1806 – 1810 . 2RH van het Koninkrijk Holland

Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen

Het 2e Regiment Huzaren van het Koninkrijk Holland

Jean Louis Van Hemelryck; Nederlandse huzaar 1815 / Hussard Troupe Belge 1815

In juni 1806 werd Schimmelpenninck onder Franse druk als staatshoofd ter zijde geschoven. De broer van keizer Napoleon, Lodewijk Napoleon, 28 jaar oud, nam zijn plaats in en werd Koning van Holland. Zo werd uit de Bataafse Republiek het Koninkrijk Holland geboren. De ontwikkeling van een nogal losse unie, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, tot een moderne eenheidsstaat was voltooid. Ook het leger was van karakter veranderd. Bestond het Staatse leger nog hoofdzakelijk uit buitenlandse detachementen, nu was het aantal Hollanders gegroeid tot de helft. De andere helft bestond hoofdzakelijk uit Duitsers. Dat kwam ook doordat de vele veldtochten in Duitsland en meer nog gedurende de bijna drie jaar dat het Hollandse leger als bezettingsmacht in Duitsland lag, veel ter plaatse vrijwilligers werden geworven. Het liefst had men boerenzonen uit Mecklenburg. Dat waren immers prima huzaren. Die sprake bovendien hetzelfde dialect als in Groningen werd gesproken. Er was in Mecklenburg een vast wervingsbureau voor het Hollandse leger. Ook nam men vaak krijgsgevangenen aan. Desertie kwam hierdoor nog vaak voor. Koning Lodewijk bleef weigeren om de dienstplicht in te voeren, ondanks toenemende druk van zijn broer de Keizer, die zijn leger gevuld wilde zien. Hoewel de organieke sterkte van het Hollandse leger ongeveer 32.000 man was, is de werkelijke sterkte daardoor zelden boven de 20.000 man uitgekomen. De meeste vrijwilligers kwamen uit de, door het Continentale Stelsel noodlijdende, textielindustrie. 

Reorganisatie

De gehele cavalerie werd gereorganiseerd. Het nummers ‘1’ was voortaan voorbehouden aan de door Schimmelpenninck opgericht garde, die door Lodewijk Napoleon sterk werd uitgebreid. Het Regiment Grenadiers te Paard werd 1e Regiment Kurassiers (1RK) en het Regiment Huzaren van de Garde werd het 1e Regiment Huzaren (1RH). Het bestaande Regiment Huzaren, één van de stamregimenten van Regiment Huzaren van Boreel, werd 2e Regiment Huzaren (2RH). Het 1e Regiment Dragonders werd het 3eRegiment Huzaren (3RH) en het 2e Regiment Dragonders werd het 2e Regiment Cavalerie (2RC), later het 2e Regiment Kurassiers (2RK).

De organieke sterkte van 2RH (juli 1806) was vijf eskadrons á twee compagnieën, waarbij een compagnie 72 ‘hoofden’ en 71 paarden telde. De staf van 2RH telde 18 ‘hoofden’ en 17 paarden. In totaal dus 752 ‘hoofden’ en 527 paarden. Op 17 september 1806 werd bepaalde dat een compagnie 98 ‘hoofden’ en 90 paarden moest tellen zodat een regiment toen organiek 1000 ‘hoofden’ en 920 paarden telde, wat destijds een aanzienlijke grootte was. Het eskadron was nog steeds een tactische formatie en had geen eigen staf. 2RH werd gecommandeerd door kolonel Adrien Bruno1, ter zijde gestaan door en majoor en twee luitenant-kolonels. Onder andere de luitenant-kolonels Christiaan Lechleitner en Johan Renno dienden als luitenant-kolonel in 2RH. In de latere slag bij Waterloo zouden zijn respectievelijk het Regiment Carabiniers No.3 (RC3) en het Regiment Ligte Dragondeers No.4 (RD4) commanderen. 

twee huzaren van het 2RH (rechts) en 3RH (links) 1806

2RH bleef gelegerd in Zutphen en Deventer. Als enige cavalerieregiment onderging het uniform van 1795 tot 1814 vrijwel geen verandering. Alleen de huzarenmuts werd in mei 1806 vervangen door een sjako.

De veldtocht langs de Wezer

Vanaf augustus 1806 verzamelde het Hollandse legerkorps in het kamp van Zeist, in afwachting van de komende veldtocht tegen Pruisen, Saksen, Zweden en Rusland, die samen met Engeland de zogenaamde 4e Coalitie tegen Frankrijk hadden gevormd. De daar, als werkverschaffing voor de soldaten, opgeworpen aarden pyramide, werd later vernoemd naar de overwinning in de slag bij Austerlitz. 2RH kwam op 20 september 1806 aan in het kamp van Zeist met twee eskadrons en vertrok onder leiding van kolonel A. Bruno op 25 september met de voorhoede naar Wezel.

In oktober 1806 opereerde het Hollandse legerkorps – bestaande uit de garde en twee divisies onder commando van Koning Lodewijk, op de linkerflank van het Franse leger in Westfalen, Hessen-Kassel en Hannover. 2RH nam deel aan de belegering van Kassel, dat zich bijna direct overgaf.

Daarna marcheerde het voor de hoofdmacht uit langs de linkeroever van de rivier de Wezer naar het noorden. Vlak voor Hameln vond op 7 november een ontmoetingsgevecht plaats met een eskadron Pruisische dragonders en infanterie van het regiment van de Prins van Oranje, die in Pruisische dienst was gegaan.

Tezamen met het Regiment Grenadiers te Paard achtervolgden de huzaren de vijand tot binnen bereik van het vestinggeschut van Hameln. Vier huzaren werden daarbij gewond door sabelhouwen en musketvuur. Bij de Grenadiers te Paard raakten luitenant-kolonel Laats en één van zijn manschappen gewond. Ongeveer tachtig Pruisen werden gevangen gemaakt. Hameln kon op 21 november worden ingenomen, omdat het garnizoen aan het muiten sloeg. 2RH maakte dat echter niet meer mee.

Koninklijk Holland. Officier 2 Regiment Huzaren

Met het 8e Franse Korps naar Zweeds-Pommeren

De Franse hoofdmacht onder Napoleon had ondertussen de Pruisen bij Jena en bij Auerstàdt verslagen. Generaal Dumonceau nam op 13 november het bevel over van de koning, die ondertussen bemerkt had dat er voor hem geen belangrijke rol in deze veldtocht was weggelegd en teleurgesteld met zijn garde naar Holland terugging. Dumonceau moest een deel van zijn troepen afstaan aan het 8e Franse Legerkorps van Mortier, dat rechts van hem opereerde op de linkerflank van het Franse leger. Dat deel bestond uit de beide Franse infanterieregimenten, die al in het Kamp van Zeist bij het Hollandse korps waren gevoegd, het 2e Regiment Cavalerie (2RC), 2RH en beide compagnieën rijdende artillerie. De Hollandse eenheden vormden een brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Charles Mascheck. Deze brigade werd ingedeeld bij de cavaleriedivisie van luitenant-generaal Lorgé. Verder bestond het 8e Korps uit nog zes Franse infanterieregimenten en twee batterijen voetartillerie.

Garde huzaar en huzaar van 2RH

Na de inname van Hannover door het 8e Korps, marcheerde 2RH als deel daarvan via Celle, Uelzen en Lüneburg naar Hamburg. Van daar ging het via Mecklenburg naar Anklam, gelegen aan de rivier de Peene op de grens van Pruisisch- en Zweeds-Pommeren. Op 28 januari 1807 overschreed het 8e Korps de Peene met het oogmerk de met de Pruisen gelieerde Zweden terug te dringen en belegerde vervolgens twee maanden lang Stralsund. Eerste luitenant Sypesteijn schrijft hierover2

Stralsund

In maart moest het 8e Korps troepen afstaan aan andere delen van de Grande Armée, doch het kreeg als compensatie een infanteriebrigade ter sterkte van zeven bataljons van het Hollandse Korps. Dat kreeg op zijn beurt weer versterking uit Holland. Op 29 maart ging het 8e Korps oostwaarts om Kolberg, dat dapper standhield onder commando van majoor Neithardt Van Gneisenau, te gaan belegeren. Van de Hollandse troepen ging alleen het 2e Regiment Kurassiers (2RK) mee (het vroegere 2e Regiment Cavalerie (2RC). De divisie van luitenant-generaal Grandjean bleef voor Stralsund, met daarin alle overige Hollandse troepen. De Zweden bemerkten al spoedig dat hun belegeraars danig waren verzwakt en deden op 1 april een massale uitval met ongeveer 14.000 man. Zij dreven binnen een week hun belegeraars slechts 4.000 man -130 km in zuid-oostelijke richting voor zich uit tot aan de Oder bij Stettin. Sypesteijn schrijft hierover3

Vooral dankzij 2RH en de 1e compagnie Rijdende Artillerie van kapitein Hoogerwaard, liep de terugtocht niet uit op een debâcle voor de divisie Grandjean. Eén eskadron werd aangevoerd door luitenant-kolonel Renno, het andere door generaal-majoor Mascheck. Over de laatste eenheid schrijft Sypesteijn4

De huzaren waren continu bezig om infanterie-eenheden, die van de eigen troepen afgesneden geraakten, uit de dreigende omsingeling te bevrijden.Een tegenoffensief van het te hulp gesnelde 8e Korps begon op 16 april en dreef de Zweden binnen 48 uur weer dezelfde 130 km terug naar Stralsund, waar de Zweedse commandant, generaal Baron von Essen, op 18 april een wapenstilstand sloot met maarschalk Mortier. Bij de hernieuwde opmars onderscheiden wederom de huzaren zich5

Koninklijk Holland. Huzaar 2 Regiment. 1806

De Hollandse infanterie verloor bij deze gevechten bijna 400 man aan doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen. De 2e compagnie Rijdende artillerie werd in Anklam door de Zweden overvallen en verloor daarbij vrijwel alle materieel en het gros van het personeel en de paarden. Daarbij vergeleken waren de verliezen bij de huzaren gering: twee man gesneuveld, vier gewond, twee gevangen genomen en drie vermist. Vijf paarden hadden ernstig letsel opgelopen.

Van het 2e Regiment Huzaren werd luitenant Michiel Pijman voor zijn aandeel in de achterhoede-gevechten benoemd tot ridder Koninklijke Orde van Holland, Lodewijks tegenhanger van het Legion d’Honneur. Dapperheidsonderscheidingen waren er toen alleen voor officieren. De wachtmeesters Flick, Schneider en Bruijninga, de brigadiers Valk en Hoevelaken en de trompetter Muller mochten een insigne met twee gekruiste sabels op hun uniform dragen.

Daaraan ontleenden zij het recht op een hogere soldij en een gratificatie van 100 gulden voor de onderofficieren en 60 gulden voor de manschappen. Brigadier Cornelis Valk, die met vier huzaren door de vijand omsingeld was, had zich met de sabel een weg door de vijandelijke gelederen gehouwen, waardoor zij zich allemaal weer bij het eskadron konden voegen. Hijzelf was daarbij door drie sabelhouwen gewond geraakt. Brigadier Hoevelaken had op weg naar Ukermude met zes huzaren op 8 april bij Passewalk een Zweedse huzaren patrouille van vijf man gevangen genomen.

Het Regiment versterkt 

Begin mei werd het Regiment versterkt met een 3e eskadron (121 man), dat in Duitsland was geformeerd en waarvan zeker een kwart uit krijgsgevangen Pruisische huzaren was gerekruteerd. Het werd gecommandeerd door luitenant-kolonel Wijnand Brepoels. Kort daarna kwam op 24 mei uit het depot in Zutphen ook nog een 4e eskadron, gecommandeerd door ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht bij het regiment bij Kolberg aan.

Het depot in Zutphen werd gecommandeerd door majoor Marie Joseph Collaert, hoofdinstructeur was daar ritmeester Christiaan Lechleitner. De sterkte varieerde van 250 tot 450 man. Koning Lodewijk betuigde in een brief van 31 maart 1807 zijn tevredenheid aan beide hiervoor genoemde officieren over de uitstekende gang van zaken in het depot. Dit zal er wel toe hebben bijgedragen, dat Collaert in december 1807 het commando over het 2RH kreeg en bevorderd werd tot kolonel.Mortier kon nu al zijn aandacht weer richten op de Pruisen en sloeg het beleg voor Danzig. Ook het 2e Regiment Huzaren nam daaraan deel, lag nabij Kolberg en was gekantonneerd in Traïn. Op weg daarheen, op 24 mei 1807 nabij Kolberg, stuitte het nieuwe naderende 3e eskadron van luitenant-kolonel Brepoels op een compagnie Pruisische huzaren. Na een succesvolle charge achtervolgde hij de vluchtende vijand, totdat deze kans zag om zich bij het eigen eskadron te voegen. Toen hij daarna opnieuw wilde chargeren op de nu veel sterkere vijand, sloegen zijn Pruisische manschappen aan het muiten. Een brigadier, twee trompetters en 36 huzaren liepen over naar de vijand, daarbij het eigen eskadron onder vuur nemend. Opperwachtmeester Kôhler onderscheidde zich bij herhaling tijdens deze gevechten. Hij veroverde ondermeer op de terugtocht nog twee paarden op de vijand en redde een eigen bagage-wagen. Sypesteijn schrijft over deze actie6

Geschrokken van deze gebeurtenis stelde luitenant-kolonel van Heilman direct uit de veldeskadrons een depot samen. Hierin plaatste hij alle voormalige en in het regiment dienende Pruisische, Oostenrijkse of Russische krijgsgevangenen en allen die geen Hollanders van geboorte waren. Dit veld-depot kwam te Stettin onder leiding van ritmeester Hoynk van Papendrecht. 

dragonder en kurassier 2e regt 1806

Op 27 mei 1807 gaf de stad Danzig zich over. Er werd een wapenstilstand met de Pruisen gesloten waardoor ook het beleg van Kolberg opgeheven werd. De Zweden zetten echter de strijd voort en het strijdtoneel verplaatste zich weer terug naar Stralsund. Deze vesting werd op 19 augustus ingenomen. Van de Hollandse troepen namen daarna alleen het 2e Regiment Kurassiers en de 1e Compagnie Rijdende Artillerie met het 8e Korps deel aan de slag bij Friedland in Oost-Pruisen op 14 juni 1807, waarbij het Russische leger werd verslagen.

Bij deze veldtocht werd veel honger geleden. Na de Vrede van Tilsit kwamen alle delen van Pruisen die west van de Elbe lagen, met uitzondering van Oost-Friesland, bij het nieuwe koninkrijk Westphalen. Oost-Friesland werd in november 1807 als tiende provincie bij het koninkrijk Holland gevoegd.

De Hollandse troepen keerden alle terug onder commando van Dumonceau, die met het Hollandse korps noordwest Duitsland bezet hield van Lingen tot Hamburg. Het 2e Regiment Huzaren vertrok op 13 augustus 1807 uit Bremen en lag vervolgens tot 8 september in en om Wildeshausen.

Alle vier de eskadrons verzamelden zich vervolgens bij Delmenhorst.

Terug naar Holland

In september keerde ongeveer de helft van de troepen terug naar Holland, waaronder ook het 2e Regiment Huzaren. De divisie van luitenant-generaal Gratien, met daarin het 2e Regiment Kurassiers, bleef in Duitsland achter als bezettingsmacht. Het 2e Regiment Huzaren marcheerde met het 1e , 2e en 3e eskadron van Wildeshausen via Oldenburg naar Leer, alwaar het met één eskadron in garnizoen ging. De beide andere eskadrons marcheerden verder naar respectievelijk Leeuwarden en Emden. Men verwachtte namelijk een Engelse landing in Groningen of Friesland. Voorts moest het Regiment daar waken tegen sluikhandel met Engeland. Het 4e eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht marcheerde van Wildeshausen via Lingen naar Deventer, waar het op 16 september 1807 aankwam. Tijdelijk was uit alle restanten van het depot in Zutphen een vijfde eskadron samengesteld en op 19 juni naar Deventer gestuurd. Deze eenheid bestond uit de 1e luitenants L.A.J. Crooy en H.J.C.J. van Heeckeren van Enghuysen, 2 wachtmeesters, 4 brigadiers, 2 trompetters en 60 huzaren (samen met 68 paarden). Toen het 4e eskadrons op 16 september weer terug kwam in Deventer vertrok deze eenheid weer terug naar het depot in Zutphen. Op 2 december 1807 werd kolonel van Heilman als regimentscommandant vervangen door kolonel M.J.G. Collaert. In deze periode waren de andere officieren de luitenant-kolonels W. Brepoels en J.C. Renno, de kapitein-adjudant L.T. Freher, de luitenant-kwartiermeester B. Dikstaal, de chirurgijn-majoor J.M. von Zinkgraeff en de chirurgijn 2e klasse C.A Thurkow. De ritmeesters waren P.C. Vermeulen, U.H. Huber, A.J. Hoynck van Papendrecht, C.F. Von Staëdel7, J.W. Kummich, A.W.J. van Spaan en J.B. Bikker. De 1e luitenants waren J.C.F. Pfaff, O.F. de Ravellet, G.F. Koltrop, P.A. van Daehne, C.J. van Dedem, L.R. Quaita, M.L. Pijman en F.T. von Hinuber. De 2e luitenants waren L.L. von Weidenkeller, J.G Schuler, J.H. Harmann, L.A. van Bonneval Faure, G.L.C Bouwens, M. Nolet, A.M.J.J. Roest van Alkemade, J. de Roth, C.T. Lambrechts, A. Bekbergen, W. van Zandhuysen, F.A. van Guericke8, L.A.E. van Dompselaer. 

Dat het thuis ook niet alles was, bemerkte ritmeester JeanBaptiste Bicker, toen hij na elf maanden weer op vaderlandse bodem kwam. Hij was met zijn compagnie in de vroege morgenuren van de 10e september uit Westerstede vertrokken. Zij hadden in de stromende regen meer dan twaalf uur in het zadel gezeten, en werden op weg zijnde naar Leeuwarden, in Winschoten ingekwartierd. De houding van de plaatselijke bevolking, de burgemeester voorop, was ronduit vijandig en op vele adressen weigerde men te stoken en de huzaren een avondmaal te bereiden.Datzelfde beeld gaf een inspectie van de generaal Bonhomme in de maand oktober. Die melde echter wel dat9

Het regiment werd nu ingezet voor kustbewakingstaken en het tegengaan van smokkel. Ze werd verspreid langs de kusten van Friesland, Groningen, Oost-Friesland en Jeverland en langs de oevers den de rivieren de Weser en de Jade. Op 11 maart 1808 werd het regiment weer in Zutphen (op de locatie van het depot) verenigd. Op 25 maart werd nog een feestelijke intocht gehouden in Groningen waarvoor zelfs de al in Zutphen zijnde eenheden kort naar Groningen waren gehaald. Hierna werden de eskadrons weer over Deventer en Zutphen verspreid. Er werd regelmatig geïnspecteerd. Vrijwel altijd met goed resultaat. Generaal-majoor De Broc  inspecteerde het depot in Zutphen en schreef:

Vanwege de dreiging vanuit Engeland werd het regiment vanaf 1 april 1807 op oorlogsterkte gehouden en in verhoogde staat van paraatheid. Op 11 maart was hiertoe een inspectie uitgevoerd van generaal-majoor Du Ry. Die schreef dat 

Op 25 maart was er een nieuwe inspectie van het depot. Dit keer van de adjudant van de Koning Lodewijk zelf, generaal-majoor A. Bruno. Voor de inspectie was door de koning zelf opdracht gegeven. Generaal-majoor Adrien Bruno schreef10

De Koning was dusdanig tevreden met het resultaat van de door hem opgedragen inspectie dat hij op 31 maart 1807 een tevreden brief schreef aan majoor Collaert en ritmeester Lechleitner. Het depot was op 11 maart 1807 12 officieren en 435 onderofficieren en manschappen sterk.

In de jaren 1807 en 1808 werd volop gereorganiseerd. Vanwege de penibele financiële situatie van het Koninkrijk Holland wilde Koning Lodewijk het leger vaak verkleinen (met uitzondering van zijn geliefde Garde), terwijl zijn broer Napoleon hierop woedende brieven schreef en eiste dat hij het leger op peil hield en liefst nog grote maakte (door bijvoorbeeld dienstplicht in de te voeren). Napoleon had namelijk een veilige noordflank nodig en wilde voorkomen dat Engelse troepen in Nederland of Noord Duitsland zouden landen. Lodewijk verzette zich met succes tegen de door zijn broer geëiste invoering van de dienstplicht. Het paste niet bij de handelsnatie Holland, het land verder verarmen en dus tot oproer leiden. Aan het einde van 1809 was 2RH vier eskadrons sterk, namelijk drie veldeskadrons en één depot-eskadron. In totaal 982 man en 817 paarden.

Dreiging aan de westkust

In maart 1808 was het gehéle 2RH eindelijk weer bijeen en terug in Deventer (1e en 2e eskadron, onder bevel van luitenant-kolonel Renno), in Zutphen (Staf, 4e en 5e eskadron) en in Doesburg (3e eskadron). Vanwege toenemende geruchten over een op handen zijnde Engelse invasie werd op 12 mei 1808 de staf van het regiment met twee eskadrons naar ‘s-Gravenhage overgeplaatst. Van daar ging op 25 mei één eskadron verder naar Zuid-Beveland, terwijl het andere eskadron in Den Haag bleef. Op Zuid-Beveland werd het eskadron geteisterd door de “Zeeuwse koorts” en om die reden ging het vervolgens naar Bergen op Zoom, waar de verpleging en de legering beter waren. Door ziekte uitgedund keerde het op 5 september 1808 weer terug in Zutphen, waar nog steeds het depot was. Op 31 augustus ging één compagnie (6 officieren en 107 onderofficieren en manschappen) van Zutphen naar Leiden.

Het depot bleef te Zutphen. Eerst onder bevel van majoor J. Weerts. Op 3 juli 1808 werd hij vervangen door de majoor J.H.C. van Hasselt die op zijn beurt op 1 oktober 1809 door majoor L.P. Coenegracht werd afgelost.

De Engelse invasie op Walcheren

De twee eskadrons in Den Haag en Leiden werden ingezet voor kustbewaking en het tegengaan van smokkel, destijds ‘sluikhandel’ genoemd. In het begin zomer van 1809 werden deze beide eskadrons verenigd met de kurassiers van de Garde te Naarden. Hier was de complete Garde verzameld onder bevel van kolonel-generaal (van de garde) J. Tarrayre. Van 2RH werd ook het derde veldeskadron aangetrokken.

Eind juli 1809 landden 38.000 man Engelse troepen op Walcheren. Het doel van de Britse expeditie was om het Franse eskader van tien linieschepen in Vlissingen te veroveren en ook de daar in aanbouw zijnde marineschepen te vernietigen. Verder waren de Britten van plan om Antwerpen in te nemen, waar volgens geruchten tientallen Franse linieschepen in aanbouw waren. Ook was de expeditie bedoeld om de aandacht van de Fransen af te leiden van Oostenrijk. De Britten kwamen echter pas eind juli in actie, toen Oostenrijk de Slag bij Wagram en daarmee de oorlog al verloren had.

Routes genomen door de Britse troepen op Walcheren en zuid Beveland. Geheel rechts fort Bath

Het leger landde op 30 juli op verschillende plaatsen op Walcheren, waaronder bij Breezand. Middelburg werd de volgende dag zonder slag of stoot bezet, Veere na korte maar hevige gevechten op 1 augustus. Vlissingen capituleerde op 15 augustus, na een kort beleg maar met zware beschietingen vanaf land en zee, waarbij de stad zware schade opliep. De Franse gouverneur van Vlissingen, generaal Louis Monnet, en het garnizoen van 5.000 Fransen werden gevangengenomen en afgevoerd naar Engeland. Verder oostelijk landden de Britten op Zuid-Beveland, namen Goes in en hadden het hele eiland op 2 augustus in handen. Het strategische fort Bath was geëvacueerd door de Fransen en werd zonder slag of stoot door de Britten bezet. Ook Schouwen en Duiveland werden bezet en Zierikzee werd op 10 augustus ingenomen. De haven van Antwerpen was dus geblokkeerd. Staats-Vlaanderen en een deel van Walcheren met Vlissingen waren al in 1795 bij Frankrijk ingelijfd en Lodewijk vreesde dat hij ook de rest van Walcheren en bovendien Zuid-Beveland aan zijn grote broer zou kwijt raken, als hij de invasietroepen niet zou terugslaan. Hij riep daarom begin augustus 1809 ook de divisie Gratien uit Duitsland terug.

De mislukte Britse expeditie in 1809 naar Walcheren

Alles wat Lodewijk bij de hand had, ongeveer 6.000 man, was reeds verzameld in het Kamp van Naarden. Ook de Garde lag hier. Het kamp lag op de woeste gronden west van de stad, waar nu Bussum ligt. 2RH was ingedeeld bij de 2e Brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Otto von Goes, die deel uitmaakte van de 2e Afdeling.11 Deze 2e Afdeling werd gecommandeerd door een oud regimentscommandant, inmiddels bevorderd tot luitenant-generaal Adrien Bruno. Reeds op 30 juli vertrok het leger vanuit het Kamp van Naarden en marcheerde via Utrecht, Vianen, Gorkum, Geertruidenberg en Breda naar Bergen op Zoom. Al snel had zich een verdedigingslinie voor Antwerpen verzameld van 12.000 Franse en Hollandse soldaten en 13.000 soldaten van de (ongeüniformeerde en deels onbewapende) Nationale Garde. Het 2e Regiment Huzaren bezette voorposten achter de Buitendijk van Bergen op Zoom tot Ossendrecht. Kolonel M.J.G. Collaert was nog steeds regimentscommandante, bijgestaan door de luitenant-kolonels J.C. Renno, C. Lechleitner en C.A. van Bijlandt12.

Koning Lodewijk voerde zelf het opperbevel. Medio augustus werd maarschalk Bernadotte benoemd tot opperbevelhebber van de ‘Armée du Nord’. Dat was voor koning Lodewijk voldoende reden om, tijdens een grote wapenschouw op 15 augustus bij Zandvliet, het commando over te dragen aan de maarschalk van Holland, Jean-Baptiste Dumonceau. De volgende dag keerde hij verongelijkt terug naar Amsterdam. Op 31 augustus hield maarschalk Bernadotte (prins van Ponte Corvo) samen met maarschalk Dumonceau een nieuwe troepeninspectie te Hoogerheid. 2RH nam hier aan deel. Ze oogsten lof, hetgeen in een artikel in de Haagsche Courant van 4 september werd gepubliceerd13

Dit artikel schoot echter in het verkeerde keelgat van de Koning zelf die een onderzoek gelastte naar de schrijver ervan. Het artikel was gebaseerd op een ingezonden brief van de chirurgijn-majoor J.M. van Zinkgraeff die door de goede sfeer tussen de officieren onderling ’s avond na de wapenschouw op de commandopost van kolonel Collaert de opmerkingen van Bernadotte wat vrijelijk had geïnterpreteerd.  Tijdens die avond haalden de officieren veel eerdere successen van 2RH uit de afgelopen tien jaar aan. Met een excuus brief van de Minister van Oorlog op 21 september aan de Koning liep de zaak met een sisser af.14 Anderzijds was het verheugend te constateren dat de Koning persoonlijk geïnteresseerd was in het wel en wee van het 2e regiment Huzaren. 

Er werd verwacht dat de Engelsen nu wel verder in de aanval zouden gaan. Men verwachtte dat de Engelsen verder in oostelijke richting zouden oprukken en hiertoe werden verdedigende stellingen bij Ossendrecht en Sandvliet voorbereid. Ook 2RH kwam in Sandvliet terecht.

Al snel daarna waren er binnen het Engelse leger de eerste gevallen van Zeeuwse koorts, waar het moerasachtige Zeeland in die tijd berucht om was. Eind augustus waren al 3.000 Britse soldaten ziek en medio september was dit aantal toegenomen tot 10.000. De epidemie van waarschijnlijk malaria, tyfus, buiktyfus en dysenterie werd al snel ‘Walcheren fever’ genoemd door de Britse soldaten. Ondanks eerdere ervaringen met de ziektes tijdens een expeditie op Zeeland in 1747 waren de Britten slecht voorbereid, met maar één hospitaalschip per divisie. De Britten stierven in groten getale en ‘s nachts vonden massabegrafenissen plaats.

De Britten bleven vastzitten in Zeeland en hun bevelhebber Chatham durfde de aanval op Antwerpen niet door te zetten omdat hij de Frans-Hollandse verdediging veel te hoog inschatte, op 35.000 man, en zijn troepen intussen in sneltreinvaart bezweken aan ziektes. Eind augustus zag de Britse bevelhebber Chatham dat de zaak verloren was en begon de terugtrekking van zijn troepen naar Walcheren terwijl een achterhoede nog korte tijd het belangrijke fort Bath15 bleef bezetten. Generaal-majoor Cort Heiligers veroverde echter met een kleine troepenmacht op 4 september de vesting Bath op Zuid-Beveland.16 De volgende dag werden de overige troepen, met uitzondering van de huzaren, bij Wemeldinge ontscheept. 2RH bleef achter bij Bergen op Zoom.

Herovering van Fort Bath door de ‘wadende’ troepen van generaal Cort Heijligers

Begin september werd besloten om de meeste Engelse troepen inclusief hun bevelhebber Chatham terug te trekken. Toen hij op 16 september Zeeland verliet bleef nog een garnizoen van 5.000 man op Walcheren achter, waarvan al een derde ziek was. Dit garnizoen, bijgenaamd het “stervende leger” (dying army) werd in december alsnog geëvacueerd.17Het 2e Regiment Huzaren ging op 18 september bij laag water te paard door de Oosterschelde naar Zuid-Beveland, dat toen nog een eiland was. Dit was gevaarlijke tocht met veel risico voor de paarden. Het regiment kantonneerde daarna te Goes, ‘s-Gravenpolder en later ook bij Yerseke. Gevechtscontact met de terugtrekkende Engelsen bleef beperkt tot kleine schermutselingen. Eerste luitenant van Sypesteijn18:

De sterkte was toen 720 hoofden en 617 paarden. In november 1809 scheepte de Engelse invasiemacht zich weer in. 2RH bleef nog tot februari 1810 in Zeeland. Het werd daarna in het westelijk deel van Noord-Brabant gelegerd en keerde in april 1810 weer terug naar Deventer en Zutphen.

Het einde van het Koninkrijk Holland

In maart 1810 werden Noord-Brabant, Zeeland en het Land van Maas en Waal ingelijfd bij Frankrijk en Holland moest nog eens 6.000 man Franse troepen legeren en onderhouden ter naleving van het Continentale Stelsel. Napoleon beschouwde, niet ten onrechte, Holland als een bres in de wal die het continent moest afsluiten tegen handel met en scheepvaart op Engeland. Napoleon was bovendien nog steeds woedend dat Lodewijk zijn korps uit Noord-Duitsland, waar het de naleving van het Continentale Stelsel moest bewaken, had teruggehaald. Er kwamen nog meer Franse troepen en Napoleon eiste ook de bezetting van Amsterdam. De spanningen tussen Hollandsche en Fransche troepen namen toe19


  1. Adrien François Baron van Bruno was een Franse officier die als aide-du-camp van Lodewijk Napoleon mee naar Holland was gekomen. Op 27 september 1806 kreeg hij het bevel over 2RH maar werd al op 20 december 1806 regimentscommandant van het Regiment Huzaren van de Garde (1RH). Hij werd snel bevorderd (6 april 1807 generaal-majoor en op 2 november 1808 luitenant-generaal). Hij maakte de veldtocht in Zeeland in 1809 mee, maar verliet samen met Lodelijk Napoleon in 1810 Holland, toen Napoleon Holland annexeerde. Hij keerde terug in Franse dienst, maakte de veldtocht naar Moskou mee. Tijdens de slagen bij Quatre Bras en Waterloo commandeerde hij een brigade cavalerie in het legerkorps van D’Erlon. ↩︎
  2. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 87 ↩︎
  3. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 87 ↩︎
  4. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 88 ↩︎
  5. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 90-91 ↩︎
  6. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 95 ↩︎
  7. Hij zou later een belangrijke rol spelen binnen het in 1814 opgerichte Regiment Lichte Dragonders No.4 ↩︎
  8. Hij zou later bij regiment Huzaren No.6 dienen, één van de stamregimenten van het huidige Regiment Huzaren van Boreel. ↩︎
  9. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 100 ↩︎
  10. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 102 en 103 ↩︎
  11. Het leger werd verdeeld in twee afdelingen elk met twee brigades. De eerste afdeling werd geleid door luitenant-generaal J. Tarraye met als brigadecommandanten de generaal-majoors J.C. Schmidt en A. Sels. De tweede afdeling werd geleid door luitenant-generaal A. Bruno, met als brigadecommandanten de generaal-majoors G.M. Cort Heiligers en O.F. van Goes. Verder was er nog een reserve onder bevel van luitenant-generaal E.J. Travers. ↩︎
  12. Hij werd op 25 aug 1809 echter benoemd tot aide-du-camp van de Koning van Holland en daarom naar de generale staf overgeplaatst ↩︎
  13. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 112 en 113 ↩︎
  14. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 114 ↩︎
  15. De vesting Bath beheerste de overgang van Zuid Beveland naar het vaste Brabantse land. Fort Bath verving de forten Lillo en Liefkenshoek, bekende plaatsnamen net over de Vlaamse grens, die in 1785 aan de Oostenrijkse Nederlanden werden afgestaan. Het nieuwe fort werd gesticht in de zuidoosthoek van de Reigersbergsche Polder, aan de Batse Kaai. Het fort kreeg de naam van het verdronken dorp Bath. ↩︎
  16. Koning Lodewijk was hierover zeer in zijn nopjes. Alle deelnemende militairen mochten een speciaal onderscheidingsteken op het uniform dragen (goud geborduurde sabel op de linkerzijde van het uniform). Een aantal officieren werd bevorderd tot naasthogere rang en onderofficieren en soldaten kregen een dubbel maandloon.  ↩︎
  17.  In Groot-Brittannië leidde het fiasco tot een heftig conflict tussen de minister van Defensie Robert Stewart en de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken George Canning dat eindigde in een pistoolduel en het aftreden van beide ministers. ↩︎
  18. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 116 ↩︎
  19. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 117 ↩︎
  20. Ook koning Lodewijk I viel in ongenade bij de keizer door zijn, volgens Napoleon, trage en onkundige optreden bij de Engelse invasie van Walcheren. Voor Napoleon was het de laatste druppel, na eerdere irritaties over Lodewijks tegenzin om Franse maatregelen als de dienstplicht en het Continentaal Stelsel in Nederland in te voeren. ↩︎
  21. Het Franse keizerlijke slagorde kende eerder 10 huzaren regimenten. 2RH werd dus nu het 11e huzaren regiment ↩︎

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!