De inzet van het Regiment Huzaren van Boreel in Nederlands Indië

Bron: Regimentsboek Huzaren van Boreel

De onverwacht snelle Japanse capitulatie op 15 augustus 1945, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië door militante nationalisten twee dagen later, kwam voor de Nederlandse regering als een volslagen verrassing. Vrijwel meteen werd het besluit genomen de Nederlandse soevereiniteit in Indië te herstellen. Ten eerste was men van mening dat de inkomsten uit deze kolonie onontbeerlijk waren voor de wederopbouw van Nederland. Ten tweede werden de nationalisten onder leiding van Soekarno vooral gezien als collaborateurs met de Japanse bezettingsmacht.

Al met al, reden genoeg om in te grijpen. Vervolgens moest in allerijl een grote troepenmacht op de been worden gebracht om daarmee het Nederlandse gezag te herstellen, want het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) alleen was daartoe niet in staat. Bovendien werd de ontplooiing van Nederlandse eenheden bemoeilijkt door de geringe medewerking van de Britse bezettingsmacht.

Deze bezettingsmacht was van een geringe omvang en noodgedwongen werden door hen Japanse troepen ingezet om de kampen te bewaken waarin de Japanners de Nederlandse onderdanen hadden geïnterneerd. Maar uiteindelijk kregen Nederlandse troepen toegang tot de archipel. De eerste Nederlandse troepen bestonden uit lichte infanterie bataljons (LIB) die allemaal waren bemand met zogeheten oorlogsvrijwilligers (OVWers) die in september naar Indië werden gezonden. In oktober 1945 vond de zogeheten Bersiap plaats: een terreurgolf door voornamelijk jongere revolutionairen waarbij circa 3500 Nederlanders en ruim 30.000 met de Nederlanders samenwerkende Indonesiërs werden vermoord. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen zond de regering nog eens met spoed in totaal 17 LIB  en de mariniersbrigade naar Indië. Kort daarna werden nog eens zeven LIB overzee gezonden evenals de 1e  Divisie ‘7 december’ die voor een groot deel was gevuld met dienstplichtigen. In 1947 omvatte de Nederlandse strijdkrachten in Indië in totaal circa 120.000 man. Deze troepenmacht bestond uit 45.000 militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL), 5000 van de Mariniersbrigade en 70.000 van de Koninklijke landmacht. Hun eerste opdracht was de Nederlandse enclaves in het republikeinse Java en Sumatra te beveiligen.

Wat bewoog de jongens die als OVWer dienst namen om naar Indië te gaan? Gerard van der Lee, een veteraan van ons regiment schetst hiervan een beeld in zijn boek ‘Onze Jan in Indië’ 
‘Zij hadden zich na hun schooltijd, vanaf dat ze 16-17 jaar waren, jarenlang moeten schuil houden. Ze waren nog niet getrouwd en de meesten hadden ook geen vaste verkering. Ze hadden het heldendom en de bravoure van de bevrijders gezien en ook de indruk die deze maakten op de vrouwen en meisjes. Dankbaar te zijn bevrijd en voor de offers die daarvoor waren gebracht, was het een goede zaak om nu de geallieerden te helpen de Duitsers de genadeslag te geven en daarna gezamenlijk op te trekken tegen Japan. Natuurlijk speelden nog veel meer argumenten een rol, zoals een onderbroken studie, opleiding of carrière, geen geld voor een vervolgstudie of geen zin daarin, geen zicht op werk of loopbaan. Eerst een tijdje in het leger dienen was dan een oplossing, ook al zou het maar voor tijdelijk zijn.’

De eenheden van RHB

Bij de uitgezonden troepen was ook een groot aantal eenheden van ons regiment. Het gros van Nederlandse troepen werd ontplooid Java en Sumatra waar het verzet tegen de Nederlandse overheid het sterkst was. De eenheden van RHB werden uitsluitend ingezet op deze twee eilanden. Hierna wordt nader ingegaan op het aantal en de soort eenheden van RHB die in Indië hebben opgetreden.

Bij de eenheden van RHB die in Indië werden ontplooid waren onder meer in totaal acht eskadrons vechtwagens; we zouden dat nu tankeskadrons noemen. De eerste vier eskadrons werden reeds in 1945 opgericht en waren bemand met voormalige krijgsgevangen militairen van het KNIL, later aangevuld met oorlogsvrijwilligers uit Nederland. Deze eenheden werden ingedeeld bij RHB. Deze eskadrons waren uitgerust met Stuart tanks die van de Britten waren overgenomen. De Stuart tank was een lichte tank van 13 ton met vier bemanningsleden. De tank beschikte over een 37 mm kanon met een coaxiale mitrailleur, een boeg- en een torendak mitrailleur. Een eskadron had één staftank en drie pelotons met drie tanks. Als mede een verkenningspeloton (‘recce’) met drie tanks zonder koepel. Elk eskadron had bovendien de beschikking over een ‘Valentine’ bruglegtank. Deze eskadrons zijn later gereorganiseerd en er werden naast de tankpelotons ook nog twee storm pelotons toegevoegd met elk tirailleurs in vijf gepantserde driekwart ton vrachtauto fifteenhundred centerweight (15CWT), voorts een mortiergroep met ook een 15 CWT en een pionier groep eveneens in een 15 CWT. In 1947 werden deze eskadrons afgelost door de in Nederland opgeleide 5 t/m 8 Eskadron Vechtwagen. Het materiaal dat het 5 Esk Vew overnam van1 Esk Vew was in zo’n deplorabele toestand, dat het niet de moeite loonde. Het personeel werd naar Medan getransporteerd om daar het materieel van 1 Eskadron Pantserwagens over te nemen. Het 5 Esk Vew hield daarmee op te bestaan. Het 2 Esk Vew (KNIL)werd afgelost door 6 Eskadron Vechtwagens dat werd ingedeeld bij de V Brigade. Het 7 Esk Vew loste het 3 Esk Vew (KNIL) af en werd ingedeeld bij de T Brigade. Het 8 Esk Vew ten slotte, loste het 4 Esk Vew (KNIL) af en werd als algemene reserve ingedeeld bij de A Divisie. 

De eerste eenheden die in september 1946 vanuit Nederland naar Indië werden gezonden waren zes eskadrons pantserwagens. Een eskadron had vijf verkenningspelotons elk uitgerust met 2 pantserwagen Humber Mk IV met een draaibare koepel met een 3.7 cm kanon en twee scoutcar Humber Mk II zonder koepel en een Bren mitrailleur. De Humber Mk IV had een bemanning van drie personen en de Mk II twee personen. Voorts beschikten de eskadrons over een zesde zogeheten stormpeloton. Een stormpeloton bestond uit drie secties van zeven man in een gepantserde vrachtauto fifteenhundred centerweight (driekwart ton). De tirailleurs waren speciaal opgeleid voor het opruimen van hindernissen. Later kregen de eskadrons ook nog een ondersteuningspeloton met een scoutcar en twee 15 cwt. Een eskadron bestond organiek uit 10 officieren,14 onderofficieren en 154 korporaals en huzaren met in totaal 33 gepantserde voertuigen en 34 ongepantserde wielvoertuigen, (jeeps, vrachtauto’s e.d.). Het 1,3 en 5 Esk Paw werden ingedeeld bij respectievelijk de Z, Y en U Brigade op Sumatra. Het 2, 4 en 6 Esk Paw werden ingedeeld bij respectievelijk de T, V en W Brigade van de B Divisie op Java. 

Vervolgens werden twee verkenningsregimenten uitgezonden. Het 1 Verk Reg dat was opgericht, ging in januari 1947 scheep naar Indië. Dit regiment was geheel gevuld met dienstplichtig personeel en was bestemd te worden ingedeeld bij de C Divisie ‘7 december’. Het regiment bestond uit een stafeskadron en drie verkenningseskadrons. Elk eskadron bestond uit drie verkenningspelotons en een stormpeloton. Een verkenningspeloton bestond uit twee secties, te weten een ‘recce’ sectie  en een carrier sectie. De ‘recce’ sectie beschikte over drie Humfox pantserwagens en twee Ford Lynx scoutcars. De Humfox was een Fox scoutcar met daarop een Humber koepel met 3.7 cm kanon. De carrier sectie telde zeven Universal carriers en een Matchless motorfiets. Het stormpeloton beschikte over vier 15 CWT. In het stafeskadron was onder meer een peloton mortieren opgenomen. De eskadrons werden bij aankomst in Indië verdeeld over de brigades van de C Divisie ‘7 december’ op Java, het 1-1, 2-1 en 3-1 Verkenning Eskadron bij respectievelijk 1, 3 en 2 Brigade. Omdat de verkenningsregimenten nimmer als regiment werden ingezet, werden deze eenheden later omgedoopt tot verkenningsafdelingen en werd personeel en materieel van het stafeskadron verdeeld. Vanwege de duidelijkheid wordt in dit boek de eerste benaming aangehouden.

Op 7 januari 1947, voordat de eskadrons van het verkenningsregiment vertrokken met de m.s. Tegelberg, luisterde men eerst naar Mevr Hoytema van Konijnenburg, echtgenote van de Commandant van 1 Verkenningsregiment met de volgende tekst: ‘Gelukkig beseffen velen welke offers de meesten van U brengen met het vervullen van Uw dienstplicht. Ik geloof, dat ik namens het grootste gedeelte van het Nederlandsche volk spreek, wanneer ik U verzeker dat wij vurig hopen, dat deze offers met succes voor het Vaderland, zoowel als voor Indië mogen worden bekroond. Laat liefde voor Uw Vaderland en Uw Regiment, zoowel zelfrespect U tot richtsnoer zijn.’

Na het vertrek van 1 Verkenningsregiment naar Indië werd begonnen met de oprichting en vulling van 2 Verkenningsregiment. In grote lijnen waren de eskadrons en pelotons op dezelfde wijze georganiseerd en uitgerust als 1 Verkenningsregiment. Omdat werd voorzien dat de eskadrons – evenals bij het 1 Verk Reg – zouden worden verdeeld over de brigades werd bij elk eskadron ook nog een mortierpeloton ingedeeld dat beschikte over drie secties met elk twee 15 cwt met een mortier 8 cm. Het regiment arriveerde op 28 december 1947 – dus na de eerste politionele actie – in de haven Tandjong Priok.

Tot slot werden er in 1948 ook nog drie (41, 42 en 43) zelfstandige verkenningseskadrons (ZVE) opgericht en vanaf november van dat jaar naar Indië uitgezonden. Deze eskadrons maakten deel uit van de zelfstandige infanterie brigades die in 1948 en 1949 werden uitgezonden ter aflossing van reeds langer aanwezige eenheden. Deze eskadrons waren in grote lijnen net zo georganiseerd als de eskadrons van 2 Verkenningsregiment.

Al met al werden door het regiment tussen 1947 en 1950 in totaal 23 eskadrons in Indië ingezet. Inbegrepen de staven van de verkenningsregimenten waren dat in totaal ongeveer 3500 officieren, onderofficieren en korporaals en huzaren.

De verdere ontwikkelingen in de Oost

Onder druk van de internationale gemeenschap werden tegelijkertijd met de opbouw van de troepen onderhandelingen met de opstandelingen gevoerd om tot een politiek vergelijk te komen. Dit resulteerde in het verdrag van Linggadjati dat op 25 november 1946 werd ondertekend. In dit verdrag werd afgesproken dat de Nederlandse regering het recht op zelfbeschikking van de volkeren in de Indische archipel erkende en dat voor 1 januari 1949 een unie tot stand zou komen waarvan deel zouden uitmaken Nederland, de Nederlandse Antillen, Suriname en de Federatieve staat Indonesië. Tot dan zou de politieke en militaire status quo worden gehandhaafd. In werkelijkheid bleek dat een voortdurende bron van incidenten. De militaire demarcatielijn was onduidelijk en militairen van de het nationalistische leger, de Tentara Nasional Indonesia (TNI) infiltreerde veelvuldig om hun aanwezigheid te demonstreren en onrust te stoken. Daarnaast waren er nog tal van andere irreguliere groeperingen die de gewapende strijd voerden. De Nederlandse verliezen liepen hierdoor op. De onderhandelingen over de totstandkoming van de unie verliepen bovendien zeer moeizaam, terwijl het aantal militaire incidenten toenam. Om de militaire provocaties beter het hoofd te kunnen bieden werd door de Nederlandse legerleiding eenzijdig het verloop van de demarcatielijn vastgesteld en werd hard opgetreden tegen infiltrerende militairen van de TNI. Deze maatregel had evenwel niet het beoogde effect: de incidenten namen eerder toe dan af. De eerste politionele actie: 21 juli – 31 juli 1947 

Om de politieke druk op de nationalisten te verhogen en zo de onderhandelingen uit het slop te trekken, en meer greep te krijgen op de economisch belangrijke gebieden op Java en Sumatra en ook nog eens de TNI een gevoelige klap toe te brengen, werd halverwege 1947 besloten tot een militair ingrijpen. Er werd gekozen voor de term ‘politionele actie’. Daarmee wilde de regering benadrukken dat er geen sprake was van een oorlog. Het ging slechts om een politioneel ingrijpen gericht op het herstel van rust en orde. Binnen de grenzen van de rechtsstaat was het bovendien niet geoorloofd de krijgsmacht in te zetten tegen de ‘eigen’ bevolking. In werkelijkheid was er natuurlijk wel degelijk sprake van een militaire operatie in wat uiteindelijk een onafhankelijkheidsoorlog was.

Voorafgaande aan de eerste politionele actie waren de Nederlandse troepen ontplooid in en rond de enclaves waar de Nederlanders effectief het gezag konden uitoefenen. Op Sumatra waren daarvoor drie brigades ingezet. De Z Brigade in Medan aan de noordoost kust. De Y Brigade in Palembang aan de zuidoostelijke kant van het eiland en de U Brigade in Padang en omgeving aan de westelijke kust ongeveer in het midden van het eiland. Deze brigades waren in grote lijnen overeenkomstig georganiseerd. Ze beschikten over drie of vier infanterie regimenten en gevechtssteun eenheden. 

Op Java lagen drie divisies. Ook deze divisies waren in grote lijnen overeenkomstig georganiseerd met drie brigades en divisietroepen voor de gevechts- en verzorgingssteun. De A Divisie had aanvankelijk maar twee brigades. Deze waren ontplooid in het noordoosten van het eiland, te weten de X brigade ten westen van Soerabaja en de Mariniersbrigade ten oosten van die stad. De B Divisie had in totaal drie brigades. De V en de W Brigade waren ontplooid in de strook tussen Buitenzorg en Bandoeng en de T Brigade lag in Semarang aan de noordkust van midden Java. De C Divisie ‘7 december’ had eveneens drie brigades, waarbij de 1 Brigade in de omgeving van Buitenzorg was ontplooid, de 2 Brigade lag rond Batavia en de 3 Brigade was ontplooid tussen Batavia en het meer oostelijk gelegen Tandjong Priok, de havenstad van Batavia. De D Divisie ‘Palmboom’ was pas in juli 1948 gedeeltelijk gearriveerd en is niet of nauwelijks ingezet bij de politionele acties. Daarnaast waren er over de hele archipel nog KNIL eenheden en LIB’s verspreid ontplooid. De cavalerie-eenheden werden over het algemeen ‘uitgedeeld’. Dat wil zeggen dat de aan de divisies toegevoegde eskadrons vaak werden verdeel over de brigades die op hun beurt vaak de eskadrons opsplitsten om elke gevechtscolonne van een peloton cavalerie te voorzien.

Vanaf juni 1947 werd er door de eenheden intensief geoefend om de verschillende aspecten van de komende operatie onder de knie te krijgen. Op zondag avond 20 juli begonnen de inleidende gevechtsacties en op maandagochtend 21 juli ging de militaire operatie met de codenaam ‘Product’ in volle kracht van start. In de eerste fase, die 72 uur zou moeten duren, moest de belangrijkste infrastructuur in Nederlandse handen moeten komen, te weten het doorgaande spoor-en verkeerswegennet en de daarin gelegen stedelijke knooppunten, elektriciteitscentrales, olievelden, belangrijke ondernemingen, en dergelijke objecten. Na de eerste 72 uur zou fase twee beginnen, te weten de consolidatie en hergroepering van de troepen waarvoor in totaal tien dagen waren uitgetrokken. In de derde fase, twee weken na de start van de operatie zouden de eenheden de hun toegewezen gebieden moeten pacificeren en onder controle brengen. In de eerste fase was snelheid essentieel. De vijand moest niet de gelegenheid krijgen de doorgaande routes te versperren. In het bijzonder moesten de honderden bruggen onbeschadigd in handen worden gekregen. Om deze opdracht met succes te kunnen uitvoeren werden door de brigades zogeheten gevechtscolonnes gevormd. Deze colonnes bestonden uit infanterie versterkt met cavalerie en genie en ondersteund door artillerie. De verkenningseenheden werden slechts incidenteel in organiek verband ingezet. Vaak werden de pelotons van de eskadrons verdeeld over de gevechtscolonnes, zodat elke colonne beschikte over een ‘eigen’ verkenningseenheid. De verkenningspelotons opereerden meestal aan de kop van de gevechtscolonnes en vaak ver daarvoor om routes te verkennen, te voorkomen dat bruggen werden opgeblazen en hindernissen op te ruimen en ook om te voorkomen dat de hoofdmacht in een hinderlaag kon lopen. Kortom echt verkennerswerk. 

De operaties op Sumatra

Op Sumatra waren de doelen beperkt. Het eiland was te groot en te onherbergzaam om met de beschikbare troepen volledig in handen te kunnen krijgen. De Z Brigade in Medan, de U Brigade in Padang en de Y Brigade in Palembang kregen de opdracht het gebied van de desbetreffende enclaves te vergroten en zich daarbij vooral te richten op die objecten die van belang waren voor de veiligheid en de economische ontwikkeling.

De Z Brigade in Medan

Het 1 Esk Paw was ingedeeld bij deze brigade. Dit eskadron stond onder bevel van de majoor P.J. Ootmar. Zoals inmiddels gebruikelijk werden de pelotons verdeeld over de gevechtscolonnes, Het 1e peloton werd ingedeeld bij de colonne met 1 Regiment infanterie (1 RI) als kern. Van 21 juli tot 24 juli werd dit peloton ingezet om de noordwest rand van Medan en de buitenwijken te zuiveren zodat het 1 RI een verdere uitbraak snel kon forceren. Het 5e peloton was ingedeeld bij de colonne van IV KNIL bataljon infanterie en trad op ten noord westen van Medan. Het peloton kreeg twee bruggen in handen voordat die konden worden vernield (bij Hamperan Perak en over de Wampoe bij Stabat). Achter de colonne van IV KNIL volgde de colonne van VI KNIL met daarbij het 4e en het 6e peloton. Deze colonne boog af naar het zuiden naar Bindjai, pal ten westen van Medan; de plaats viel onbeschadigd in Nederlandse handen. Op 27 juli werd door de brigade een maritieme omvatting uitgevoerd waarbij IV en VI KNIL bataljon infanterie inscheepten in Belawan, de havenplaats ten noorden van Medan. 

Inzet bij Medan

De troepen landden op de kust 40 km ten oosten van Medan bij het plaatsje Kota Pari. Bij deze operatie werden ook nog het 2e, 3e en 5e peloton ingezet. De vijand was totaal verrast en bood weinig georganiseerde tegenstand. Op de eerste dag werd de belangrijke plaats Lubak Pakam bezet, op de tweede dag ging het verder naar Tebing Tinggi, 60 km naar het zuidwesten en vandaar uit naar Tandjong Balei aan de kust 180 km oost van Medan. Er werden door de verschillende colonnes nog acties uitgevoerd naar Brastagi, 70 km ten zuiden van Medan en naar Tandjong Poera 70 km ten noordwesten van Medan. Toen de politionele actie op 4 augustus werd beëindigd, hadden de Nederlandse troepen in twee weken hun greep verstevigd op een gebied met een straal van circa 70 km rond Medan. Daarin was het gros van de tabak-, rubber- en theeondernemingen gelegen.

Soms speelde geluk (en bluf) een rol, zoals mag blijken uit de het verslag van het optreden van het 5e peloton. Dit peloton was toegevoegd aan een infanterie compagnie om bij aanvang van de Eerste Politionele Actie een brug in te nemen. Onderweg stootte het peloton op een versperring van de TNI. De vijand werd volkomen verrast door de opmarssnelheid van de huzaren en had zich razendsnel teruggetrokken. Daardoor waren zij niet in staat waren geweest een aantal gereed liggende landmijnen te plaatsen. Het verslag vervolgt: ‘De telefoon rinkelde en doordat de schuilnaam der vijand (Miss Oke) op een briefje bij de telefoon lag, konden we de beller geruststellen dat de driesprong nog in eigen handen was’ De weg lag open voor de Huzaren en na wederom een snelle opmars kon korte tijd later de brug onbeschadigd worden ingenomen. 

De U Brigade in Padang

Een Humber met de naam “De Jordaan” en v.v. het eskadrons embleem in een parade te Padang

Bij deze brigade was 5 Esk Paw ingedeeld. Dit eskadron stond onder bevel van de ritmeester (KNIL) S.J.C. Luining. Op 22 maart kwam het eskadron aan te Padang met het motorschip Kota Inten. De aankomst van het eskadron bleef niet onopgemerkt want het schip boorde zich bij het aanleggen een fors aantal meters in de houten kade. Ook bij deze brigade werden de pelotons verdeeld over bataljonsgevechtscolonnes. Het terrein aan de westkust van Sumatra is onherbergzaam. De operatonele doelen waren daarom beperkt. Het 1e Bataljon Jagers met daarbij ingedeeld het 1epeloton rukte op naar Indaroeng op 15 km ten oosten van Padang. De colonne van 2e bataljon, 14 Regiment Infanterie(2-14RI) met daarbij het 2e peloton rukt op langs de kust naar het zuiden naar Bungus baai. De derde colonne van de U brigade met 1-8 RI kreeg het 3e peloton onder bevel. Hun aanvalsdoel was het stadje Loeboek Aloeng op 40km afstand van Padang aan de weg naar Bukit Tingi. Op 29 juli werd Loeboek Aloeng bereikt en het peloton probeerde de stad bij verrassing binnen te dringen maar stuitte op felle weerstand. Bij de daarop volgende gevechtsactie sneuvelde de pelotonscommandant de tweede luitenant Blaauw. De stad werd vervolgens ingenomen door 2e bataljon, 8 Regiment Infanterie (2-8RI). De brigade eenheden rukten niet verder op en consolideerden, totdat op 4  augustus de vijandelijkheden werden beëindigd.

Inzet bij Padang

De Y Brigade in Palembang

De stad Palembang was in de periode van eind december 1946 tot begin januari 1947 het toneel van ernstige ongeregeldheden en plunderingen. Vooral Chinese burgers waren daarvan het slachtoffer. De onrusten ( De slag om Palembang ) werden de kop ingedrukt, en er werden wel versterkingen aangevoerd, waaronder 3 Esk Paw onder commando van de majoor J.A.C. Peterse. Ook bij deze brigade worden de pelotons pantserwagen verdeeld over de drie gevechtscolonnes. Bij de start van de eerste politionele actie ging de colonne van XI bataljon infanterie (KNIL) in westelijk richting naar de daar gelegen olievelden. De opmars werd bemoeilijkt doordat de TNI tal van olie-installaties in brand had gestoken. Op de eerste dag werd na 40 km de oliestad Pankalang Balai bezet, waarna het doorging naar Sekayu een stadje dat 70 km meer naar het westen was gelegen. Vervolgens werd geconsolideerd en de omringende olie-installaties werden veilig gesteld. De tweede colonne van het 7e bataljon Regiment Stoottroepen (7-RS) rukt op naar het zuiden naar de olievelden van Prabumulit en vandaar naar Muara Enim, al met al zo’n 150 km! De derde colonne van 8-RS had een opmarsroute via Baturaja en Muara Enim naar Lahat, meer dan 200 km van Palembang. Alle colonnes slaagden erin hun doelen te bereiken binnen de opgedragen 72 uur. 8 RS kreeg nog te maken met een stevige tegenaanval van de TNI, maar deze werd afgeslagen. Al met al was de Y Brigade erin geslaagd alle belangrijke economische doelen in handen te krijgen. Maar net als elders, was het gevaar daarmee niet geweken: in de periode na de wapenstilstand vonden nog dagelijks incidenten plaats en vielen er talrijke doden en gewonden.

Inzet bij Palembang

De operaties op Java

Op Java waren de doelstellingen ambitieuzer. Heel midden en oost Java moest onder Nederlands gezag worden gebracht. Alleen het westelijke gedeelte van het eiland, het gewest Bantam, zou (voorlopig) met rust worden gelaten. De ontplooiing van de drie divisies was hierop afgestemd. [ 

Oost Java

Hier was de A divisie gelegerd met als voornaamste locatie de stad Soerabaja. De Divisie bestond uit divisietroepen en twee brigades: de X Brigade en de Mariniersbrigade. Bij de aanvang van de eerste politionele actie waren bij deze divisie nog geen eenheden van RHB ingedeeld; deze arriveerden pas in 1948. De Mariniersbrigade voerde als eerste actie een landing uit op de noordoost kust van het eiland en opereerde vandaar uit tegen de eenheden van de TNI in die omgeving. De X brigade rukte in 4 dagen op naar Malang, circa 80 km zuid van Soerabaja. De westflank van de opmars werd beveiligd door een colonne die optrok via Mojokerto en op de oostflank opereerde de mariniersbrigade. De eenheden van de TNI werden volledig verrast en de operatie kon dan ook relatief eenvoudig worden uitgevoerd.

Inzet A Divisie tijdens 1e Politionele Actie

Midden Java

Hier waren twee divisies ontplooid: de B Divisie en de C Divisie ‘7 december’. De B divisie had de W Brigade oost van Buitenzorg ontplooid, de V Brigade in de omgeving van Bandoeng en de T Brigade aan de noordkust bij Semarang. De C Divisie ‘7 december’ lag met drie brigades in het gebied rond Batavia-Buitenzorg.

Bij de V Brigade van de B Divisie was 4 Esk Paw ingedeeld dat werd gecommandeerd door de jhr. Mr. M. W. C. de Jonge.[1] De V Brigade had als opdracht vanuit Bandoeng in oostelijke richting op te rukken en via Soemedang de kustplaatsen Cheribon en Tegal te in te nemen. 4 Esk Paw werd op de eerste dag in reserve gehouden, maar toen de opmars van de infanterie stagneerde en het beoogde tijdschema in gevaar kwam, werd het eskadron naar voren gehaald. Het eskadron moest een weg verkennen die het mogelijk maakte de vijandelijk opstelling op de voornaamste route, de Grote Postweg van Bandoeng naar Cheribon, te omtrekken. Dat lukte en het eskadron kreeg vervolgens de opdracht de bruggen bij Soemedang te vermeesteren voordat deze konden worden vernield. Dat lukte eveneens en onder achterlating van een peloton werd de opmars versneld voortgezet. De snelheid die het eskadron maakte, was zo hoog dat er zelfs een vrachtauto van de TNI achterop werd gereden. De vrachtauto werd prompt beschoten en verdween zwaar beschadigd in de berm; de TNI militairen sloegen op de vlucht. Ook bij de volgende twee bruggen werd de aanwezige vijand volledig verrast en onder de voet gelopen. Daarna werden de aangebrachte springladingen onschadelijk gemaakt. En weer ging het eskadron met hoge snelheid verder en vielen nog drie verder gelegen bruggen onbeschadigd in Nederlandse handen. Op nog maar 30 km voor Ceribon kreeg het eskadron bevel de opmars te staken en te wachten totdat de achterop komende infanterie zou zijn aangesloten. Het eskadron dreigde uit de verbindingen te lopen en er werd bij Ceribon sterke tegenstand verwacht, aangezien daar het hoofdkwartier van de 5e TNI brigade was gelegen. Na ruim drie uur oponthoud werd de opmars weer voortgezet. De gewaarschuwde vijand bood evenwel steeds vaker weerstand waardoor de verdere opmars relatief traag verliep. Het eskadron kreeg vervolgens de opdracht om via een noordelijke omtrekking Ceribon te naderen en de daar aanwezige elektriciteitscentrale veilig te stellen, wat ook weer lukte.

Het eskadron had de afgelopen 48 uur met voortvarend optreden een belangrijke bijdrage geleverd aan het succes van de operatie naar Ceribon. In de middag van 24 juli kreeg het eskadron opdracht de verkenning voort te zetten in de richting van uiteindelijke aanvalsdoel, de kustplaats Tegal. In vliegende vaart zette het eskadron de opmars weer in. De snelheid en daarmee de verrassing was zo groot dat onderweg een voetbalveld werd gepasseerd waar twee TNI elftallen nog een partijtje speelden. Beide partijen waren verbijsterd elkaar te zien! Bij Losari, halverwege Ceribon en Tegal, was het eskadron te laat: de brug was gesprongen. Terwijl werd gewacht op het herstel van de brug ging het eskadron via een omtrekking verder in de richting van de volgende plaats Brebes. Toen de eskadronscommandant dat meldde kreeg hij de opdracht onmiddellijk terug te keren naar Losari: verkenning te ver voor de hoofdmacht uit zou de vijand alleen maar waarschuwen voor de naderende Nederlanders! Op 26 juli werd Tegal ingenomen In vijf dagen actie was ruim 300 km opgemarcheerd. Vervolgens werd de tweede fase van de operatie van de V Brigade ingezet, een opmars in zuidelijke richting om aan de andere zijde van het eiland de havenstad Cilacap te vermeesteren: een afstand van 150 km over de flanken van de vulkaan Gunung Slemat. Op 2 augustus was Sukaraja bereikt waar werd halt gehouden Op 4 augustus werd het staakt het vuren kracht.


[1] De geschiedenis van 4 Esk Paw is vastgelegd in het door de eskadronscommandant geschreven boek ‘Mijn Ruiters’. Een prima bron om een meer gedegen beeld te krijgen van het optreden van de eenheden van RHB in Indië in het algemeen en het 4 Esk Paw in het bijzonder.

Het 4 Esk Paw was geadopteerd door de Leidse studentenweerbaarheid Pro Patria. Ter gelegenheid van de 80e verjaardag van Pro Patria werd op 3 december 1946 een parade gehouden onder toeziend oog van Z.K.H. Prins Bernhard. Aan deze parade nam ook 4 Esk Paw deel. Bij die gelegenheid werd het eskadron. een geschenk aangeboden. Het betrof een smeedijzeren ornament met de gekruiste sleutels van het Leidse stadswapen dat het eskadron overal heeft vergezeld. Dit embleem in rode verf aangebracht sierde alle pantserwagens van het eskadron. 

In een groen geverfde wagen, onderscheiden door iets roods
Zitten zij die ‘t leven wagen, zonder angst voor pijn of dood.                                                              
Burgers van ons vrije landje, denkt daar eens goed over na,                                                                       
Wij zijn niet de lanterfanters, al zagen velen ons daarvoor aan.                                                                  
Dus heb eerbied voor de jongens, die men op die wagens ziet,                                                                
Ook voor hem, die in de jungle, z’n jonge leven achterliet.  
                                

                                                                                                                                                              

Inzet B Divisie tijdens 1e Politionele Actie

De W brigade van de B Divisie, met daarbij 6 Esk Paw onder bevel van kapitein (KNIL) C. Blom, rukte vanuit Bandung in noordelijke richting op naar Soebang en vandaar naar de kustplaats Indramajoe en vandaar uit naar Cheribon waar contact werd gemaakt met de V Brigade. Terwijl de V Brigade de opmars in zuidelijke richting voortzette rukte de W Brigade verder op in oostelijke richting om contact te maken met de T Brigade. Bij de stad Pekalongang werd op 3 augustus aansluiting gemaakt met de T Brigade. De hele noordkust van eiland was nu, althans wat betreft de steden, in Nederlandse handen. De TNI ging door met een guerrilla oorlog die aan Nederlandse zijde nog veel inspanning en slachtoffers zou kosten.

In de roman ‘trilogie ‘Soldaat/Ravijn/Landgenoten’ van de schrijver Job Sytzen (een pseudoniem voor de veldprediker Jac. Jonker) wordt op beeldende manier beschreven wat het betekende om op te rukken.

‘Voor hen uit een rosse gloed… een vlam van oranje… Het sloeg tegen zijn borst en dreunde in zijn oren… het rommelde na tussen de bergen… Huib remde en vloekte… stijf krampten zijn vingers om het stuur, met zijn been stond hij schrap op de rem. Landmijn! Zijn centerweight stond stil, de mannen sprongen uit de laadbak en holden naar voren, Gijs rende mee, zijn sten voor de borst. De voorste pantserwagen lag op zijn kant in de berm, de verwrongen voorkant stak over de wegrand naar buiten, boven de diepte van het ravijn. Een wolk van stof en rook hing in de lucht, de bittere walm van een explosie beet bij het ademen in de keel. In de diepte klonk gekreun… stenen rolden weg waar mannen naar boven klauterden.  Een gat, groot en diep gaapte in de weg. Gijs klom over de zijkant van de pantserwagen naar voren, waar bloed uit de cabine droop… Ze zwoegden om de bestuurder met de luitenant uit de resten van de pantserwagen te bevrijden. Boven langs de weg lagen twee schutters loerend naar de vijand, de vinger aan de trekker van de bren.  De bestuurder was dood, aan zijn slappe romp hingen de verbrijzelde benen. De luitenant ademde nog maar was bewusteloos en bloedde uit zijn hoofd.

De derde brigade van de B Divisie, de T Brigade, kreeg de opdracht het gebied van invloed rond Semarang te vergroten en contact te maken met de W Brigade die langs de kust optrok in de richting van Semarang. Bij deze brigade waren ingedeeld het 2 Esk Paw onder bevel van de majoor R. Rouffaer en 3 Esk Vew gecommandeerd door de kapitein (KNIL) Schoenmaker. De brigade vormde drie assen waarover de operaties werden ingezet. Naar het oosten met als aanvalsdoel de plaats Demak op 30 km oost van Semarang. Naar het westen, naar Weleri, 45 km van Semarang, en daarna door Pekalongan circa 50 km verder naar het westen. De centrale as ging naar het zuiden, naar Salatiga op 50 km zuid van Semarang. 2 Esk Paw werd op de tweede dag van de eerste politionele actie ingezet als spits voor 1-RS op de weg naar Salatiga. Op de eerste dag werd de brug bij Tutang veilig gesteld en bereikte het voorhoede peloton de stad Salatiga. Het peloton mocht daar niet blijven en trok zich terug.  Die nacht stak de TNI de stad in brand. De volgende dag kreeg 1-RS de opdracht de stad alsnog te bezetten waarbij 2 Esk Paw actief was betrokken. 

Het klinkt allemaal vrij onschuldig, maar de werkelijkheid was vaak zeer gevaarlijk. Op 22 en 23 juli 1947 leidt Adjudant de Jager een 12 man sterke patrouille, verdeeld over drie of vier pantserwagens. Tijdens de eerste dag komt de groep meerdere malen met de vijand in contact, waarbij diverse wapens en voertuigen van de TNI buit worden gemaakt. De dag erna stuiten zij na het omtrekken van een weghindernis op hevig vijandelijk vuur. Tijdens het gevecht slaat de motor van het voorste voertuig af en blijkt het onmogelijk om deze weer aan de praat te krijgen, waarna het voertuig onder vuur wordt aangekoppeld en afgesleept. In het gevechtsverslag valt te lezen dat de huzaar Van Walen zich daarbij heeft onderscheiden: ‘door onder vijandelijk vuur uit de wagen te gaan om de sleepkabel vast te maken.’ Ook kregen de eenheden soms te maken met artillerie beschietingen. In hetzelfde gevechtsverslag staat te lezen, dat: ‘Door het peloton naar schatting 400 granaten werden ontvangen.’

Op 24 juli werd het eskadron teruggetrokken naar Semarang en vervolgens ingezet ter ondersteuning van de operatie van 2-6 RI op de westelijk as naar Weleri. Een peloton van 2 Esk Paw was de eerste eenheid die contact maakte met de W Brigade. Het 3 Esk Vew werd ingezet ter beveiliging van de westelijk flank van de centrale operatie. De opdracht werd met de gebruikelijke voortvarendheid uitgevoerd. Bij Ambawara, zo’n 20 km noordwest van Salatiga leek de brug ondermijnd. Terwijl de genie nog aan het onderzoeken was of de brug veilig was reed de voorste tank van het eskadron gewoon door om tijdig in Salatiga te kunnen zijn. Na de bezetting van Salatiga, op 25 juli, werd het eskadron ingezet voor beveiligingstaken tussen Salatiga en Ambawara.

De C Divisie ‘7 december’ ontleende de toevoeging aan de toespraak van koningin Wilhelmina van 7 december 1942 waarbij zij voor het eerst sprak over een andere naoorlogse staatkundige verhouding tussen Nederland en haar koloniën. Deze nieuwe band zou ‘zich richten op een Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf, de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan, zullen behartigen.’ Met de toevoeging ‘7 december’ wilde men onderstrepen dat het gemeenschappelijk belang van Nederland en Indië voorop stond. De C Divisie was de eerst divisie die volledig met dienstplichtigen was bemand. De divisie voerde de letters E M die staan voor Expeditionaire Macht. Het 1 Verkenningsregiment (1 Verk Reg) was ingedeeld bij deze divisie. Het regiment werd van meet af aan opgedeeld waarbij de eskadrons werden toegevoegd aan de drie infanterie brigade groepen. Het 1 en 2 Esk Vew maakten deel uit van de divisiereserve.

De 1 Infanterie Brigade Groep was gelegerd aan de zuid zijde van de plaats Buitenzorg (het huidige Bogor). De brigade kreeg de opdracht twee belangrijke krachtcentrales in Karacak en Ubrug te bezetten en verder naar het zuiden op te rukken en de regionale hoofdstad Sukabumi te bezetten. De opmars zou dan verder naar het zuiden moeten gaan om de kustplaats Pelabuhanratu te bezetten. De opmars verliep traag. Dit was het gevolg van het slechte weer en het optreden van de eenheden van de Siliwangi Divisie van de TNI die veel vernielingen hadden aangebracht. Het 1 Eskadron van 1 Verk Reg (1–1 Verk esk) trad op in de voorhoede. In de late avond van 21 juli werd Sukabumi bereikt. De volgende dag werd na hevige gevechten de inmiddels in brand gestoken stad ingenomen. Zodra dat kon ging 1-1 Verk esk op weg en bezette die nacht de krachtcentrale in Ubtug, Meteen daarna werd de opmars hervat. Op 25 juli bereikte het eskadron als eerste de kust en bezette Pelabuhan Ratu. Voor de rest van de duur van de actie werd het eskadron ingezet voor beveiliging van de veroverde verkeersinfrastructuur. De brigade zette de opmars nog 50 km naar het zuiden voort en bezette Djampang Kulon.

De 2 Infanterie Brigade Groep lag bij aanvang van de eerste politionele actie ten zuiden en oosten van Batavia. Deze brigade had de opdracht een operatie langs de noordkust uit te voeren en in de omgeving Cheribon aansluiting tot stand te brengen met de W Brigade van de B Divisie. De aanval ging van start over twee assen naar Krawang op 50 km oost van Batavia. Vandaar werd de opmars voortgezet naar Indramajoe, een kustplaats zo’n 100 km verder naar het oosten. Daar zou de aansluiting met de W Brigade tot stand moeten komen. Bij deze brigade was 3-1 Verk esk ingedeeld. Het eskadron heeft niet zelfstandig opgetreden; de verkenningspelotons werden opgedeeld over de drie gevechtscolonnes. Het derde peloton vervulde een belangrijke rol bij de opmars naar Krawang en het veiligstellen van twee vitale verkeersbruggen aldaar. Bij de voortzetting van de opmars sneuvelde de pelotonscommandant, de tweede luitenant Feijen.

Inzet C Divisie ‘7 December’ tijdens 1e Politionele Actie

De 3 Infanterie Brigade Groep was ontplooid ten oosten van Buitenzorg. In de eerste fase zou deze brigade naast de 1 Brigade opmarcheren naar het zuiden. Een van de opdrachten was het veiligstellen van de belangrijke spoortunnel bij Lampegan. Circa 20 km oost van Sukabumi. De brigade slaagde daarin en trad verder op richting het zuiden in nauwe coördinatie met 1 Brigade. Het bij deze brigade ingedeelde 2-1 Verk esk trad zoals gebruikelijk op in de voorhoede. Op 26 juli werd de brigade ingezet vanuit Bandung naar het zuidoosten: eerst naar Garoet en vandaar verder naar Tjamis en Koeningan. 2-1 Verk esk bereikte als eerste eenheid Garoet. Bij deze actie sneuvelden de Opperwachtmeester Roozen en de huzaar Van Aken. De luitenants Groenewegen, jhr. Van der Goes en Van Splunter werden onderscheiden met het bronzen kruis. 

Na de eerste politionele actie

Op 31 juli (op sommige locaties een paar dagen later) werd de Nederlandse militaire operatie beëindigd. In militair opzicht was de operatie geslaagd. De regering had nu een substantieel deel van Sumatra en Java in handen waarin circa 90% van de bedrijven en ondernemingen was gelegen. Maar belangrijke gebieden, zoals west Java en rond Djokjakarta, waren nog steeds in republikeinse handen. Binnen het gebied dat in Nederlandse handen was, voerde de TNI een guerrilla oorlog. In politiek opzicht lag de situatie beduidend anders. Door de tussenkomst van de VN stond het conflict nu prominent op de internationale agenda. Voor de pas opgerichte VN was het van belang ook daadwerkelijk een rol van betekenis te spelen. Daartoe richtte de VN een commissie van goede diensten op die als opdracht had te bemiddelen bij nieuwe onderhandelingen. Op 7 januari 1948 werd aan boord van het Amerikaanse schip, de ‘Renville’, een akkoord gesloten. Dat akkoord bevestigde in grote lijnen wat reeds was afgesproken in Linggadjati. De Nederlandse regering weigerde echter de soevereiniteit van de republiek de facto te erkennen. De spanningen werden niet weggenomen. Het is dan ook niet verrassend dat de onderhandelingen zich voortsleepten terwijl de guerrilla in hevigheid toenam. Op 3 december 1948 werden de onderhandelingen afgebroken. Op 15 december ging de algemene vergadering van de VN op reces. Daar had de Nederlandse regering blijkbaar op gewacht, want op 19 december werd door Nederland het ‘Renville’ verdrag met de republiek opgezegd en dezelfde dag ging de tweede politionele actie van start.

De tweede politionele actie: 19 – 28 december 1948.

Het oogmerk van de tweede politionele actie was het volledig in handen krijgen van het eiland Java, de guerrilla bases van de TNI te vernietigen en de politieke leiding van de republiek uit te schakelen. Het zwaartepunt van de operatie lag dan ook op Java.

De militaire operaties op Java begonnen in de vroege ochtend van 19 december met de landing van parachutisten van het Korps Speciale Troepen (KST) op het vliegveld van Jogjakarta. De bewaking werd snel onschadelijk gemaakt, waarna door de lucht versterkingen werden aangevoerd. Binnen enkele uren was de stad in Nederlandse handen en waren de Indonesische leiders, waaronder Soekarno en Hatta, opgepakt. De republikeinse legerleiding, waaronder opperbevelhebber Soedirman, slaagde er evenwel in te ontsnappen. Tegelijkertijd werd in midden Java een grondoffensief ingezet met het doel de daar aanwezige TNI eenheden te omsingelen en te verslaan.

De A-Divisie beschikte bij de tweede politionele actie over drie brigades: de 4 Infanterie Brigade was aan de divisie toegevoegd. De X-Brigade opereerde in de omgeving van Soerabaja en richtte zich op het consolideren van de behaalde resultaten. Het 1-2 Verk Esk was bij deze brigade ingedeeld en heeft vooral ten oosten en ten zuiden van de stad bereden patrouilles en beveiligingsopdrachten uitgevoerd. De Mariniersbrigade werd versterkt met 2-2 Verk Esk en 8 Esk Vew. Deze eenheden namen deel aan de landing bij Glondong, 200 km ten noordwesten van Soerabaja. De pelotons werden verdeeld over de verschillen colonnes die vanuit Glondong oprukten in oostelijke richting om de daar aanwezig TNI op te rollen. De 4 Inf Brigade opereerde aan de zuidkust en begon de operatie vanuit Malang en rukt op in westelijke richting. Bij deze brigade was 3-2 Verk Esk ingedeeld. Via Blitar en Kediri werd uiteindelijk Kertosono bereikt. Onderweg kregen de troepen te maken met veel vernielingen en hinderlagen.

operaties A Divisie tijdens 2e Politionele Actie

De B-Divisie opereerde op drie assen. De W-Brigade, met daarbij ingedeeld het 6 Esk Paw, startte vanuit Semarang en had als doel de bezetting van de stad Tjepu en contact te maken met eenheden van de Mariniersbrigade. De T-Brigade had de opdracht contact te maken met de luchtlandingstroepen bij Jogjakarta en deze af te lossen. De brigade startte de operatie vanuit Salatiga. Het 2 Esk Paw en het 6 Esk Vew traden op in de voorhoede.

Operaties B Divisie tijdens 2e Politionele Actie. 

In de opmarsroute van de T-brigade lag de stad Karangereng, aan de overkant van een grote rivier. Toen de voorhoede daar aankwam, was de brug nog intact. De weerstand aan de eigen zijde van de brug werd snel opgeruimd, maar aan overkant stond een kazemat van waaruit de brug onder vuur werd gehouden. De stormploeg trotseerde dit vuur en rende over de brug, gedekt door het vuur van de pantserwagens. De pelotonscommandant werd bij deze stormaanval neergeschoten, maar de kazemat werd uitgeschakeld. Tegelijkertijd had een andere groep de draden van de springladingen onder de brug doorgesneden en de bommen gedemonteerd. De pantserwagens reden vervolgens op en namen opstellingen in aan de overzijde,. De brug kwam onbeschadigd in eigen handen. De zwaargewonde luitenant (door de long geschoten) werd verbonden en afgevoerd. Hij herstelde wonderwel en was na een paar maanden weer terug bij zijn peloton. Onmiddellijk werd de opmars voorgezet.

De voorhoede met 2 Esk Paw en het 6 Esk Vew slaagden erin op 20 december als eersten Jogjakarta te bereiken! Toen de stad op 29 juni 1949 alsnog door de Nederlandse troepen moest worden ontruimd, fungeerde het 2 Esk Paw als achterhoede en was dus ook de laatste eenheid die de stad weer verliet. De V-Brigade, met daarbij het 4 Esk Paw, volgde de T-Brigade tot aan Kartasura en stootte vervolgens door naar Solo (het huidige Surakarta). Vanuit Solo werden twee gevechtscolonnes ontplooid. De ene colonne ging door naar het oosten met als opdracht de stad Madioen te bezetten. De andere colonne ging naar het zuiden naar de kustplaats Pacitan om daar contact te maken met een daar gelande eenheid van de Mariniersbrigade. 

De C-Divisie had als primaire opdracht midden Java te beveiligen terwijl de andere divisies offensieve operaties uitvoerden. Als die offensieve operaties voorspoedig verliepen zou onder commando van de C-Divisie alsnog een versterkte brigade in het offensief gaan om de westelijke Javaanse provincie Bantam in te nemen. Op 23 december werd het besluit genomen de operatie in Bantam te starten. De brigade wilde met twee gevechtscolonnes de belangrijkste eenheden van de TNI omvatten en vervolgens verslaan. De noordelijke gevechtscolonne bestaande uit onder meer een versterkt infanteriebataljon en 1-1 Verk Esk zou vanuit Tangerang snel naar het westen doorstoten en het bestuurscentrum Serang bezetten. Daarna zou onmiddellijk worden doorgestoten naar de kustplaats Anjer. Deze opzet slaagde: rond het middaguur was Serang ingenomen en twee uur later bereikten twee pelotons van 1-1 Verk Esk de plaats Anjer. 

Bij het binnentrekken van Serang stootte 1-1 Verkesk op een eenheid van de TNI die op appel stond bij hun onderkomen bij het marktplein. Het gevecht dat vervolgens ontstond duurde maar kort, want de TNI trok zich snel terug en de huzaren zetten hun opmars ook weer snel voort richting Anjer dat voor het invallen van de avond wordt bereikt en  ingenomen

De andere colonne zou centraal in Bantam oprukken en na de Rangkasbitoeng te hebben bezet, doorstoten naar de kustplaats Laboehan. Daarmee zou de val dichtklappen en konden de ingesloten TNI eenheden worden aangepakt. De operatie van de centrale colonne was echter minder succesvol. Vanwege de vele hindernissen en de vijandelijke weerstand werd zelfs het eerste aanvalsdoel niet gehaald en mislukte de omvatting. Deze gevechtscolonne werd teruggehaald en de volgende dag via de noordelijke corridor ingezet om vandaar uit de verdere opmars uit te voeren. De volgende dag werden alle beoogde doelen ingenomen. Ondertussen had 1-1 Verk Esk de opmars voortgezet en bereikte de aan de zuidkust gelegen stad Malingping, waar net als in Serang de aanwezige TNI eenheden volledig werden verrast en op de vlucht gedreven. Vandaar uit werd contact gemaakt met een kleinere gevechtscolonne die langs de zuidkust was opgerukt. Daarmee waren alle doelen bereikt en waren in drie dagen de belangrijkste knooppunten in Bantam bezet. De opzet om de eenheden van de TNI in het nauw te drijven en te verslaan was evenwel mislukt.

 
Operaties C Divisie (7 December) tijdens 2e Politionele Actie

Op 3 januari 1949 werd van het 1e Eskadron het 3e peloton, met als commandant de Opperwachtmeester Instructeur Flikweert, ingezet als colonne beveiliging in de omgeving van Soerabaja. Tijdens de verplaatsing werd het peloton herhaaldelijk met verschillende wegblokkades en hindernissen geconfronteerd. Het verslag vervolgt: ‘De boomen werden eerst door onze mijn-experts onderzocht op eventueele booby-traps en daarna door de Humber opzij getrokken, zoodat we na 20 min. wederom verder konden rijden. Even later werd door de scoutcar weer een wegversperring gemeld op een kruispunt. Deze versperring bestond uit ijzeren buizen, waarvan er een gevuld was met vermoedelijk springstof. Alleen de afvuur inrichting ontbrak.’ Maar het geluk was niet altijd aan je zijde.

Het zwaartepunt van de operaties lag weliswaar op Java, maar ook op Sumatra werden verschillende operaties uitgevoerd. De Z Brigade in Medan voerde twee amfibische omvattingen uit in een poging eenheden van de TNI uit te manoeuvreren. De eerste vond plaats bij Laboehan Bilik op circa 200 km oost van Medan. De tweede vond plaats bij Bagansiapapi op 400 km oost van Medan. De TNI werd weliswaar verrast, maar niet verslagen. Daarna werden er nog zuiveringsoperaties uitgevoerd rond het Tobameer, waarbij 2 Esk Paw intensief betrokken was. De U Brigade in Padang veroverde Fort de Cock (het huidige Bukittinggi). Het 5 Esk Paw vormde de voorhoede van de gevechtscolonne die deze actie uitvoerde. Ook werd het gebied van invloed langs de kust uitgebreid. De Y brigade bij Palembang ontplooide drie gevechtscolonnes waarmee diep in vijandelijk gebied werd doorgedrongen. De pelotons van 3 Esk Paw werden verdeeld over deze drie colonnes. De eerste colonne opereerde in zuidelijke richting en bereikte de plaats Benkoelen aan de zuidkust van het eiland. De tweede colonne ging in zuidwestelijke richting en bezette Pagralan. De derde colonne ging pal zuidwaarts naar Martapura. 

Nederlandse acties op Sumatra tijdens 2e Politionele Actie

Tijdens en na de tweede politionele actie

Ondertussen was de veiligheidsraad van de VN teruggekomen van reces en  de acties van de Nederlandse troepen werden scherp veroordeeld. Bovendien dreigde de VS de Marshall hulp aan Nederland te staken. Onder die druk beloofde de regering dat alle operaties op 31 december zouden worden beëindigd. In de daarop volgende maanden werd de internationale druk verder opgevoerd en op 23 maart moet de Nederlandse regering aanvaarden dat de gevangengenomen republikeinse leiders moesten worden vrijgelaten en dat de onderhandelingen moesten worden hervat. Aan die voorwaarden werd voldaan met het zogeheten Van Roijen-Roem akkoord; zo genoemd naar de Nederlandse en republikeinse onderhandelaars. De vijandelijkheden gingen al die tijd gewoon door: de TNI voerde de guerrilla zelfs op en de Nederlandse troepen bleven patrouilleren. De bevoorrading van de Nederlandse troepen verliep slecht: soms moesten de eenheden langere tijd ‘leven van het land’ omdat de bevoorrading helemaal staakte. Een vaak onderbelicht feit is dat in deze periode aan Nederlandse zijde ongeveer evenveel militairen sneuvelden als in de gehele voorafgaande periode.

Wat deden de Nederlandse Huzaren van Boreel in Indië precies? De Indië veteraan Gerard van der Lee geeft hiervan een overzicht alsmede een getekende impressie. Verkennen; spits van de aanvalscolonne; weg vrijmaken van explosieven; versperringen opruimen; het openen van nieuwe wegen; bescherming van de genie tijdens hun activiteiten; begeleiden van colonnes; speciale transporten verzorgen; hoogwaardigheidsbekleders begeleiden; transport van gewonden; begeleiding van treinen en bussen; bewaking van belangrijke personen en objecten; dempen van oproer en opstanden; begeleiding van het transport van gevangenen; geven van vuurondersteuning met zware wapens; het leggen van hinderlagen; nachtpatrouilles; verdediging eigen post; het ontzetten van aangevallen andere posten; enz.

Dit was voor de Nederlandse troepen dan ook een zware tijd. De TNI had de eindoverwinning in zicht, terwijl de Nederlandse militairen wisten dat ze voor een verloren zaak hun leven moesten wagen. Dit gold des te meer voor de eenheden die pas in de loop van 1949 in Indië arriveerden, waaronder de F, G, en H brigade waarbij respectievelijk waren ingedeeld 41 ZVE, 42 ZVE en 43 ZVE. Deze nieuwe eenheden werden als het ware voor de leeuwen gegooid. Ze kregen nauwelijks de tijd om te wennen aan de situatie en kregen meteen stevige opdrachten. Ondertussen werd de guerrillaoorlog door de Indonesiërs sterk geïntensiveerd. In de acht maanden tussen het einde van de tweede politionele actie in december 1948 en de wapenstilstand in augustus 1949 waren de Nederlandse verliezen even hoog als in de hele periode daarvoor!

De dienstplichtigen van deze eenheden hadden niet altijd trek in een ‘Indisch avontuur’. Zo ook aan boord van het schip de ‘Volendam’ dat als troepentransport schip voor het personeel van 42 ZVE dienst deed. Op een gegeven moment ontstond er hevige consternatie, want bij de indeling van de corvee ploegen was huzaar A.C. Zwetsloot tegen zijn zin wederom ingedeeld voor aardappels schillen in het ruim. Hij weigerde en dreigde overboord te springen. Toen hij toch het ruim in moest, voegde hij de daad bij het woord en sprong. Reddingsboeien leverden niets op en Zwetsloot verdween uit het zicht. De Volendam voer in een reusachtige cirkel over stuurboord terug en plotseling kwam Zwetsloot met zijn baret nog op weer in zicht en kon hij alsnog worden gered. Hij heeft zijn diensttijd in Indië volbracht. Hij was overigens tevens de ontwerper van het eskadrons embleem.

Pas op 10 augustus 1949 werd een wapenstilstand gesloten en nam het aantal militaire incidenten sterk af. Op 27 december 1949 vond in Den Haag de overdracht van de soevereiniteit plaats en kwam een einde aan twee eeuwen Nederlandse aanwezigheid in Oost-Indië. De repatriëring van de Nederlandse troepen had nog de nodige voeten in de aarde. Het duurde tot ver in 1950 voordat de laatste eenheden terugkeerden in het vaderland. Achterbleven de circa 6000 gesneuvelden, waarvan 123 van ons regiment. De meesten van hen liggen begraven op het ereveld van Menteng Pulu in Jakarta. 

In totaal werden er 742 dapperheidsonderscheidingen uitgereikt aan militairen van alle krijgsmachtonderdelen. Bij de Landstrijdkrachten werden er 560 uitgereikt waarvan 52bij het regiment Huzaren van Boreel, te weten 20 maal de Bronzen Leeuw, 26 maal het Bronzen Kruis en 6 keer het Kruis van Verdienste. Tot de gedecoreerden met het Bronzen Kruis behoorden onder meer de latere regimentscommandanten, te weten de toenmalige ritmeester W.R.A. baron Van Tuijll van Serooskerken en de toenmalige reserve tweede luitenant jonkheer Van der Goes, alsmede de latere regimentsadjudant de toenmalige tijdelijk wachtmeester R.A. Kolkert.

Epiloog

De militaire strijd in Indië kan op verschillende wijzen worden bezien. Ten eerste als een oprechte poging van de Nederlandse regering orde, rust en welvaart terug te brengen in een deel van het Koninkrijk dat door de Japanners bezet was geweest. Ten tweede was er vanuit het republikeinse perspectief sprake van een onafhankelijkheidsoorlog. Hun streven was erop gericht een onafhankelijke republiek Indonesië te vestigen. Ten derde is er het internationale perspectief waarbij de strijd vooral werd gezien als één van de laatste stuiptrekking van het kolonialisme. Voor de Nederlandse militairen was er nog een ander perspectief. Teruggekeerd in Nederland was er weinig aandacht voor hen, het was al erg genoeg dat Indië verloren was gegaan. Er werd van hen verwacht dat ze nu hun steentje zouden bijdragen aan de wederopbouw van Nederland. Heel veel Indië veteranen voelden en voelen zich miskend. Dat werd nog eens verergerd door de discussie over door de Nederlandse troepen gepleegde oorlogsmisdaden die eind jaren 60 losbarstte. Daarbij werd de suggestie gewekt dat door Nederlandse troepen aan de lopende band oorlogsmisdaden waren bedreven. De Indië veteranen voelden zich diep gekrenkt: nooit enige waardering ondervonden voor hun inspanningen en dan ook nog eens worden weggezet als oorlogsmisdadigers. Die gevoelens zijn weliswaar te begrijpen, maar anderzijds is het niet onlogisch aan te nemen dat er wel degelijk oorlogsmisdaden hadden plaatsgevonden. Door de regering werd een commissie ingesteld om deze zaak te onderzoeken In 1969 verscheen het eindverslag, de zogeheten excessennota. Hierin werd gesteld dat weliswaar oorlogsmisdaden waren gepleegd maar dat dit excessen waren en dat er geen sprake was van wijdverbreide oorlogsmisdaden. Daarmee was de zaak formeel afgedaan, maar er blijft iets wringen. Het aantal Nederlandse militaire slachtoffers omvat 6000 gesneuvelde militairen. Bij de Bersiap zijn circa 3500 Nederlandse burgers omgebracht alsmede circa 30.000 Nederlands-Indische burgers. Al met al zo’n 40.000 slachtoffers. Het aantal Indonesische slachtoffers, zowel militairen als burgers, wordt door sommigen geschat op tussen de 150.000 en 250.000. Een groot aantal van deze slachtoffers is gevallen in interne Indonesische conflicten. Naast de republikeinen waren er ook nog de communisten en de fanatieke islamisten van de Hezbollah. Zij streden verbeten om de macht en ook daarbij vielen grote aantallen slachtoffers. De machtsstrijd werd uiteindelijk gewonnen door de republikeinen. Toch geeft de discrepantie in het aantal slachtoffers aan Nederlandse en Indonesische zijde te denken. Een en ander is voor de regering aanleiding geweest om in 2017 wederom een commissie in te stellen, dit keer met een bredere opdracht, te weten een onderzoek naar ‘Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950’. Het zal naar verwachting nog wel enige jaren duren voor dat deze brede studie zal zijn afgerond. 

NB: Meer informatie over deze eenheden en hun emblemen vindt u HIER

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!