De stamregimenten van de Huzaren van Boreel (1745-1806) 

Luitenant-kolonel bd. Arie Rens

De eerste huzaren in het Staatse Leger

In 1740 brak een grote Europese oorlog uit toen Maria Theresia haar vader Karel VI, die tevens in Duitsland Keizer was, in Oostenrijk opvolgde. Oostenrijk werd ogenblikkelijk aangevallen door Pruisen, Saksen, Beyeren, Spanje en Frankrijk. De Keurvorst van Beyeren, die als Karel VII tot Keizer van Duitsland was gekozen, eiste als naaste mannelijke erfgenaam ook de Oostenrijkse nalatenschap op. De resulterende oorlog werd de Oostenrijkse Successie-oorlog genoemd. De Republiek probeerde zich buiten de strijd te houden, wat enige jaren lang gelukte, maar in 1743 zag men zich tenslotte toch genoodzaakt om Oostenrijk bij te staan. Het vooruitzicht om Frankrijk voortaan als naaste buur te hebben, was ook niet erg aanlokkelijk. De Republiek stuurde een leger van 20.000 man richting Oostenrijk, maar dat kwam te laat om aan een beslissende slag mee te doen.

In de Oostenrijkse Nederlanden lagen Oostenrijkse, Staatse en Engelse troepen. De barrière-vestingen aan de Franse noordgrens waren nogal verwaarloosd. Bergen-Henegouwen viel op 11 juli 1745 in Franse handen. De veldslagen in 1745 bij Fontenoy nabij Doornik, in 1746 bij Rocourt 6 km noord van Luik en in 1747 bij Lafeld 8 km west van Maastricht, werden allen Franse overwinningen. De slag bij Fontenoy werd naar verluidt, vooral verloren door de incapabele Staatse ruiterij. Het Regiment Hessen-Homburg, onder commanderend kolonel Matthias Appius, vluchtte massaal. Kolonel Appius werd oneervol ontslagen. De prins van Hessen-Homburg was toen al 53 jaar kolonel van dat regiment. Reeds eind 1746 was Frankrijk heer en meester in de gehele Oostenrijkse Nederlanden en de bondgenootschappelijke troepen onder Hertog Karel van Lotharingen en Prins Eugenius van Savoye moesten zich oost van de Maas terugtrekken. De Staatse troepen trokken na Lafeld terug op ’s Hertogenbosch

Tegen deze achtergrond bezien, gebeurde het dat het Regiment Huzaren van Grégoire graaf van Frangipani, bijna geheel bestaande uit Kroaten en tot dusver in Beyerse dienst, op 6 juni 1745 in Staatse dienst kwam. Er werd gezegd dat de Beyeren, die tot de tegenpartij behoorden, gaarne afstand deden van dit regiment, omdat het onmogelijk was gebleken hen het verschil tussen vriend en vijand bij te brengen. Verder waren deze Kroaten uitermate rooflustig, wat in hun vaderland een niet ongebruikelijke eigenschap scheen te zijn.

De Hollandse ‘Staatsgezinden’ zagen aankomen dat, zoals wel meer was gebeurd in tijden van nood, de Prins van Oranje stadhouder zou worden. Om dat te verhinderen, knoopten zij in het geheim onderhandelingen aan met Frankrijk. Toen dit door een veto van het gros der andere gewesten werd  getroffen, moesten zij de onderhandelingen afbreken. Frankrijk was woedend en bezette in april 1747 Staats-Vlaanderen. Het gevolg was dat Willem IV in mei 1747 ook Stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel werd. Hij was dat al sedert de dood van zijn vader Johan Willem Friso in 1711 in Friesland, sedert 1718 in Groningen en sedert 1722 in Gelderland en Drenthe. Tevens werd hij aangesteld tot kapitein-generaal en admiraal der Unie. De Fransen raakten daarvan niet onder de indruk en belegerden Bergen op Zoom. Zij konden deze sterke vesting na twee maanden veroveren, door de zorgeloze houding van de verdedigers, die te zeer op de kracht van de vesting ver- trouwden. Ook Maastricht werd door de Fransen veroverd. Als reactie hierop besloten de Staten-Generaal in oktober 1747 om het stadhouderschap in mannelijke en vrouwelijke lijn erfelijk te verklaren. Willem IV trof voorbereidingen om de oorlog met kracht te hervatten, toen een nieuwe bondgenoot te hulp kwam. Dat was de bodem van Lodewijks schatkist en bij de Vrede van Aken op 30 april 1748 moest Frankrijk alle veroveringen weer afstaan.

Toen het eind van de oorlog in zicht kwam, werd het Huzarenregiment van Frangipani op 10 februari 1748 ontslagen. Per zelfde datum kreeg Jean François de Collignon, die sedert 1 december 1745 majoor was bij het Regiment Frangipani, opdracht om een nieuw regiment huzaren te formeren. Hij werd bevorderd tot luitenant-kolonel. Uit zijn oude regiment selecteerde hij de zijns inziens bruikbare huzaren, waarmee hij de eerste twee compagnieën voor zijn nieuwe regiment kon formeren. Reeds na zes weken kregen Collignon en zijn nieuwe majoor Nicolaas Lukner hun congé en op 26 maart 1748 kreeg het regiment een nieuwe naam, Regiment Huzaren van de Staat. Het regiment kreeg per zelfde datum een kolonel, Michiel de Zigrai, een luitenant-kolonel en twee majoors. Bij de bezuinigingen in de daarop volgende vijf jaren werden acht cavalerieregimenten paarsgewijze samengevoegd. Het huzarenregiment was een eenling in de organisatie en werd in 1753 opgeheven. Het zou 31 jaar duren voordat er weer een huzarenregiment werd opgericht op het grondgebied van de Republiek. Dat werd het oudste stamregiment van de Huzaren van Willem Boreel, doch het zou daarna nog drie jaar duren voordat het in de gelederen van het Staatse leger werd opgenomen.

Burgeroorlog in de Republiek 

De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, die in 1776 begon, was een kolfje naar de hand van de Hollandse en Zeeuwse kooplieden, die daar handelsvoordelen trachtten te verkrijgen. Toen ook nog een plan voor een vriendschapsverdrag tussen de Republiek en de Verenigde Staten van Noord-Amerika in verkeerde handen viel, verklaarde Engeland in december 1780 de Republiek de oorlog. De eens zo machtige vloot van de Republiek was nog geen tiende van de Engelse vloot waard. Een groot deel van de koopvaardijvloot en enkele koloniën gingen verloren. De voorwaarden voor de Vrede van Versailles in 1784 werden door Engeland en Frankrijk gedicteerd.

Oostenrijk werd een slechte buur aan de zuidgrens. Josef II, die zijn moeder Maria Theresia had opgevolgd en ook keizer van Duitsland werd, zegde het Barrière-tractaat op. Willem V leunde op Pruisen en de Staten van Holland op Frankrijk. In 1785 kwam door bemiddeling van  Frankrijk een nogal vernederende schikking met Oostenrijk tot stand, waarbij twee forten aan de Schelde, die de scheepvaart op Antwerpen konden beheersen, aan Oostenrijk werden afgestaan. Bovendien moest  negen miljoen gulden aan dat land worden betaald.

Toen de buitenlandse dreiging was geweken, kon men zich weer aan binnenlandse onenigheden wijden. Deze escaleerden zodanig dat dé Republiek in 1787 in feite in twee delen was uiteengevallen. Aan de ene zijde stonden Holland, Overijssel en Friesland die de Stadhouder in feite hadden afgezet. De andere gewesten schaarden zich officieel nog wel achter de Stadhouder, maar ook daar nam zijn populariteit sterk af. Utrecht was zelfs tweegedeeld met patriottische Staten in de stad Utrecht en prinsgezinde Staten in Amersfoort.

Holland had reeds in 1784 op eigen gezag het vrijkorps van Frederik Rijngraaf van Salm ingehuurd. Tot dan was Van Salm kolonel van een infanterieregiment in Staatse dienst geweest. Daarnaast richtte hij op 11 november 1784 een korps huzaren op. Op 22 mei 1787 nam Van Salm het commando over de vesting Utrecht op zich. Dit was het centrale punt in het  Hollandse Cordon, een verdedigingslinie die van Gorinchem via Vianen en Vreeswijk naar Utrecht liep en vervolgens de Vecht volgde tot Muiden, Naarden daarbuiten inbegrepen. Tegenover Van Salm lagen Oranjegetrouwe Staatse troepen, die gelegerd waren bij Zeist en Huis ter Heide. De huzaren werden ingezet voor verkennings- en bewakingstaken.  Op 15 juni 1787 werd Van Salm benoemd tot opperbevelhebber van alle Patriottische troepen, waarschijnlijk bij gebrek aan beter. Deze strijdmacht telde ongeveer 25.000 man, voornamelijk bestaande uit slecht geoefende en slecht bewapende vrijcorpsen. Zijn korps huzaren kreeg per zelfde datum de naam Korps Huzaren op Holland. Het werd gecommandeerd door Lodewijk baron van der Borch. Luitenant-kolonel werd Conrad  baron von Düring, die sedert de oprichting majoor was geweest bij het korps en Gerardus graaf van Leiningen werd de nieuwe majoor.

De aanhouding op 28 juni 1787 van Prinses Wilhelmina, echtgenote van Stadhouder Willem V, halverwege Schoonhoven en Haastrecht, leidde tot interventie van haar broer, de koning van Pruisen. Prinses Wilhelmina, een zeer doortastende vrouw, was met groot gevolg op weg van Nijmegen naar ‘s-Gravenhage om daar haar invloed aan te wenden. Het peloton ruiterij van luitenant Van Marle dat bij de aanhouding betrokken was, kwam uit Woerden en behoorde tot het Regiment van Willem graaf van Hessen-Philipsthall, stamregiment van het Regiment Huzaren van Sytzama. Een Pruisisch leger van 20.000-man stelde in september 1787 orde op zaken en Willem V werd in zijn waardigheden hersteld. Van Salm had Utrecht zonder slag of stoot overgegeven en verdween zelf met de noorderzon. Op 25 juli 1794 liet hij te Parijs het leven onder de guillotine. 

Buiten Holland ontstond in de andere gewesten een heksenjacht op patriotten, waarvan er bij benadering twintigduizend het land ontvluchtten naar de Zuidelijke Nederlanden, naar Frans Vlaanderen en naar het gebied tussen Ems en Weser. Deze patriotten, we zouden ze nu wellicht liever democraten noemen, wilden niet alleen, net als vroeger de staatsgezinden, de macht van de stadhouder beknotten, maar ook meer zeggenschap voor de gegoede burgerij. Hun lichtend voorbeeld was de Amerikaanse vrijheidsstrijd. Omdat daar veel Franse vrijwilligers aan hadden deelgenomen, geraakten de patriotten al snel Frans georiënteerd. Een van de patriotten, die de wijk namen naar Frankrijk, was Herman Willem Daendels, een regentenzoon uit Hattem bij Zwolle.

De nadagen van de Republiek

Op de 14e juli 1789 begon in Frankrijk de revolutie met de bestorming van de BaStille. De roep naar meer medezeggenschap die begon vanuit de adel, werd overgenomen door de gegoede burgerij en sloeg over naar het gewone volk. De vlam sloeg ook over naar de Oostenrijkse Nederlanden, waar de  Belgen in 1790 in opstand kwamen tegen de bezettingsmacht, die zij ook daadwerkelijk wisten te verdrijven. In 1792 brak oorlog uit tussen Frankrijk enerzijds en Oostenrijk en Pruisen anderzijds. Frankrijk veroverde voor de zoveelste maal de Oostenrijkse Nederlanden. Op 27 oktober 1792 versloeg generaal Dumouriez bij Jemappes het Oostenrijkse leger. In januari 1793 stierf de Franse koning Lodewijk XVI onder de guillotine; de revolutie ging weer een nieuwe fase in. Afleiden van de bin-nenlandse problemen, oorlog aan de koningen en vrede aan de naties was nu het parool. In februari 1793 verklaarde Frankrijk de oorlog aan de Erfstadhouder van de Republiek en aan dé Koningen van Engeland en Spanje.

Kort na de oorlogsverklaring, op 17 april 1793, was bij het Korps Huzaren op Holland wisseling van de macht. Reinhard baron van Heeckeren van Molencate werd kolonel en gaf zijn naam aan wat nu een regiment heette en Van der Borch werd als kolonelcommandant vervangen door Dirk Wouter baron van Lijnden tot Hoevelaken. Het Korps Huzaren op Holland had op 1 oktober 1787 een zusterregiment gekregen, opgericht door  Adriaan van der Hoop als luitenant-commandant. Eerst op 1 februari 1794 werd er een kolonel benoemd, Pieter Joseph Timmerman en Van der Hoop werd bevorderd tot majoor.

Een Frans leger, met in zijn gelederen een Bataafs bevrijdingslegioen aangevoerd door Daendels, viel in mei 1793 Staats Brabant binnen. Na aanvankelijke Franse successen, dé overgave van Breda en Geertruidenberg, verdreef het geallieerde leger hen weer en de daarop volgende veldtocht in Vlaanderen verliep zeer succesvol. Na de nederlaag bij Wervik op 13 september 1793, moesten de Fransen zich op eigen grondgebied terugtrekken. Frankrijk had ook interne problemen. Toulon, gesteund door een Engelse strijdmacht, hield de poorten voor de revolutie gesloten. Majoor Napoleon Bonaparte bombardeerde de stad met zijn artillerie. De Engelsen landden bij Duinkerken. Maar de geallieerden verzuimden door te stoten naar Parijs. 

Het jaar daarop kwamen de Fransen met nieuw elan weer terug, onder aanvoering van generaal Jean Charles Pichegru. Daendels, inmiddels bevorderd tot generaal-majoor, was met zijn Bataafse Legioen ook weer van de partij. Na hun overwinning op 26 juni 1794 bij Fleurus aan de Sambre nabij Charleroi, rukten zij snel op naar Zeeuws-Vlaanderen, dat eind september 1794 door de Staatse troepen ontruimd werd en tot 1814 een deel van Frankrijk bleef. Staatse troepen hielden nog tot de winter stand in een verdedigingslinie, die van Bergen op Zoom naar Grave liep en voor een deel uit inundaties bestond. De Huzaren van Heeckeren namen deel aan de slag bij Fleurus en de Huzaren van Timmerman namen deel aan gevechten in Noord-Brabant in de herfst van 1794.

Het Engelse leger, hoofdzakelijk bestaande uit Hannoveranen, trok vanuit midden-Brabant plunderend in noord-oostelijke richting terug en de Oostenrijkers moesten Limburg, met name Maastricht en Venlo prijsgeven. Toen de rivieren en de inundaties dichtvroren, konden de Fransen verder doordringen. Begin januari was Pichegru in Utrecht en deelde mede, dat van een verdrag met Frankrijk geen sprake kon zijn zolang Stadhouder Willem V nog in het land was. Die vertrok op 18 januari vanuit Scheveningen naar Engeland.

De Bataafse Republiek

Op 20 januari 1795 hield Pichegru triomfantelijk zijn intocht in Amsterdam, onder gejuich van een uitzinnige menigte. Pichegru wist heel goed wat hij wilde en het gejuich verstomde spoedig. De Republiek was overwonnen en bezet en kon zijn onafhankelijkheid als Bataafse Republiek terugkopen voor 100 miljoen gulden. Dat de Republiek zijn beperkte zelfstandigheid mocht behouden en niet direct werd ingelijfd bij Frankrijk, was vooral te danken aan de invloed van Herman Willem Daendels. Hierdoor kon de Republiek met horten en stoten in tien jaar tijd groeien naar een eenheidsstaat, bakermat van het latere Koninkrijk. Staats-Vlaanderen en een deel van Walcheren met Vlissingen kwamen aan Frankrijk, evenals Staats-Limburg met Venlo en Maastricht. De Oostenrijkse Nederlanden waren ook ingelijfd bij Frankrijk. Frankrijk kreeg vrije vaart op Schelde, Maas en Rijn en het kon beschikken over het gros van leger en vloot van de Bataafse Republiek. Bovendien moest de Republiek 25.000 man Franse troepen legeren, voeden, kleden en betalen. De Republiek kreeg een vijfhoofdig uitvoerend bewind.

Het Staatse leger werd ontbonden, en daarmee de 12 Staatse cavalerieregimenten. In het Bataafse leger werden alleen die officieren opgenomen die niet openlijk hadden blijk gegeven van sympathie voor Oranje. Veel officieren kozen voor pensioenering, anderen weken uit naar het buitenland om daar, onder andere onder de Oranjes, te gaan dienen. De restanten van beide huzarenregimenten werden samengevoegd en op 8 juli 1795 ontstond daaruit het Regiment Huzaren van de Bataafse Republiek. De Huzaren van Heeckeren leverden het 1e en het 2e eskadron, de Huzaren van Timmerman het 3e eskadron. Dolman en broek waren donkerblauw met gouden/gele tressen, hoofddeksel was een chako. Bij de cavalerie droegen alleen de huzaren een sabeltas. De nieuwe regimentscommandant werd François Quaïta met als luitenant-kolonel Jean Antoine Collaert, de latere divisiecommandant bij Waterloo. De andere cavalerie-eenheden van de Bataafse Republiek werden het Regiment Dragonders en het 1e en 2e Regiment Zware Cavalerie, die in 1803 gereorganiseerd werden tot 1e en 2e Regiment Lichte Dragonders. Bij deze reorganisatie werd Collaert regimentscommandant van de Huzaren. Dit regiment nam met alle drie eskadrons deel aan de veldtocht van Frankrijk in Duitsland tegen Oostenrijk, die op 7 september 1796 begon. Het maakte deel uit van de 2e Brigade van de Bataafse Divisie. De Bataafse troepen namen bij deze veldtocht niet aan gevechten deel.

In maart 1797 maakte het Regiment Huzaren met twee eskadrons deel uit van de Bataafse Divisie, gecommandeerd door luitenant-generaal Daendels, die tezamen met een Franse strijdmacht in Ierland zou landen. De troepen scheepten zich medio juli in Den Helder in, maar omdat de wind hardnekkig in de verkeerde hoek bleef, kon de vloot niet uitvaren en begin september werd de operatie afgelast. In 1799 werd het Regiment.

Huzaren als onderdeel van de 2e Divisie van luitenant-generaal Jean-Baptiste Dumonceau ingezet tegen de Engels-Russische invasie in Noord-Holland. De Engelsen landden op 23 augustus halverwege Huisduinen en Callantsoog bij Kleine Keeten, waar nu het Luchtdoelartillerie Schiëtkamp is. Zij namen al spoedig het door de Bataafse troepen ontruimde Den Helder in bezit en beschikten daarmee over een goede haven om meer troepen, het werden er 40.000 en meer materieel en paarden aan land te brengen.

De Frans-Bataafse troepen moesten terug op de lijn Alkmaar Hoorn. Vandaar gingen zij, nadat versterkingen uit andere delen van de Republiek waren gearriveerd, op 10 september in de tegenaanval. Vrijwel geheel West Friesland werd heroverd. De invasiemacht, die ook versterking had gekregen, ging op 19 september weer in de aanval.

De divisie Dumonceau onderscheidde zich op die dag bij hevige gevechten nabij Bergen. Het Regiment Huzaren leverde op het strand bij Egmond slag met Engelse cavalerie. Luitenant Jean-Baptiste van Merlen werd gesneuveld gemeld, doch laat in de avond werd hij door de opkomende vloed weer tot bewustzijn gebracht en hij slaagde erin zich weer bij het regiment te voegen. In 1815 zou hij bij Waterloo de 2e Brigade Ligte Cavalerie commanderen.

Luitenant generaal Jean-Baptiste Dumonceau

Tot begin oktober golfde de strijd heen en weer tussen Alkmaar en Schagen, maar toen gaf de Franse generaal Brune, die de Frans-Bataafse strijdmacht commandeerde, bevel terug te gaan op de lijn Uitgeest-Wijk aan Zee. Van Haarlem liep een brede inundatiegordel oost van Beverwijk en Akersloot en noord van Purmerend naar de Zuiderzee. Hierdoor werd het gevechtsterrein beperkt tot een smalle kuststrook. Na zware gevechten op 6 oktober bij Wijk aan Zee, Castricum en Akersloot werden de invasietroepen in noordelijke richting teruggedrongen. Het Regiment Huzaren leverde weer slag op het strand, nu bij Wijk aan Zee. Kort daarna werd een wapenstilstand gesloten en de invasiemacht kreeg vrije aftocht.

Van juli 1800 tot maart 1801 nam de Bataafse Divisie, gecommandeerd door luitenant-generaal Dumonceau, deel aan de Franse winterveldtocht langs de Main tegen Oostenrijk. Het Regiment Huzaren maakte met twee eskadrons deel uit van de 2e Brigade en nam deel aan gevechten in de omgeving van Würzburg.

Na een reeks overwinningen van het Franse leger onder Napoleon Bonaparte, werd eerst vrede met Oostenrijk gesloten en daarna, in maart 1802 de Vrede van Amiens met Spanje en Engeland. Frankrijk had na de veelhoofdige leiding tijdens het begin van de revolutie, een uitvoerend bewind van vijf man gekregen en daarna kregen drie consuls de macht. Nu bleef daarvan alleen Napoleon over als Consul voor het leven. De Erfprins van Oranje werd door bemiddeling van de Bataafse gezant in Parijs, Rutger Jan Schimmelpenninck, door Napoleon ontvangen. Hij kreeg in ruil voor zijn verloren bezittingen in de Bataafse Republiek, nieuwe in Duitsland: Fulda, Corvey en enige rijkssteden, wat hem een inkomen van bij benadering een half miljoen gulden per jaar opleverde.

Even leek de Bataafse Republiek omhoog te krabbelen uit het dal van de economische misère, maar de vrede duurde niet lang. Bij het uitbreken van de nieuwe oorlog lagen veel schepen in Engelse havens en werden daar geconfisceerd. Aan de expeditie naar Hannover, die op 6 juni 1803 van start ging, nam het Regiment Huzaren pas deel na de reorganisatie van het expeditiekorps op 25 november 1803 met het 1e en het inmiddels geformeerde 4e eskadron.

In 1804 kroonde Napoleon zichzelf tot Keizer van Frankrijk. Op zijn aanwijzing werd op 29 april 1805 Rutger Jan Schimmelpenninck staatshoofd voor vijf jaar met de titel van Raadpensionaris. Het beleid werd echter vanuit Frankrijk gedicteerd en verder had Schimmelpenninck ook weinig armslag door de desolate toestand van ‘s-lands financiën.

De invoering van het Continentaal Stelsel, dat de eens zo bloeiende handel en scheepvaart, waarvan sedert 1795 toch al niet zoveel meer van over was, nog verder inperkte, was een zware slag voor het toch al zo verarmde land. Een van de middelen die Schimmelpenninck gebruikte om ‘s lands deplorabele financiële toestand te verbeteren, was een inkrimping van het leger. Op 11 juni 1805 werden als gevolg daarvan onder andere het 1e en 2e Regiment Lichte Dragonders samengevoegd tot 2e Regiment Dragonders. Het Regiment Dragonders werd toen 1e Regiment Dragonders. Het Regiment Huzaren hoefde niet in te leveren.

De Bataafse Divisie, nog steeds gecommandeerd door luitenantgeneraal Dumonceau, nam ook deel aan de Franse veldtocht in Duitsland, die gericht was tegen Oostenrijk. Ook aan deze veldtocht nam het Regiment Huzaren deel met twee eskadrons. De Bataafse Divisie nam wel deel aan het beleg van Ulm, doch niet aan de Slag bij Austerlitz op 2 december 1805. Hoewel op de vooravond van kerstmis in Presburg de vrede getekend werd, keerde de Bataafse Divisie eerst in april 1806 in de Republiek terug.

(1806-1810)

De beide eskadrons van het Regiment Huzaren, die onder commando van kolonel John Macpherson aan de veldtocht in Oostenrijk en Beyeren hadden deelgenomen, keerden op 27 maart 1806 terug in Deventer en Zutphen. Daarna werd steeds één compagnie te ‘s Gravenhage gelegerd.

Het Koninkrijk Holland

In juni 1806 werd Schimmelpenninck onder Franse druk als staatshoofd terzijde geschoven. ‘s Keizers broeder Lodewijk, 28 jaar oud, nam zijn plaats in en aanvaardde gelijkertijd de koningstitel. Zo werd uit de Bataafse Republiek het Koninkrijk Holland geboren; de ontwikkeling van een nogal losse unie tot een moderne eenheidsstaat was voltooid. Ook het leger was van karakter veranderd: bestond het Staatse leger nog hoofdzakelijk uit buitenlanders, nu was het aandeel door ingezetenen van het Koninkrijk gegroeid tot ongeveer de helft. De andere helft bestond hoofdzakelijk uit Duitsers. Dat kwam mede doordat bij de vele veldtochten in Duitsland en meer nog gedurende de bijna drie jaar dat het Hollandse leger als bezettingsmacht in Noordwest-Duitsland lag, ter plaatse vrijwilligers werden aangeworven. Het liefst had men boerenzonen uit Mecklenburg, dat werden prima huzaren. Die spraken ook hetzelfde dialect als in Groningen gesproken werd. Er was daar een vast wervingsbureau voor het Hollandse leger. Ook placht men vaak krijgsgevangenen aan te nemen. Desertie kwam dan ook vaak voor. Koning Lodewijk bleef echter weigeren om de dienstplicht in te voeren, ondanks toenemende pressie van zijn machtige broer. Hoewel de organieke sterkte van het Hollandse leger ongeveer 32.000 man was, is de werkelijke sterkte daardoor zelden boven de 20.000 man uitgekomen. De meeste vrijwilligers kwamen uit de, door het Continentale Stelsel noodlijdende, textielindustrie.

Reorganisatie

De gehele cavalerie werd gereorganiseerd. Het nummer ‘1 ‘ was voortaan voorbehouden aan de Garde, die door Lodewijk sterk werd uitgebreid. Het Regiment Grenadiers te Paard werd later “1e Regiment Cuirassiers” en het Regiment Huzaren van de Garde werd later “1e Regiment Husaren”. Het bestaande Regiment Huzaren, het stamregiment van de Huzaren van Boreel, werd ‘2e Regiment Husaren”, het 1e Regiment Dragonders werd “3e Regiment Husaren” en het 2e Regiment Dragonders werd “2e Regiment Cavalerie”, later “2e Regiment Kurassiers”.

De organieke sterkte van het 2e Regiment Huzaren bedroeg vijf eskadrons à twee compagnieën. Een compagnie telde 73 hoofden en 51 paarden, de staf 22 hoofden en 17 paarden, totaal 752 hoofden en 527 paarden. Later werd een compagnie 98 hoofden en 90 paarden zodat het regiment toen organiek 1000 hoofden en 920 paarden telde. Het eskadron was een louter tactische formatie en had geen eigen staf. Kolonel Macpherson werd in september brigadecommandant en als regimentscommandant opgevolgd door kolonel Adrien Bruno. Deze werd ter zijde gestaan door een majoor en twee luitenant-kolonels. De rang van luitenant-kolonel was toen lager dan die van majoor. Onder andere Lambertus Coenegracht, Christiaan Lechleitner en Johan Renno dienden als luitenant- kolonel bij het 2e Regiment Huzaren. Later, bij Waterloo, zouden zij respectievelijk de regimenten Carabiniers No. 1 en No. 3 en het regiment Ligte Dragonders No. 4 commanderen. Het 2e Regiment Huzaren werd gelegerd in Zutphen en Deventer. Als enige cavalerieregiment onderging het uniform van 1795 tot 1814 vrijwel geen verandering; het voldeed kennelijk.

De veldtocht langs de Wezer 

Vanaf augustus 1806 verzamelde het Hollandse legerkorps zich in het kamp van Zeist, in afwachting van de komende veldtocht tegen Pruisen, Saksen, Zweden en Rusland, die te zamen met Engeland de 4e Coalitie tegen Frankrijk hadden gevormd. De daar, als werkverschaffing voor de soldaten, een jaar eerder opgeworpen aarden pyramide werd later vernoemd naar de Slag bij Austerlitz. De pyramide is nog steeds een touristische attractie. Het 2e Regiment Huzaren kwam op 20 september aan in het kamp van Zeist met twee eskadrons en vertrok op 25 september met de voorhoede naar Wezel.

In oktober 1806 opereerde het Hollandse legerkorps – bestaande uit de garde en twee divisies onder commando van Koning Lodewijk, op de linkerflank van het Franse leger in Westfalen, Hessen-Kassel en Hannover. Het Regiment nam deel aan de belegering van Kassel, dat zich bijna direct overgaf. Daarna marcheerde het voor de hoofdmacht uit langs de linkeroever van de rivier de Wezer naar het noorden. Vlak voor Hameln vond op 7 november een ontmoetingsgevecht plaats met een eskadron Pruisische dragonders en infanterie van het regiment van de Prins van Oranje, die in Pruisische dienst was gegaan. Te zamen met het Regiment Grenadiers te Paard achtervolgden de huzaren de vijand tot binnen bereik van het vestinggeschut van Hameln. Vier huzaren werden daarbij gewond door sabelhouwen en musketvuur. Bij de Grenadiers te Paard raakten luitenant-kolonel Laats en een van zijn manschappen gewond. Ongeveer tachtig Pruisen werden gevangen gemaakt. Hamelen kon op 21 november worden ingenomen, omdat het garnizoen aan het muiten sloeg. Het 2e Regiment Huzaren maakte dat echter niet meer mee.

Met het 8e Franse Korps naar Zweeds-Pommeren

De Franse hoofdmacht onder Napoleon had ondertussen de Pruisen bij Jena en bij Auerstàdt verslagen. Generaal Dumonceau nam op 13 november het bevel over van de koning, die ondertussen bemerkt had dat er voor hem geen belangrijke rol in deze veldtocht was weggelegd en teleurgesteld met zijn garde naar  Holland terugging. Dumonceau moest een deel van zijn troepen afstaan aan het 8e Franse Leger-  korps van Mortier, dat rechts van hem opereerde op de linkerflank van het Franse leger. Dat deel bestond uit de beide Franse infanterieregimenten, die al in het Kamp van Zeist bij het Hollandse korps waren gevoegd, het 2e Regiment Cavalerie, het 2e regiment Huzaren en beide compagnieën rijdende artillerie. De Hollandse eenheden vormden een brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Charles Mascheck. Deze brigade werd ingedeeld bij de cavaleriedivisie van luitenant-generaal Lorgé. Verder bestond het 8e Korps uit nog zes Franse infanterieregimenten en twee batterijen voetartillerie.

Na de inname van Hannover door het 8e Korps, marcheerde het 2e Regiment Huzaren als deel daarvan via Celle, Uelzen en Lüneburg naar Hamburg. Van daar ging het via Mecklenburg naar Anklam, gelegen aan de rivier de Peene op de grens van Pruisisch- en Zweeds-Pommeren. Op 28 januari 1807 overschreed het 8e Korps de Peene en belegerde vervolgens twee maanden lang Stralsund. De sterkte van het 2e Regiment Huzaren bedroeg toen 25 officieren en 326 onderofficieren en huzaren. Ook kolonel Bruno werd brigadecommandant en als regimentscommandant opgevolgd door kolonel Louis van Heilman.

Stralsund

In maart moest het 8e Korps troepen afstaan aan andere delen van de Grande Armée, doch het kreeg als compensatie een infanteriebrigade ter sterkte van zeven bataljons van het Hollandse korps. Dat kreeg op zijn beurt weer versterking uit Holland. Op 29 maart ging het 8e Korps oostwaarts om Kollberg, dat dapper standhield onder commando van majoor Neithardt Van Gneisenau, de Hollandse te gaan belegeren. Van de Hollandse troepen ging alleen het 2e Regiment Kurassiers mee (het vroegere 2e Regiment Cavalerie). De divisie van luitenant-generaal Grandjean bleef voor Stralsund, met daarin alle overige Hollandse troepen.

De Zweden bemerkten al spoedig dat hun belegeraars danig waren verzwakt en deden op 1 april een massale uitval met ongeveer 14.000 man. Zij dreven binnen een week hun belegeraars slechts 4.000 man -130 km in zuid-oostelijke richting voor zich uit tot aan de Oder bij Stettin. Vooral dankzij het 2e Regiment Rijdende Artillerie van kapitein Hoogerwaard, liep de terugtocht niet uit op een debâcle voor de divisie Grandjean. Een eskadron werd aangevoerd door luitenantkolonel Renno, het andere door generaal-majoor Mascheck. De huzaren waren continu bezig om infanterie-eenheden, die van de eigen troepen afgesneden geraakten, uit de dreigende omsingeling te bevrijden. De Hollandse infanterie verloor bij deze gevechten bijna 400 man aan doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen. De 2e compagnie Rijdende artillerie werd in Anklam door de Zweden overvallen en verloor daarbij vrijwel alle materieel en het gros van het personeel en de paarden. Daarbij vergeleken waren de verliezen bij de huzaren gering: twee man gesneuveld, vier gewond, twee gevangen genomen en drie vermist. Vijf paarden hadden ernstig letsel opgelopen.

Van het 2e Regiment Huzaren werd luitenant Michiel Pijman voor zijn aandeel in de achterhoedegevechten benoemd tot ridder in de Orde van de Unie, Lodewijks tegenhanger van het Legion d’Honneur. Dapperheidsonderscheidingen waren er toen alleen voor officieren. De wachtmeesters Flick, Schneider en Bruijninga, de brigadiers Valk en Hoevelaken en de trompetter Muller mochten een insigne met twee gekruiste sabels op hun uniform dragen. Daaraan ontleenden zij het recht op een hogere soldij en een gratificatie van 100 gulden voor de onderofficieren en 60 gulden voor de manschappen. Brigadier Cornelis Valk, die met vier huzaren door de vijand omsingeld was, had zich met de sabel een weg door de vijandelijke gelederen gehouwen, waardoor zij zich allen weer bij het eskadron konden voegen. Hijzelf was daarbij door drie sabelhouwen gewond geraakt. Brigadier Hoevelaken had met zes huzaren op 8 april bij Pasewalk een Zweedse patrouille gevangen genomen. Een tegenoffensief van het te hulp gesnelde 8e Korps begon op 16 april en dreef de Zweden binnen 48 uur weer dezelfde 130 km terug naar Stralsund, waar de Zweedse commandant, generaal Baron von Essen, op 18 april een wapenstilstand sloot met generaal Mortier.

Het Regiment versterkt 

Begin mei werd het Regiment versterkt met een 3e eskadron, dat in Duitsland was geformeerd en waarvan zeker een kwart uit krijgsgevangen Pruisische huzaren was gerecruteerd. Het werd gecommandeerd door luitenantkolonel Wijnand Brepoels. Kort daarna kwam uit het depot in Zutphen ook nog een 4e eskadron, gecommandeerd door ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht Het depot in Zutphen werd gecommandeerd door majoor Marie Joseph Collaert, hoofdinstructeur was daar ritmeester Christiaan Lechleitner. De sterkte varieerde van 250 tot 450 man. Koning Lodewijk betuigde in een brief van 31 maart 1807 zijn tevredenheid aan beide hiervoor genoemde officieren over de uitstekende gang van zaken in het depot. Dit zal er wel toe hebben bijgedragen, dat Collaert in december 1807 het commando over het 2e Regiment Huzaren kreeg en bevorderd werd tot kolonel.

Mortier kon nu al zijn aandacht weer richten op de Pruisen en sloeg het beleg voor Danzig. Ook het 2e Regiment Huzaren nam daaraan deel en op weg daarheen, op 24 mei 1807 nabij Kollberg, stuitte het eskadron van luitenant-kolonel Brepoels op een compagnie Pruisische huzaren. Na een succesvolle charge achtervolgde hij de vluchtende vijand, totdat deze kans zag om zich bij het eigen eskadron te voegen. Toen hij daarna opnieuw wilde chargeren op de nu veel sterkere vijand, sloegen zijn Pruisische manschappen aan het muiten. Een brigadier, twee trompetters en 36 huzaren liepen over naar de vijand, daarbij het eigen eskadron onder vuur nemend. Opperwachtmeester Kôhler onderscheidde zich bij herhaling tijdens deze gevechten.

Op 27 mei 1807 gaf de stad Danzig zich over. Van de Hollandse troepen namen daarna alleen het 2e Regiment Kurassiers en de 1e Compagnie Rijdende Artillerie met het 8e Korps deel aan de slag bij Friedland in Oost-Pruisen op 14 juni 1807, waarbij het Russische leger werd verslagen. Bij deze veldtocht werd veel honger geleden. Na de Vrede van Tilsit kwamen alle delen van Pruisen die west van de Elbe lagen, met uitzondering van Oost-Friesland, bij het nieuwe koninkrijk Westphalen. Oost-Friesland werd in november 1807 als tiende provincie bij het koninkrijk Holland gevoegd. De Hollandse troepen keerden alle terug onder commando van Dumonceau, die met het Hollandse korps noordwest Duitsland bezet hield van Lingen tot Hamburg. Het 2e Regiment Huzaren werd medio augustus 1807 gelegerd in en om Wildeshausen.

Terug naar Holland

In september keerde ongeveer de helft van de troepen terug naar Holland, waaronder ook het 2e Regiment Huzaren. De divisie van luitenant-generaal Gratien, met daarin het 2e Regiment Kurassiers, bleef in Duitsland achter als bezettingsmacht. Het 2e Regiment Huzaren marcheerde met drie eskadrons van Wildeshausen via Oldenburg naar Leer, alwaar het met één eskadron in garnizoen ging. De beide andere eskadrons marcheerden verder naar respectievelijk Leeuwarden en Emden. Men verwachtte namelijk een Engelse landing in Groningen of Friesland. Voorts moest het Regiment daar waken tegen sluikhandel met Engeland. Het 4e eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht marcheerde van Wildeshausen via Lingen naar Deventer, waar het op 16 september 1807 aankwam.

Dat het thuis ook niet alles was, bemerkte ritmeester JeanBaptiste Bicker, toen hij na elf maanden weer op vaderlandse bodem kwam. Hij was met zijn compagnie in de vroege morgenuren van de 10e september uit Westerstede vertrokken. Zij hadden in de stromende regen meer dan twaalf uur in het zadel gezeten, en werden op weg zijnde naar Leeuwarden, in Winschoten ingekwartierd. De houding van de plaatselijke bevolking, de burgemeester voorop, was ronduit vijandig en op vele adressen weigerde men te stoken en de huzaren een avondmaal te bereiden.

Dreiging aan de westkust

Pas in maart 1808 kwam het gehéle regiment weer terug naar Deventer (1e en 2e eskadron), Zutphen (Staf, 4e en 5e eskadron) en Doesburg (3e eskadron). Vanwege toenemende geruchten over een op handen zijnde Engelse invasie werd op 12 mei 1808 de staf van het regiment met twee eskadrons naar ‘s-Gravenhage overgeplaatst.Van daar ging op 25 mei een eskadron naar Zuid-Beveland. Daar werd het geteisterd door de “Zeeuwse koorts” en om die reden ging het vervolgens naar Bergen op Zoom, waar de verpleging en de legering beter waren. Door ziekte uitgedund keerde het op 5 september 1808 weer terug in Zutphen, waar nog steeds het depot was. Op 31 augustus ging één compagnie van Zutphen naar Leiden.

De Engelse invasie op Walcheren

Eind juli 1809 landden 38.000 man Engelse troepen op Walcheren en binnen twee weken hadden zij ook Zuid-Beveland in handen. Hierdoor werd de haven van Antwerpen geblokkeerd. Staats-Vlaanderen en een deel van Walcheren met Vlissingen waren al in 1795 bij Frankrijk ingelijfd en Lodewijk vreesde dat hij ook de rest van Walcheren en bovendien Zuid-Beveland aan zijn grote broer zou kwijt raken, als hij de invasietroepen niet zou terugslaan. Hij riep daarom begin augustus 1809 ook de divisie Gratien uit Duitsland terug. Alles wat Lodewijk bij de hand had, ongeveer 6.000 man, was reeds verzameld in het Kamp van Naarden. Dat lag op de woeste gronden west van de stad, waar nu Bussum ligt. Het 2e Regiment Huzaren was ingedeeld bij de 2e Brigade, gecommandeerd door generaal-majoor Otto von Goes, die deel uitmaakte van de 2e Afdeling. Deze 2e Afdeling werd gecommandeerd door een oud regimentscommandant, luitenant-generaal Adrien Bruno. Reeds op 30 juli vertrok het leger vanuit het Kamp van Naarden en marcheerde via Utrecht, Vianen, Gorkum, Geertruidenberg en Breda naar Bergen op Zoom. Het 2e Regiment Huzaren bezette voorposten achter de Buitendijk van Bergen op Zoom tot Ossendrecht.

Koning Lodewijk voerde zelf het opperbevel. Medio augustus werd maarschalk Bernadotte benoemd tot opperbevelhebber van de ‘Armée du Nord’. Dat was voor koning Lodewijk voldoende reden om, tijdens een grote wapenschouw op 15 augustus bij Zandvliet, het commando over te dragen aan de maarschalk van Holland, Jean-Baptiste Dumonceau. De volgende dag keerde hij verongelijkt terug naar Amsterdam.

Na de overgave werd verwacht dat de Engelsen nu wel verder in de aanval zouden gaan. De hiervoor reeds genoemde ‘Zeeuwse koorts’ hield gelukkig ook hevig huis onder de Engelse troepen en generaal-majoor Cort Heiligers maakte hiervan gebruik door met een kleine troepenmacht op 4 september de vesting Bath op Zuid-Beveland te heroveren. De volgende dag werden de overige troepen, met uitzondering van de huzaren, bij Wemeldinge ontscheept.

Het 2e Regiment Huzaren ging, hoe ongelooflijk het ook moge klinken, op 18 september bij laag water te paard door de OosterSchelde naar Zuid-Beveland, dat toen nog een eiland was. Het regiment kantonneerde daarna te Goes, ‘s-Gravenpolder en later ook bij Yerseke. Gevechtscontact met de Engelsen bleef beperkt tot kleine schermutselingen. De sterkte was toen 720 hoofden en 617 paarden. In november 1809 scheepte de invasiemacht zich weer in. Het 2e Regiment Huzaren bleef nog tot februari 1810 in Zeeland. Het werd daarna in het westelijk deel van NoordBrabant gelegerd en keerde in april 1810 weer terug naar Deventer en Zutphen.

Het einde van het Koninkrijk Holland

In maart 1810 werden NoordBrabant, Zeeland en het Land van Maas en Waal ingelijfd bij Frankrijk en Holland moest nog eens 6.000 man Franse troepen legeren en onderhouden ter naleving van het Continentale Stelsel. Napoleon beschouwde, niet ten onrechte, Holland als een bres in de wal die het continent moest afsluiten tegen handel met en scheepvaart op Engeland.

Napoleon was bovendien nog steeds woedend dat Lodewijk zijn korps uit Noord-Duitsland, waar het de naleving van het Continentale Stelsel moest bewaken, had teruggehaald. Er kwamen nog meer Franse troepen en Napoleon eiste ook de bezetting van Amsterdam.

Op I juli deed Lodewijk afstand van de troon ten gunste van zijn oudste zoon. Daar kwam niets van terecht, maar zijn jongste zoon, toen 2 jaar oud, zou later president en als Napoleon III keizer van Frankrijk worden.

Het 11e Regiment Huzaren (1810 – 1814)

Deel van het Keizerrijk 

Op 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland, verdeeld over negen departementen, ingelijfd bij het Keizerrijk Frankrijk. Deze departementen werden bestuurd door prefecten en kregen de volgende namen:  Zuiderzee (Noord-Holland, Utrecht), Monden van de Maas (Noord-Brabant), Monden van de Schelde (Zeeland), Monden van de Rijn (Zuid-Holland), Boven-IJsel (Gelderland), Monden van de IJsel (Overijssel), Wester-Eems (Groningen), Ooster-Eems (Oost-Friesland) en Friesland dat als enige zijn naam behield. Limburg was al in 1795, net als Zeeuws-Vlaanderen en de Oostenrijkse Nederlanden (België), bij Frankrijk ingedeeld.

Amsterdam werd, na Parijs en Rome, derde hoofdstad van het Keizerrijk. Reeds op 14 juni arriveerde daar de tweeënzeventigjarige Igen Charles Lebrun als gouverneur-generaal over deze negen departementen. Vooraanstaande Hollanders namen deel aan het bestuur: Gogel, Six, Van Hogendorp, Van Maanen, Mollerus en adm Verhuell. Toch gleed het land verder af in armoede en de toch al tanende handel kreeg, door de verscherpte naleving van het verbod op de handel met Engeland, ook geen enkele kans om zich te herstellen.

Reorganisatie en overplaatsing 

Het ongeveer 20.000 man tellende Hollandse leger ging op in de  Keizerlijke armee. Het Franse leger had tot dusver tien huzarenregimenten, het 2e Regiment Huzaren werd hernoemd tot Ile Régiment de Hussards. Het 2e Regiment Kurassiers werd hernoemd tot 14e Régiment de Cuirassiers (stamregiment van RHS) en uit de beide afdelingen van de Garde te Paard ontstond in september en oktober 1810 het 2e Régiment de Chevau-Légers van de keizerlijke garde (stamregiment van RHPA).

Het 11e Regiment Huzaren vertrok in de tweede helft van  augustus 1810 vanuit Deventer en Zutphen naar zijn nieuwe garnizoen, Arras in het noord-westen van Frankrijk. Bij gebrek aan paarden marcheerde het gros van het regiment te voet met de uitrusting op de rug, een zeer beschamende ervaring voor een huzarenregiment. Op 30 augustus was de verhuizing voltooid. De organieke sterkte werd vastgesteld op een staf van 22 hoofden en 1 7 paarden en vier eskadrons à 240 hoofden en 200 paarden, het totaal 982 hoofden en 817 paarden. In juli 1811 vond te Parijs voor de Tuileriën een grote parade plaats. Kol Collaert, vergezeld door ritm Ramakers, owi Debetz en de wmrs Bruijninga en Périé, ontving daarbij uit handen van de Keizer de nieuwe Standaard van het Regiment. Owi Debetz werd op tweede kerstdag 1811 bevorderd tot tlnt.

Van april 1811 tot januari 1812 maakten vier compagnieën, onder commando van ritm Cornelis Antonie Geisweit van der Netten, deel uit van een mobiele colonne. Deze eenheid moest onwillige lotelingen en deserteurs opsporen, eerst in het oostelijk deel van België, daarna in Normandië. Tijdens deze niet zo plezierige opdracht zag hij wel kans om een boek over paardekennis te voltooien (afbeelding l) en soms was er ook nog wel tijd voor enige verstrooiïng. Zo schreef hij uit oostelijk België naar zijn lieve vrouw ‘Coosje’ over een meisje dat hij daar had ontmoet: ‘Gij moet echter niet jaloers worden, schoôn indien gij haar kende, zoude gij het misschien wezen, want zeldzaam heb ik een meisje aangetroffen dat mij door haar karakter en hoedanigheden beviel. Daarnaast heeft zij ook nog eene superbe taille. Gij weet echter dat ik anders weinig van den omgang van vrouwen maak.’

De veldtocht naar Moskou

Aan de veldtocht in 1812 naar Rusland namen 15.000 man Hollandse troepen deel: alle drie cavalerieregimenten, het 3e Regiment Gardegrenadiers, het 33e Regiment Lichte Infanterie, het 123e t/m 126e Regiment Infanterie van Linie, de batterij Hoogerwaard van de Rijdende Artillerie en het 1e Bataljon pontonniers. Voorafgaande aan de veldtocht werd het 11e  regiment Huzaren in januari 1812 ingedeeld bij de 9e Brigade Lichte Cavalerie.

Van de nog benodigde paarden zouden er 380 te Hannover en Hamburg worden geleverd. Op 15 januari vertrok daarom een detachement, bestaande uit de ritms Cornelis Geisweit van der Netten en Lodewijk Crooij, vijf ltnts en 280 onderofficieren en huzaren te voet naar Westfalen. Op 5 februari bereikten zij Osnabrück, vanwaar ritm Crooij met ruim honderd man verder ging naar Hannover en ritm Geisweit van der Netten met de overigen naar Hamburg, waar hij op 13 februari aankwam. Nadat ook ritm Crooij daar was aangekomen, vertrok het detachement op 28 februari uit Hamburg en bereikte op 22 april Frankfurt a/d Oder.

Het 11e Regiment Huzaren was op 1 februari vertrokken uit Arras. In de omgeving van Leipzig vormde het, te zamen met het 4e Regiment Jagers te Paard en het 2e Regiment Würtembergse Chevaux Légers, de 14e Brigade Lichte Cavalerie. Deze brigade trad van daar op als voorhoede van het 3e Korps van maarschalk Michel Ney. Eind april werd het detachement van de ritms Geisweit en Crooy verenigd met het Regiment en de nieuwe paarden werden verdeeld over de eskadrons. Op 13 mei bereikte het Regiment Torun (Thorn) aan de Wisla (Veichsel), midden in de driehoek Warschau-Posen-Danzig. Verder naar het oosten ontstond groot gebrek aan voer voor de paarden, die vraten het stroo van de daken. Omdat het Regiment eind mei wederom werd ingedeeld bij de 9e Brigade, keerde het terug naar Torun. Op I juni werd Ikol Renno overgeplaatst naar het 5e Regiment Huzaren. Twee Franse Ikols werden bij het 11e Regiment Huzaren geplaatst, waar zij met het nodige wantrouwen werden ontvangen.

De Russische grens overschreden

Op 25 juni overschreed het Regiment de Niemen (Nieman) via een pontonbrug en op 29 juni werd de Wilna (Vilija) doorwaad. Een poging om twee eskadrons Russische huzaren van hun eigen troepen af te snijden mislukte.

Het Regiment begon veel paarden te verliezen door ondervoeding. Op 20 juli werd de Duna (Daugava) bereikt en op 23 juli overschreden. De stad Polotsk (Polock), ongeveer 200 km noord van Minsk gelegen, werd geplunderd en daarna verbrand. Op 27 juli werd Witebsk (Vitebsk) ingenomen en daarna lag het Regiment tot 7 augustus in opstelling voor Leontschevo (Liozno). Het Regiment had toen reeds 400 paarden verloren en de overgebleven paarden waren in een zeer slechte conditie.

Op 14 augustus werd het regiment, na een lange en moeilijke mars, overhaast en zonder te wachten op de artillerie, ingezet bij Krasnoje aan de Dnjepr, zuidwest van Smolensk. De vijand stond, door een lage heuvelrug aan het oog onttrokken, achter een stuk moerasachtige grond in één massief carré opgesteld. De aanval was dapper en mislukte keer op keer, tot drie maal toe. Het Regiment verloor daarbij 8 doden en 21 gewonden. De volgende dagen dekte de 9e Brigade de flank van het 3e Korps. Het Regiment had daarbij alleen enige schermutselingen met groepjes kozakken. De Russen werden bij Smolensk ten koste van grote verliezen aan beide zijden verdreven en trokken zich terug op een stelling die ongeveer 100 km voor Moskou bij Borodino was gelegen. Het 3e Korps volgde de terugtrekkende Russen, de 9e Brigade beschermde daarbij de achterhoede.

In de laatste week van augustus werden vier ritms, vier luitenants en de betaalmeester overgeplaatst naar Franse  huzarenregimenten. Dat veroorzaakte enige bevorderingen bij de officieren van het Regiment en de wmrs Bruijninga en Basten werden bevorderd tot tlnt.

Op I september trok het Regiment als voorhoede van het 3e Korps door Gjatsk, dat door de Russen in brand was gestoken. Enige uren later werd wmr Caspar Morbotter, die met dertig tirailleurs een bos doorzocht, omsingeld door zo’n 150 kozakken. Hij hield stand en dit gevecht leidde uiteindelijk tot de inzet van de gehele 9e Brigade tegen 5.000 man Russische troepen. Ritm Arend Hoynck van Papendrecht en tlnt Jelle Bruijninga onderscheidden zich bij deze gevechten zozeer, dat zij werden benoemd tot ridder in het Legion d’Honneur.

Te ver doorgerend bij Borodino

Op 4 september werd het 6e Regiment Lanciers, dat ook deel uitmaakte van de 9e Brigade, overvallen door een grote overmacht van Kozakken. Het 11e Regiment Huzaren kwam met succes te hulp. Wel werden daarbij 5 huzaren gewond. Op 5 september nabij Borodino, verdreef het Regiment met twee eskadrons een compagnie vijandelijke tirailleurs van een hoogte, waarop de eigen artillerie in stelling zou moeten komen. Overmoedig geworden, zetten kol Collaert en zijn Franse Ikol La Motte de aanval voort, zonder verkenning en zonder op eigen artilleriesteun te wachten. De beide eskadrons werden omsingeld door vijandelijke cavalerie en kozakken. Aan ritm Geisweit van der Netten is het te danken dat deze blunder niet uitliep op de totale vernietiging van beide eskadrons. Hij leidde het geheel in de aanval en wist de omsingeling te doorbreken. Daarna kwam de brigade Girardin te hulp en werd de vijand op de vlucht gejaagd. De verliezen aan doden, gewonden en vermisten bij deze twee eskadrons bedroegen 126 man en 96 paarden

Cornelis Antonie Geisweit van der Netten, afgebeeld als ritm bij het 11e Regiment Huzaren. Hij kwam in 1787 in dienst als cadet bij het oudste stamonderdeel van de Huzaren van Boreel, het Korps Huzaren van het Legioen van Frederik rijngraaf van Salme Hij redde twee eskadrons van het 11e Regiment Huzaren van een totale vernietiging in de slag bij Borodino op 5 september 1812. In de periode 1817-1821 was hij de drijvende  kracht achter de oprichting van de Rijksveeartsenijschool te Utrecht. Gepensioneerd als generaal-majoor titulair. Bibliotheek van het Legermuseum.
Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht voert het 4e eskadron van het 11e Regiment Huzaren ten aanval op 1 september 1812 nabij Gjatsk, ongeveer 150 km voor Moskou. De trompetter heeft afwijkende kleuren en draagt als enige een kolbak. De ritmeester en tweede luitenant Jelle Bruijninga werden naar aanleiding van dit gevecht benoemd tot ridder in het Legion d ‘Honneur. Aquarel door Jan Hoynck van Papendrecht, gedateerd 1896, Privébezit ran de familie Hoynck van Papendrecht.

Na de slag bij Borodino werd chirurgijn-majoor Johan von Zinekgraeff van het Regiment benoemd tot Ridder in het Legion d’Honneur, een eer die doorgaans alleen combattanten toeviel. Hij kreeg deze onderscheiding vanwege zijn, overigens vergeefse, poging om onder vijandelijk vuur het leven van de zwaar gewonde bevelhebber der cavalerie Montbrun te redden. Het Regiment was gedurende deze slag meer dan vier uur lang aan hevig artillerievuur blootgesteld. Daarna werd de 9e Brigade vanwege de geleden verliezen uit het gevecht genomen en vervangen door een zware brigade, bestaande uit Franse kurassiers en Italiaanse dragonders. Op dat moment was nog 46 man inzetbaar. Ritm Geisweit van der Netten commandeerde het restant, van zijn eigen compagnie had hij nog maar vijf man over. Na terugkeer van vermisten en licht gewonden kon hij de volgende dag weer een klein eskadron op de been brengen.

In en om Moskou 

Het Regiment bleef tot 10 september in bivak om de wonden te likken en rukte daarna op naar Moskou. Van 14 tot 26 september deed het voorpostendienst buiten de stad. Daarna werd het Regiment gekantonneerd in de ‘Duitse voorstad’.

De elnts Bouwens en Nolet werden vanwege hun aandeel in de slag bij Borodino ridder in het Legion d’Honneur en de wmrs Périé en Morbotter werden bevorderd tot tlnt bij het Regiment. Een peloton van 30 man onder commando van ritm Geisweit ging mee met een colonne van 4.000 man sterk onder maarschalk Ney. De huzaren maakten deel uit van de voorhoede en wisten verschillende malen groepjes kozakken mee te lokken tot binnen het schootsbereik van de voltigeurs. De colonne keerde op 13 oktober weer in Moskou terug. Het Regiment telde nu weer 320 hoofden en 120 paarden. Kol Collaert werd gepensioneerd, mogelijk vanwege de affaire bij Borodino en de Franse kol JeanBaptiste Liégard kwam in zijn plaats.

De terugtocht 

Op 18 oktober 1812 begon de terugtocht. Reeds bij het verlaten van Moskou werden felle  gevechten geleverd. TInt Johan Debetz werd, voor zijn aandeel daarin, later benoemd tot ridder in het Legion d’Honneur. Op 3 november leverde het Regiment, te zamen met een bataljon infanterie, een achterhoedegevecht nabij Vjaz’ma, ongeveer halverwege de 400 km van Moskou naar Smolensk. Hierdoor kon hetgehele 3e Korps zich in goede orde terugtrekken. Na het verlaten van Smolensk werden de vestingwerken van deze stad door de Franse genie grondig vernield. Helaas kwamen daarbij ook de gewonden van de slag bij Borodino, die daar in het militaire hospitaal lagen, om het leven. Na Smolensk had het Regiment nog zes paarden over. Ongeveer 70 km voorbij Smolensk bij Krasnoje, waar het Regiment tijdens de opmars ook al slag had geleverd, werd op 15 november het restant van het Regiment door een vijandeijke aanval totaal uiteengeslagen. Hiermee hield het I Ie Regiment Huzaren in feite op te bestaan als eenheid. Ritm Geisweit werd daarbij gewond en krijgsgevangen genomen.

Drie veldslagen in Duitsland tot besluit

Pas in februari 1813 kon in het velddepot te Elbing, aan de monding van de Weichsel (Wisla), weer een compleet eskadron worden geformeerd. Dat bestond uit de uit Rusland teruggekeerde restanten, herstelde gewonden en nieuwe recruten uit het depot in Arras. Door toevoeging van de restanten van de opgeheven 23e en 24e Regimenten Jagers te Paard, kon ook weer een tweede eskadron worden geformeerd. Het Regiment nam daarna deel aan de veldslagen bij Lützen, 20 km zuid-west van Leipzig, op 2 mei en bij Bautzen, 100 km oost van Dresden, op 20 en 21 mei. Het eskadron van ritm Hoynck van Papendrecht veroverde op 21 mei een hele artillerietrein met 20 stukken, 20 caissons en bijna 200 paarden. Ook werd een groot aantal artilleristen gevangen gemaakt. De ritm werd bevorderd tot officier in het Legion d’Honneur.

Op 16 oktober 1813 nam het 11e Regiment Huzaren deel aan de slag bij Leipzig, die de totale ineenstorting van het Franse leger tot gevolg had. Alleen al van de officieren van het Regiment werden er twee gedood, twee gewond, drie krijgsgevangen gemaakt en een vermist. Het Regiment nam verder niet meer deel aan gevechten.

Gevangen gezet.

Zodra Napoleon terug was in Parijs, eiste hij van de Nederlandse officieren opnieuw de eed van trouw, teneinde hen, evenals de Nederlandse onderofficieren en huzaren, als Fransen te naturaliseren. Iedereen zou dan worden bevorderd: de huzaren tot onderofficier, de onderofficieren tot tlnt, etc. Onder de bezielende aanvoering van luitenant-kolonel Lambertus Coenegracht weigerden allen, zonder uitzondering. Alle 147 overlevende Nederlanders van het 11e Regiment Huzaren werden toen ontwapend en gevangen gezet. Het Regiment werd ontbonden. Na de inname van Parijs door de geallieerden werden zij uit hun gevangenschap ontslagen en konden zij terugkeren naar Nederland, zoals het samengevoegde Holland en België nu heette.

Huzaren van Boreel 

Na hun terugkeer uit Frankrijk namen vrijwel alle oudgedienden van het 11e Regiment Huzaren weer dienst, de onderofficieren en huzaren voornamelijk bij de huzaren van Boreel. Bij Koninklijk Besluit van 26 januari 1983 No 72, is het Regiment Huzaren van Boreel daarom aangemerkt als de voortzetting van het 11e Regiment Huzaren. In tegenstelling tot de onderofficieren en huzaren, gingen de officieren, op één na, naar andere cavalerieregimenten. De bepaling dat de officieren van de Huzaren van Boreel gedurende een jaar de helft van hun wedde in de staatskas moesten storten, is hier vast wel debet aan geweest. Alleen Johan Debetz nam dienst bij de huzaren van Boreel als elnt. Tijdens de slag bij Waterloo werd hij gewond en na de slag werd hij onderscheiden met de Militaire Willemsorde 4e klasse en bevorderd tot ritmeester

Hoe het sommige anderen verging

Johan Renno, Arend Hoynck van Papendrecht en Louis Crooij, alle drie hiervoor genoemd als Ikol respectievelijk ritms bij het 11e Regiment Huzaren, voerden in de periode 1815-1830 achtereenvolgend het commando over het Regiment Ligte Dragonders No 4. Lambertus Coenegracht en Christiaan Lechleitner commandeerden bij Waterloo respectievelijk het 1e en 3e Regiment Karabiniers. J.J. Perié, die in juli 1811 als wmr stond aangetreden in Parijs bij de uitreiking van de standaard en in Moskou werd bevorderd tot tlnt, was van 1837 tot 1846 in de rang van kol commandant van het Regiment Hussaren No 7 van het KNIL. De Ints Jelle Bruijninga en Caspar Morbotter werden na de slag bij Waterloo bevorderd tot ritm en later ook nog tot majoor. Chirurgijn-majoor Johan von Zinckgraeff werd hoogleraar aan de universiteit van Leuven.

Ritm Geisweit van der Netten keerde pas op 7 september 1814 terug uit Russische krijgsgevangenschap. De functies die bij zijn uitzonderlijke kwaliteiten pasten waren toen al vergeven. Hij was van 1815 tot 1830 directeur van de Rijschool der Artillerie en Genie in Delft en een drijvende kracht achter de oprichting van de Rijksveeartsenijschool te Utrecht. In 1838 werd hij benoemd tot genm titulair.

Van de officieren, die na de slag bij Waterloo werden onderscheiden met de Militaire Willemsorde, hadden er achttien in de periode van 1795 tot 1814 gediend bij het Regiment, dat achtereenvolgens Regiment Huzaren, 2e Regiment Huzaren en 11e Regiment Huzaren heette.

Johan Debetz, afgebeeld als ritm bij het Regiment Hussaren No 6 (de huzaren van Boreel). Hij nam dienst in 1793 als dragonder bij het regiment Hessen-Kassel en klom op door de rangen. Bij Moskou verdiende hij het Legion d’Honneur. Bij Waterloo werd hij gewond en na de slag onderscheiden met de Militaire Willemsorde 4e klasse. Zijn dochter Barbara huwde in 1835 met elnt Eduard Baron van Voorst tot Voorst van het Regiment Lansiers No 10. Familiebezit van kolonel b.d. E.J. baron van Voorst tot Voorst.

Oprichting Regiment Huzaren van Boreel

Nadat een groep van 700 kozakken probleemloos noordoost Nederland had veroverd, verklaarde Den Haag zich op 17 november 1813 voor Oranje. Op 25 november volgde Amsterdam en op 28 november Utrecht. Ondertussen waren ook geregelde Pruisische troepen het land binnengetrokken. Alleen Den Helder met de vloot, Bergen op Zoom en enige vestingen langs de grote rivieren bleven nog geruime tijd in Franse handen. Op 30 november landde de Prins van Oranje in Scheveningen. De volgende dag werd hij uitgeroepen tot Souverein Vorst Willem I en op 30 maart 1814 als zodanig ingehuldigd te Amsterdam. In mei 1814 verlieten de laatste Franse troepen op last van Lodewijk XVIII het grondgebied van de voormalige Verenigde Nederlanden.

Op 21 november werd de oudkolonel der huzaren Pieter Joseph Timmerman door de Commissarissen-Generaal – te vergelijken met een provisionele Ministerraad – gemachtigd om een korps cavalerie op te richten. Timmerman had als laatste het Regiment Huzaren, dat door Adriaan van der Hoop in 1787 was opgericht, in 1794-1795 gecommandeerd. Vier dagen later machtigden de Commissarissen-Generaal eveneens Willem François Boreel, voor 1795 kapitein bij de Gardes Dragonders, om een korps cavalerie op te richten. Hij kon zichzelf beschouwen als chef van dat korps met de rang van luitenantkolonel.

Boreel diende reeds op 28 november een uitgewerkt plan in voor de oprichting van een regiment huzaren, bestaande uit een grote en een kleine staf van tezamen 17 hoofden en 19 paarden en 8 compagnieën à 100 hoofden en 103 paarden. Daarnaast zou er een depotcompagnie zijn van 80 hoofden en 82 paarden. Een eskadron was in die tijd slechts een tactische formatie, doorgaans bestaande uit twee compagnieën en zonder eigen staf. Onder de uitwerking van het plan volgde nog een slotzin: “Alle de Heeren Officieren, welke de eer mogten hebben, bij dit Corps provisioneel te worden geplaatst, bieden zich aan, niet alleen hun Moed en Bloed voor het ongelukkig Vaderland te offeren, maar ook tot behulp van ‘s Lands Schatkist hun toegezegd Tractement, zegge de helft voor één Jaar, gerekend ieder Maand in de algemene Schatkist te doen storten tot behulp en redding van het ongelukkig Vaderland”.

Op 1 december, de dag na zijn landing in Scheveningen, werd dit plan reeds goedgekeurd en van een eigenhandig onderschrift voorzien door de Souvereine Vorst: “In handen van het Departement van Oorlog, om de formatie, volgens de aangenomene principes daar te doen stellen en omtrent deze laatste propositie, met aanneming derzelve, de vaderlandsliefde der Officieren te lauderen”. Bij het tweede ‘ongelukkig’ had de Souvereine Vorst ‘on’ doorgestreept.

In het Besluit van de Souvereine Vorst van 9 januari werd bepaald dat de cavalerie zou bestaan uit twee regimenten dragonders, een regiment lichte dragonders en een regiment huzaren. Uit een brief van generaal-majoor Du Rij, Inspecteur der Cavalerie, van 8 juni 1814 blijkt dat de ‘Ligtblaauwe Hussaren van Willem Boreel’ toen reeds drie behoorlijk geklede en bereden compagnieën konden formeren. Zij waren toen echter nog ongewapend.

Teneinde aansluiting te vinden bij de tradities van het Staatse Leger, werd 169 jaar later, bij Koninklijk Besluit van 26 januari 1983 no. 72, het Regiment Huzaren van Boreel aangemerkt als de voortzetting van het aanvankelijk geheel Nederlandse 11e Régiment des Hussards van het Keizerrijk Frankrijk. Het oudste stamregiment daarvan was een op 11 november 1784 door Frederik Rijngraaf van Salm opgericht korps huzaren.

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!