeesters DE BOER en NIEUWENHUIS, dezelfde weg hadden genomen. Vanuit RHENEN geprobeerd de opgegeven plaats te bereiken, hierbij echter van zeer nabij uit Zuidwestelijke richting door eigen troepen met mitrailleurs en karabijnvuur beschoten. Gelukkig konden wij ons dekken achter een glooiing in het beboschte terrein. Op ons roepen werd het vuur steeds heviger, zoodat zij ons tenslotte maar stil hielden. Nadat het vuur was opgehouden nog eenige tijd gewacht, daarna verder gemarcheerd. De boschrand waaruit wij vuur ontvangen hadden, bleek nu verlaten Even later vonden wij een infanteriepost die mededeelde, dat kort geleden een troep cavaleristen naar den Straatweg was gegaan. Ik vermoedde dat dit ons eskadron was en vond inderdaad hier een 40 man met de opperwachtmeester BREEMAN. Deze deelde mij mede, dat zij wederom onder artillerievuur waren gekomen en het verband met het eskadron kwijt waren geraakt. De namen van de aanwezige manschappen genoteerd en het bevel op mij genomen.”
[1] Zijn rapport is ook opgenomen in NIMH archieven, 409-503-016


Het front ten noorden van het viaduct begint te wankelen
De aan majoor de Kruyff toegevoegd ritmeester van Lith de Jeude vertelt over de aanhoudende artilleriebeschieting en vertelt dat hij ook aanwijzingen gaf om onder het artillerievuur uit te komen[1]:
“In deze morgen vond de vijandelijke beschieting van RHENEN plaats met het zwaartepunt op het dorp RHENEN, terwijl ook in de door 4RH bezetten terreinstrook zwaar artillerievuur werd ontvangen. De commandopost van de majoor DE KRUYFF werd eveneens onder vuur genomen, doch juist op tijd op mijn aanwijzing verlaten voordat een treffer het huis raakte. Tijdens deze artilleriebeschieting heb ik bevel gegeven aan het personeel van het eskadron VAN DE VOORT VAN ZIJP die zich bevonden in een aantal onbewoonbaar verklaarde woningen aan de Oostrand van de Oude Vreewijkscheweg, zich sprongsgewijs aan de andere zijde van de weg te begeven en zich in de daarachter gelegen loopgraven te dekken. Ik meende hiertoe te moeten overgaan omdat tengevolge van het vijandelijke artillerievuur reeds slachtoffers waren gevallen…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Tussen Rhenen en Emmerden waren nog twee Nederlandse reserve-eenheden beschikbaar. Dit waren III-24RI en het 11e GrensBataljon (11GB), die alle twee onder bevel van commandant 24RI stonden. Luitenant kolonel Smit had hierover de leiding en probeerde op eigen initiatief naar voren te gaan. Die gebeurde op ongecontroleerde wijze, waarbij hijzelf met een auto vooruit reed en ‘zwaaiend met een pistool’ iedereen probeerde mee te krijgen. Dit incident werd door enkele huzaren gemeld en bereikte in de ochtend ook de regimentscommandopost. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[1]:
“.. Te 11.00 bericht een officier mij de aankomst van een bataljon infanterie onder commando van majoor (luitenant-kolonel?) Smit Zuid van RHENEN. Ik droeg de luitenant op dit bataljon aldaar ter plaatse te houden tot mijn komst teneinde hem bevelen te gegeven. Kort daarop berichtte de officier mij, dat dit bataljon reeds weer verdwenen was en werd hier ook verder niets meer van gemerkt…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Majoor de Kruyff werd door de regimentscommandopost op de hoogte gesteld van de vermoedelijke aankomst van dit ‘bataljon.’ Majoor de Kruyff[1]:
“Tegen den middag… ontving ik van C.-4RH mondeling bericht op zijn commandopost, dat versterking van een bataljon infanterie op weg naar RHENEN was en ik ook over dit bataljon het bevel moest nemen. Mijn stelling zou dan Zuid begrensd worden door den Rijn en Noord door den spoorwegovergang Oost van VREEWIJK. Voormeld bataljon is evenwel naar ik meen nooit ter plaatse aangekomen. C.-2-3RH ontving opdracht om stelling te nemen aan den kunstweg van VREEWIJK front Noordwest.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001 en 409-503-002
Luitenant Vlielander gaat verder met zijn gevechtsbericht[1]:
“Een inmiddels aangekomen majoor, naar ik meen artillerist[1], riep mij bij zich en gaf mij, nadat ik hem onze opdracht en ervaringen had medegedeeld, bevel, om 500 meter naar voren te gaan en de weg af te sluiten. Gezien de vermoeidheid van mijn menschen vroeg ik, even te mogen rusten, hetgeen hij toestond. Even later kwam een motorordonnans met het bevel, dat ons regiment moest verzamelen ter hoogte van de steenfabriek. Ik heb dit den majoor medegedeeld, die toen zijn order introk. Aan den mij vergezellenden ordonnans – wij waren 400 meter verder terug gaan rusten – gaf ik opdracht te zeggen dat de troep zich moest klaar maken voor de afmarsch en volgde hem later. Ik werd echter teruggeroepen door den majoor, die mij verzocht te blijven, daar als wij weg gingen, hij ook zijn menschen niet zoo kon doen standhouden. Ik heb hem nog gewezen op het gering aantal van mijn menschen, tegenover hetgeen onder zijn bevel stond en het belang, dat ons regiment zich vereenigde. Hij drong echter met klem aan, dat wij niet zouden weg gaan, waarop geantwoord heb: ‘Goed majoor, ik zal 500 meter voor u stelling nemen.” Bij mijn menschen aangekomen, die reeds stonden opgesteld voor afmarsch in Westelijke richting, deze rechtsomkeert laten maken en terug gemarcheerd. Door de terugstroomende troepen konden wij slechts langzaam vorderen Op het punt aangekomen, bleek mij, dat de majoor er niet meer was. De opperwachtmeester deelde mede, dat hij zeker gezien had dat de majoor in een auto in Westelijke richting was weg gereden. Ik ben toen omgekeerd (= rond 13.30) en vond bij de steenfabriek onze ritmeester waar een versperring tegen parachutisten werd opgericht. Bevel gekregen de menschen naar hun peloton te doen terugkeeren en met mijn peloton naar de commandopost van den Regimentscommandant te gaan en daar in stelling te komen.”
[1] Dit was luitenant-kolonel van der Wiel die deze ontmoeting en woordenwisseling in zijn verslag bevestigd.
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Zowel 6-4RH als 2-3RH begonnen zich dus rond het middaguur terug te trekken naar achterwaartse gelegen stellingen om vermeende Duitse druk ten noorden van de Grebbeberg te kunnen opvangen danwel om de stellingen over te nemen van in het nauw zittende infanterie-eenheden. In de praktijk was echter nog geen enkele Duitser in deze sector over de spoorlijn gekomen. De Duitsers waren in deze periode namelijk in dit terreingedeelte nog steeds bezig oost van de spoorlijn de Grebbeberg naar het noorden op te rollen. Over de terugtrekkende beweging van de noordelijke eskadrons is later de nodige ophef ontstaan. Ging 2-3RH nu wel of niet uit eigen beweging weer achterwaarts en was dit niet te snel? Anderzijds waren er wel degelijk kleinere infanterie-eenheden die achterwaarts gingen, zoals door diverse personen van 4RH werd gemeld. Tweede luitenant Gude van de ter plaatse zijnde tweede batterij van de 1e Afdeling Artillerie (2-I RA) zag echter ook huzaren achterwaarts gaan. Hij verklaart bijvoorbeeld[1]:
“Om 10.15 eskadron huzaren op rijwielen (=2-3RH). Ze werden vrolijk ontvangen, over de toestand ingelicht en met den te volgen route op de hoogte gesteld. Ze trokken echter het Domineschlaantje in. Ze bleven halverwege de waarnemingspost staan overleggen. Eenige projectielen kwamen hoog over, cavalerie dook in den grond en groef zich in toen de projectielen eenige honderden meters van ons exploderen. Hierna trokken ze terug achter de stelling, klommen op de fiets en verdwenen in tegenovergestelde richting dan waar wij ze gewezen hadden te gaan…”
[1] NIMH archieven 409-503-017

Het mitrailleur eskadron van luitenant Fenteren van Vlissingen, die aanvankelijk klaagde te weinig te doen te hebben, kwam nu ook in de verdrukking. De luitenant meldt ons[1]:
“…Eindelijk zei majoor DE KRUYFF dat ik maar een opstelling moest innemen in de lijn van de artillerie en deze te steunen. Ik kwam terecht ZUID van den KOERHEUVEL. Er waren Duitschers, die vanaf de Grebbeberg in de richting van ACHTERBERG trachtten uit te breken. Hierop hebben wij vuur afgegeven op een afstand van 1000 à 1500 meter. DRIEBEEK deed daaraan mee. Deze opstelling ben ik gebleven tot ongeveer 11.00 uur. Toen kreeg ik opdracht van de Regimentscommandant om op zijn commandopost te komen. Hij gaf mij opdracht een opstelling in te nemen langs DEN STOKWEG, front Oost, om vuur uit te brengen op troepen die eventueel Noord van RHENEN zouden doorbreken. Er is echter niets gebeurd. Wel hebben wij geholpen om artillerie-vuurmonden weg te krijgen, door de voorwagens, die zonder stukken waren verdwenen, terug te laten komen. Verder hebben wij op het kruispunt STOKWEG-Groote weg naar LEERSUM nog bemoeid met eigen terugtrekkende troepen. Wij hebben getracht deze tegen te houden, hetgeen weinig resultaat had…”
[1] NIMH archieven 409-503-014
Net zoals de andere eenheden van 4RH trok het mitrailleur eskadron zich ook terug naar een lijn tussen RHENEN en LEERSUM. Pelotonscommandant kornet Driebeek[1], [2]:
“Wij hebben die nacht gewacht op orders, deze zijn echter niet gekomen, wel een order om terug te komen naar RHENEN. Tijdens het terugkomen naar RHENEN ontvingen wij artillerievuur, zoodat ik de menschen vanaf de motoren in het zijterrein commandeerde, waarna wij na een kwartier weer door konden gaan met achterlating van 1 motor, waarvan de carter lek geschoten was…. Nadat ik mij bij luitenant FENTENER VAN VLISSINGEN gemeld had, kregen wij opdracht terug te trekken naar ELST en ons in te graven voor ‘standhouden tot het uiterste’ in de Oostelijke boschrand van het parallelvormig bosch aan onze linkerkant en de harde weg ELST/RHENEN, terwijl een afsluitingsvuur werd berekend ter dekking van een nog geopende barricade op deze weg. Door het open terrein en over de harde weg kwamen op dat moment uit de richting RHENEN groepen militairen, treinen met paarden-tractie in galop, enz. In den middag gaven wij enkele vuren af, om de terugtocht uit de Grebbeberg te dekken en kregen daarop opdracht zelf op te pakken en naar LEERSUM te vertrekken. ”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
[2] Luitenant Driebeek zou later via Parijs, Spanje en Portugal in 1941 naar Engeland vluchtten.
Ook bij het viaduct en ten zuiden ervan gaat het niet goed
Aan de zuidzijde ging het op deze ochtend ook niet goed. Het vijandelijke artillerievuur werkte demoraliserend. Luitenant J.L. Hollertt van het eskadron pantserafweergeschut van 4RH[1]:
“Toen ik mij om 06.00 begaf van commandopost C.-4RH naar mijn stuk No.2 ingedeeld bij 3-4RH stuitte ik bij West rand RHENEN op een ongeordende troep infanterie, die vluchtte vanuit zijn stellingen in Westelijke richting Deze vlucht was veroorzaakt geworden door vijandelijke artillerievuur. Ik heb toen getracht deze troepen te achterhalen en door middel van toespraken de officieren en manschappen te bewegen weer hun stellingen te hernemen. Het gevolg was een schoorvoetende beweging in Oostelijke richting, doch de stelling zijn niet meer hernomen. Stuk No.2 was op dat moment eveneens verdwenen en scheen niet weer te kunnen terugkeeren tengevolge van vijandelijk artillerievuur. Ik trof echter in de West rand van RHENEN mijn stuk No.4 aan en heb dit stuk in stelling gebracht bij de brug ten Oosten van RHENEN. Ik heb met aldaar met dit stuk onder bevel gesteld van kapitein der Koninklijke Marechaussee GELDERMAN. Stuk heeft stelling genomen tegenover de brug en verscheidene malen gevuurd op vijand welke zich verscholen had in huizen. Later bericht gestuurd naar C.-4RH dat wij konden standhouden, indien er versterking zou komen…”
[1] NIMH archieven, 409-503-013
Dit stuk No.4 stond onder commando van wachtmeester G.W. Visser. Die zegt over deze indrukwekkende dag[1]:
“Op tweede Pinksterdag moesten wij optrekken naar het viaduct. Het was al licht (plusminus 07.00 uur)…We kwamen terecht 8 à 10 meter voor het viaduct. Daar was een loopgraaf langs de spoorlijn. Het kanon stond voor de erker bij het huis. Er stonden een paar zandzakken omheen. Een schild zat er niet aan het stuk. Wij hebben het meest geschoten op huizen aan de overkant en deden dit op bevel van een kapitein van de Marechaussee. Hij gaf ook het doel aan. Wij hadden niet veel schootsveld. Wij hebben niet meer dan zesmaal geschoten. Verder heb ik met karabijnen geschoten. Als de kapitein het met de mitrailleur niet afkon, moesten wij vuren. Ik heb ook geschoten op het raam van de bovenverdieping van een hoekhuis. Achteraf is gebleken, dat hierdoor krijgsgevangenen werden verlost (door de uitwerking van de brisantgranaten). Zij kwamen naar ons toe hollen. Zij riepen: “Wij zijn Hollanders.” Wij hielden op met vuren. Zij waren totaal
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Huzaar N. Wendels behoorde bij de stuksbemanning van stuk No.4 en vertelt over de gebeurtenissen[1]:
“Toen kwam luitenant HOLLERTT. Die vroeg vrijwilligers om naar voren te gaan. VISSER, WINKELS, ANDRINGA en ik zijn met de luitenant naar voren gegaan. We zijn bij het viaduct in stelling gekomen. Hier was ook een opperwachtmeester van de cavalerie. Ik zat op de affuit van het kanon. Ik was tegelijk richter en schutter. WINKELS was karabijnschutter en tevens ordonnans en VISSER was ook karabijnschutter. We schoten op het huis tegenover ons. Op het laatst hadden wij haast geen munitie meer. Ik ben 3 à 4 keer munitie wezen halen De trekker stond veel verder; deze stond onder vuur. Ik kon per keer niet veel munitie medebrengen. Ik schoot ook met de karabijn. Tijdens het munitiehalen is de kolf van mijn eigen karabijn er af geschoten. Ik heb van kapitein GELDERMAN een nieuwe karabijn gekregen; daar zat de bajonet vast op. Er zijn ook krijgsgevangenen losgeschoten. Bij ons de in de stelling was de kapitein der Marechaussee GELDERMAN. Deze was doof. Ik kon niet met hem praten. Hij gaf aanwijzingen en deze moest ik zelf uitvoeren. De kapitein schoot in de loopgraaf met de mitrailleur..”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De ordonnans huzaar W.B. Winkels was er ook bij en vertelt over 13 mei[1]:
“Toen het licht werd, kwamen er heel veel infanterie-troepen van de kant van de Grebbeberg terug. Wij hebben toen opdracht gekregen hen zooveel mogelijk tegen te houden. Maar met omweggetjes zijn er toch doorgeglipt. Luitenant BRAND (een cavalerist) was bij ons. Deze heeft ook geholpen ze tegen te houden. Er lag veel granaatvuur op RHENEN. Omstreeks 8 uur gaf luitenant HOLLERTT opdracht om met het kanon en ene pag.-wagen, waarbij WENDELS, VISSER, ANDRINGA en FIKSE (de chauffeur), naar het viaduct in RHENEN te gaan. Er lag veel granaatvuur. Een mitrailleur, welke er van de infanterie was blijven liggen, hebben wij ook medegenomen. Door het brandende RHENEN zijn wij naar het viaduct gegaan….Toen wij hier aankwamen, heeft de luitenant met de jongens het stuk in stelling gebracht. Ik heb hieraan niet medegeholpen. Ik was ordonnans. Mijn voornaamste taak was berichten over te brengen. Het stuk stond opgesteld zuid van het viaduct op een afstand van 15 meter van het midden van de weg en op ongeveer 25 meter afstand van de hoek van het viaduct. Het stuk stond opgesteld voor een huis. In de tuin was veel gegraven. Het stuk stond zoo opgesteld, dat de loop over een zandhoop wees. Op de weg waren bomen. Toen het stuk in stelling was, moest ik direct het bericht wegbrengen naar overste DE MAREES VAN SWINDEREN. De overste had zijn commandopost in Hotel ‘De Prins’ op de weg RHENEN-VEENENDAAL…..
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Hij vertelt ook over Duitse oorlogsmisdaden en het ‘losschieten’ van gevangenen:
“Toen wij ’s middags in de stelling bij het viaduct zaten, zagen wij aan de overzijde een sectie Nederlanders marcheren. Deze stonden onder commando van de Duitsers; zij waren krijgsgevangenen. De Duitsers lagen op de grond en de Hollandse krijgsgevangenen stonden rechtop achter hen. De Hollanders gaven ons te kennen niet te schieten. Wij hebben het vuren even gestaakt en onmiddellijk daarop werd er hevig gevuurd door de Duitsers. Daarna hebben de Duitsers de krijgsgevangenen weggedaan en hebben hen schijnbaar de jassen uitgedaan en toen in het huis tegenover ons gestopt. Luitenant HOLLERTT heeft daarop een schot gelost op het huis. Ik was er niet bij, toen het schot werd gelost, maar ik heb wel de uitwerking medegemaakt. De Hollandse krijgsgevangenen zaten in de kelder. Door het schot is de kelderdeur gesprongen en zijn de Hollanders eruit gekomen. Het waren er 19. Zij zijn toen het viaduct overgerend naar ons stelling. Zij vroegen, waar zij heen moesten. Wij hebben hun het één en ander gevraagd. Zij vertelden, dat er niet veel Duitsers waren, maar dat er steeds bijkwamen. De Duitsers waren gecamoufleerd. Van deze 19 is er één neergeschoten
Wachtmeester Visser[1]:
“Midden op het viaduct werd er één doodgeschoten. Ik hoor hem nog roepen ‘Ik ben een Hollander (ROELOFSEN) en hij viel zo voorover. De rest vloog als kippen weg toen ze voor het viaduct waren.”
[1] https://www.grebbeberg.nl/index.php?page=persoonlijk-verslag-van-de-belevenissen-van-wachtmeester-gerrit-visser-uit-epe

De gewonden verzorgers hadden op 13 mei de handen vol. Luitenant van Ravenswaay[1]:
“ 03.00 uur ’s morgens werden op de ingerichte hulppost verschillende gewonden van andere onderdeelen behandeld en met gewondenauto’s naar de hoofdverbandplaats vervoerd. Gedurende de geheelen dag zijn gewondenauto’s met de officieren van gezondheid VAN RAVENWAAY en BIJLSMA af- en aan gereden naar het toneel van den strijd, teneinde gewonden op te halen. Aan die gewonden werd noodzakelijke eerste hulp verleend op de hulppost waarna ze afgevoerd werden naar de hoofdverbandplaats..”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De Regimentscommandopost werd op 13 mei om 10.00 onder dekking van 6-4RH[1] al verplaatst naar de bossen ten noorden van de Vijverberg. De redenen waren (onjuiste) meldingen over doorgebroken vijandelijke eenheden en nauwkeurig artillerievuur in de omgeving van de commandopost.[2] Later werd hier nog drie andere redenen aan toegevoegd, namelijk terugtrekkende infanterie-eenheden, ongunstige ligging voor gevechtsleiding en het ontbreken van verbinding met de commandopost van de 4e Divisie (die overigens vlak in de buurt lag). Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen vergat echter de commandant II-19RI (die zich in dezelfde kelder
bevond) hiervan op de hoogte te stellen. Ook meldde hij de verplaatsing van zijn commandopost niet aan de 4e Divisie.[1] Toen de locatie op de Vijverberg ook onhoudbaar bleek te zijn, werd de commandopost naar een volgende locatie west van Remmerden verplaatst. Hier kwam men om 14.00 aan. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen[2]:
“De marsch naar VREEWIJK geschiedde onder goed gericht artillerievuur, granaten sloegen in aan beide zijden van den marschweg. Aangekomen bij het ondersteunings eskadron bleek dit vuur nog in hevigheid toe te nemen, terwijl het uitzicht weinig kans bood voor een goede gevechtsleiding, alsmede om geen gunstige gelegenheid om doorgedrongen sterkere vijand van hieruit met kans op succes te bestrijden. De Zuidelijke gevechtsgroep van de KRUYFF bevond zich àcheval van de kunstweg RHENEN-WAGENINGEN, de Noordelijke gevechtsgroep Noordwest van paal 25 aan den spoorweg, terwijl het Mitrailleur Eskadron het terrein bij REMMERDEN zou bewaken. Het was mijn voornemen dit laatste eskadron voorloopig met het ondersteuningseskadron en een stuk pantserafweergeschut te versterken. Dit laatste met het oog op het gevaar van een doordringen van pantserwagens over den spoorlijn bij paal 25 in de richting van REMMERDEN. Ik zelf wilde via REMMERDEN trachten de commandopost weer te verplaatsen in de richting van RHENEN om hierdoor dichter bij den hoofd gevechtsgroep te zijn. Zeer kort voor 14.00 kwam de staf aan op den driesprong van kunstwegen Noord van REMMERDEN en zag men deelen van de divisie in vollen aftocht. Alles marcheerde naast en door elkaar veelal zonde wapenen en enkele voorzien van witte vlaggen. De geheele kunstweg RHENEN-ELST was in beslag genomen door troepen en van orde of marschdiscipline was geen sprak. Kortom dit alles gaf een beeld dat niet veel optimisme kon rechtvaardigen.
[1] NIMH archieven, 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
[1] 6-4RH lag in een meer achterwaartse dekkingsopstelling. 6-4RH had een peloton voor de bewaking van de regimentscommandopost afgestaan. Dit peloton trok later vanwege artillerievuur in de omgeving van de commandopost terug. Ook 1-4RH had trouwens in de vroege ochtend al een peloton voor beveiliging naar de regimentscommandopost gestuurd. NIMH archieven, 409-503-001
[2] Dit was dus nog vóór de Stuka aanval en de ineenstorting van het moreel van de troepen in de ruglinie stelling.
Majoor de Kruyff beweert dat de commandopost pas na 14.00 werd verplaatst[1]:
“Te ongeveer 14.00 heb ik mij naar commandopost C.-4RH begeven om verband op te nemen, daar in mijn commandopost – welke intusschen ongeveer 100 meter Noordwaarts was verplaatst in verband met het hevige artillerievuur – geen berichten meer inkwamen. Op de commandopost van C.-4RH aangekomen, werd deze vrij spoedig onder hevig vijandelijk artillerievuur genomen, terwijl vijandelijke afdeelingen tot in de nabijheid ervan waren doorgedrongen. Toen heeft C.-4RH het besluit genomen om zijn commandopost te verplaatsen en terug te trekken op de driesprong van kunstwegen in vierkant 164-442, alwaar een nieuwe opstelling front Oost werd ingenomen.
[1] NIMH archieven, 409-503-002
In een ander rapport beschrijft majoor de Kruyff de verplaatsing[1]:
“De Overste vroeg mij: “DE KRUYFF ga je mee?” althans gebruikte hij woorden van die strekking. Ik weet niet meer hoe laat het was toen wij weggingen. De ritmeester QUARLES VAN UFFORD, die in reserve was, heeft ons in Noordelijke richting gebracht met onze eigen auto’s. Ik liet mijn auto aantrekken en ben achter de auto van den Overste aangereden. Wij kwamen onder mitrailleurvuur uit Westelijke richting. De auto’s zijn niet beschadigd. Bij den viersprong Noordoost van DE KOERHEUVEL sprak de Overste een officier. Langs een omweg zijn wij gekomen op den weg RHENEN-ELST. Alles trok terug. Ik weet niet op de Overste order heeft gegeven om terug te trekken; zelf heb ik dit in geen geval gedaan……De Overste DE MAREES VAN SWINDEREN was buitengewoon kalm en rustig. Hij gaf zijn orders op flinke wijze en is geen oogenblik zijn hoofd kwijt geweest.”
[1] NIMH archieven, 409-503-002
Het door majoor de Kruyff gemeldde (latere) tijdstip van vertrek lijkt te kloppen want de ordonnans van het peloton pantserafweergeschut onder leiding van luitenant Hollertt, de huzaar Winkels leverde nog omstreeks 15.00 uur een bericht af en constateert later het vertrek van de commandopost[1]:
“..Het voorlaatste bericht, dat ik aan de overste bracht, was om ongeveer 03.15. Het laatste bericht was om ongeveer 04.45. De overste was er toen niet meer. In de kelder van de villa was niemand weer. Ik ben nog achter het huis geweest en ik heb er nog rond omheen gelopen. Er was niets meer te zien…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

Op de nieuwe locatie van de commandopost 4RH te Remmerden arriveerde omstreeks dezelfde tijd de chef staf van de 4e Divisie, die instemde met een achterhoede opdracht voor 4RH die de Regimentscommandant van 4RH overigens zelf voorstelde[1]. Deze chef staf was luitenant-kolonel G. Lefèvre de Montigny, die weer was teruggekeerd en de taak van kapitein Fiévez weer overgenomen had. De Marees van Swinderen[2]:
“Op dat oogenblik kwam ook de Chef Staf van IV Div. op genoemde driesprong aan en verwonderde zich ook in hooge mate over hetgeen hij daar te aanschouwen kreeg. Ik deelde hem de toestand van 4RH mede… en vroeg de Chef Staf mijn opinie over de mogelijkheid om RHENEN te hernemen. Ik achtte dit met de twee eskadrons (6-4RH en 2-3RH) welke hiervoor zouden kunnen worden losgemaakt uitgesloten, bovendien was gebleken, dat als dit voornemen succes zou hebben, het resultaat toch niet behouden zou kunnen worden, zonder goede versterkingen. Het eenige wast ik kon voorstellen was den aftocht van de 4e Divisie, die blijkbaar in vollen gang was met mijn regiment te dekken. De Chef Staf stemde hiermede in, en droeg mij op te verkennen in de richting van de lijn VREEWIJK-Spoorbrug.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
Er werd gediscussieerd over aanvullende opdrachten:
“Op grond van de ervaring, dat er voor samenwerking met lichte troepen te weinig begrip bestond – hoe kon het ook anders, het was nimmer of zelden geoefend – verzocht ik den Chef Staf de opdracht alléén met mijn regiment te mogen uitvoeren. Mijn voornemen was dan REMMERDEN voorlopig vast te houden en een eskadron te zenden naar de hoogte Zuidoost van de PRATTENBRUG. De Chef Staf kon zich met dit voorstel niet vereenigen en was voornemens zelve nog een weerstand te organiseeren in de omgeving van ELST en zou zelve de hoogten bij PRATTENBRUG voor zijn rekening nemen. 2-3RH had reeds bevel ontvangen aan te sluiten bij den staf[1] en werd dit bevel nu ook gegeven aan de Zuidelijke gevechtsgroep aan den spoorlijn nabij het viaduct….
[1] Dit bevel was al om 10.45 gegeven. Zuidelijke eenheden waren hier en daar ook al op eigen initiatief achterwaarts aan het gaan.
Het plan was om door middel van overlappend achterwaarts vallen van de eskadrons, contact te houden met de vijand. De opdracht ging in zodra de meeste eigen infanterie-eenheden waren doorschreden. Over wie wanneer het officiële terugtochtbevel heeft gegeven is ook na de oorlog controverse ontstaan. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen werd ervan beschuldigd zijn eenheden te hebben teruggetrokken zonder bevel van hogerhand en dat hij Kapitein Gelderman bij het viaduct aan zijn lot zou hebben overgelaten. Hij zelf verklaarde wel richtlijnen voor de terugtocht ontvangen te hebben:
“In overleg met den chef staf IV Div. die toen ter plaatse aankwam werd toen besloten dat 4RH de terugtocht zou dekken. Het verband met 1-4RH was eerst later te verkrijgen en de commandant van dit eskadron heeft op eigen initiatief de terugtocht aanvaard, nadat hem duidelijk was geworden dat zijn Noord flank omtrokken was en hij in den rug werd bevuurd en ook aangevallen door vliegers. Kapitein GELDERMAN is hiervan onderricht door C.-1-4RH. De kapitein is daar dus vrijwillig gebleven en niet aan zijn lot overgelaten.”
De commandant van II-19RI (majoor van Apeldoorn) bleef na het vertrek van 4RH achter in de stelling. Hij stuurde een luitenant naar de commandopost van IV Div. om het vertrek van 4RH te melden. De luitenant kwam terug met het bevel om stand te houden en het bevel op de troepen in de ruglinie weer over te nemen. Hier kwam niets meer van terecht. Bovendien werd verzuimd de commandant I-46RI, majoor Dekker, te informeren. [1]
De Duitsers zetten hun aanvallen met kracht voort
De Duitsers hadden intussen besloten dat het inmiddels aangetrokken 322e Infanterie Regiment naar het westen moest aanvallen, het ingesloten gedeelte van het IIIe SS-bataljon ontzetten en de spoorlijn overschrijden. De twee SS bataljons die de dag ervoor Nederlandse stellingen op het noordelijk gedeelte van de Grebbeberg hadden aangevallen (I. en II. SS bataljon) zouden nu verder in noordwestelijke richting aanvallen.[2] De beide SS bataljons vielen om 12.30 uur in noordwestelijke richting aan en rollen de Nederlandse stellingen ten noorden van de Grebbeberg op. Doel van deze aanval was het wegnemen van flankerend Nederlands vuur op de weg Wageningen-Rhenen onderaan de Grebbeberg. Het aanvalsdoel was Achterberg. De beide SS bataljons stuitten daarna op
de grotere Nederlandse aanval vanuit Achterberg, maar deze werd ondermeer met luchtondersteuning door Stuka’s uiteenslagen. Met deze Nederlandse tegenaanval waren van begin af aan al problemen. De meeste deelnemende bataljons waren te laat gearriveerd, waardoor de voor de nacht bevolen starttijd niet kon worden gehaald en pas in de ochtend voorwaarts kon worden gegaan. De deelnemende bataljons hadden bovendien geen kaarten en behoorden tot de ‘hogere nummers’, wat betekende dat ze over het algemeen uit oudere reservisten bestonden (huisvaders in de leeftijd van 30-35 jaar) en dus minder geschikt voor aanvallende gevechten. De beloofde Engelse luchtondersteuning kwam niet opdagen. Wel werd spontaan luchtondersteuning geleverd door vermoeide Nederlandse vliegtuigen die bommen afwierpen op de Grebbeberg en Duitsers mitrailleerden. De regimentsgeschiedschrijving van SS Regiment ‘Der Führer’ stelt hierover[1]:
“In der Nacht vom 12. Zum 13. Mai war vond er 207e Division angeordnet worden, daβ das Infanterieregiment 322 am 13. Mai den Angriff von der Höhe des Grebbe-Berges nach Westen über Rhenen fortsetzen solle, während desm Regiment DF des Auftrag erteilt wurde, mit dem I. und II./DF die ducht starke ständige ANlagen verstärkten feindlichen Stellungen an der Grebbe-Linie nach Nordwesten aufzurolle. In Ausführung dieses Auftrages trat das Regiment am 13. Mai früh mit dem I./DF rechts und dem II./DF links zum Angriff auf die feindliche Bunkerstellung am Nordhang des Grebbe-Berges und der Hohenzüge nordwestlich davon an, um diese von Südosten nach Nordwesten aufzurollen. Noch immer leistete der Holländer harten widerstand, doch Bunker auf Bunker, Stellung auf Stellung fielen under dem ungestümen Vorwärtsdrang der angreifenden Kompanien des I. und II./DF und ihrern in vorderster Linie kämpfenden Unterstützungswaffen. Gegen 11.00 Uhr waren etwa eineinhalb Kilometer der feindlichen Stellung aufgerollt. Hier wurden das weitere Vorgehen vom Regiment vorläufig eingestellt, weil mehrfache Angriffsversuche des IR 322 über den Grebbe-Berg hinaus nach Westen noch immer nicht gelungen waren und keine Kräfte mehr zur Verfügung standen, um die nunmehr entstandene eineinhalb Kilometer lange offene linke Flanke des Regiments zu schlieβen.
[1] Otto Weidinger, Kameraden bis zum Ende, blz 32 en 33
[1] Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven 409-503-001
[2] Kriegstagebuch SS Rgt DF, blz 9
De regimentsgeschiedenis vertelt niets over de grote Nederlandse tegenaanval, maar vermeldt wel de Stuka luchtaanval:
“Nachdem der Angriff des Infanterieregiments 322 gegen Mittag nach erneuter Artillerievorbereitung und erstmaliger Unterstützung duch Sturzkampfbomber an Boden nach Westen gewonnen hatte, setzte auch das Regiment seinen Angriff zum Aufrollen der Grebbe-Linie fort.”

SS-Untersturmführer Fritz Kauerauf (pelotonscommandant van de 13e Kompanie /DF) nam deel aan de aanval en was ooggetuige van de Stuka aanval[1]:
“Bei Tagesanbruch stiegen wir in die dritte Linie ein. Diese war anders als die erste und zweite Befestigung. Es handelte sich um einen zusammenhangenden Grabenbunker hinter dem Kanal und einzelne Sicherungsbunker dahinter. AuBer einigen Kraftfahrern der Holländer, die Fahrerkleidung trugen, fanden wir keine Hollander mehr vor. Die Stellungen, die wir besetzten, waren schon verlassen. Trotzdem ging es sehr langsam voran, denn hinter dieser dritten Linie entstand neuer Widerstand. Unser l. Batallion kam nach dem Durchlaufen der 3. Linie wieder in freieres Gelande und stellte sich unter standigem BeschuB zum weiteren Angriff bereit. Vor uns mussen noch die Artilleriestellungen der Hollander gewesen sein. Denn, als wir am Nachmittag endlich weiter wollten, kam aus der Luft Motorengerausch. Es waren deutsche Sturzkampfflugzeuge, die beinahe ihre Bomben auf uns geworfen hatten, hatte man nicht rasch die als Fliegererkennungszeichen mitgeführten Hakenkreuzfahnen auf der Erde ausge breitet. Wir sahen ja mit unseren bis da hin nirgends bekannten Tarnjacken und Stahlhelmüberzügen von oben nicht wie deutsche Soldaten aus! Die Stukas legten ihre gefahrlichen Eier ganz dicht bei uns ab, worauf das scharfe Bunkerfeuer auf hörte, unsere Kompanie den Durchbruch schaffte, und unser l. Bataillon sich zum weiteren Angriff nach rechts entfalten konnte.”
[1] Kriegsfreiwilliger Fritz Kauerauf in der „Grebbeiinie”, artikel in ‘Der Freiwillige’ 34e Jahrgang, juni 1988

Over het verdere verloop van de Duitse aanval vertelt hij[1]:
“Wir gingen noch auf ein Gehöft vor. Man sah die Kompanien und Gruppen jeweils in Schützenreihe über die Wiese vorgehen. Es war wieder wie bei einer Übung. Hinlegen aller, ganz automatisch als uns Gewehrfeuer entgegenschlug. Nachsthö here Gefechtsbereitschaft und einzel sprungweises Vorgehen nach der Entfaltung zur Schützenkette folgten. Die schweren Maschinengewehre und die Granatwerfer der 4. Kompanie deckten das Ganze. Für mich war es aber das Ende meines Einsatzes im Westfeldzug. Als ich als erster Gewehrschütze meiner Gruppe das mit der Hand über dem Kopf kreisende Zeichen für die Entwicklung zur Schützenkette weitergab erhielt ich einen DurchschuB durch den linken Oberarm, auf dessen Ellenbogen ich mich gerade stützte. Als wenn einer mit der Axt den Arm durchschlagen hatte, knickte dieser ab, und ich schrie ob der fürchterlichen Schmerzen lauthals: ,,Mein Arm ist ab, mein Arm ist ab!” Ein Kamerad kam sofort angekrochen und schnitt Tarnjacke und Armel auf, und dann sah man ein kleines blutendes Loch in dem verdrehten Arm. Als ein Sanitäter — damals noch mit weiBer Armbinde mit dem roten Kreuz — kam, beruhigte mich dieser und band den Arm mit einer Schiene am Körper fest. Es ging mir wieder besser, und der Arm war noch dran. Nur bewegen konnte ich mich überhaupt nicht. Mittlerweile waren wir allein auf weiter Flur. Gefangene unseres Angriffs kamen zurück. Einige von ihnen besorgten eine Leiter, worauf sie mich zum Hauptverbandsplatz trugen. Mein Gewehr nahm der Sanitäter, damit es beim Hauptverbandsplatz abgegeben werden konnte. Als wir zur dritten Linie zurückkamen, war diese vollbesetzt mit deutschen Soldaten. Es war ein gespenstischer Anblick, denn alle hatten ihre Gasmasken angelegt. Sie sahen uns an wie Menschen von einem anderen Stern! Sicher Fehl alarm meinte mein Sanitäter, und so war es auch, denn bei unserem Haupt verbandsplatz liefen wieder alle ‘normal’ herum, und wir hatten vorher schon unseren Regimentskommandeur bedauern wollen, weil er, als er uns begegnete, genauso wie wir, keine Gasmaske dabei hatte. Man fuhr mich noch in der Nacht ins Kriegslazarett nach Arnheim, wo man mir endlich die nassen Sachen inclusive Stiefel buchstablich vom Körper schnitt.”
[1] Kriegsfreiwilliger Fritz Kauerauf in der „Grebbeiinie”, artikel in ‘Der Freiwillige’ 34e Jahrgang, juni 1988

Het lukt de Duitsers aanvankelijk niet om over de spoorlijn te komen
De Nederlanders werden in de middag ook langzaam van de noordflanken van de Grebbeberg verdreven, maar hielden wel stand tegenover de in westelijke richting aanvallende bataljons van 322e Infanterie Regiment. Dit regiment maakte maar moeizaam voortgang. Het SS Regiment ‘Der Führer’ probeerde met stootgroepen van het tweede bataljon, Nederlandse eenheden ten noorden te omtrekken en de aanvallende bataljons van 322e Infanterie Regiment te ontlasten. Om 10.00 en 12.30 had het afgesneden derde SS bataljon nog een tweetal pogingen gedaan om het spoorwegviaduct te veroveren (waarbij Nederlandse krijgsgevangenen als dekking waren gebruikt), maar beide pogingen waren afgeslagen. Het derde bataljon van het SS Regiment besloot daarna om uit te breken in oostelijke richting en kreeg in de omgeving van de dierentuin Ouwehand aan het einde van de middag weer contact met de uitgezonden stoottroepen van het tweede bataljon van het SS Regiment. De gewond geraakte commandant van het derde bataljon Obersturmbahnführer Wäckerle[1], werd afgevoerd naar het hospitaal en vervangen door Hauptsturmführer[2] Otto Kumm.
[1] Hij was zelfs twee keer gewond geraakt. Op 13 mei aan zijn rug en op 14 mei in zijn bovenarm. Wäckerle zou later Regimentscommandant worden van Standarte Westland van de SS ‘Wiking’ Divisie, maar sneuvelde aan het begin van de Russische veldtocht door een Russische sluipschutter al op 2 juli 1941. Bron: www.grebbelinie.nl
[2] kapitein
De huzaren van 4RH en achtergebleven infanterie eenheden kwamen nu in aanraking met de aanvallende bataljons van het ‘verse’ 322e Infanterie Regiment. De Duitse 207e Divisie meldt hierover[1]:
“IR 322 war mit dem linken III. Btl. im fortschreitendem Angriff durch das Waldgelände südlich der Strasse Grebbe-Schleuse – Rhenen in Richtung Rhenen durchgestossen und hatte bis 13.00 Uhr den Bahndam am Südostteil Rhenen mit III./Btl erreicht. Mit I./Btl durchbrach es gegen 13.00 Uhr die Waldstellung am Westrand der Waldlichtung auf dem Grebbe-Berg an Strasse Grebbe-Rhenen und entsetzte den im Ostteil Rhenen mit 40 Mann eingeslossen Kommandeur III//SS. De Angriff des IR 322 traf auf einen im Laufe des Vormittag geführten starken Gegenangriff des Feindes, der auch zur Einschliesung des Kommandeur III./SS geführt hatte. 13.00 Angriff holländische Bomber auf Gelände zwischen Wageningen und Grebbe-Berg. 15.00 Stuka-Angriff der Gruppe Putzier[1] auf Stellung westlich Bahnlinie Veenendaal – Rhenen besonders auf Höhengelände nördlich Rhenen zowie auf Batteriestellungen. Gute Wirkung, Gegner läuft zum Teil über, zum Teil verläβt er seine Stellung fluchtartig. Die Bahnlinie kann jedocht nicht überschritten werden. Der am Spätnachmittag erfolgende Angriff des II./IR 322 nördlich I./IR 322 in Richtung Höhengelände südlich Vreewijk bleibt am Bahndamm liegen.”
[1] Richard Putzier was commandant van Sturzkampfgeschwader 77 (StG 77)
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div., 13 Mai

Ten noorden van het viaduct naderden inderdaad delen van het 1e bataljon van dit regiment de spoorlijn. Delen van 1-4RH zaten ook nog steeds in de loopgraaf. Luitenant van Lijnden[1]:
“Er wordt hevig gevuurd met mitrailleurs door het nevenpeloton. Troep zit vijand in huizen aan de overzijde van de spoorweg. Vijand dekt zich uitstekend. Ik kan hen niet zien zitten met verrekijker. Ik geef vuurbevelen aan mitrailleurs en houd vuren in de hand. Ik besluit karabijn schutters toe te staan te vuren op doelen die zij zien. Laat indeeling maken: deel rusten in loopgraaf, deel schieten. We werden in de rug beschoten uit huizen achter ons. Ik laat enkele posten in de rug naar de vijand kijken. Er zal een tegenaanval komen, uit Noordelijke richting, Oost van spoorlijn. Wij zien voorbereidende artillerievuren. Zij liggen goed, huizen overzijde spoorbaan krijgen treffers, bosch erachter staat in brand. Eigen vliegtuigen (ongeveer 3 GI) nemen aan de aanval deel en duiken zeer diep. De artilleriebeschieting van onze stelling duurt voort. Wij zitten zeer onder ’t stof en damp; er wordt nog 1 maal gasalarm gemaakt. Er komen vluchtelingen die ten Noorden van ons, over de prikkeldraadhindernis heenspringen. Er is op de één of ander manier een stervende infanterist met buikwond in de stelling. Er komen enkele infanteristen, alleen met broek en hemdsmouwen. Er komt één man in putteebroek, met gekleede jas, die geheel overstuur is, zegt dat hij 1 nacht in handen vijand geweest is, dat het ‘duivels’ zijn, etc… Er komen gewonden die zeggen dat de Duitschers veel verliezen en veel gewonden hebben…. Ik vraag naar 4.7 cm geschut bij de brug. Een ordonnans van de commandogroep gaat, naar men zegt, met een vaandrig der infanterie over de brug en rijdt 4,7 terug. In zijn jas zitten 5 kogelgaten (heb ze na de oorlog gezien).”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Ook ten zuiden van de weg Wageningen-Rhenen bereikte een Duits bataljon de spoorlijn en bezette ondermeer de zeepfabriek ‘Rhenus’. Ritmeester Baron van Pallandt (3-4RH) ontving omstreeks 12.00 een nieuw bevel. Dit maal niet van de commandant 4RH, maar bij monde van eerste luitenant Wurfbain, van commandant II LK. zelf.[1] Hij kreeg opdracht om deze nieuwe vijandelijke penetratie tegen te gaan. Hij kreeg opdracht om verder naar achteren (west van Rhenen) een opvangstelling in te richten[2]:
“Tracht een doorbreken van vijandelijke afdeeling tusschen de stad RHENEN en de rivier tegen te gaan. In de opstelling gebleven met 2 voorpelotons en 1 peloton in reserve tegenover tramstation RHENEN. Ik heb toen met het 2e peloton een tirailleurlinie geformeerd met 5 lichte mitrailleurs M20 langs den dijk West van RHENEN vanaf den straatweg tot het pontveer aan de Rijn. Door vijandelijk artillerievuur gedwongen te ongeveer 14.30 deze open linie te verlaten. Het eskadron verzameld en begeven naar de commandopost van 4RH.
[1] Dit bevel ging buiten de Regimentscommandant om. NIMH archieven, 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-005A
Eén peloton van 3-4RH voerde dus de opdracht uit en nam rond 12.30 van de opgedragen achterwaarts gelegen opstelling in. Rond 14.30 werd deze kwetsbare stelling verlaten, verzamelde het eskadron zich en trok zich gezamenlijk verder terug.
De Stuka aanval en het opblazen van het viaduct
Rond 13.30 volgde een hevige en langdurige Stuka aanval op de Nederlandse stellingen bij het spoorwegviaduct. Voor veel uitgeputte Nederlandse soldaten was dit teveel en velen vluchtten naar het westen, waardoor de spoorwegstelling werd verzwakt. De Duitse 207e Divisie schrijft hierover:
“Die Wirkung was erfolgreich. Sie brachte der Infanterie eine wesentliche Entlastung. Der Gegner verließ teilweise panikartig seine Stellungen.”
Ritmeester Feist van 1-4RH vertelt over deze luchtaanval en de hierop volgende gebeurtenissen[1]:
“Te ongeveer 13.15 verschenen 20 vijandelijke vliegtuigen; laag over de boomen komende wierpen ze bommen op onze loopgraaf. Op ditzelfde moment werd het viaduct opgeblazen; zooals later bleek gebeurde dit door eigen troepen. Door den aanval der duikbommenwerpers, bleek dat een afdeling infanterie welke zich achter mij bevond en ongeveer 20 man sterk was, geheel vernietigd was. Dit meldde een door mij uitgezonden ordonnans…”
[1] NIMH archieven, 409-503-003

Sommigen officieren en huzaren weigerden aanvankelijk achterwaarts te gaan, waaronder kapitein Gelderman met vijftien marechaussees en luitenant Hollertt die met zijn stuk pantserafweergeschut en tien huzaren onder bevel van 3-4RH stond. Noordelijker lag nog slecht één infanteriepeloton en tegenover dit kleine groepje stond het complete 322eInfanterie Regiment. Het achtergebleven groepje militairen vocht als leeuwen en de Duitsers slaagden er niet in om over de spoorweg te komen. De Duitse 207e Divisie meldt hierover[1]:
“Der am Spätnachmittag erfolgende Angriff des II./IR 322 nördlich I./IR 322 in Richtung Höhengelände südlich Vreewijk bleibt am Bahndamm liggen.”
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div.
De Duitsers lieten het naar het noordwesten aanvallende SS-Regiment gedeeltelijk bijdraaien naar het zuiden om de vastgelopen opmars van het 322e Infanterie Regiment te ondersteunen[1]:
“Da gegen Abend der Angriff des Infanterieregiments 322 an der Bahn ostwärts Rhenen erneut ins Stocken geraten war, wurde auf Befehl des Rgt. DF vom II./DF Aufklärung von Norden her auf Rhenen in den Rücken des dors stehenden Feindes vorgetrieben, um dadurch des Infanterieregiment 322 zu entlasten.“
[1] Otto Weidinger, Kameraden bis zum Ende, blz 33
Dit bekent dat dus pas aan het einde van de middag de Duitsers ten noorden van Rhenen over de spoorlijn kwamen. Door de noordelijke aanval van het IIe SS-bataljon kon het 322e Infanterie Regiment weer voorwaarts gaan[1]:
“20.30-22.15 Durchkämpfen des III. und I./IR 322 durch die Stellung am Bahndamm und durch Rhenen selbst. 22.15 is Westteil Rhenen erreicht und damit der Durchbruch gelungen.”
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div.
Op verzoek van de 207e Divisie werd nog een gepantserd verkenningspeloton ter beschikking gesteld[1]:
“Auβerdem wurde auf Bitte des 207. Division dem Infanterieregiment 322 des Panzerspähzug des Regiments zur Verfügung gestellt, mit dessen Hilfe gegen 22.00 Uhr der Angriff des Infanterieregiments 322 gegen das in Brand geschossene Rhenen vorgetragen wurde.”
[1] Otto Weidinger, Kameraden bis zum Ende, blz 33
Het peloton arriveert om ’s avonds laat[1]:
“23.00 werden dem IR 322 1 Panzerspähtrupp SS-DF (2 Wagen), Teile Kraderkundigungs Zug, Teile Kradschützen unter Führung von Untersturmführer Schneider unterstellt.”
[1] Kriegstagebuch 207e Inf. Div
De algehele terugtocht begint, maar enkelen houden bij het viaduct stand
Alle Nederlandse eenheden vielen terug. Ritmeester Feist (1-4RH)[1]:
“Te ongeveer 14.00 kregen we ook vuur uit de richting van kilometerpaal 25 van de spoorbaan en uit de huizen achter ons gelegen. Vijandelijke pantserwagens verschijnen op ongeveer 600 meter voor het viaduct en gaan richting Rijn. Bij het opnemen van verband bleek links van ons en achter ons alles te zijn teruggetrokken. Rechts van ons, nabij het viaduct bevond zich nog een zwakke afdeling, waarbij kapitein GELDERMAN en luitenant HOLLERTT.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003

Het spoorwegviaduct was inmiddels opgeblazen, maar het groepje wilde van geen wijken weten. Er vielen echter steeds meer slachtoffers en de munitie raakte op. Tot vijfmaal toe stuurde kapitein Gelderman een ordonnans naar achteren om contact te maken, maar die kwamen ter onverrichte zake terug. Kapitein Gelderman ging uiteindelijk zelf naar achteren om munitie te halen en droeg het bevel over aan luitenant Hollertt. Nadat Gelderman niet terugkeerde (hij had in Doorn het terugtocht bevel gehoord en men verbood hem terug te keren naar het viaduct) ging luitenant Hollertt als laatste met zijn groep huzaren te voet terug naar achteren. Luitenant Hollertt vertelt[1]:
“Toen geen der berichten het gewenschte succes had, ging kapitein GELDERMAN (= rond 14.00) zelf per trekker naar achteren om versterking te vragen. 16.45. De trekker van stuk pantserafweergeschut No.4 was buiten gevecht gesteld en de bedieningsmanschappen hebben het kanon onder vijandelijk artillerievuur moeten achterlaten. Stuk No.2 en 3 bleken zich ondertusschen weer bij het regiment gevoegd te hebben en zijn met de paarden afgemarcheerd onder commando van ritmeester Mazel (2-4RH).”
[1] NIMH archieven, 409-503-013
Wachtmeester Visser van stuk no. 4[1]:
“… Wij zijn gebleven tot 18.00 uur. Wij waren bijna omsingeld. Er was nog één stukje loopgraaf naar de kelder van het huis vrij. Wij kregen vuur van links en stoven de weg van het huis in. Wij zochten dekking in de kelder en ontkwamen op deze wijze. Wij konden het stuk niet omdraaien naar links door de muur van het huis rechts. Toen wij zo goed als omsingeld waren, zei ik dat tegen de luitenant. Wij zijn uit ons zelf teruggegaan. De luitenant is toen nog achtergebleven. Ik heb de luitenant teruggezien in IJSSELSTEIN. Ik zie: “Hoe bent u in ’s hemelsnaam uitgekomen?” “Daar zullen wij maar niet over praten”, antwoordde de luitenant.. Ik ben teruggegaan met WENDELS. ANDRINGA was al weg. Ordonnans WINKELS heeft berichten overgebracht tussen de luitenant HOLLERTT en de commandant. Dat was gevaarlijk, want wij lagen onder artillerievuur. Hij deed dit met de motor. Hij is zeker driemaal weggeweest onder vuur. Het was een flinke vent.. Er is bij die stelling ook een korporaal gewond geraakt. Er stond een zware mitrailleur aan de overkant. Daar heeft hij mee gevuurd. De luitenant en ik hebben hem gehaald, toen hij gewond was. Dit gebeurde onder vuur. Een zekere MEIJER heeft hem toen weggebracht in een luxe wagen, die daar was blijven staan in een particuliere garage. De gewonde soldaat was in elk geval een huzaar, maar hij zal wel tot het paardenvolk hebben behoord, want ik kende hem niet…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001


De schutter van het pantserafweergeschut, de huzaar N. Wendels, vertelt dat korporaal Knies[1] gewond raakte[2]:
“Aan de overkant stond een zware mitrailleur van de infanterie. De schutter was er achter weggeschoten. Korporaal KNIES is er achter gaan zitten en vervolgens werd hij in de wang en in de long geraakt. Ik moest op last van luitenant HOLLERTT voor een vervoermiddel zorgen. In een garage stond een auto, maar ik kon deze er niet uitkrijgen. Er kwam toen een ordonnans van 4RH (MEIJER) en deze heeft de wagen uit de garage gereden. KNIES is weggebracht door MEIJER. VISSER, de luitenant en ik hebben geholpen hem in de auto te krijgen. Dit gebeurde op de straat onder vuur. Er is niets geraakt…”
[1] Korporaal Knies behoorde tot 3-4RH
[2] NIMH archieven, 409-503-001
Wachtmeester Visser, Wendels en Winkels en ontvingen in 1947 het Bronzen Kruis voor het uit de vuurlijn weghalen van de gewonde korporaal Knies. Ordonnans huzaar Winkels[1]:
“Luitenant HOLLERTT is tot het laatste moment gebleven. VISSER is iets eerder weggegaan. Vermoedelijk omdat de Duitsers inmiddels door het viaduct heen waren gekomen en het huis tegenover ons hadden bezet. Vandaar vuurden zij op de flank. De potjes van de vensterbank in de kamer werden er afgeschoten. De Duitsers waren om 16.15 over het prikkeldraad gekomen. Op een moment dat ik van een opdracht terugkwam en ik mij bij de luitenant terug wilde melden, kwam ik op 10 meter van het huis VISSER, WENDELS en ik meen zeker te weten ANDRINGA tegen. Zij zeiden tegen mij: “ga maar niet verder, je kunt niet meer bij de luitenant komen. Er wordt voor in het huis geschoten”. Zij gingen op RHENEN aan…. Ik ben toch doorgelopen. Omdat erop de voorzijde van het huis geschoten werd, kon ik niet op de normale wijze voor het huis langs de stelling in gaan. Ik ben door het kelderraam in de kelder gekomen en door de kamers heen gauw de voordeur uit en toen de stelling in naar de luitenant. De loopgraaf liep naar het huis. Kapitein GELDERMAN was al weg. Naar ik heb gehoord, was de kapitein munitie gaan halen. Hij is met de trekker weggereden. De infanterie was er ook niet meer. Op dit moment schoot de luitenant niet. Het was omstreeks 17.00 uur. De Duitsers vuurden ook niet meer, het was helemaal stil. Toen ik bij de luitenant kwam, zei hij, dat hij mij niet meer had verwacht. Ik berichtte hem dat ik de overste niet meer had kunnen vinden. Hij zei mij daarop, dat ik maar terug moest gaan en mij bij de andere drie manschappen moest aansluiten…. Ik ben door RHENEN gegaan en heb mij bij de andere drie aangesloten. Zij stonden op de weg tussen ELST en RHENEN onder een boom te schuilen voor een vliegtuigaanval.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

De noordelijke eskadrons maakten het Stuka bombardement ook deels nog mee. Luitenant van Lijnden van het 2epeloton van 1-4RH[1]:
“Ongeveer zeven duikbommenwerpers komen uit zuidelijke richting Oost van bosch. Ze vliegen richting Noord, draaien en beginnen op onze stellingen te duiken. De moreele uitwerking is zeer groot. Zeer felle detonaties. Inslagen. Zeer grote trechters. Ongeveer 18 dooden. Donderende klap. Wij zitten in rook en stof. Ik laat storingsvuur openen, daar wij niets zien. Blijkt viaduct in de lucht gesprongen is. Wij dachten dat het bom was. Was echter geniesergeant die in de buurt viaduct was blijven zitten. Het bevel was gegeven de brug, die men had willen gebruiken om eventueele tegenaanvallen, te laten doen springen. Dit geschiedde ‘toevallig’ tijdens bombardement. Een sergeant infanterie en enkele menschen die gevlucht waren en graag bij mij wilden doorvechten, melden zich bij mij en zeiden dat het hen nu beter leek, hun eigen troep op te zoeken. Wat ik antwoorde was slecht proza, doch goed Hollandsch. Ik verweet hem, daarna hetzelfde stukje te willen uithalen. Hij verzekerde mij dat zij nogmaals wel wilden vechten, maar alle officieren reeds weg waren. Ik kalmeer troep en zeg, dat wij hier persé moeten standhouden. Zij worden weer kalm. Ondertusschen is de ritmeester bij mij gekomen. Ik stuur een ordonnans om munitie te halen. Hij komt geheel ontdaan terug. Alles is verlaten, er is een grote krater en ontelbare lijken, die onherkenbaar verminkt zijn. Eén man schreeuwt hevig, zit vast maar men kan hem niet losmaken. Ook stellingen ten Noorden van mij (eskadron VAN ZIJP) zijn verlaten. Ritmeester gaat met ordonnans naar commandopost 4RH om bevelen te halen en toestand uit te leggen. Is hij over drie kwartier nog niet terug, dan moet ik terug naar halve eskadron. Na ongeveer drie kwartier komt ordonnans: bevel eskadronscommandant: regiment is teruggetrokken; trek terug. Ik laat bevel doorgeven door stelling naar rechts. Bevel: uit de stelling naar Noorden. Over de weg naar oude watertoren waar wielen moeten liggen. Ik zelf blijf als laatste in de stelling. Oudste wachtmeester gaat voorop en zal maatregelen nemen of peloton verzameld kan worden op eindpunt of nog onder vuur ligt en in stelling moet komen in boschrand. Ik wijs plukjes van drie aan, die beurt na beurt de stelling verlaten. Ik laat enkele schutters hevig vuuren om aandacht van vijand af te leiden. Alles verloopt naar wensch. Bij eindpunt zijn onze wielen verdwenen. Het halve eskadron loopt ver voor mij uit. Ik kan ze niet inhalen. Groot deel van mijn eigen peloton wacht op mij bij eindpunt. Ik wijs achterhoede aan. Ik ben dood op. Geheele nacht niet geslapen. Geheele dag grote spanning.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Luitenant J.A.C. Bartels[1]:
“Daarna kregen wij aanvallen van Stuka vliegtuigen. De eerste aanval was gericht op de infanterie. Met luitenant VAN LIJNDEN heb ik hierop geschoten met een karabijn. De twee aanval was op ons gericht, waar wij ook op hebben geschoten. Op dat moment dekten zich de manschappen. Bij ons vielen de treffers in het talud. In den loop van den middag heeft ritmeester FEIST order gegeven terug te trekken op REMMERDEN, ik meen op bevel van overste VAN SWINDEREN. Betreffende luitenant VAN LIJNDEN: ik heb van hem veel steun ontvangen. Hij heeft alle mogelijke moeite gedaan om de taak die ik had zooveel mogelijk te verlichten. Ook was hij een goed voorbeeld voor de troep en hield ook in moeilijke omstandigheden zijn gevoel voor humor. Ook luitenant SCHEEPSTRA was uitstekend. Betreffende cadet-vaandrig LAURILLARD. Deze heeft zich ook flink gedragen en had ook gevoel voor humor. Na de Stuka aanval toen ik langs de troepen liep kwam ik bij hem en vroeg of hij nog bijzonderheden had, waarop hij antwoordde: “het werkt bepaald laxerend.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Wachtmeester P.V.O. Bartels[1]:
“Daar (in de stelling) hebben wij tot vier uur gezeten. Daarvoor kregen wij een aanval van duikbommenwerpers. In het stellinggedeelte waar ik zat, waren geen treffers; wel voor en achter ons. Tijdens de bomaanval dekte wij ons beneden de borstwering van de loopgraaf. Er waren daar geen schuilnissen. Wij hadden mitrailleuropstellingen maar die waren niet overdekt. Wij moesten over de borstwering heen vuren. Niemand is naar het bombardement blijven kijken. Ik schat het aantal vliegtuigen op 15 à 20. Betrekkelijk kort daarop kregen wij opdracht van ritmeester FEIST om in groepen terug te trekken en ons te melden in AMERONGEN. Door de bosschen ben ik naar AMERONGEN gegaan.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
4RH neemt nieuwe stellingen in bij Elst
De beide zuidelijke eskadrons 1-4RH en 3-4RH vielen via Remmerden terug naar Elst en later in de nacht naar Leersum. Een voorstel van de Regimentscommandant 4RH om weer geordend richting de spoorlijn in Rhenen op te rukken werd door de 4e Divisie afgewezen. Ritmeester Reist (1-4RH) weer[1]:
“Te ongeveer 14.40 heb ik bevel gegeven in groepjes van drie man terug te trekken en te trachten in het bedekte terrein Noordwest van RHENEN, het eskadron te verzamelen. Zoo dit niet mogelijk was, moest getracht worden nabij ELST, of eventueel LEERSUM te verzamelen. Daar ’s vijands vuur dwong in verschillende richtingen verspreid terug te blijven trekken, en daar bovendien de rijwielen deels vernield, deels onbereikbaar waren, was verzamelen niet mogelijk. Bij het terugtrekken door de bosschen werden verschillende achtergelaten rijwielen gevonden en mede genomen Te ELST is het gros van het eskadron weer verzameld. Te LEERSUM is in de bosschen Noordoost van LEERSUM overnacht.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
De terugtocht heeft ook zo zijn uitdagingen. Luitenant van Lijnden[1]:
“Eskadronscommandant komt bij me. Ik weet niet waar wij zijn, noch waarheen wij moeten gaan. Sjouwend en vloekend door zware zand, paard en wiel missend. We komen langs allerlei artillerieopstellingen. Allen verlaten, stapels munitie. Op enkele plaatsen inslagen. Onze eigen artillerie had reeds lang vuren gestaakt. Ik schat in omstreeks 12.00 uur. Vinden enkele fietsen. Eskadronscommandant wil met mij op fiets terug. Ik wil niet, daar niet al mijn menschen fietsen hebben. Hij overtuigt mij van noodzaak met hem mee te gaan om verderop verzameling te organiseren, waarop ik zijn bevelen volg. We komen in de buurt van barakken en kantines waar ieder bezig is , al het eten enz. op te laden. Wij weten niet waar het regiment naar toe is. Ik zeg niet meer verder terug te gaan, maar naar de grote weg RHENEN-LEERSUM te gaan. Dit werd gedaan. Op de weg veel infanterie, die heen en weer liep. De Grebbelinie was doorbroken, terug kon men niet meer. Na in een café even gerust te hebben, terwijl ordonnans uitgestuurd werd, toevallig samengekomen met het regiment. Die dachten dat wij vernietigd waren: groote blijdschap. Zij vormden opnamestelling in buurt van AMERONGEN. Die nacht werd in HEELSUM gebivakkeerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-003
Ook 3-4RH die eerder al aan de westzijde van Rhenen een achterwaarts gelegen stelling had betrokken, trok zich verder terug. Ritmeester Baron van Pallandt[1]:
“Te ongeveer 14.30 deze stelling door zwaar artillerievuur moeten verlaten, mij begeven nabij REMMERDENSCHE heide en beschermingsstelling front Noordoost in te nemen voor het mitrailleur eskadron. Later met 4RH afgemarcheerd richting ELST. Noord van ELST alarmkwartier betrokken in schaapskooi.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005
De terugtrekkende beweging van 3-4RH sleept ook de nog resterende infanterie eenheden met zich mee, hoewel ook hierover controverse bestaat.[1]
[1] Rapport van Nierstrasz stelt bijvoorbeeld dat de bij het viaduct aanwezige compagnie van I-46RI pas achterwaarts ging nadat 3-4RH zich terugtrok. Dit wordt door anderen ontkent. NIMH archieven 409-503-001
De Commissie van Onderzoek van de Generale Staf[1]:
“Tussen 11.00 en 12.00: 2-3RH en ME-4RH worden teruggenomen naar REMMERDEN. Tussen 12.00 en 13.00: C.-4RH verplaatst zijn commandopost naar achteren en neemt vervolgens 4RH terug naar REMMERDEN (1-4RH eerst 14.30 terug, na verificatie ontvangen terugtochtsbevel en bevinding dat commandopost 4RH was verlaten). Enkele officieren nog later terug. 13.30 (met zekerheid bekend tijdstip): Stuka-aanval, bij de spoorlijn, gevolgd door algemene terugtocht der infanterie met uitzondering van 1-4RH (zie boven, 1-I-46RI en één sectie van 2-II-19RI.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B

In het noorden stortte de weerstand in. Eenheden van II-19RI en I-46RI verlieten de stellingen en vluchtten in westelijke richting. Pogingen om delen van de infanterie op te vangen op de Koerheuvel of Vijverberg west van Vreewijk haalden niets uit. De noordelijke eskadrons van 4RH (6-4RH en 2-3RH) trokken zich ook verder terug. Iets eerder zelfs dan de zuidelijke eskadrons. Via tussen gelegen opstellingen werd de terugtocht van de zich terugtrekkende restanten infanterie eenheden gedekt. 6-4RH trok laat in de middag via stellingen bij landgoed Prattenburg terug richting Elst. 2-3RH vormde de achterhoede en trok de driesprong noord van Remmerden terug naar Elst. In de nacht werd naar Leersum teruggevallen.

Terwijl 4RH, II-19RI en I-46RI zich terugtrokken en bij Elst weer opgevangen werden, passeerden ze tussen Rhenen en Emmerden Nederlandse reserve-eenheden. Dit waren III-24RI en het 11e GrensBataljon (11GB), die alle twee onder bevel van commandant 24RI, luitenant-kolonel Smit stonden. Die had eerder op eigen initiatief geprobeerd naar voren te gaan, met als gevolg de vreemde meldingen in de ochtend over de aankomst van een infanteriebataljon ter versterking wat echter nooit aankwam.
Nederlandse eenheden proberen Rhenen weer in te gaan
11GB was op eigen initiatief al in de middag van 13 mei richting oost naar Rhenen opgerukt en bevond zich op het tijdstip van de Stuka aanval in de west rand van Rhenen. Eén compagnie trok zelfs later het brandende Rhenen binnen en heroverde aan het einde van de middag het station even op de Duitsers. De compagnie kwam geïsoleerd te zitten en moest zich terugtrekken.[1] Een tweede compagnie onder leiding van kapitein Boers rukte langs de zuidrand van Rhenen op. Deze compagnie drong Duitse patrouilles ter plaatse terug over de spoorlijn. Ook deze compagnie kwam geïsoleerd te zitten en trok zich terug.[2] Pogingen om een nieuw front bij Elst en Prattenbrug te vormen liepen daarnaast vast op de oververmoeidheid van de teruggetrokken eenheden.
[1] Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven, 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-001B
4RH probeert stelling te betrekken bij Remmerden
De Regimentscommandant 4RH probeerde zijn regiment in stelling te brengen bij Remmerden [1]:
“Het terrein bij REMMERDEN bood een vrij gunstige gelegenheid voor een achterhoedegevecht, het schootsveld was redelijk, echter ontbraken de tegen pantser zoo gewenschte, terrein afscheidingen, en met het optreden van dit wapen diende toch wel in de eerste plaats te worden gerekend. Uit de terugtrekkende onderdeelen werden nu de benoodigde stukken van 6 veld en 4,7 gehaald, teneinde hieraan tegemoet te komen, terwijl in afwachting van de komst van den Zuidelijke gevechtsgroep, terugtrekkende manschappen werden gelast voorloopig aan de verdediging deel te nemen. De Standaard werd op een duidelijk zichtbare plaats opgesteld, aangezien hier een bijzonder beroep op het moreel van de eskadrons moest worden gedaan. Tegen 15.00 kreeg ik bevel van C.-IV Div. dat ook het wegencomplex bij de PRATTENBRUG door mij moest worden bezet en werd 6-4RH daar heen gezonden….. Noch van den C.-II LK., noch van den C.-IV Div. heb ik na dit laatste bevel meer iets vernomen, dan tot kort voor de capitulatie…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B

Aan het einde van de middag werd door commandant veldleger de verdere terugtocht naar de Vesting Holland bevolen. Pas omstreeks 22.00 was de strijd om de Grebbeberg definitief door de Duitsers gewonnen en bezette het derde bataljon van het 322e Infanterie Regiment Rhenen. De Grebbelinie was op zijn sterkste punt doorbroken. Het 368eInfanterie Regiment had inmiddels ten noorden van de Grebbeberg Ede bezet en in Wageningen was inmiddels ook het derde regiment van de 207e Divisie (374e Infanterie Regiment) aangetrokken. In het noordelijk gedeelte van de Veluwe waren de andere huzaren regimenten (1RH en 5RH) inmiddels achter de Grebbelinie teruggekeerd, maar hier was de linie niet doorbroken door de Duitsers. Daarentegen was het de door Brabant oprukkende Duitse 9e Pantserdivisie gelukt om contact te maken met de bij de Moerdijkbruggen gelande parachutisten en door te stoten tot Dordrecht en Rotterdam.
Ritmeester van der Voort van Zijp (2-3RH) vertelt over het betrekken van achterwaarts gelegen stellingen[1]:
“ Te plusminus 13.00 kreeg ik bericht dat ik mij bij mijn regiment moest aansluiten op den kunstweg VREEWIJK-ELST. Aldaar aangekomen kreeg ik van C.-4RH opdracht den kunstweg RHENEN-ELST nabij de steenfabriek af te sluiten en te versperren. Onder commando van 2e luitenant VAN BORSSUM BUISMAN werd een officiers patrouille naar RHENEN gezonden om voeling te houden met den vijand. Deze patrouille meldde dat RHENEN licht bezet was. Om 20.00 werd het eskadron achterhoede tijdens den terugmars naar ELST. Te 21.00 had het eskadron de noordrand van ELST beveiligd en werden alarm kwartieren betrokken. Om plusminus 23.00 kreeg ik opdracht het eskadron te verzamelen en met het regiment af te marcheeren naar LEERSUM. Om 23.30 marcheerde ik afzonderlijk af, en werd nadat LEERSUM bereikt was, een alarmkwartier betrokken in Hotel De Donderberg.
[1] NIMH archieven, 409-503-016
Luitenant Vlielander (1-2-3RH) vult hem aan[1]:
“Ons eskadron heeft, toen het regiment zich naar Elst verplaatste, de achterhoede gevormd. Aan de Oostzijde van ELST werd alarmkwartier betrokken. De huizen waarin de manschappen rustten, werden door sterke posten beveiligd. Mitrailleurs opgesteld. Een paar granaten sloegen nog dichtbij in en een korte vuurstoot werd bij vergissing van een zware mitrailleur ontvangen, daar men een paar menschen had zien wegloopen en per ongeluk in onze richting schoot. De keukenwagens waren keurig op tijd en er werd een zeer goede maaltijd verstrekt. Na een paar uur kregen wij opdracht naar LEERSUM te gaan, waar alarmkwartier werd betrokken.”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Ritmeester jhr. W. Quarles van Ufford (6-4RH)[1]:
“Toen 2-3RH uit het voorterrein was teruggetrokken, door onze opnamestelling en mij door terugtrekkende officieren en minderen der artillerie[1] werd gemeld, dat vijand ter sterkte van één à twee compagnieën op 200 meter genaderd was[2], begaf ik mij naar de commandopost C.-4RH om deze te waarschuwen, dat het de hoogste tijd was, dat hij vertrok. Aangezien de voorbestemde route reeds onder vijandelijk vuur lag, geleidde ik hem persoonlijk per motorordonnans langs een zandpad, zoodat de geheele staf tijdig in veiligheid kwam.. De C.-4RH was rustig en beheerst en heeft zijn maatregelen ook rustig getroffen…De vijand werd zoolang door mijn eskadron in bedwang gehouden. Nadat de staf in veiligheid was, kreeg ik bevel om met mijn eskadron in te rukken en te verzamelen bij DRIESPRONG kunstwegen, ter hoogte van kilometerpaal 104,7 aan den kunstweg ELST-RHENEN. Aldaar ontving ik te 15.00 uur de opdracht van C.-4RH om met mijn eskadron me naar de driesprongen van kunstwegen Zuid van PRATTENBURG te begeven en me daar ter verdeediging in te richten front Oost. De wegen werden vervolgens afgesloten en twee mij toegewezen stukken pantserafweergeschut werden opgesteld op de twee in Zuidoostelijke richting lopende wegen.”
[1] In een andere rapport stelt Ritm jhr. W. Quarles van Ufford dat er ook infanterie bij was. Ze kwamen in de looppas op zijn stellingen af. NIMH archieven, 409-503-001
[2] Duitse eenheden waren op dit moment nog niet west van de spoorlijn. Dus de commandopost van 4RH was niet in gevaar.
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Pelotonscommandant kornet van Lennep (3-6-4RH)[1]:
“Eenigen tijd later dekten wij de terugtocht van 6-4RH. Wij moesten blijven tot nader order. In onze onmiddellijke nabijheid sloeg zoowel vijandelijk als eigen artillerievuur in. Ook hoorde ik verschillende malen mortiervuur. Rond 14.00 op bevel van eskadronscommandant peloton verzameld voor terugtocht. Nadat ik had gecontroleerd dat niemand zijn wapen of patroontrommel had achtergelaten is mijn peloton in volmaakte order gereden naar driesprong kunstweg zuid van PRATTENBURG (= kaartvierkant 24-68, hier betrok gehele eskadron om 1630 stelling). Mijn peloton vormde rechter peloton. Opdracht standhouden tot laatsten man. Noodrantsoenen gegeten. Ik trachtte nog voorbijtrekkende groepjes commandantlooze groepjes infanteristen bij mijn peloton te voegen. De meesten pretendeerden een nauwkeurige opdracht te hebben om naar AMERONGEN of LEERSUM te gaan. Het had slechts bij enkele succes. Om 18.30 ging het geheele eskadron naar driesprong kunstwegen ELST-RHENEN en VEENENDAAL-ELST, alwaar stelling werd ingenomen. Na eenige moeite gelukte het een stuk pantserafweergeschut onder commando van den vaandrig DE WIT (van 11 GB) ter beschikking te krijgen. Twee pelotons piket, twee pelotons rust. Het piket was zeer moeilijk wakker te houden. Omstreeks 24.00 uur gehele eskadron terug naar LEERSUM.”
[1] NIMH archieven, 409-503-012
Eerste luitenant Jhr. Mr. B.W.F. van Riemsdijk (1-6-4RH)[1]:
“Rond 14.00 peloton verzameld en onder commando van eskadronscommandant naar driesprong kunstweg kilometerpaal 104,6 kunstweg ELST-RHENEN. Daarna om 15.30 order kregen om eskadron te brengen naar driesprong Zuid van PRATTENBURG. Aldaar aangekomen van eskadronscommandant vak toegewezen gekregen voor mijn peloton, waarin moest worden stelling genomen en tot den laatsten man moest worden standgehouden. Omstreeks 18.30 order van de eskadronscommandant om het eskadron te verzamelen en terug te rijden naar kunstweg ELST-RHENEN. Vervolgens stelling ingenomen en weg afgesloten op driesprong de kunstweg ELST-RHENEN en VEENENDAAL-ELST. 2 pelotons houden rust en 2 pelotons, waaronder het mijne, piket. Moreel was goed, maar zeer vermoeid. Infanterie eenheden gehavend, maar weer in de hand, hadden zich toen langs kunstweg ELST-LEERSUM Westwaarts begeven. Omstreeks 23.30 teruggemarscheerd naar LEERSUM.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011
Kornet Driebeek van ME-4RH vertelt over de terugtocht[1]:
“Daar de harde weg ELST-LEERSUM reeds gedeeltelijk met boomen versperd was en de op de rails afhangende tramdraden een versperring voor de motoren beteekenden, moesten wij via de zijwegen LEERSUM bereiken. De weg ging over zandpaden, welke voor het meerendeel te mul waren om bereden te worden en de tocht per motor veel moeilijkheden medebracht, hetgeen door de reeds intreden duisternis verergerd werd. Wij verloren hierdoor een gedeelte van een sectie onder commando van den reserve-wachtmeester VLIELANDER HEIN. Ik liet motor-ordonnans DEN OUDE achter, om het contact met VLIELANDER HEIN te herstellen. Te LEERSUM aangekomen werden de legerplaatsen ingedeeld en kregen de menschen rust. Toen het ontbrekende sectie-gedeelte laat in den avond nog niet was aangetreden en DEN OUDE niemand had gevonden, zond ik een post naar de harde weg AMERONGEN-UTRECHT om de achtergeblevenen bij het passeeren van deze weg naar ons te kunnen dirigeeren.
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De nacht naar 14 mei werd door ME-4RH doorgebracht bij kasteel BROEKHUIZEN.
De hulpposten werden ook teruggenomen. Luitenant van Ravenswaay[1]:
“Naar aanleiding van het feit, dat onze hulppost bezet werd door 4RH (als volgende weerstand) en bij de hulppost munitieauto’s werden geplaatst, mocht dit punt door mij niet langer als hulppost worden gebruikt, weshalve door mijn opdracht gegeven werd een hulppost in te richten aan den kunstweg RHENEN-AMERONGEN (boven DE SCHUT) aan den driesprong bij kunstweg naar VEENENDAAL. Hier werden alle gewonden auto’s verzameld, die niet met gewonden onderweg waren naar de hoofdverbandplaats, terwijl deze laatste bij hun terugkeer op dit punt werden opgevangen. Ook vanuit dit punt werden gewonden uit de voorste linie gehaald, behandeld en naar de hoofdverbandplaats vervoerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

De drie overige eskadrons van 4RH
In de nacht van 12 op 13 mei en de ochtend van 13 mei waren dus vier eskadrons van 4RH ingezet geweest in de ruglijn van de Grebbelinie, namelijk 1-4RH en 3-4RH in het zuidelijk gedeelte en 2-3RH en 6-4RH in het noordelijk gedeelte. De middag en avond van 13 mei waren gebruikt voor terugtocht via tussenstellingen in Elst en Remmerden naar Heelsum. De overige eskadrons hadden andere taken op andere locaties uitgevoerd. 4-4RH en 5-4RH vervulden bewakingsdiensten op forten rond Utrecht en moeten de terugtrekkende eenheden opvangen. 2-4RH had de zorg van alle paarden op zich moeten nemen.
4-4RH bevond zich op Fort Bildt. Ritmeester Jhr. Mr. C.L. van Beyma thoe Kingma (4-4RH) beschrijft de dag[1]:
“In opdracht van den Commandant Groep Utrecht werd begonnen met verdere maatregelen te nemen ter verdediging van he Fort. O.a. werden daartoe de Spaansche ruiters geplaatst en verankerd langs de singelgracht rond het Fort. De versperringen op de betonweg werden voorbereid, zoodat deze direct aangebracht kunnen worden. Omstreeks 18.00 komen eerste troepen uit het Oosten. In de loop van de nacht zullen enkele bataljons komen om het Fort ‘De Bilt’ en ook de Forten ‘Hoofddijk’ en ‘Voordorp’ te bezetten. Opdracht is nu om deze onderdeelen op te vangen en naar de voor hun bestemde Forten te dirigeren. Een eindeloze colonne trekt permanent voorbij. Tegen 06.00 komt een bataljon voor ons bestemd het fort binnen. Onze wachten die gedurende de nacht bij de versperringen geplaatst waren, worden nu afgelost door de infanterie. Ook het commando van het fort wordt door deze bataljonscommandant overgenomen…”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
In een tweede bericht moppert hij zeer over de staat waarin hij de forten aantrof[1]:
“Deze dag deden zich geen ongeregeldheden in UTRECHT meer voor……Aan de arbeid waarmede mijn eskadron geheel onbekend was, waren grootte moeilijkheden verbonden. Laat in de nacht van 13 op 14 mei slaagde het eskadron er in deze taak tot een goed resultaat te brengen. Te dezer plaatse zij vermeld, dat de toestand waarin de door mij bezette forten verkeerden, zeer veel te wenschen overliet. Ondermeer beschikten de drie forten in totaal over één stuk geschut, de toestand van de stellingen, de loopgraven, het voorterrein, en de prikkeldraadversperringen waren slechts in staat van wording, terwijl munitie niet aanwezig was; bovendien was het voorterrein niet geïnundeerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
5-4RH is kort van stof over de dag en de hierop volgende nacht naar 14 mei. Bij afwezigheid van de gewonde kapitein Nijhoff meldt waarnemend eskadronscommandant, reserve eerste luitenant K.W. Mol[1]:
“Om 01.00 opdracht ontvangen van C. -Stafgroep UTRECHT een wacht te plaatsen op de Koningsweg, nabij de asperges. De wacht had tot taak alle burger, ook vrouwen, te fouilleren op wapens en alle militairen te controleren op he woord en het vertonen van oorlogszakboekjes. Om 19.00 sluit kapitein Nijhoff zich weder bij het onderdeel aan. Om 06.00 opdracht ontvangen van Staf Groep UTRECHT om de versperringen op den Werkhovenscheweg, op de spoorbaan UTRECHT-ARNHEM en de weg naar RHIJNAUWEN volledig te stellen en de versperring op den Koningsweg gedeeltelijk aan te brengen en wel zoodanig, dat het verkeer nog juist kan passeeren. Reserve 1e luitenant RITTER met de uitvoering belast. In de loop van de ochtend van 14 mei komt I RI op het Fort Vechten (onder leiding van overste DE VRIES), waarvan het tweede bataljon onder majoor BRIËT) gelegerd wordt binnen het fort.”
[1] NIMH archieven, 409-503-007
2-4RH had de zorg over alle paarden van 4RH op zich moeten nemen. Ritmeester A.M.C. Mazel vertelt hierover[1]:
“Op 12 mei om 08.30 kreeg ik te DARTHEIDE de order om met mijn eskadron voor de paarden te zorgen van 1-4RH, 2-4RH en 2-3RH inclusief de beveiliging ervan op de twee locaties van deze eenheden. Ik verdeelde het personeel van mijn eskadron over deze locaties en zorgde voor de beveiliging. Op 13 mei om 19.15 kreeg ik, bij navraag, opdracht om met alle paarden van het Regiment in Westelijke richting tot achter de lijn UTRECHT-VREESWIJK te begeven. We zijn daarna te 19.30 afgemarcheerd via DOORN, BUNNIK, UTRECHT en op 14 mei om 00.30 te JUTPHAAS aangekomen.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005
14 en 15 mei
4RH valt verder terug naar Utrecht
4RH viel na het invallen van de duisternis terug op Leersum (met de commandopost in villa Darthuizen) en opereerde de volgende dag 14 mei als achterhoede van de zich op de Nieuwe Hollandse Waterlinie terugtrekkende 4e Divisie, waarbij 6-4RH als achterhoede optrad, versterkt met een sectie pantserafweergeschut. Ritmeester jhr. W. Quarles van Ufford (6-4RH)[1]:
“Te 18.00 kwam C. 4RH mij gelasten deze stelling te verlaten, aangezien hier een storend vuur der eigen artillerie gelegd zou worden en een achterhoedestelling in te nemen aan de kunstweg ELST-VEENENDAAL tussen de kunstwegen ELST-RHENEN ende FRANSCHENWEG, front Oost ter beveiliging van het Regiment. Te 23.30 kreeg ik van C.-4RH het bevel om met het Regiment af te marcheren naar LEERSUM en samen met de twee stukken pantserafweergeschut de achterhoede te vormen. Te 00.30 werd afgemarcheerd naar LEERSUM. Onderweg moesten de door de infanterie aangebracht versperringen met groote moeilijkheden gepasseerd worden. Te LEERSUM werd tot legering overgegaan”
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Luitenant van Ravenswaay over de terugtocht van de geneeskundige installaties[1]:
“.. 19.00 bevel voor den terugtocht. Doel van de terugtocht was onbekend. Het gezamenlijk personeel en materieel werd op de hulpposten verzameld en is teruggetrokken op LEERSUM en heeft zich opgesteld bij de viersprong nabij Hotel de Donderberg. Na verloop van tijd verzamelde zich hier eveneens de treinstaf van 4RH. Daar verdere berichten uitbleven en ondanks vele pogingen geen verband kon worden opgenomen, heb ik te plusminus 20.00 den trein van 4RH gevolgd op den terugtocht in de richting UTRECHT..”
[1] NIMH archieven, 409-503-001

ME-4RH had de nacht van 13 op 14 mei doorgebracht bij kasteel BROEKHUIZEN, maar de sectie van wachtmeester Vlielander Hein was nog steeds niet terecht. Kornet Driebeek[1]:
“Op 14 mei werd alarm gemaakt vóór zonsopgang en bleek het gedeelte van de sectie nog steeds niet aanwezig te zijn, terwijl niemand iets van hen gehoord had. Ik liet een zijspan afpakken en bij het kasteel staan, teneinde in geval van nood te kunnen dienen voor het vluchten van de achtergeblevenen, indien zij zelf eventueel voertuigen verspeeld hadden. Op de tocht naar UTRECHT kreeg ons eskadron de opdracht de terugtocht van het geheele regiment tegen luchtdoelen te dekken, waarbij echter geen vijandelijke toestellen werden gesignaleerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Reserve wachtmeester Vlielander Hein was echter aan het einde van 13 mei om het leven gekomen. Hij had bij zijn nadering naar het verzamelgebied in de omgeving van het kasteel Broekhuizen schoten gehoord. Omdat hij dacht dat zijn eskadronscommandant (van ME-4RH) hier was, meende hij dat deze in handen van de Duitsers was gevallen. Hij waagde een ontzettingspoging in de richting van het kasteel, maar sneuvelde hierbij.[1] Omdat op dit moment er nog geen Duitse troepen nabij kasteel Broekhuizen waren is het niet onaannemelijk dat hij door eigen vuur om het leven is gekomen.
[1] Huzaren van Boreel, van 1813-1963, eigen uitgave ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan, pag 45
Nederlands verzet is gebroken
14 mei was verder een zwarte dag voor het Nederlandse leger. Het Nederlandse verzet in Rotterdam werd gebroken met een zwaar luchtbombardement, waarbij het centrum van Rotterdam werd vernietigd. Nederland capituleerde aan het einde van de middag van 14 mei. De Duitsers trokken op deze dag verder in westelijke richting en bereikten via Amerongen in de late namiddag de forten rond Utrecht. Het gepantserde verkenningspeloton van het SS Regiment trad hierbij op als spits van het 322e Infanterie Regiment. Het SS Regiment vertelt over 14 mei[1]:
“Während der Nacht hatte das Regiment mit verstärkte Sicherungen seine erreichten Stellungen gehalten um nun in den Morgenstunden des 14 Mai über Achterberg weiter in nordwestlichen Richtung vorgeschoben zu werden, mit dem Auftrag, aus Stellungen nordwestlich Rhenen die Flanke der Division nach Norden zu sichern. Die Division marchierte über Amerongen auf Doorn vor. Feindliche Gegenstösse aus Richting Grebbe-Linie und nördlich Veenendaal waren von der Division fernzuhalten. Im allgemeinen verlief dieser Tag für SS-‘Der Führer’ abgesehen von feindlichten Artillerie-Feuer ruhig, Nur die verstärkte 9. Kompanie under das Kradschützen Erkundigungs Zug und Panzer Späh Zug leisteten noch ganze Arbeit bei der Erfüllung von Aufklärungsaufträgen für die 207 Infanterie Division. Die 9. Kompanie die über Amerongen, Duurstede in westlichen Richting auf die Befestigungslinie südlich Utrecht angesetzt war, brachte richtige Aufkläruningsergebnisse und über 1000 Gefangene ein…..Eine weitere besondere Leistung vollbrachte der Panzerspäh Zug und Kradschützen Erkundigung Zug in einer gemeinsam durchgeführten Unternehmung. Sie wurden zur Aufklärung über Amerongen, Leersum auf Doorn angesetzt und stiessen hierbij des öfteren mit dem Gegner zusammen, der immer noch Widerstand leistend in westlicher Richting im Zurückgehen war…..Nachdem die vorderen Teile der 207 Infanterie Division bis auf 6 km an Utrecht herangekommen waren, kapitulierte nach Übergabeverhandlunden die Stadt und Festung Utrecht.”
[1] Kriegstagebuch SS Rgt DF, blz 9 en 10
Hun Division Geschichte meldt verder hierover:
“Amerongen wird von der Vorausabteilung Schneider[1] um 05.00 Uhr erreicht. Aufklärung durch die Kradschützen bringt weiter große Gefangenenzahlen. Um 15.00 sind die Außenforts von Utrecht erreicht. Der auf 20.00 Uhr angesetzte Angriff auf die Festung Holland kommt wegen die Waffenerstreckung nicht mehr zur Durchführung……….Am 15. Mai wird das Regiment DF alarmiert. Der Kommandierende General des X. Armee-Korps, General Hansen, hat den weiteren Vormarsch der 207. Division angehalten und befohlen daß das Regiment das zuerst die IJssel-Stellung und als einziges Regiment die Grebbe-Linie bis Rhenen durchbrochen hat, nun auch als erstes Regiment den weiterem Vormarsch durch Holland durchführen soll. Von Amerongen antretend, marschiert das Regiment um 10.00 Uhr über Utrecht, Amsterdam nach Harlem, wo es die Küstensicherung bei IJmuiden und Zandvoort übernimmt.“
[1] Untersturmführer Schneider voerde het commando over de Panzerspähzug die ’s avonds laat op 13 mei onder bevel van 322eInfanterieregiment was gesteld.

4RH verzamelde zich intussen op 14 mei in Utrecht op de Malibaan. De beide op de forten rond Utrecht op 12 en 13 mei achtergebleven eskadrons 4-4RH en 5-4RH werden afgelost door infanterie-eenheden en sloten zich weer aan bij het Regiment. Op de Malibaan kreeg het Regiment de opdracht om te verplaatsen naar IJsselstein (ME-4RH werd overigens in Heeswijk gelegerd) en nadere opdrachten af te wachten. Hier sloot vanuit Jutphaas ook 2-4RH weer aan werd het capitulatiebesluit ontvangen. Het Regiment bleef tot eind mei in IJsselstein en keerde daarna via Ede terug naar de Boreelkazerne in Deventer. De paarden werden ingeleverd bij de Duitsers en op 15 juni werd het regiment ontbonden.
Ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford (6-4RH) beschrijft de vermoeidheid van zijn eenheid bij de terugtocht[1]:
“Na onafgebroken in actie te zijn geweest kwam 6-4RH om 01.30 uur te LEERSUM alwaar ik tot legering overging. Om 03.40 ontving ik bevel van C.-4RH om met zoo spoedig mogelijk met 6-4RH naar UTRECHT te begeven. Aldaar kwam ik om 06.00 aan met een doodelijk vermoeid eskadron waarvan de menschen totaal uitgeput waren en op de wielen soms in slaap vielen. Om 14.00 kreeg ik bevel om mij naar IJSSELSTEIN te begeven alwaar tot legering is overgegaan.”
[1] NIMH archieven, 409-503-009
Luitenant Pierson, de pelotonscommandant van 4-4RH vertelt over deze 14e mei[1]:
“Er gebeurt geheelen morgen niets. Vliegtuigen ziet men niet zoodat het vermoeden opkomt dat er reeds onderhandelingen zijn over wapenstilstand. In het begin van de middag komt opdracht om aan te sluiten bij 4RH. Het eskadron marcheert in den namiddag af naar IJSSELSTEIN. Ongeveer 17.00 doen reeds de eerste geruchten de rond van een capitulatie die op handen is. De mededeelingen zijn nog verward en worden voor zoover mogelijk angstvallig voor de troep verborgen gehouden. Wanneer telkens weer dezelfde geruchten vernomen, begeeft één van onze officieren zich naar de staf IV Div. die zich te IJSSELSTEIN bevond. Nu ontvangen we het officieele bericht. De moeilijke taak volgt om dit de troep mede te deelen. Ook dit gebeurt en dank zij een scherpe controle gaat alles goed. In de loop van dezelfde avond worden op last van den commandant IV Div. de wapens en munitie ingeleverd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-006
Ritmeester A.M.C. Mazel (2-4RH)[1]:
“Nadat ik te JUTFAAS op het gemeentehuis C.-II LK. had opgebeld voor nadere instructies, ontving ik op 14 mei om 02.00 het bevel om naar IJSSELSTEIN te gaan, waar het hele Regiment zich diende te verzamelen. We zijn toen om 02.10 afgemarcheerd naar IJSSELSTEIN, alwaar om ongeveer 03.00 aangekomen en de paarden gedekte tegen waarneming uit de lucht opgesteld. Te 18.30 bericht ontvangen van de capitulatie van het Nederlandsche leger.”
[1] NIMH archieven, 409-503-005

Ritmeester van der Voort van Zijp kwam met zijn eskadron (2-3RH) later aan te IJsselstein[1]:
“Om plusminus 04.00 bericht om als achterhoede het regiment te volgens naar UTRECHT. Ingedeeld werd een sectie pantserafweergeschut. Er waren reeds verschillende onderdeelen afgemarcheerd en om plusminus 04.30 marcheerde 2-3RH per rijwiel naar UTRECHT alwaar verzameld werd op de Malibaan. Om plusminus 13.00 werd afgemarcheerd naar IJSSELSTEIN (ACHTERSLOOT).”
[1] NIMH archieven, 409-503-016
Luitenant Vlielander die het 1e peloton van 2-3RH commandeerde[1]:
“Zeer vroeg in den morgen, kregen wij bericht, de afmarsch van het eskadron naar UTRECHT, in den rug te beveiligen. De marsch verliep zonder dat wij door vliegtuigen gehinderd werden, dank zij een laag hangende mist. Wij kwamen te UTRECHT aan en het eskadron werd in de Malibaan opgesteld. De troepen werden door één van de ziekenhuizen onthaald op broodjes en koffie. Direct na den middag werd afgemarcheerd naar het ACHTERSLOOT bij IJSSELSTEIN. Ik ben vooruit gegaan om kwartier te maken…”
[1] NIMH archieven, 409-503-017
Ook de pantserwagen pelotons beleefden de capitulatie. 2e Luitenant Moolenburgh[1]:
“Maandag nacht ( = 13 mei) kwam het bevel van den Chef Staf UTRECHT om bij BUNNIK de eerste vijandelijke nadering te melden. Aldaar een opstelling ingenomen met telefonisch contact met den Chef Staf, en daar gebleven tot dinsdag 14 mei 12.00. Toen bereikte ons het bericht, dat achter ons de asperges waren doorgeknipt en dat teruggetrokken kon worden langs RIJNAUWEN. Hier moesten echter ook 2 keer asperges, die geheel verlaten waren, gepasseerd worden, en na een brug over de asperges te hebben gebouwd, werd de Hoijelkazerne te UTRECHT te 18.00 bereikt, alwaar de capitulatie bekend werd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-019

De terugtocht van 4RH verliep niet geheel zonder incident. In de nacht van 13 op 14 mei had luitenant van Riemsdijk (1-6-4RH) zich dodelijk vermoeid te ruste gelegd in Hotel Donderberg, maar hij versliep zich en werd door zijn eenheid vergeten bij de terugtocht in de vroege ochtend[1]:
“Ik veronderstelde dat Hotel Donderberg, waartegenover het eskadron gelegerd was, de commandopost van 4RH was. Dit was echter niet het geval zooals later bleek. Ik legde mij aldaar te ruste. Toen ik mij omstreeks 06.00 naar buiten spoedde op het hooren van geweervuur werd ik onmiddellijk in het been getroffen. Duitsche stoottroepen op motoren ontwapenden mij. Bij het leggen van het eerste verband door de Duitsche geneeskundige dienst heb ik onmiddellijk achter de stoottroepen zien optrekken sterke formaties infanterie, pantserwagens, zware mitrailleurs en cavalerie. Omstreeks 7 uur werd voorts een compagnie waarbij een kapitein benevens enkele kleinere afdeelingen, gevankelijk onder bewaking van enkele Duitschers voorbij Hotel Donderberg weggevoerd.”
[1] NIMH archieven, 409-503-011. Hij werd later in het ziekenhuis van Amerongen voor zijn verwondingen behandeld.
Na een verblijf van ongeveer twee weken werd IJsselstein en omstreken verlaten en vertrok het regiment naar Ede om vervolgens begin juni naar de Boreel kazerne in Deventer terug te keren. Kort voordat de Duitsers de gehele krijgsmacht ophief en het personeel ontslagen werd, moesten de paarden van het regiment worden ingeleverd. Onnodig te zeggen, dat het wegvoeren van de dieren grote emoties opriep en voor iedereen een moeilijk afscheid betekende. Op 15 juli 1940 werd de Nederlandse krijgsmacht opgeheven. Het merendeel van de beroepsofficieren werd – nadat een kleine groep reeds op 15 juli 1940 was afgevoerd toen ze weigerden ‘de verklaring op erewoord’ te tekenen – in 1942 in krijgsgevangenschap afgevoerd. Net zoals overigens een deel van de onderofficieren.

De standaard van 4RH viel niet in handen van vijand. De Regimentscommandant luitenant-kolonel b.d. Jonkheer de Marees van Swinderen, had de tegenwoordigheid van geest om de Standaard te begraven in een ketel zijn tuin. Op 13 mei 1947 werd door de Standaard door hem overgedragen aan luitenant-kolonel Janssens, toen belast met het commando over het heropgerichte regiment.Het regiment telde 8 doden en 16 gewonden.[1] 23 man waren vermist en meestal door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt. Het SS Regiment ‘DF’ vermeldde over de meidagen 118 doden (7 officieren) en 231 gewonden (waarvan 10 officieren).[2]
[1] Zie bijlage A
[2] Kriegstagebuch SS Rgt DF 11
Afsluiting
Er is rondom het optreden van 4RH in de Grebbelinie de nodige controverse ontstaan. Vooral vanuit de Commissie van Onderzoek werd de nodige kritiek geuit. De kritiek draaide om drie hoofdpunten. Ten eerste kreeg het Regiment kritiek te verduren voor ontplooiing op 12 mei. Het Regiment had opdracht gekregen om met twee eskadrons het noordelijk gedeelte van de stoplijn (nabij Kruiponder) te bezetten en voerde dit met 2-3RH en 6-4RH uit. De inzet van deze eskadrons werd nodig geacht omdat de oorspronkelijke, deze lijn bezettende onderdelen van de infanterie, de wijk zouden hebben genomen en daardoor een aanmerkelijk gat was ontstaan. Toen beide eskadrons nog nauwelijks hun opstelling hadden bereikt en ingenomen, werd het bevel herroepen door de 4e Divisie en werd opdracht gegeven om te verzamelen west van de jeugdherberg Berg en Dal. De uitvoering van dit bevel werkte ontnuchterend. Het verlaten van de juist ingenomen stelling maakte op de in de omgeving nog geringe aanwezige infanterie onderdelen ten onrechte de indruk van een vlucht. 4RH zou te vroeg het stellinggedeelte hebben verlaten, maar na de oorlog is dit punt van kritiek weggenomen.
Het tweede punt van kritiek was het voornemen van de Regimentscommandant om op 13 mei om over de spoorweg aanvallend voorwaarts te gaan. Dit voornemen getuigde volgens de Commissie van Onderzoek van weinig realiteitszin en onvoldoende begrip in de ‘verdedigende taak’ van het Regiment. Daarnaast had de Regimentscommandant in de avond en nacht van 12 op 13 mei onvoldoende activiteiten ontplooid om beter zicht te krijgen in de gevechtssituatie en ook onvoldoende pogingen gedaan om persoonlijk weer in contact te komen met commandant 4e Divisie om de situatie te bespreken. Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen zag dit heel anders en motiveert zijn bevel voorwaarts te gaan als volgt (hij spreekt in de 3e persoon)[1]:
“(1) Het bevel werd door C.-4RH gegeven op grond van een kaartstudie. In het bevel nopens de overname van het commando over RHENEN ontbraken alle noodige gegevens omtrent vijand, eigen troepen en terrein, zoodat dienaangaande C.-4RH volkomen in het duister taste bij het geven van de bevelen, terwijl spoed vereischt werd. (2) Bij de bespreking op de commandopost van IV Div. was medegedeeld dat een strook ter breedte van 1 kilometer Oost van den spoorlijn vrij van vijand was, in ieder geval was het zaak een eventueele verdediging van den spoorlijn zoover mogelijk naar voren aan te vangen, zeker tot den rand van het oord RHENEN. (3) De ervaring door C.-4RH opgedaan op 10 mei d.a.v. dat “het gaan zitten en deze vijand af te wachten,” steeds eindigt met omtrekking. Vermeld zij dat de op 10 mei gevolgde beginselen zich grondde op van hoogerhand gegeven bevelen. (3) Voorts gaven psychologische overwegingen mede de doorslag, aangezien het aan C.-4RH op het tijdstip van geven van de bevelen bekend was, dat een groot deel van de voorste troepen hun opstellingen reeds hadden verlaten en bezig waren deze te verlaten. Vermenging en afwachten moest tot elken prijs worden vermeden door de mogelijkheid van een voorwaarts gaan.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
Het teruggaan of terugnemen van de noordelijke helft van 4RH rond 12.30 van 13 mei (dus nog een uur voor de grote Stuka aanval) en het hierdoor (te snel) opgeven van de ruglijn bij de spoorweg in Rhenen vormde het derde punt van kritiek. Er stonden immers van 4RH nog altijd in de ruglijn ongeveer 500 huzaren met zware mitrailleurs, een paar stukken pantserafweergeschut en enkele mortieren. De mogelijkheden tot standhouden werden niet voldoende in ogenschouw genomen, zeker niet gezien het feit dat verder noordelijk de Grebbelinie nog altijd niet was doorschreden en beschermd werd door effectieve inundaties. Volgens sommigen gelastte (of gedoogde) daarom de 4e Divisie te snel de terugtocht van 4RH. Men rekende kennelijk nog steeds op de kracht van de, ook met inundaties beschermde, Vesting Holland. Ten onrechte, want deze stellingen waren nauwelijks voorbereid en het water stond te laag in de rivieren om voldoende inundaties te verkrijgen. Omdat er geen schriftelijk terugtocht bevel van de 4e Divisie bestaat, beschuldigen anderen de Regimentscommandant van 4RH zelfstandig en te vroeg delen van zijn regiment teruggetrokken te hebben. Het lijkt er echter op dat NIEMAND een officieel terugtocht bevel heeft gegeven, maar dat de aanhoudende artilleriebeschietingen, geruchten over doorgebroken vijand mentaal een dusdanige belasting vormden dat enkele infanterie-eenheden de stellingen in de ruglinie loslieten. Opdrachten tot bijdraaien van de stelling om (in het noorden) doorgebroken vijand op te vangen betekenden dat eenheden iets naar achteren gingen. Andere eenheden interpreteerden dit weer als (begin van) een terugtocht en volgden dit voorbeeld, waarna Stuka-aanval van 13.30 uur het mentale breekpunt vormden en een grotere ‘vlucht naar achteren’ op gang kwam. De te snelle verplaatsing van de commandopost van 4RH naar achteren bevestigde daarnaast voor naast- en ondergeschikte eenheden het idee dat de leiding opdracht had gegeven of tenminste instemde met een algehele terugtocht. Anderzijds mag niet worden vergeten dat sommigen WEL DEGELIJK een direct terugtocht bevel kregen, ondermeer 3-4RH, via een luitenant ordonnans van Commandant II LK. persoonlijk.

Hoewel het vraagstuk over ‘wie precies wanneer het terugtocht bevel gaf’ na de oorlog niet geheel opgelost werd, werd daarom luitenant-kolonel De Marees van Swinderen wel voor de voeten geworden dat hij zijn commandopost ruim voor de Stuka aanval terugtrok op basis van een onjuiste melding over naderende Duitse troepen en (weliswaar) nauwkeurig artillerievuur. Ook werd hem verweten een eskadron zonder noodzaak terug te nemen op Remmerden en van zowel de verplaatsing van de commandopost als terugtrekking van het eskadron de commandant II-19RI niet op de hoogte te stellen, hoewel die zich in de kelder van hetzelfde huis bevond. Men beoordeelde dat[1]: “aangezien deze hoofdofficier (C.-4RH) volgens zijn officieren rustig en beheerst was, moet zijn beleid in het algemeen en inzonderheid zijn besluit tot het teruggaan op Remmerden, op rekening worden gesteld van een totaal gebrek aan inzicht in de algemene toestand, een gemis aan begrip van het wezen van de hardnekkige verdediging, welke inzet van het gros der krachten aan de spoorweg eiste, voorts van onjuiste inlichtingen van ondercommandanten en het in korte tijd achter elkaar ontvangen van verschillende opdrachten en tenslotte het artillerievuur, de algemene verwarring en de vermoeienis van 3 dagen voortdurende actie. Het besluit tot terugnemen van het regiment is in strijd met de ontvangen opdracht genomen, terwijl het niet geven van inlichtingen of bevelen aan C.-II-19RI bij het verlaten van de gemeenschappelijke commandopost, een op zijn minst geheel onbegrijpelijke handeling vormt.”
[1] Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven, 409-503-001

Luitenant-kolonel De Marees van Swinderen verdedigde in diverse briefwisselingen tussen hem en het hoofd van de Commissie van Onderzoek luitenant-kolonel van V.E. Nierstrasz[1], de eer van zichzelf[2]:
“Aangezien de majoor van Apeldoorn geen contact met zijn troepen had en gebleken was dat deze zich met kleine uitzonderingen niet in de voorste gevechtsopstellingen bevonden, heb ik dezen majoor niet verder geraadpleegd, noch bevelen gegeven. Toen de overval (= dreigende aanval naderende Duitse troepen), dus niet alleen artillerievuur op mijn commandopost plaatsvond heb ik bevelen gegeven voor de verplaatsing. Dat de majoor toen niet naar mij toe is gekomen is zijn zaak, hij bevond zich beneden in den schuilplaats, terwijl ik mijn bevelen boven gaf. Mijn geheele staf, die ook deels zich beneden bevond is wel meegekomen. De majoor had daarvoor alle tijd, aangezien ik niet eerder ben vertrokken dan nadat de geheele staf gereed voor den afmarsch was.”
[1] Hij werd later tot generaal-majoor titulair bevorderd
[2] NIMH archieven, 409-503-001
Hij verdedigde echter nog feller de eer van zijn regiment[1]:
“4RH is pas teruggegaan nadat in overleg met den chaf staf van IV Div., welk overleg plaats vond op 13 mei te 14.00 op den kunstweg RHENEN-ELST, besloten werd dat 4RH de terugtocht van de overige troepen op UTRECHT zou dekken.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
De beschuldiging van onderzoekers dat ook 4RH zonder bevel achterwaarts zou zijn gegaan, wierp de Marees van Swinderen van zich af. Slechts één eskadron (1-4RH) zou zonder bevel achterwaarts zijn gegaan en dit stond niet gelijk aan een geheel regiment.[1] Hij geeft zelf in een brief van 9 oktober 1940 aan de onderzoekscommissie andere redenen op waarom de Grebbelinie zo snel viel[2]:
“Voorzoover ik de toestand van RHENEN kan overzien zijn de oorzaken van het debâcle te zoeken bij het gebrek aan tucht en het gebrek aan practische geoefendheid van de commandanten en van den troep, de onvoldoende bewapening en een algemeene mentaliteit die meer op vrede, dan op oorlog was ingesteld…”
[1] NIMH archieven, 409-503-001
[2] NIMH archieven, 409-503-001
Een standpunt waar hij overigens (achteraf gezien) gelijk in had. In een brief in 1948 verklaart hij nogmaals[1]:
“Het regiment is NIET geruimen tijd voor 13.30 teruggegaan, gevechtsgroep Zuid eerst na overleg met den Chef Staf van de IV Div. Dit waren eenige onderdeelen van 4RH, welke zich aan den spoorlijn bevonden.”
[1] NIMH archieven, 409-503-001B
In dezelfde brief stelt hij ook dat er geen directieven voor hardnekkige verdediging aan de spoorlijn aan hem gegeven waren en stelt hij dat hij zelfs opdracht had om de spoorlijn noord los te laten en een stelling meer ten noordwesten in te nemen:
“De bedoeling van den divisiecommandant (in casu den waarnemend chef staf van die div.), de hardnekkige verdediging aan den spoorlijn, is mij nimmer bekend gemaakt….. Aangezien het mijn voornemen was bij het aanbreken van den dag voorwaarts te gaan tot den Oost grens van het vrije terrein mij door den kapitein Lefèvre aangegeven, ten Oosten van de spoorbaan en om de redenen neergelegd in mijn beschrijving, heb ik geen of weinig moeite gedaan om de chaos in de bevelvoering te regelen, waarmede ook al onder gewone omstandigheden geruimen tijd gepaard zouden gaan, laat staan onder werkzaam artillerie vuur. 2-3RH is verplaatst naar den Noordwest vleugel, op last van den Divisiecommandant, omdat de bevelvoerende commandant aldaar faalde in de bevelvoering. Eerst toen is het van den spoorlijn weggenomen, een besluit, dat niet mijn instemming had.”
Het onderzoeksrapport legt overigens nog een andere reden vast van de bevelsverwarring. Dat is de wisselingen in de positie van chef staf van IV. Div, die tijdelijk door kapitein Fiévez was ingenomen, maar juist op 13 mei weer terug in handen kwam van de organieke chef staf van IV. Div, luitenant-kolonel G. Lefevre de Montigny[1]: ‘Tenslotte speelt een voorname rol, dat juist in de periode waarin de bevelen voor 13 mei werden voorbereid en geconcipieerd een officier van het HKV[2] tijdelijk de Chef van de Staf van de Divisie heeft vervangen, welke officier zich loffelijk van zijn taak heeft gekweten, doch waarbij toch een rol speelt, dat deze later weer aan de Chef Divisiestaf moest overgeven wat er geregeld was. De waarschijnlijkheid van omissies in de bevelvoering en onbekwaamheid en (of) ongeschooldheid van de ontvangers der bevelen, hebben o.i. invloed gehad.’
[1] Rapport van Nierstrasz, NIMH archieven, 409-503-001
[2] Hoofdkwartier te Velde

4RH werd later dan ook vrijgesproken van de meeste beschuldigingen en haar inzet werd in het juiste perspectief geplaatst. Opvallend is het effectieve optreden van 5-4RH tijdens de vertragingsopdracht vanuit Oosterbeek via Heelsum, Renkum naar Wageningen. Ook de inzet in de ruglijn langs de spoorweg aan de westzijde van de Grebbeberg is een prestatie op zich. Doordat veel infanteriereserves weggehaald waren bij de Grebbelinie om in gezet te worden in het achtergebied, moest 4RH als reserve worden ingezet in een verdedigende opstelling in het zwaartepunt, zonder hierbij te beschikken over veel zware wapens. Ook kon de 4e Divisie geen nauwkeurig inzicht in de situatie verschaffen, waren de commandoposten van de infanterie-eenheden nauwelijks te vinden en waren er geen radioverbindingsmiddelen of artillerieondersteuning. Het Nederlandse artillerie zwaartepunt lag immers bij de ondersteuning van de grote Nederlandse tegenaanval bij Achterberg. Het, ondanks deze chaotische toestand en gebrek aan ondersteunende middelen, tot stand brengen van een samenhangende tijdelijke verdediging met vier eskadrons in de ruglijn langs de spoorlijn op 12 en 13 mei is daarom ronduit lovenswaardig.
Bovendien mag niet worden vergeten dat 4RH behoorlijk was verzwakt. De angst voor parachutisten speelde een zware rol bij de Nederlandse legerleiding. Gedurende 11 mei te Leersum gelegerd, werd het regiment immers vrijwel gehalveerd en van zijn stootkracht beroofd door de opdracht van de Commandant Veldleger om twee eskadrons te dirigeren naar Utrecht om aldaar de orde te helpen handhaven en forten te beveiligen. Een derde eskadron werd gemist omdat die met het verzorging van alle paarden van het regiment was belast. Ook de toegevoegde pantserwagens werden voor parachutisten bestrijding naar de Residentie ontboden en werden dus gemist in de strijd in de Grebbelinie.
4RH is erin desondanks geslaagd om onderling verband te houden en de haar opgedragen taken goed uit te voeren. Wel moet hierbij opgemerkt worden dat de onderlinge coördinatie nog wel te wensen overliet. Zowel binnen het Regiment (met soms tegenstrijdige en herroepen bevelen) en m.b.t. het afstemmen van de activiteiten met nog restanten van aanwezige infanterie-eenheden. Het onvermogen van de Nederlandse Krijgsmacht om destijds door middel van radioverbindingen en een effectief meldingssysteem (tegenwoordig command & control genoemd) een goed overzicht van het gevechtsverloop op te bouwen en te behouden (tegenwoordig situational awareness genoemd) is hier overduidelijk. Verder deed effectieve Duitse luchtsteun, de gevechten soms kantelen, zoals bij de gevechten om Achterberg en bij het spoorwegviaduct in Rhenen. Ook lukte het niet het initiatief te hernemen. Nederlandse tegenaanvallen waren nauwelijks beoefend en misten creativiteit. Ze waren te voorspelbaar en kostten teveel tijd om op te zetten. De Duitsers waren sneller, krachtdadiger en behielden het initiatief, zowel op operationeel als op tactisch niveau.

Alles in ogenschouw nemend heeft 4RH zich kranig geweerd en haar opgedragen taken naar behoren proberen te vervullen. De algehele vermoeidheid, chaotische bevelsverhoudingen op de Grebbeberg en gebrekkige verbindingsmiddelen hebben krachtig leiderschap op en rond de Grebbeberg verhinderd. Nederlandse verdedigende maatregelen werden ondermeer gehinderd door gebrek aan artillerie- en luchtondersteuning, slechte geoefendheid van de coördinatie en afstemming van tegenaanvallen en soms gebrekkig gevechtselan. Aan Duitse zijde waren deze zaken beter voor elkaar. Dit neemt niet weg dat individuele en groepen militairen in alle rangen, waaronder een groot aantal huzaren en cavalerieofficieren zich dapper hebben geweerd. En waarvan sommigen een zware prijs hebben betaald. Deze persoonlijke offers mogen we nooit vergeten.
Bijlage A: Namenlijst officieren 4RH meidagen 1940
Bijlage B: Gesneuvelde, gewonden en vermisten 4RH meidagen 1940
Bronnen
- Arie Rens, Regimentsboek Huzaren van Boreel, Vereniging Huzaren van Boreel, 2003.
- Huzaren van Boreel, van 1813-1963, eigen uitgave ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan
- J.A.C. Bartels, vier eeuwen Nederlandse Cavalerie, Deel I, De Bataafsche Leeuw
- E.H. Brongers, De Nederlandse Cavalerie in de meidagen van 1940, Stichting Museum Nederlandse Cavalerie
- H. Amersfoort en P.H. Kamphuis, Mei 1940, de strijd op Nederlands grondgebied, Historische Sectie Nederlands Leger, Den Haag, 1990
- Stichting de Greb, Fotoboek Slag om de Grebbeberg, Strijd om Wageningen en Rhenen in mei 1940, Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2015
- Rudolf Lehmann, Die Leibstandarte, Band I, Munin Verlag, Osnabrück, 1977
- Otto Weidinger, Division Das Reich, Band II, Munin Verlag, Osnabrück, 1983
- Otto Weidinger, Division Das Reich Im Bild, Munin Verlag, Osnabrück, 1987
- Otto Weidinger, Kameraden bis zum Ende, Das SS PanzerGrenadier-Regiment 4, Der Führer, 1938-1945, Nation Europa Verlag, Coburg, 1962
- Otto Weidinger, Kriegstagebuch SS Regiment Der Führer, schenking via lkol J.M.C Schulten, www.grebbeberg.nl
- Kriegstagebuch 207e Infanterie Division, www.grebbeberg.nl
- Artikel in de VOC Mededelingen, 33e jaargang, september 1972, nummer 3
- Internet: https://www.archieven.nl zoekterm: 4e Regiment Huzaren
- Internet: http://www.grebbelinie.nl
- Internet: http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=samenvatting-van-het-optreden-van-het-4e-regiment-huzaren-4-r-h
- Internet: http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=4e-regiment-huzaren-op-de-grebbeberg
- Militaire Spectator: Het Pantserafweergeschut

Bijlage A – Namenlijst officieren 4RH meidagen 1940


Bijlage B – Lijst gesneuvelden en gewonden 4RH meidagen 1940
| Gesneuvelden: | Onderdeel | locatie, datum, oorzaak, laatste rustplaats |
|---|---|---|
| K. Wind | Pa.Esk. 4RH | gesneuveld, Ede, Het Pakhuis, 10 mei. Getrapt op een landmijn. Begraven op een kerkhof te Ede |
| H.C. van de Hoef | 2-4RH | gesneuveld, Leersum, 11 mei., schotwond in het hart, begraven op kerkhof te Driebergen |
| C. Baron de Vos van Steenwijk | 6-4RH | gesneuveld, Wekerom, 10 mei. vroegtijdige ontploffing, begraven te Driebergen |
| M.A. Vlielander | ME-4RH | gesneuveld, Leersum, 13 mei, schot door het hoofd, voorlopig begraven te Leersum |
| C.E. Graaf van Limburg Stirum | 2-3RH (staf 4RH) | gesneuveld, nabij boerderij de Ginkel, 10 mei, schotwond in het hoofd, begraven zaterdag 11 mei op algemene begraafplaats te Ede, op 23 mei herbegraven op Algemene Kerkhoff te Zutphen in familiegraf |
| P. Ch. Bonkerk | 2-3RH | gesneuveld, nabij boerderij de Ginkel, 10 mei, schotwonden in hoofd, begraven zaterdag 11 mei op algemene begraafplaats te Ede |
| J.G. Dijkers | 2-3RH | gesneuveld, nabij boerderij de Ginkel, 10 mei, schotwonden in hoofd begraven zaterdag 11 mei op algemene begraafplaats te Ede |
| W. Stammes | 2-3RH | gesneuveld, oostrand Rhenen, 13 mei, hoofd- en borstwonden van granaatscherven, 14 mei begraven op soldatenkerkhof Grebbeberg |
| Gewonden | Onderdeel | locatie, verwonding, verpleging |
|---|---|---|
| C. Sijtsma | Staf 4RH | gewond, Leersum, schot door arm, verpleegd in Juliana ziekenhuis Amsterdam |
| J.J van Lit | ME-4RH | gewond, Rhenen, 14 mei, gewond door schot in de pols, verpleegd in Militair Hospitaal in Utrecht |
| A. Buitelaar | 3-4RH | gewond, Rhenen, schot in de voet, verpleegd in O.L.V. Gasthuis Amsterdam |
| J.W. Knies | 3-4RH | gewond, Rhenen, schot in de borst, verpleegd in Academische ziekenhuis Utrecht |
| J. Albartus | 3-4RH | gewond, Rhenen, spierscheur in lies |
| G. Heuvelman | 3-4RH | gewond, Rhenen, schot door rechterpols |
| H. Völlink | 3-4RH | gewond, Rhenen, gekneusde rib |
| G. Boer | 3-4RH | gewond, Heumen, meerdere schoten in het lichaam, waarvan 1 in buikstreek |
| G. Matser | 3-4RH | gewond, Heumen, scherf in linkeroog, Militair Hospitaal Utrecht, oog verloren |
| R. van Wijk | 5-4RH | gewond, Utrecht, gewond door glasscherven, verpleegd in ziekenhuis Utrecht |
| M. De Vries | 5-4RH | gewond, Oosterbeek, schoten door been, verpleegd gemeentelijk ziekenhuis te Arnhem |
| D. Boontjes | 6-4RH | gewond, Rhenen, granaatscherf, verpleegd in Juliana ziekenhuis Amsterdam |
| J. Ernst | 6-4RH | gewond, Rhenen, granaatscherf, verpleegd in Juliana ziekenhuis Amsterdam |
| J.A. van Dijke | 2-3RH | gewond, Rhenen, hoofd-, arm- en beenwond door granaatscherven, verpleegd in Wilhelminagasthuis te Amsterdam |
| J. Jager | 2-3RH | gewond, Rhenen, aan beide armen door granaatscherven, verpleegd in Nederlands Israëlisch Ziekenhuis te Amsterdam |


– – – – – – – – – – – – – – –
Gerelateerd artikel








