Door: kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel
Het 4e Regiment Huzaren was natuurlijk niet de enige cavalerie-eenheid die deelnam aan de gevechtshandelingen. Onder die andere cavalerie-eenheden waren het 1e en het 2e Eskadron Pansterwagens. Het waren zelfstandige eskadrons die niet waren ingedeeld bij een regiment. Aangezien het eenheden van eskadronsgrootte waren, hadden zij ook geen recht op een eigen standaard. Bovendien hebben ze maar kort bestaan: van 1936 tot 1940.
Ze hebben in de meidagen van 1940 wel een waardevolle bijdrage geleverd aan de strijd tegen de Duitsers. Het 2e Eskadron Pantserwagens heeft in de meidagen bij het 4e Regiment Huzaren meegevochten. In 1950 is daarom besloten de geschiedenis van deze eskadrons in ere te houden en heeft het regiment Huzaren van Boreel de opdracht gekregen de tradities van deze eskadrons voort te zetten. Die tradities omvatten natuurlijk ook hun geschiedenis en vandaar dat in deze kroniek ook aandacht wordt besteed aan deze eskadrons.
Het 1e Eskadron Pantserwagens werd op 1 april 1936 opgericht te ‘s-Hertogenbosch. Het eskadron werd ingedeeld bij de Lichte Brigade en zou van ‘s-Hertogenbosch snel naar de Peellinie kunnen worden verplaatst. Het 2e Eskadron Pantserwagens werd op 1 juni 1938 opgericht te Amersfoort. Op het oefenterrein ‘De Vlasakkers’ werd voor dit eskadron de Bernhardkazerne gebouwd, ook weer als eerste de garage. Ook dit eskadron lag daarmee centraal in het beoogde operatiegebied.
Elk eskadron bestond uit vier pelotons, met drie pantserwagens Landsverk. Verder had ieder peloton twee motorordonnansen en een motormitrailleurgroep met elf Harley Davidson solo-motorfietsen met duozit en twee Lewis M 20 mitrailleurs kaliber 7,9 mm met trommelmagazijn. De commandogroep van het eskadron had een personenauto, een commando-pantserwagen en zes motorordonnansen. Verder was er een geneeskundige groep met drie motorfietsen, een administratieve groep met twee motorfietsen waarvan een met zijspan, en een korpstrein met in totaal tien vrachtauto’s en vijf motorfietsen. De type uitrusting verschilde echter per eskadron.

De pantserwagens van het 1e Eskadron hadden een Büssing-NAG chassis met een pantseropbouw van de Zweedse firma Landsverk. Het gewicht was 6,5 ton. De Nederlandse typeaanduiding was Paw. M.36. De 360 graden draaibare koepel had een 3,7 cm Bofors kanon en een coaxiale mitrailleur. Verder was er nog een boeg- en een hekmitrailleur. De terreinvaardigheid had zijn beperkingen en de bepantsering van 5 tot 9 mm was alleen bestand tegen vuur van lichte wapens. De bemanning bestond uit vijf man: de commandant (die tevens het kanon moest laden), de richter, de boegschutter, de chauffeur en de hekchauffeur/schutter. De pantserwagens van het 2e Eskadron kregen de type-aanduiding Paw M 38. Deze hadden een Daimler Benz chassis met een veel krachtiger motor, 150 in plaats van 80 pk, en episcopen voor de hekchauffeur/schutter. Deze wagen was ook zwaarder en woog ongeveer 7 ton. Het 2e Eskadron kreeg ook andere motorfietsen, de BMW R 12.

Door het volledig ontbreken van radioverbinding waren de pelotons in het gevecht nauwelijks als eenheid te commanderen. De individuele pantserwagens en mitrailleurgroepen voerden zodoende meestal hun eigen gevecht. Geschreven berichten werden per schepnet (sic!) in ontvangst genomen of aan de ordonnans afgegeven. Voor het gebruik van de seinlamp of seinvlaggen was gezichtscontact vereist. Radio apparatuur was wel beproefd en besteld, maar nog niet geleverd.
Het 1e Eskadron Pantserwagens werd gecommandeerd door ritmeester H. Wilbrenninck. Het eskadron minus het 1e en het 2e peloton werd op 29 april 1940 toegevoegd aan de verdediging van vliegveld Schiphol. De Duitse aanvallen concentreerden zich evenwel op de vliegvelden rond Den Haag en dit eskadron heeft daardoor nauwelijks gevechtscontact met de vijand gehad.



Het 1e en het 2e peloton van het 1e eskadron werden onder commando van reserve tweede-luitenant ir M.J. Aldenkamp reeds op 20 april toegevoegd aan de verdediging van vliegveld Ypenburg ten oosten van Den haag. De pantserwagens en de beide motormitrailleurgroepen lagen op 10 mei in opstelling rond de noordpunt en langs de noordwestelijke rand van het vliegveld. Op 10 mei werd het vliegveld van 04.00 tot 04.45 uur gebombardeerd, waarna jachtvliegtuigen de Nederlandse opstellingen beschoten. Omstreeks 05.00 uur landden parachutisten en kort daarna transporttoestellen met infanterie.
De pantserwagen 601 1 van wachtmeester G. van der Horst, de commandant van het 2e peloton, stond opgesteld aan de westzijde van het vliegveld nabij de hoofdingang. Tijdens het bombardement kwam deze wagen in een bomtrechter terecht. Vanuit deze deels romp gedekte opstelling werden landende vliegtuigen en parachutisten met succes onder vuur genomen. Omstreeks 07.00 uur naderde een groep parachutisten met Nederlandse krijgsgevangenen en nam vervolgens op korte afstand de wagen onder vuur met een zware mitrailleur. De richter, de huzaar C. Jongsma schakelde de bemanning van deze mitrailleur uit, doch enkele Duitsers hadden kans gezien bij de wagen te komen en maakten aanstalten om deze met een bundel handgranaten op de blazen. Dat kon omdat de wagen van onder niet was bepantserd. Daarop gaf de bemanning zich over. Bij de Nederlandse herovering van het vliegveld tegen de avond van de 10e mei wist de bemanning te ontvluchten en reed met de pantserwagen 608, die verlaten bij de hoeve Ypenburg stond, naar de Hoornbrug over de Vliet bij Rijswijk. Bijna de gehele bemanning van deze wagen was gewond. De wagen werd daarna bij de Hoornbrug in stelling gebracht.

Een andere wagen van het 2e peloton, wagen 602 met de korporaal G. Mommaas stond opgesteld bij de hoeve Ypenburg aan de noordwest punt van het vliegveld Rond de wagen had de bemanning een borstwering van losse stenen gestapeld. Landende vliegtuigen werden met succes onder vuur genomen. Omdat de boegmitrailleur vanwege de borstwering geen vuur kon uitbrengen, had dienstplichtig huzaar A. Fikkers deze op de koepel geplaatst en nam zo ongedekt de vijandelijke vliegtuigen onder vuur. Hij werd onderscheiden met het Bronzen Kruis. Toen munitiegebrek dreigde werd verplaatst naar de hoeve, waar de munitiewagens stonden en ging Korporaal Mommaas met een munitiewagen de andere pantserwagens bevoorraden. Nadat hij wagens 608 en 611 bij de rijksweg onder vijandelijk vuur had bevoorraad, raakte de vrachtauto door vijandelijk vuur onklaar. Korporaal Mommaas wist ondanks het vuur van de Duitsers weer naar de hoeve Ypenburg terg te komen waar zijn pantserwagen stond. Ook hij werd onderscheiden met het Bronzen Kruis.

Vanuit alle beschikbare pantserwagens en door de motormitrailleur groepen werden de landende vliegtuigen onder vuur genomen. Een groot aantal werd daarbij in brand geschoten en vernietigd. De luchtlanding op het vliegveld mislukte dan ook. Maar er waren ook vliegtuigen buiten het veld geland en die troepen groepeerden zich en gingen samen met de reeds gelande parachutisten in de aanval in de richting van Rijswijk en Den Haag. Bij deze aanval vielen een aantal doden en gewonden en viel de pantserwagen 603 in handen van de vijand. De wagen 602 raakte zwaar beschadigd maar kon toch nog de Hoornbrug bij Rijswijk bereiken. Daar werd de wagen met behulp van een trekker in een opstelling gesleept van waaruit weer aan het gevecht werd deelgenomen, waarbij twee vijandelijke vliegtuigen werden neergeschoten. De richter van deze pantserwagen, de korporaal J.M.G. Cools, werd voor zijn moedige optreden onderscheiden met de Bronzen Leeuw. Bij de Duitse aanval sneuvelde ook de bemanning van pantserwagen 608. Tegen de avond had de detachements-commandant, reserve tweede-luitenant ir M.J. Aldenkamp, zijn pelotons verzameld en opstellingen laten innemen aan de noordelijke rand van het vliegveld. De helft van de pantserwagens waren verloren gegaan en er waren vele gesneuvelden en gewonden te betreuren, maar de Duitsers waren er niet in geslaagd uit te breken. De volgende dag was er nog maar sporadisch vuurcontact. De nog aanwezige Duitse troepen trokken zich terug in de richting van Overschie en Rotterdam in de hoop zich te kunnen aansluiten bij de daar gelande troepen. Aan het einde van die 11e mei werden de pelotons teruggetrokken. De pantserwagens werden daarna alleen zelfstandig ingezet. Zo begeleidden de pantserwagens 602 en 608 op 13 mei koningin Wilhelmina met haar gevolg, de leden van het Kabinet en het Engels gezantschap naar Hoek van Holland.

Het 2e Eskadron Pantserwagens werd gecommandeerd door ritmeester J.L. Bruinier. Op 1 mei 1940 was het eskadron in zijn geheel gelegerd te Apeldoorn. Het materieel was compleet, maar het personeel was nog 50 man onder de sterkte. Daarvoor kwamen 50 huzaren wielrijder, die ingedeeld werden als duopassagier bij de motormitrailleurgroepen. In verband met de oorlogsdreiging werden op 7 mei alle verloven ingetrokken en de pantserwagens van het 1e peloton, die voor inbouw van de radioapparatuur in Delft waren, werden in allerijl teruggehaald.

Zodra bekend was dat de oorlog was uitgebroken, vertrokken het 3e en het 4e peloton naar Ede, waar zij zich onder bevel van commandant 4 RH stelden. Het eskadron (-) kwam onder bevel van 1 RH. Dit regiment had in het vak van IV LK dezelfde opdracht als 4 RH in het vak van II LK, alleen waren de afstanden groter. Het 1e en het 2e peloton kwamen in opstelling achter het Apeldoorns Kanaal, van Apeldoorn tot Vaassen. De commandogroep bevond zich bij de commandopost van 1 RH te Voorthuizen.
Op 10 mei, Omstreeks 06.00 uur werden de bruggen over het Apeldoorns kanaal vernield. Waarna de pelotons terugvielen op de lijn Kootwijk, Garderen. Later die dag werd verder teruggevallen op de lijn Barneveld, Voorthuizen. In de loop van de middag werd verdere teruggevallen en in de loop van de avond viel het 1e RH en het daarbij ingedeeld 2e Eskadron Pantserwagens in de omgeving van Soesterberg terug achter de Grebbelinie.
De volgende dag , op 11 mei om 11.45 kreeg de commandant van het 2e Eskadron Pantserwagens het bevel om zich met het eskadron naar Den Haag te begeven. Commandant 1 RH wist echter het 1e peloton tot zijn beschikking te houden. Het eskadron minus verplaatste zich vervolgens naar Den Haag.
Het eskadron had als basis de Pulchri Studio op de Lange Voorhout, waar ook werd gelegerd. In de avond van 11 mei ondersteunde het 2e peloton van de reserve tweede-luitenant Jhr W.F. Clifford Kocq van Breugel, een actie van 15e Depot Bataljon, dat van Haagse Schouw zuid van de Rijn voorwaarts ging richting vliegveld Valkenburg. Een pantserwagen kwam de volgende ochtend bij een verkenning onder vuur, dat echter geen schade aanrichtte. De volgende ochtend om 08.00 uur werd het peloton teruggeroepen. Het 3e peloton onder commando van eerste-luitenant H. Meijer werd op 12 mei naar Wateringen gestuurd. Duitse parachutisten, die op weg waren van vliegveld Ockenburg naar Overschie, belaagden daar een stafkwartier. Zuid van Wateringen werd omstreeks 07.00 uur contact gemaakt met de vijandelijke achterhoede. Bij het volgende vuurgevecht werden commandant en richter van de voorste wagen gewond. Nadat eigen infanterie was gearriveerd, keerden de wagens terug naar Den Haag. In de loop van de middag werd een deel van het 4e peloton naar Utrecht gestuurd.
Eveneens op 12 mei escorteerde tweede-luitenant Van Breugel met een detachement de luitenant-kolonel J.J.C.P. Wilson van de Generale Staf en enkele andere officieren naar Rotterdam. Vanwege vijand bij Overschie reed men via Moerkapelle en Moordrecht. Om 11.30 uur arriveerde het konvooi aan de Statenweg te Rotterdam. Luitenant-kolonel Wilson gaf luitenant Van Breugel opdracht om op de terugweg Overschie en de rijksweg naar Delft te verkennen en hem per ordonnans en vanuit Delft telefonisch daarover te berichten. De brug over het Schiekanaal tussen Rotterdam en Overschie, die was opgehaald om de vijand de toegang tot de stad te ontzeggen, werd door motorordonnans ‘t Hart neergelaten. Maar kort nadat ze deze brug waren gepasseerd werd de motor van een andere ordonnans werd onder hem weggeschoten. Luitenant Van Breugel besloot alleen verder te gaan. Voor motorordonnansen was het te riskant en hij liet de beide andere pantserwagens achter ter versterking van de bij de brug aanwezige infanterie. Omstreeks 14.15 uur in Delft aangekomen meldde hij dat Overschie slechts zwak was bezet door de vijand, wat achteraf gezien een onderschatting bleek te zijn. Vervolgens keerde hij terug naar zijn eskadron.
De volgende dag op 13 mei kwam het 2e peloton van de tweede-luitenant Van Breugel onder bevel van het regiment Grenadiers dat vanuit Den Haag en aanval op Overschie zou uitvoeren. De pantserwagens ruimde enkele weerstanden op maar de aanval verliep verder tergend traag. Bij het invallen van de duisternis waren de Nederlandse troepen pas halverwege Delft en Overschie en werd de aanval afgebroken. De volgende morgen om 09.00 uur werd de aanval hervat, nu met drie versterkte infanteriebataljons. De tweede-luitenant Van Breugel had gedurende de nacht bij het depoteskadron een aantal gloednieuwe DAF pantserwagen op de kop getikt en ondersteunde hiermee de opmars van het middelste infanteriebataljon. Omstreeks 15.00 uur kwam de aanval onder vuur te liggen. Hierbij werd onder meer de pantserwagen van de tweede-luitenant Van Breugel getroffen. Ondertussen was het bombardement op Rotterdam begonnen. Door de verbeten tegenstand van de Duitse troepen en het verschrikkelijke uitzicht op het inferno van het brandende Rotterdam stokte de aanval en trokken de troepen zich terug op Delft. De volgende dag volgde de capitulatie. Het 2e Eskadron ging terug naar Den Haag en werd vervolgens ontbonden.
Er waren naast het 4 RH en de eskadrons pantserwagen ook nog militairen van het regiment dat buiten 4 RH dienden. Een daarvan was de tweede-luitenant Maduro die diende in het depot cavalerie in Den Haag. Op 10 mei, na de Duitse luchtlandingen op de vliegvelden rond Den Haag, werden in allerijl de rekruten in de verschillende depots in groepen samengebracht en in de strijd geworpen. Een aantal van deze groepen kregen opstellingen toegewezen in Rijswijk langs de oever van de Vliet om een Duitse uitbraak vanuit de richting van het vliegveld Ypenburg af te blokken. Hierin slaagden deze ongeoefende troepen wonderwel, Deze hadden echter niet kunnen verhinderen dat een sterk detachement Duitse luchtlandingstroepen zich nestelde in de Villa Dorrepaal op de oostelijke oever van de Vliet. Zij bestreken vandaar uit met vuur de Oude Tolbrug over de Vliet. Om 10.00 uur arriveerde daar de tweede-luitenant Maduro met 15 man van het depot cavalerie. Hij vond daar een peloton infanterierekruten, een patrouille artillerierekruten en een aantal van Ypenburg afkomstige luchtdoelartilleristen. Maduro coördineerde en organiseerde ogenblikkelijk de verdediging. Zo liet hij onder meer de enige lichte mitrailleur die er was steeds vanuit een andere opstelling de villa bestoken, zodat de indruk werd gewekt dat er meer vuurkracht aanwezig was dan in werkelijkheid het geval was. Na aankomst van een stuk pantserafweergeschut bestormde hij met twee groepen via de Oude Tolbrug de door ruime gazons omgeven villa, terwijl een derde groep en het geschut deze onder vuur hielden. In en om de villa werden elf Duitse militairen krijgsgevangen gemaakt. Aansluitend kon ook het aangrenzende park Leeuwenburgh van vijand worden gezuiverd, waarbij nog eens zeventig krijgsgevangenen werden gemaakt, tezamen met een grote hoeveelheid wapens en munitie. Hiermee werd een opening geforceerd in de Duitse ring rond het vliegveld Ypenburg en konden Nederlandse troepen de Duitsers verder in het nauw drijven. Luitenant Maduro is voor zijn wapenfeit bij de villa Dorrepaal postuum benoemd tot ridder MWO 4e Klas.
Toen het Nederlandse leger had gecapituleerd, werd George Maduro als krijgsgevangene opgesloten. Hij was even op vrije voeten, maar hij werd weer opgepakt en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen, het zogeheten Oranjehotel. Toen hij na een half jaar werd vrijgelaten, hadden de Duitsers voor Joden het dragen van de Jodenster verplicht gesteld. Maduro hoewel van Joodse origine weigerde de Jodenster te dragen en dook onder. In september 1943 vertrok hij samen met zijn vriend Oncko Wttewaall van Stoetwegen naar België om vanuit daar naar Spanje te reizen. Onderweg werden zij verraden en hij werd opnieuw opgepakt, ditmaal door de Gestapo. In de gevangenis van Saarbrücken ondernamen zij twee pogingen om te ontsnappen met Oncko. De eerste keer mislukte het uitgraven van een tunnel. De tweede keer werden ze bij de poort gepakt. Later werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Dachau. Vlak voor de bevrijding van het kamp door Amerikaanse troepen, overleed George Maduro op 28-jarige leeftijd.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben de ouders van George Maduro het startkapitaal beschikbaar gesteld voor een miniatuurstad, Madurodam geheten, die in 1952 in Den Haag werd geopend. Madurodam wordt door de familie beschouwd als monument voor hun enige zoon. Sinds 1993 is in Madurodam bij de entree een schaalmodel van het geboortehuis van Maduro te zien. Naast de maquette van het huis is een plaquette bevestigd, met de tekst: In hem eert Nederland zijn oorlogshelden uit de strijd 1940-1945. Ook van de Villa Dorrepaal bevindt zich een maquette in Madurodam.
Meer informatie
Artikel over de Landsverk M38 van het 1e eskadron (met veel verwijzingen en foto’s)
Website over de Landsverk
De Landsverk M38 op Grebbeberg.nl
De documentaire “De eerste dagen van mei” van Omroep Flevoland vertelt het verhaal van de vijf dagen in mei 1940 waarin de slag om Nederland geleverd is.
(deel 2: Helden zonder glorie)
(deel 3: De waarheid van Wons)
(deel 4: De verloren overwinning)
(deel 5: Herinneringen aan vuur)
Video opgenomen in het Cavaleriemuseum van de Landsverk
Korte film uit 1939 van een Landsverk M38
Artikel over de M38 Pantserwagen
Artikel over Vliegveld Valkenburg 1940
Meer over ritmeester Wilbrenninck: op deze website
Boek over de eskadrons Pantserwagens 1936-1940
Diverse foto’s van 1e eskadron Pantserwagens in Vught
Erfgoed Brabant (foto’s eskadron pantserwagens)
- bemanningslijsten staan op: https://tanks-encyclopedia.com/ww2/sweden/landsverk-181/ ↩︎






