Heroprichting na 1945

Bron: Regimentsboek Huzaren van Boreel

Vanaf 1942 maakte de regering in ballingschap (London) plannen voor de wederopbouw van de landmacht na de bevrijding. Het basismodel waarmee werd gewerkt was weer een kader-militieleger, zoals van voor de meidagen 1940 met een grote mobilisabele component. In theorie dacht men aan een landmacht met een omvang van 300.000 man, te organiseren in acht tot veertien divisies. Dat dit niet realistisch was, bleek uit het feit dat de meeste, meer serieuze, plannen niet verder kwamen dan een leger met zes tot acht divisies. Dit leger moest, anders dan voor mei 1940, over tank- en luchtlandingseenheden beschikken. Ook de neutraliteitspolitiek van voor de oorlog werd verlaten en er werd beleid geformuleerd waarin de toekomstige Nederlandse krijgsmacht nog slechts in bondgenootschappelijk verband zou optreden.

Ondertussen woedde WO II nog steeds. Die oorlog moest nog wel worden gewonnen. De Nederlandse bijdrage daaraan bestond, voor het landoptreden, uit een brigade, de Prinses Irene brigade. Deze brigade was samengesteld uit Nederlanders die overal vandaan kwamen. Men trof er Engelandvaarders, Nederlanders die bij het uitbreken van de oorlog in het buitenland verbleven, avonturiers en gestrande Indië-reizigers. Bij deze Prinses Irene Brigade diende onder anderen, in de functie van S3, majoor J.J.G. Beelaerts van Blokland. Deze cavalerist zorgde ervoor dat de Brigade een gemotoriseerde, gepantserde verkenningsafdeling kreeg ter grootte van een peloton. Zo bleef in deze brigade een vorm van cavalerie optreden geborgd.

Jan Jacob Gerard (“Mickey”) Beelaerts van Blokland (13 december1909 – 14 november 2005) was een Nederlands jonkheer en militair uit het geslacht Beelaerts van Blokland. Hij was de zoon van het Eerste Kamerlid Johannes Beelaerts van Blokland (1877-1960), die op zijn beurt een broer was van minister Frans Beelaerts van Blokland (1872-1956). Jan Jacob studeerde aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waarna hij les ging geven aan de School Reserve Officieren Cavalerie in Amersfoort. In 1936 raakte hij bevriend met Prins Bernhard toen deze naar Nederland kwam. Op verzoek van Bernhard deden ze een tweedaagse prestatietocht: veertig kilometer te paard, twintig kilometer te voet en zestig kilometer op de fiets.
Na de Duitse inval in Nederland van 10 mei 1940 keerde Beelaerts van Blokland terug naar het ouderlijk huis in Oosterbeek, waar hij in het verzet ging. In mei 1941 lukte het hem om, samen met drie andere Engelandvaarders (piloot Govert Steen, Fokker-technicus Wijbert Lindeman en verzetsman Wim Boomsma), een Duits watervliegtuig te stelen. Deze Fokker T.8w, lag in de Amsterdamse Minervahaven, en nadat de piloot het vliegtuig had kunnen starten en ze het anker hadden opgehaald, vlogen ze naar Engeland. Beelaerts had een Bézardkompas bij zich dat in hun metalen vliegtuig echter de verkeerde richting aanwees. Toch boven Engeland aangekomen werd het vliegtuig, dat was voorzien van hakenkruizen, door de Britse luchtdoelartillerie beschoten. Na een noodlanding werden ze door de kustwacht opgebracht. In London meldde Beelaerts (net als alle Engelandvaarders) zich bij koningin Wilhelmina.

De eerste maatregelen in het kader van de wederopbouw van de landmacht betrof de de werving van oorlogsvrijwilligers (OVWers) in eerste maanden van 1945. Uiteraard voornamelijk in de zuidelijke provincies. Pas na de capitulatie van Duitsland in mei 1945 kwam deze werving voor het hele land op gang. Er waren twee redenen om snel met legervorming aan de gang te gaan. Ten eerste hadden de geallieerden dringend behoefte aan infanterie om in het naoorlogse Europa de Jan Jacob Gerard (“Mickey”) Beelaerts van Blokland (13 december1909 – 14 november 2005) was een Nederlands jonkheer en militair uit het geslacht Beelaerts van Blokland. Hij was de zoon van het Eerste Kamerlid Johannes Beelaerts van Blokland (1877-1960), die op zijn beurt een broer was van minister Frans Beelaerts van Blokland (1872-1956). Jan Jacob studeerde aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waarna hij les ging geven aan de School Reserve Officieren Cavalerie in Amersfoort. In 1936 raakte hij bevriend met Prins Bernhard toen deze naar Nederland kwam. Op verzoek van Bernhard deden ze een tweedaagse prestatietocht: veertig kilometer te paard, twintig kilometer te voet en zestig kilometer op de fiets.

Na de Duitse inval in Nederland van 10 mei 1940 keerde Beelaerts van Blokland terug naar het ouderlijk huis in Oosterbeek, waar hij in het verzet ging. In mei 1941 lukte het hem om, samen met drie andere Engelandvaarders (piloot Govert Steen, Fokker- technicus Wijbert Lindeman en verzetsman Wim Boomsma), een Duits watervliegtuig te stelen. Deze Fokker T.8w, lag in de Amsterdamse Minervahaven, en nadat de piloot het vliegtuig had kunnen starten en ze het anker hadden opgehaald, vlogen ze naar Engeland. Beelaerts had een Bézardkompas bij zich dat in hun metalen vliegtuig echter de verkeerde richting aanwees. Toch boven Engeland aangekomen werd het vliegtuig, dat was voorzien van hakenkruizen, door de Britse luchtdoelartillerie beschoten. Na een noodlanding werden ze door de kustwacht opgebracht. In London meldde Beelaerts (net als alle Engelandvaarders) zich bij koningin Wilhelmina.
Hij overreedde Hare Majesteit om Prins Bernhard te benoemen tot opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten; dit zou een wens zijn van het Nederlands verzet. Beelaerts werd vervolgens operatie officier van de Prinses Irene Brigade in de rang van majoor, en nam deel aan de Landing in Normandië en de Slag om Arnhem. Na de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij de heroprichting van de Nederlandse cavalerie.


Er waren twee redenen om snel met legervorming aan de gang te gaan. Ten eerste hadden de geallieerden dringend behoefte aan infanterie om in het naoorlogse Europa de orde en rust te bewaren. Na het beëindigen van de vijandelijkheden wilden zij hun eigen troepen zo snel als mogelijk terug naar huis halen. Ten tweede was na de capitulatie van Japan en het
terugtrekken van de Japanse bezettingsmacht uit Indië, in augustus 1945, door de Indonesische nationalisten de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen. Zij namen op grote schaal Japanse wapens over en gebruikten deze in een soort afrekeningsperiode met de Nederlanders en aan hen loyale Indonesiërs: de zogeheten Bersiap.

De Britten die na de Japanse capitulatie verantwoordelijk waren voor Nederlands-Indië konden en wilden zich niet inspannen voor het herstel van het Nederlandse gezag. Hoewel tienduizenden militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) uit krijgsgevangenschap overal in Azië, terugkeerden naar Indië, waren deze ondervoed en vaak ziek en dus niet inzetbaar. Er waren overduidelijk snel troepen nodig vanuit Nederland om in Indië het gezag en de openbare orde te herstellen. Bovendien was de regering van mening dat de inkomsten vanuit Nederlands-Indië onmisbaar waren voor de wederopbouw.

Hoe de heroprichting van de landmacht verder gestalte zou krijgen was volstrekt onduidelijk. In deze onzekere tijden nam majoor Beelaerts van Blokland in januari 1945 het initiatief om de cavalerie weer op te richten. Hij richtte een zogeheten pantserafdeling op en hij vond daarvoor onderdak op de Cort Heyligers kazerne in Bergen op Zoom. Hij startte daar met een bescheiden 50 man aan deze onbestemde taak. De regering, deels nog in London, weigerde echter de nieuw opgerichte pantserafdeling te erkennen als voortzetting van de vooroorlogse cavalerie, omdat er geen paarden meer bij betrokken waren. De naam cavalerie mocht dus niet worden gebruikt. Omdat Beelaerts volhardde in het gebruik van de term cavalerie werd de eenheid niet erkend en bestond deze dus niet. Dat betekende geen rantsoenen, geen materiaal, geen munitie en geen vrijwilligers voor deze ‘cavalerie-eenheid’. Mannen die zich aanmeldden voor de cavalerie kregen schriftelijk te horen dat er geen Nederlandse cavalerie bestond en dat zij dus afgewezen waren.

Het personeel waarover Beelaerts wel kon beschikken, waren uit Duitse krijgsgevangenschap teruggekeerde cavalerie-officieren en daarnaast onderofficieren en instructeurs van de intussen opgeheven ‘Reconnaissance Unit’ van de Prinses Irene Brigade. Door de regering werd op 18 juni 1945 wel toestemming gegeven tot oprichting van een Afdeling Pantserwapen van de Koninklijke Landmacht. Om deze afdeling uit te rusten werden op slinkse wijze bij Canadese verzamelplaatsen voertuigen ‘opgehaald’. Het betrof onder meer ‘Staghound’ pantserwagens, Brencarriers, motoren en auto’s. Door inventief om te gaan met de, open en bloot, langs de Nederlandse wegen liggende stapels Canadese munitie werd ook snel het munitie tekort opgeheven.

De Cort Heyligers kazerne bleek al snel te krap om de groeiende eenheid van Beelaerts te huisvesten. Gekeken werd naar Deventer, de aloude garnizoensstad van het 4e Regiment Huzaren van voor de oorlog, maar de schipbrug bij Apeldoorn over de IJssel vormde een te grote belemmering in de bewegingsvrijheid. Zo viel de keuze op de Willem III kazerne in Amersfoort. Deze was net ter beschikking gekomen nadat deze in de eerste tijd na de oorlog was gebruikt als detentiecentrum voor opgepakte NSB-ers. Het personeel van de Pantserschool was – overeenkomstig de Britse traditie – getooid met een zwarte baret met een leeuwtje op een oranje ondergrondje, en een ‘straatnaam’ op de mouw van de ’battle-dress’ vermeldde al duidelijk Huzaren van Boreel.

Ondertussen liep in Indië de spanning hoog op. De Britse troepen die daar de Japanners na de overgave hadden afgelost, werden in Java en Sumatra geconfronteerd met een heuse opstand van de Indonesische bevolking. Tevens verbleven daar nog heel veel Nederlanders onder slechte omstandigheden in kampen. Het Nederlandse gezag moest snel worden hersteld en daartoe waren ook troepen nodig. Er stond dus druk op de minister van Oorlog, mr. J. Meynen. Hij belastte in januari 1946, de pantserschool met de opleiding en uitrusting van pantsertroepen voor Indië. De eerste zes, uit Oorlogsvrijwilligers (OVW) samengestelde, pantserwagen eskadrons met een eenvoudige Britse organisatie werden door eigen kader opgeleid onder toezicht van majoor Beelaerts van Blokland op de Pantserschool die inmiddels in Amersfoort was gevestigd. Toen de minister met eigen ogen wilde zien wat er allemaal in Amersfoort gebeurde, was hij aangenaam verrast. Een hardwerkende en goed gedisciplineerde Pantserschool had de eerste twee Pantserwagen eskadrons voor uitzending naar Indië gereed. De Minister vertelde aan Beelaerts dat hij de verscheping zo spoedig mogelijk zou regelen. Majoor Beelaerts meldde daarop aan de Excellentie dat het hem enorm speet, maar dat hij niet aan het verzoek tot troepenlevering kon voldoen, omdat het Departement van Oorlog zijn cavalerie eenheid niet erkende en dientengevolge de troepen dus niet bestonden. De Minister beloofde daar direct iets aan te doen. Dit gaf nog wel enige discussie in de Tweede Kamer met vooral de fractie van de PvdA. Toen dit besluit in de Tweede kamer was aangenomen, aarzelde majoor Beelaerts van Blokland geen moment en op 1 juni 1946 doopte hij het Panterwapen depot om in Depot Cavalerie

De tekst zoals uitgesproken door de Minister van Defensie, de heer Meynen

“ Bij het onderwerp legerorganisatie is nog even ter sprake gebracht het wapen der cavalerie, door den heer Vorrink. Ik wil hiervan gaarne iets zeggen. Dit heette het Pantserwapen en zodra ik daartoe de gelegenheid had heb ik er de naam ‘cavalerie” van gemaakt. Ik heb dat gedaan, omdat mij dit belangrijk leek. Het is niet alleen maar een naam. U kunt ook zeggen dat de infanterie geheel anders is dan de infanterie ten tijde van het Staatse leger of ten tijde van Napoleon. Wanneer men op het ogenblik de infanterie ziet met carriers, mortieren, afweergeschut enz. Dan lijkt het eenvoudig niet meer op wat vroeger infanterie was, maar aangezien de taak dezelfde is gebleven, is de naam ook dezelfde gebleven. Hetzelfde geldt voor de cavalerie, voor moderne snelle, lichte, troepen; aangezien de taak dezelfde is gebleven, heb ik ook den naam denzelfde willen laten, omdat ik aan dergelijke namen veel hecht, althans wanneer daaraan goede zaken verbonden zijn, niet wanneer daaraan verkeerde dingen verbonden zijn.
Ik meen dat ik hierin eenigszins van meening verschil met den heer Vorrink. Ik meen, dat men tegen den buitenkant van het oude wapen der cavalerie nog wel eens een beetje misprijzend aankeek, maar wanneer men het beter leerde kennen, kon men er niet anders dan waardering voor hebben. Ik heb het voorrecht gehad bij alle wapens te dienen, bij de infanterie, de cavalerie, de artillerie, bij de wielrijders en op de vloot; de cavalerie is niet mijn eigen wapen, maar daarbij heb ik aangetroffen een veel sterkere band tusschen soldaten, kader en officieren dan waar ook, een veel betere tucht, maar dan in den goeden zin, dan waar ook. Deze tradities van dit wapen zou ik niet gaarne verloren laten gaan. Dit is de reden, waarom ik den naam cavalerie weer heb ingevoerd en nog altijd blij ben, dat ik dat heb gedaan.”

Eind 1945 vertrokken al de eerste 30.000 oorlogsvrijwilligers naar Indië, ingedeeld in zogeheten ‘light Infantry battalions’ (LIB) en 10.000 in de Verenigde Staten opgeleide, mariniers. De dienstplichtige lichting 1939 werd om economische en sociale redenen niet opgeroepen. Hoewel zij al geoefend was en daardoor sneller beschikbaar. Van de lichtingen 1945-’49 werden 95.000 man uitgezonden. Het KNIL werd in deze periode opgebouwd tot een sterkte van 65.000 man. In totaal bracht Nederland 190.000 man op de been voor uitzending naar Nederlands-Indië en voor het herstel van het Nederlandse gezag aldaar.


Deze snelle en plotselinge inzet in Indië vergrootte de al bestaande materiële en personele problemen bij de Koninklijke Landmacht. Een grote hoeveelheid materieel was nodig voor opleiding, training en inzet van de troepen. De regering kocht daartoe een bonte verzameling vrachtwagens, jeeps, tanks, pantserwagens, geweren, helmen, enz. voornamelijk uit de Britse en Canadese en dumpvoorraden. Om kader te kunnen vormen en inzetten werden de eerste officiers opleidingen in Engeland gegeven en werden in Nederland de scholen voor reserve officieren en dienstplichtige onderofficieren heropgericht.

De cavalerie was het wapen waarbinnen zich vlak voor en gedurende de oorlog de grootste veranderingen hadden voorgedaan. Paarden, sinds eeuwen het symbool van de cavalerie, waren geheel verdwenen. Daarvoor in de plaats kwamen tanks, in Nederland vechtwagens genoemd, en pantserwagens. Tanks waren vooral geschikt om een aantal taken van de oude zware cavalerie uit te voeren. Doorbraak van een gesloten front forceren, verrassende hevige aanvallen op een flank uitvoeren, de tegenaanval inzetten en een terugtrekkende vijand achtervolgen. Tanks konden zowel zelfstandig als ter ondersteuning van de infanterie optreden. Pantserwagens werden voornamelijk voor verkenning en beveiliging gebruikt; twee typische lichte cavalerie taken.

De formering en uitrusting van de lichte cavalerie ging snel. Dit kwam omdat in Indië een grotere behoefte was aan gepantserde wielvoertuigen dan aan vechtwagens (tanks). De Humber MK III en Ford (Lynx) verkenningswagens, ook wel scout-cars genoemd, licht gepantserde wagens die vrijwel alleen voor verkenning werden ingezet, en de HumberMK IV en Staghound pantserwagens deden hun intrede.

Het 1 e Verkennning Regiment dat voor uitzending gereed gesteld werd ( juni ’47) werd uitgerust met de zogenaamde Humfox. Omdat de Canadese Fox pantserwagens qua onderstel beter waren dan de Humbers maar slechts bewapend met mitrailleurs werden de koepels van de Humbers, uitgerust met een 3.7 cm kanon en coax, overgezet op de Foxes. De Humfox was geboren.

Op initiatief van majoor Rouffear begonnen de cavaleristen zich Huzaren van Boreel te noemen. De bijbehorende schouderopschriften met de naam van de eenheid, ‘straatnamen’ , werden gratis geleverd door de schoonvader van Rouffaer de textielfabrikant, Van Heek. Kapelmeester Wisman componeerde in die dagen het Boreellied en zo kon het eigenlijk niet anders dan dat de bestaande situatie bekrachtigd werd door een Koninklijk Besluit. (KB) Op 1 februari 1947 werd bij KB nr. 70 het regiment Huzaren van Boreel heropgericht. In dit KB werd tevens bepaald dat de traditie van het 4e Regiment Huzaren overging op het Regiment Huzaren van Boreel (RHB).

De verloren standaard.

De laatste commandant van het 4 e Regiment Huzaren, Luitenant kolonel De Marees van Swinderen, had de standaard in 1940 aan inbeslagname door de Duitsers onttrokken door het doek in een teil in zijn tuin te begraven. Op 13 mei 1947 droeg hij het oude standaard, die het verblijf in de teil goed had doorstaan, weer over aan de eerste naoorlogse commandant van het Regiment Huzaren van Boreel, luitenant-kolonel O.C.G.M. Jansens

De formering van eenheden vechtwagens (tanks) ging langzamer. Pas in 1947 werd een proefeskadron vechtwagens geformeerd. In het jaar daarna werd deze voorzichtige start uitgebouwd met de oprichting van het depot Vechtwagens en met de aanschaf van de Canadese RAM tank, met vijf man aan boord en bewapend met twee zware mitrailleurs en een 75mm kanon. In 1948 was er weer een Nederlandse cavalerie met zowel verkenningseenheden als zware cavalerie uitgerust met tanks. Ondanks alle onzekerheden was de heroprichting van de cavalerie gelukt en dat succes was vooral te danken aan het enthousiasme en de vasthoudendheid van één man, majoor Beelaerts van
Blokland.
De pas opgerichte eenheden van RHB werden vrijwel onmiddellijk uitgezonden naar Indië: hun vuurdoop tegemoet.

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!