Door: Kolonel J.A. van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel [versie 2 dd. 20-02-26]
Inzet van RH6 tijdens de Belgische opstand en Tiendaagse Veldtocht
Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft een lange lijst van operationele inzet, waarbij Quatre Bras, Waterloo, de Tiendaagse Veldtocht, Indië en Afghanistan tot de bekendste wapenfeiten behoren. Dit artikel gaat behandelt de inzet van het regiment tijdens de Belgische opstand en de hierop volgende Tiendaagse Veldtocht.
Het Regiment heette destijds Regiment Huzaren nr. 6 (RH6) en was sinds 1819 in Brussel gelegerd. Diverse zuidelijke adellijke jongemannen traden toe tot het regiment, zoals een Prins van Crooij en een Prins van Salm-Salm, die beiden luitenant waren. Op 3 oktober 1820 vond te Brussel de uitreiking van de eerste Standaard plaats. De uitreiking gebeurde door luitenant-generaal von Heldring, die destijds commandant was van het 5e Groot Militair Kommando. Alle officieren, onderofficieren en lager gegradueerden legden opnieuw de eed af. Sommigen individueel, maar het gros eskadronsgewijs. In het laatste geval werd de hand in de richting van de Standaard gestrekt en de eedsformule, die door de generaal werd voorgelezen, bevestigt met de woorden: “Wij zweren het” of “Nous le jurons.” Na de plechtigheid werd door de Koning aan het Regiment een maaltijd aangeboden. De eerste Standaarddrager had de titel van ‘luitenant-cornet.’
Vanaf 19 september 1823 werd in divisie verband geoefend. RH6 werd dan ook vergezeld door RH8, Regiment Dragonders Nr.4 en Nr.5 (RD4 en RD5) en een batterij rijdende artillerie. De oefenomgeving was rond Raevels (noord van Turnhout). Het geheel stond onder commando van luitenant-generaal Trip. Op 21 oktober was de oefening voorbij en werden de divisie-eenheden weer naar de garnizoenen terug gestuurd. In het voorjaar van 1826 werd het Regiment overgeplaatst naar Doornik.
Op 3 december 1824 werd er weer eens bezuinigd en een reorganisatie voor de cavalerie vastgesteld. De militie werd ingevoerd die het gebrek aan vrijwillig dienende ruiters moest opvullen. De sterkte van de compagnieën bleef op 99 hoofden, maar hierbij zaten wel 20 ‘miliciens’. De sterkte van de paarden werd hiermee wel gereduceerd tot 77 per compagnie1. De ‘miliciens’ werden kennelijk geacht hun eigen paarden mee te brengen.
In 1825 nam het regiment deel troepenschouwen en oefeningen in het kamp bij Turnhout en ook in 1827 en 1829 nam het hier wederom deel aan oefeningen. Baron van Tuijll-van Serooskerken schreef:
“Op die wijze vond het eene gewenschte gelegenheid om de jongere officieren en manschappen practisch in de krijgsdienst te oefenen.”
In december 1826 werd de eerste regimentscommandant en tevens oprichting van het Regiment, kolonel Jhr. W.F. Boreel afgelost door kolonel W.E.J. Baron van Balveren. Kolonel Boreel werd tot generaal-majoor bevorderd en kreeg het commando over een cavalerie brigade. Op 1 september 1827 organiseerde hij een oefening. Elk regiment van zijn brigade diende twee eskadrons naar deze oefening te sturen. Dit waren RD4, RD5, RH6 en RH8. De bedoeling van de oefening was om met de vier afgevaardigde dragonder en de vier huzaren eskadrons tijdens de manoeuvres elk twee regimenten te vormen, maar voor de rest wel apart gebivakkeerd te blijven. De regimentscommandogroepen, standaarden en regimentsmuziekkorpsen werden door RD4 en RH6 geleverd. De speciaal voor deze oefening gevormde brigade van generaal-majoor Boreel, met dus een samengesteld dragonder en huzarenregiment ging vervolgens naar de bekende heide bij Ravels om hier samen met de 6e, 15e, 16e, en 17e afdeling infanterie en een veld- en rijdende batterij artillerie te oefenen. Het geheel stond onder leiding van de luitenant-generaal De Eerens.2 Ritmeester Fundter van RD4 schrijft hierover:
“Een eskadron moest met de infanterie kamperen. Deze manoeuvres hadden gewoonlijk driemaal ’s weeks plaats, en op de andere dagen maakte de cavalerie doorgaans velddienst. Den 8. der volgende maand werd het korps weder ontbonden.”
Op 8 september 1829 werd opnieuw een samengestelde oefening georganiseerd door generaal-majoor Boreel. Opnieuw stuurde RH6 twee eskadrons naar de heide bij Ravels om daar samen met andere eskadrons, infanterie en een batterij rijdende artillerie te manoeuvreren. De twee samengestelde cavalerieregimenten stonden dit keer onder commando van de regimentscommandanten van RH8 en RD5. Een maand later was de oefening voorbij en keerden de eskadrons terug naar de moederregimenten.
1830 was een woelig jaar. In heel Europa waren onlusten, vanwege forse belastingdruk en voedselschaarste. Ook in de Zuidelijke Nederlanden kwam men in opstand tegen het Nederlandse bewind. Men voelde zich in het Zuiden achtergesteld en niet evenredig vertegenwoordigd in de staatslichamen. In augustus 1830 kwam het in Brussel tot relletjes die uitliepen op een volksopstand.
In augustus 1830 was de onrust uit Brussel ook in Doornik voelbaar. Omdat RH6 destijds vele Zuid-Nederlanders in haar gelederen had, was de toestand in het Regiment ook gespannen. Kolonel van Balveren nam speciale veiligheidsmaatregelen om overrompelingen op zijn kazerne te voorkomen. Er waren namelijk aanwijzingen dat de burgerij in Doornik het garnizoen wilde aanvallen. Kolonel van Balveren kreeg in september opdracht om zich met zijn regiment naar Oudenaerden te verplaatsen en zich gereed te houden voor een strafexpeditie naar Brussel:

“Op en tienden September 1830, des voormiddags ten twaalf ure, meldde zich bij den kolonel van Balveren, de 2e luitenant d. S… van het Regement Hussaren No.8, in burgerkleeding, overbrengende eene schriftelijke order uit het hoofdkwartie van zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden, involge waarvan de kolonel nog dienzelfden dag, met het Regement van Doornik naar Oudenaerden moest marchieren. Hij ontvang daarbij nog andere, hiermee in verband staande, instructiën.”
De bevolking van Doornik had lucht gekregen van de opdracht en probeerde de afmars van het Regiment te verhinderen door de poort van de stad in de richting van Brussel te blokkeren. Kolonel van Balveren voerde een misleiding uit en liet het Regiment gereed maken voor een soort trainingsrit. Bovendien meende hij dat het slechts een kort durende operatie zou zijn. Hij liet daarom de Standaard, krijgskas en andere bescheiden achter onder de hoede van luitenant-kolonel Quaita. Deze was weliswaar een Zuid-Nederlander, maar heeft zijn bewakingstaak goed vervuld en de Standaard en krijgskas uit handen van de opstandelingen weten te houden. Later dat jaar zijn de Standaard en krijgskas overgedragen aan de Nederlandse gezant in Parijs.
De aanval op Brussel
In anderhalf uur na ontvangst van de opdracht, was het Regiment met drie eskadrons en 334 paarden, gereed voor afmars en ging
“in eenen goede draf”
door een nog niet door de bevolking bezette poort de stad Doornik uit. De ‘Brusselsche Poort’ was intussen door de bevolking geblokkeerd. Door de snelle afmars had het Regiment wel vrijwel alle bagage moeten achterlaten; hiervan heeft men vrijwel niets meer teruggezien. Cadet-wachtmeester Baron van Tuijll-Serooskerken schreef hierover:“Wij hadden nu de vesting achter ons en waren dus voor veel gevaar behoed, maar wij lieten veel bagaadje achter. De officieren en ook ik die als kadet-wachtmeester in de stad logeerden, hadden niets bij ons, er was geen mogelijkheid om zelfs eenig linnengoed mede te nemen. Wij vertrokken derhalve uit Doornik, aldaar achterlatende wat wij bezaten. Wat mij aangaat, ik zag van het mijne nooit iets terug. Hoe groot ongerief voor velen onzer daarvan ook het gevolg was, gevoelden wij ons echter te gelukkig ons weder in het vrije veld te bevinden, dan dat wij over het gemis van linnen en wat dies meer zij, veel zouden hebben bekreund. Het ‘à la guerre comme à la guerre’, vond hier inderdaad zijne toepassing, en welgemoed gingen wij dan ook op marsch, om deel uit te maken van het mobiele leger dat zich destijds rond Brussel verzamelde.”
De mars ging over Oudenaerden naar Aalst. In Aalst werd de regimentscommandopost ingericht terwijl de eenheden in de omliggende gehuchten werden gelegerd. Er werden verkenningen richting Brussel uitgevoerd. Deze voerden o.a. naar Grammont waar een oproerige menigte de huzaren dwong om naar Ninove uit te wijken, maar ook in deze plaats moest in open veld gebivakkeerd worden met rondombeveiliging tegen vijandige burgers. In Aalst werden enige honderden gedetineerden bewaakt, om bevrijding door de bevolking te voorkomen.
Volgens plannen zou Brussel met drie colonnes worden genaderd, die vervolgens door de Willems-, de Schaerbeekse en de Leuvense poort de stad zouden binnen trekken. Tegelijkertijd zou er een schijnaanval op de Vlaamse poort worden ingezet. In het geheel zouden 9.900 man naar Brussel opmarcheren, bestaande uit 8150 man infanterie en 1740 ruiters met 26 stukken geschut. Onder de troepen waren vele Zuid-Nederlanders die zouden overlopen. Kolonel van Balveren moest de schijnaanval op de Vlaamsche poort uitvoeren en werd aan het hoofd gesteld van een gemengde eenheid, bestaande uit 25 officieren, een bataljon infanterie (1e bataljon van het 5e Regiment Infanterie o.l.v. luitenant-kolonel Schenofsky. 674 man sterk), twee compagnieën flankeurs (van 17e Regiment Infanterie, 412 man sterk) en de drie eskadrons van RH6 (361 man). Deze drie eskadrons bestonden uit delen van alle acht organieke eskadrons van RH6. Kolonel van Balveren kreeg op 23 september 1830 opdracht om met zijn detachement de Vlaamse poort, de westelijke stadstoegang, te bezetten en daarna naar het stadscentrum op te rukken. Deze aanval was dus bedoeld als schijnaanval.
Op 23 september om 04.00 gingen de eskadrons voorwaarts, gevolgd door de infanterie. Ritmeester K.E. Baron van Heerdt bleef achter met een eskadron huzaren en zieke manschappen. Ook majoor de Haan bleef achter met zijn twee compagnieën flankeurs om Aalst vast in eigen hand te houden. Ritmeester A.H. Baron Sloet van Oldruitenborg bleef met een detachement de brug over het riviertje de Dender bij Erembodegem bewaken. Een eskadron huzaren werden als beveiliging voorop gestuurd. Voorop ging een patrouille van één korporaal en twee huzaren. Dit werd de ‘voorwacht’ genoemd. Hierna volgende een spitspeloton onder leiding van luitenant G. Daarachter volgde weer de voorhoede ter sterkte van een infanteriecompagnie. Daarna volgde de rest van het voorste eskadron, de regimentsstaf, de rest van het bataljon infanterie en op enige afstand de resterende twee eskadrons huzaren. De opmars ging tot het gehucht Zellik wat in een zeer bosrijk gebied lag. Kolonel van Balveren liet halthouden en gaf opdracht het voorliggende terrein te verkennen. Het spitspeloton van luitenant G. stuitte hierna op een groepje opstandelingen, die
“behoorlijk gewapend in benden van 50 à 60 man kwamen opdagen.”
De luitenant reed terug om bevelen te halen, terwijl cadet-wachtmeester Baron van Tuijl van Serooskerken het bevel ter plaatse over het spitspeloton overnam. Hij drong met zijn eenheid de opstandelingen terug, terwijl de volgende infanterie de opstandelingen zelfs uiteendreef. Cadet-wachtmeester Baron van Tuijll-van Serooskerken schreef:
“Wij bevonden ons in een bosch, in eene goede stelling, maar genoemde luitenant, een Zuid-Nederlander, scheen weinig lust te hebben met onze tegenstanders in aanraking te komen. Vermeldenswaardig is het, dat de Hussaren grootendeels Walen zijnde, de houding van hunnen luitenant opentlijk afkeurden en dat toen deze terugreed, om aan den kolonel van Balveren nadere bevelen te vragen, en ik het bevel opnam, mijne Walen met de meeste geestdrift en tirailleur op de aanrukkende benden losgingen. Deze door die beweging tot staan gebragt, trokken naar de zijde van den straatweg terug, en verzamelden zich vervolgens daar opnieuw.”
Kolonel van Balveren zond infanterie voorwaarts en een gevecht ontstond. Aan het einde van de middag vluchtte de vijand. Hierbij sneuvelden dertien opstandelingen, terwijl bij RH6 geen gewonden of doden waren gevallen. De colonne van RH6 legerde zich vervolgens in de nacht langs de straatweg tussen Zellik en Brussel.
De kolonel van Balveren kreeg door parlementariërs en door Oranje vlaggen de indruk dat de bevolking van gezindheid veranderd was en dat de binnentocht in Brussel gemakkelijk zou zijn. Verder dacht hij dat de neven colonne, die via de Schaersbeekse poort Brussel binnen moest trekken, ook gereed stond, hoewel hij geen verbinding had met deze neven colonne. De colonne van RH6 die de stad binnentrok had ondanks de ogenschijnlijke verbeterde toestand, weer de bovengenoemde opmarsformatie aangenomen. De luitenant G. ging met zijn peloton weer voorop. Na het bereiken en bezetten van de Vlaamse poort gaf kolonel van Balveren de luitenant G. het bevel om met zijn peloton naar het hoofdkwartier van bevelhebber te gaan en melding over de situatie te doen aan Prins Frederik der Nederlanden. Teruggekeerd naar zijn peloton, ontving hij iets naast de Vlaamse Poort vijandelijk vuur. Hij stopte daarop zijn actie, verbood zijn huzaren het vuur te beantwoorden en (erger nog) zond hiervan geen bericht aan de regimentscommandant. Baron van Tuijll van Serooskerken vertelt hierover:
“Het peloton trok links af door de voorstad in de rigting der Allée Verte..[..]..Naauwelijks waren wij van de kolonne verwijder, of men waarschuwde ons, voorzigtig te zijn in het nemen van onzen weg. Die weg was niet veilig, zeide men ons, en dat men ons niet bedroog, bleek spoedig. Immers toen wij de Allée Verte genaderd en wij dan ook van de stad slechts gescheiden waren door het kanaal, zagen wij aan de overzijde een schildwacht die terstond zijn geweer op ons loste. De luitenant G. had hiervan de kolonel van Balveren moeten onderrigten; ik sloeg hem dit voor, doch hij weigerde er gevolg aan te geven, en marcheerde door..[..].. eenige honderd passen verder… vuurde men op de Hollandsche troepen. De Hussaren, wederom dezelfde Walen, wilden hunne karabijnen in den haak doen, en deze van de destijds bestaande slotfoudralen (die het wapen onbruikbaar maakten) ontdoen, ten einde het vuur te kunnen beantwoorden, maar ook dit werd ons door den luitenant G. verboden. Wij trokken nu langs eenen groten omweg voorwaarts, en volbragten den last aan het Hoofdkwartier van Prins Frederik, waarna het peloton langs denzelfden weg terugkeerde.”
Bij het binnentrekken van de stad ondervond de colonne van RH6 aanvankelijk weinig weerstand. Op grotere wegen waren weliswaar versperringen aangelegd, maar die konden eenvoudig worden omtrokken. Hierdoor kwam de colonne echter wel in dichtere bebouwing terug waar de weerstand snel toenam. Bij de Varkensmarkt aangekomen werd haltgehouden voordat meer open terrein kon worden bereikt. Hier melden zich parlementariërs bij de colonne die eisten dat de mars zou worden stopgezet en dat de wapens zouden worden neergelegd. Kolonel van Balveren weigerde dat en op een afgesproken teken werd van alle kanten het vuur op de colonne geopend, waardoor grote verwarring ontstond. Baron van Tuijll van Serooskerken:
“Dat parlementeeren hield steeds aan en werd al dreigender en dreigender, onder aanhoudend geschreeuw van ‘Crosse en haut!’en toen de kolonel kort en goed had verklaard, dat hij zijnen troep niet zou ontwapenen, stak een schildwacht, die op de Varkensmarkt stond, zijn burgerhoed op zijne bajonet, en hield die omhoog; dit was het sein tot den met zoo veel list voorbereiden verradelijken aanval…”
Het voorste eskadron en het bataljon infanterie kwamen in het nauw. De twee achterste eskadrons waren nog relatief ongebonden. Het spitspeloton week terug, door de volgende eigen infanterie heen. De colonne werd onder vuur genomen en bekogeld vanuit de huizen en vanaf daken. Stenen, dakpannen, ongebluste kalk, kokend vloeistoffen, huisraad, menselijke uitwerpselen en zelfs een gloeiende kachel werden naar beneden gegooid op de hoofden van de huzaren en soldaten. Ook hadden de opstandelingen gemaskeerde stukken licht geschut in stelling gebracht op deurbalkons die de straat bestreken.
“De ramen der to dusverre gesloten huizen gingen plotsklaps open, er begon een allerhevigst vuur, zoowel uit de ramen als uit kelders en ook van de daken werd op de kolonne gevuurd. Geen wonder dan ook dat onder haar weldra groote verwarring ontstond, die niet weinig vermeerderde toen de opstandelingen zich niet bepaalden bij het schieten, maar ook uit de boven-verdiepingen, als een regen over de troepen uitstortten, zaken met ongebluste kalk, kachels met het vuur er nog in; kortom alle voorwerpen die men in een huis maar kon vinden kon om de troepen te verpletteren, als meubels, kokend water, emmers met vitriool enz, enz.; men had zelfs op een balcon 2 kleine veldstukjes geplaatst welke de geheele straat bestreken…”
De kolonel van Balveren behield zijn kalmte, doch de paniek in de nauwe straat was niet meer te stuiten. De colonne trok zich terug. In het midden ontstond een opeenhoping, waarbij de voorste huzaren (ongeveer 20 ruiters) door de infanterie heenreden en de verwarring nog groter maakten. Aan de staart van de colonne was door de opstandelingen een hinderlaag gelegd, bestaande uit een gegraven gracht, gevuld met kalk en van boven bedekt en gecamoufleerd. Deze werd echter tijdig ontdekt door een wachtmeester van de achterste twee eskadrons. De bevolking wilde nu snel de bovenbedekking over de gracht wegnemen om de terugtocht te beletten, maar dit werd verhinderd door de huzaren. De infanterie trok zich terug langs de huizen aan weerszijden van de huzaren van de achterste eskadrons die minder te lijden hadden gehad van de aanval bij de Varkensmarkt. Zonder al te grote verliezen kon de colonne zich terugtrekken naar de Vlaamsche Poort en deze bezet houden. Wel waren er enkele gewonden en negen paarden verloren gegaan. Tot de gewonden behoorden o.a. twee huzaren die als ordonnans bij kolonel van Balveren waren en een trompetter. Ook was veel hinderende uitrusting weggegooid. De majoor van Borsselen had zich bij de voorste huzaren bevonden en was samen met zijn ordonnans in een zijstraat geraakt. Hier werden hun paarden neergeschoten en zij beiden gevangen genomen. Ook de commandant der infanterie, luitenant-kolonel Schenofsky was gevangen genomen. Andere colonnes hadden wel het centrum van Brussel bereikt, maar het verzet nam hand over hand toe. De terugtocht van RH6 werd door de opstandelingen gevierd. Ze lieten achtervolging achterwege en vierden de overwinning in de kroeg, waarbij ze hun wapens in de straat lieten.Het peloton van luitenant G. wat eerder verslag aan de bevelhebber Prins Frederik had uitgebracht moest nog terugkeren naar de hoofdmacht. Gewaarschuwd door goedwillende burgers, wilde met luitenant G. zijn peloton toch weer via dezelfde weg de stad in rijden in de waan dat het regiment nog de Vlaamse Poort bezet hield. Dit weigerden echter zijn huzaren. Ze namen het initiatief en galoppeerden via een andere route de stad uit. Opstandelingen schoten niet op hen, doordat ze hun wapens niet paraat hadden. Baron van Tuijll van Serooskerken schreef hierover:
“Onze Walen hadden nogtans de schildwachten die op ons gevuurd hadden niet vergeten; ook protesteerden zij des morgens tegen het verbod, om de slotfoudralen van de karabijnen af te doen en deze te laden. Bij hunnen terugkeer stoorden zij zich niet meer aan dit verbod en ieder maakte zich gereed om op dat vijandelijk punt gekomen, dien post diezelfde eerbewijzing terug te geven. Onze luitenant had bij ons al zijn gezag verloren. Zoo kwamen wij in de voorstad, en ook nu weder bleek ons hierop nieuw de goede gezindheid der burgerij. Wij werden er staande gehouden, onderrigt van hetgeen de kolonne overkomen was en gewaarschuwd dat de opstandelingen zich in de voorstad genesteld hadden. Wij vonden dan ook bij de Allée Verte geen schildwacht meer. De luitenant G. die , zoo als men beweerde, van het Belgische voorloopig bestuur een brevet als luitenant-kolonel in den zak had, wilde van die waarschuwing niet hooren, en scheen ons weder binnen de stad te willen brengen, onder voorwendsel van de kolonne, die hij wist dat er niet meer was, te rejoigneren. Bittere verontwaardiging openbaarde zich toen onder zijene Hussaren, zij aarzelden niet lang, en de luitenant latende delibereren, zette de troep zich eensklaps voorwaarts in galop, den weg inslaande waarheen men wist dat de kolonne de wijk had genomen; het geheele peloton volgde, ook de luitenant werd medegesleept. Men rendde de voorstad door tot dat men daarbuiten weldra onze voorposten bereikte. Wel bevonden zich eenige honderden opstandelingen in de geheele voorstad verspreid, doch in de groote vreugde over de behaalde overwinning, zaten zij in de herbergen, terwijl hunne geweren buiten tegen de huizen stonden. Onze snelle gang en onverwachte passage belette dan ook hunne poging om ons tegen te houden. Voor en aleer zij de wapenen in handen hadden en vuur konden geven, waren wij Hussaren reeds voorbij.”
Even later sloot het peloton zich dus buiten de stad weer aan bij het Regiment. De huzaren vertelden kolonel van Balveren over het dubieuze gedrag van luitenant G.:
“Kolonel, wij willen wel vooruit, maar niet meer met den luitenant G. die ons belet heeft het vuur van den vijand te beantwoorden.”
Dit had geen onmiddellijke consequenties. De luitenant G. werd vervangen door 2e luitenant J. H. Schreuder. Luitenant G. werd later, samen met alle Zuid Nederlanders, met eervol ontslag weggestuurd. Op een heuvel buiten Brussel werd de volgende nachten doorgebracht. Vandaar had men een goed inzicht in de strijd in de stad, waarbij majoor C.F. Krahmer de Binchin van de Rijdende Artillerie sneuvelde. Op 25 september trok het regiment zich terug naar Assche, waar ze tot 29 september verbleef. Hier moest het regiment zich beveiligen tegen overvallen vanuit de omgeving. Dit betekende veelvuldig alarm. Soms was men de hele nacht paraat met de paarden gezadeld aan de hand. Baron van Tuijll van Serooskerken schreef:
“Wij moesten dag en nacht op onze hoede wezen. Slechts een gedeelte van den troep was gedurende den dag in kwartieren. Tegen de avond kwam alles onder de wapenen en zoo werden de nachten doorgebragt. De inwoners van Assche waren ons gunstig gezind en in de kwartieren vond de troep goede verpleging. Vier opeenvolgende nachten stonden wij Hussaren daar voorwaarts van Assche op den straatweg steeds met de paarden aan de hand. Het viel ons moeilijk om alsdan wakker te blijven. Het was inderdaad een zware dienst. Dit gewapend waken geschiedde niet alleen inde maand September, maar ook moesten wij de gure winternachten in December en Januarij, menigmaal op dezelfde wijze doorbrengen..”
In de nacht van 26 op 27 september blies het Nederlands leger de aftocht. De actie om het centrum van Brussel te bezetten was mislukt.
De terugtocht uit Brussel
De volksweerstand te Brussel was voor de Koning aanleiding om zijn troepen terug te trekken uit Brussel. Op 27 september kwam het formele bevel tot terugtocht. De toepen verlieten de stad onder achterlating van gewonde en gesneuvelde militairen alsmede een aantal soldaten dat door de opstandelingen krijgsgevangen was gemaakt. RH6 had geen verliezen geleden. Het gecombineerde infanterie/cavalerie detachement van kolonel van Balveren werd nu formeel ontbonden en het Regiment ging naar Aalst. Terug in Aalst bleven de beide compagnieën flankeurs nog wel ter beschikking van kolonel van Balveren. Er werd gebivakkeerd op het marktplein van die stad. Inkwartiering bij de burgerij was niet meer aan de orde, vanwege de vijandelijke sentiment ter plaatse. Nachtelijke overvallen kwamen nog steeds voor. Deze werden direct door vuur of charges in de kiem gesmoord. Hierbij onderscheidde zich de ritmeester K.E. Baron van Heerdt, de latere commandant van het Regiment, met doeltreffende charges van zijn huzaren. Hij verloor hierbij wel zijn paard.
In Aalst was een militaire gevangenis, waarin honderden gedetineerden zaten. Om te voorkomen dat deze door de opstandelingen zouden worden bevrijd, werden zij bij het vertrek uit Aalst meegenomen en naar Gent gebracht. De gevangen, twee aan twee gekluisterd en op klompen, weigerden aanvankelijk te lopen, maar het bevel van kolonel van Balveren om achterblijvers in de benen te schieten, bracht daar verandering in. In Gent werd afscheid genomen van de flankeurs en RH6 verplaatste vervolgens via Le Christi (3 oktober) en Boom (4 oktober) naar Antwerpen, waar in de dorpen in de omgeving de eenheden werden ingekwartierd. Op 5 oktober was de staf en 1e eskadron te Aartselaer, het 2e eskadron in Reeth, het 3e eskadron te Riel en het 4e eskadron te Hemixem. Het 3e eskadron onder leiding van ritmeester Sloet van Oldruitenberg verplaatste zich later naar de andere zijde van de Schelde naar Zwijndrecht. Het dorp Schelle werd aangewezen als depot plaats, waar alle zieke en niet inzetbare manschappen en paarden naar toe werden gebracht. Het depot stond onder leiding van 2e luitenant Marcella en de paardenarts Dehne. RH6 reorganiseerde zichzelf officieel van de oorspronkelijke acht terug naar vier eskadrons. Het Regiment nam onder andere deel aan het gevecht bij Duffel. Aangevallen tijdens een verkenning bij Duffel hielden de huzaren stand totdat twee bataljons infanterie kwamen opdagen. Baron van Tuijll van Serooskerken schreef hierover:
“Bij deze gelegenheid werd het paard van den wachtmeester Lambateur zoodanig gewond, dat men het moest achterlaten; de vijand meende zich hiervan, alsmede van deze onderofficier dadelijk meester te kunnen maken. De goede houding van eenige tirailleurs belette zulks echter, men bragt dezen onderofficier met al wat tot zijn harnachement en bepakking behoorde, bij het korps in veiligheid.”
Ook de 2e luitenant Schreurder onscheidde zich tijdens de gevechten bij Duffel:
“Een molenaar ontwarende die met zijn molen de opstandelingen allerlei seinen gaf en weigerde van zijn molen neder te dalen, wist hij deze met eenige karabijnschoten hiertoe te dwingen en belette verder zijne verstandhouding met de vijand.”
Ook bij de strijd om de brug bij Waelhem was het regiment betrokken. Het stond in reserve opgesteld op de weg van Antwerpen naar Mechelen, maar werd niet ingezet. In de avond trok het zich terug op de kantonnementen. Nadat ook in Antwerpen opstandjes uitbraken en op 19 oktober de staat van beleg was afgekondigd trok het Regiment zich op 24 oktober terug op Loenhout en Brecht.
Enkele Zuid-Nederlandse militairen deserteerden nu uit het Regiment, hoewel hun aantal klein bleef. Kennelijk woog hun afgelegde eed van trouw aan de Koning nog zwaar. Op 1 oktober werd overeengekomen dat de resterende Noord-Nederlandse militairen (waaronder het nadetachement van RH6) in Doornik vrij aftocht kregen naar het noorden. Wel moesten ze hun paarden en uitrusting achterlaten. Kapitein-kwartiermeester Matt slaagde erin het Regimentsarchief veilig te stellen en in ongeschonden staat in januari 1831 terug te bezorgen bij het Regiment. Om de interne orde in zijn leger te herstellen en de betrouwbaarheid te verhogen, verleende Koning Willem I op 26 oktober aan alle Zuid-Nederlandse militairen verlof om uit hun regimenten te treden en zich naar huis te begeven. In de noordelijke Nederlanden ontstond daarop een volksbeweging gevoed door verontwaardiging over afscheiding, waarbij vele vrijwilligerkorpsen werden geformeerd, voornamelijk lichte infanterie.
Ook binnen RH6 konden Zuid-Nederlandse uittreden. Op 26 oktober verzameld op een heide tussen Loenhout en Brasschaat werd aan het Regiment de order voorgelezen waarbij aan de Zuid-Nederlanders eervol ontslag uit ’s Koningsdienst werd verleend.3Baron van Tuijll van Serooskerken was erbij en schreef:
“Nadat zij afgestegen waren en hunne wapens aan het zadel hadden bevestigd, en ieder een voorloopig billet van eervol ontslag had ontvangen, geleek onze scheiding naar die van innig aan elkaar gehechte vrienden, die zich voor altijd vaarwel moesten zeggen. Door menigeen werd elkander met tranen in de oogen een laatste handdruk gegeven. Velen dier nu naar hun geboorteland terugkeerende dapperen verlieten ons met weerzin, bij het korps eene schoone herinnering achterlatende van de trouw en den ijver waarmede zij hunnen Koning, tot de laatste ogenblikken vóór hun vertrek, hadden blijven dienen.”
De paarden en wapens van de uitgetreden huzaren, werden achtergelaten en meegevoerd naar het Noorden:
“Tegen het vallen van de avond hoorden wij achter ons een allerhevigst geschutvuur, iets dat in den donkeren nacht en in de onzekerheid waarin wij alles verkeerden, ons zeer onaaangenaam in de ooren klonk. Later vernamen wij dat dit kanongebulder uitging van de Citadel op last van den generaal Chassé, die toen helaas! de stad moest bombarderen om de trouwelooze handelingen der opstandelingen, die zich van Antwerpen hadden meester gemaakt, te tuchtigen, en de gehoonde Nederlandsche vlag op deze wijze krachtig te wreken.”
Op dezelfde 26e oktober was te Hoogstraten ook het 8e Regiment Huzaren (RH8)4 ontbonden. De regimentscommandant hiervan, kolonel de Brias, was een Belg en gaf het commando over het restant over aan majoor van Schaek die met het restant naar Princenhage reed. Te Princenhage werd op 28 oktober RH6 samengevoegd met de restanten van het Regiment Huzaren no 8 (RH8)5. De kolonel van Balveren liet uit de resten van RH6 en RH8 twee eskadrons formeren. Al het overcomplete personeel en materiaal (zadeltuig en wapens) liet hij in Breda inschepen en onder leiding van majoor van Schaek (dus voormalig RH8) naar Zutphen verplaatsen waar dit depot van RH6 en RH8 op 3 november aankwam. Het uit slechts twee eskadrons bestaande RH6 trok nu via Breda en Oosterhout verder naar Waalwijk waar op 31 oktober aankwam en enige dagen vertoefde.
Hier was intussen ook het nadetachement uit Doornik (85 man) in Zutphen aangekomen. Uit het depot der lansiers in Utrecht werden 84 remonte-paarden ontvangen. Het Nederlandse leger gaf nu echter prioriteit aan het opnieuw formeren van infanterie-eenheden, zodat het geruime tijd duurde, voordat goed opgeleide nieuwe huzaren naar RH6 werden gestuurd om die weer op de voorgeschreven sterkte te brengen. Onder de vrijwilligers waren er wel vijf die bereid waren om zich met hun eigen paarden zelf de uitrusting te betalen en
“..zich verbonden om zoolang de onlusten duurden zonder soldij te dienen.”
Tussentijd
De Belgen, overmoedig geworden, ondernamen strooptochten op Nederlands grondgebied. Het Regiment kreeg daarom beveiligings- en verkenningstaken. RH6 bevond zich daarom vanaf 2 november in Roosendaal. De troepensterkte was intussen vanuit het depot in Zupthen vergroot tot drie eskadrons, maar organisatorisch waren er nog steeds slechts twee eskadrons. Vanaf 23 november was het regiment te Etten-Leur. Het 1e eskadron (destijds nog kompagnie genoemd) stond onder leiding van ritmeester van Bronkhorst en was gelegerd in Etten Leur. Tijdens een verkenning op 20 november, werd een patrouille van RH6 door een overmacht overvallen, waarbij een wachtmeester gevangen werd genomen.
Onder leiding van 1e luitenant L.H.J. Baron van Voorst tot Voorst zette de patrouille echter de aanval op de overmacht in en bevrijdde de gevangen wachtmeester. Luitenant van Voorst tot Voorst werd hierbij gewond, maar mocht voor zijn daad wel uit handen van de Koning de Militaire Willemsorde ontvangen. Veel Belgische strooptochten kwamen uit Esschen. Delen van het Regiment namen met succes deel aan een gecombineerde aanval onder leiding van luitenant-generaal van Geen op deze plaats. Onder andere nam 1e luitenant Jhr H. H. van de Poll met zijn peloton huzaren deel. Ook werden op 21 november ‘goede daden’ gemeld van de 2e luitenant J.F. Thirion, opperwachtmeester de Meij, korporaal Tabak en de huzaar Smit.
Het 1e eskadron werd enkele dagen later gedetacheerd bij de Grenadiers die onder bevel van majoor Anthing de voorposten bij Rijsbergen bezetten. Hierbij bevond zich ook een sectie Rijdende Artillerie onder leiding van 1e luitenant Baron van Heeckeren. Op 10 december moesten alle in Rijsbergen gekantonneerde troepen aantreden en reikte Prins Frederik namens Z.M de Koning na een inspectie militaire Willemsorden uit aan degene die zich hadden onderscheiden in de strijd tegen de Belgische opstandelingen. De huzaren van RH6 kregen geen medailles. Kolonel van Balveren schreef een verontwaardigde brief naar de opperbevelhebber van de Kavalerie en diende alsnog enkele voordrachten in. Hij schreef:
De dagorder aan het leger in dato 26 september jl. is aan het Regemet Hussaren niet bekend gemaakt; ik heb deze nu eerst onlangs ontvangen. Ten gevolge van dezer dagorder voel ik mij gedrongen mijne verwondering en leedwezen te kennen te geven, te moeten zien hoe bij zoo menigvuldige in andere korpsen uitgevenen decoratiën mijne dappere Hussaren geheel zijn voorbijgegaan, vooral dewijl het eene daadzaak is, dat onder andere het Regement No. 6 van den 10den September af onophoudelijk in alle vermoeijenissen en gevaren des legers heeft gedeeld, en bij alle voorkomende gelegenheden al het mogelijke heeft gedaan om aan zijne eervolle roeping te beantwoorden.”
Het was echter te laat. Pas in augustus 1831 werden de te laat ingediende voordrachten van de kolonel van Balveren gehonoreerd en toen samen met de voordrachten uit de Tiendaagse Veldtocht toegekend.
Op 21 november werd een eskadron van RH6 als spits ingedeeld bij de eenheid van generaal Hertog van Saxen-Weimar die met zijn Divisie van Valkenswaard, via Lonaken en Smeermaes naar Maastricht marcheerde om deze plaats veilig te stellen tegen de Belgen. Dit was het 1e eskadron onder leiding van ritmeester Gerlacus Buma. Het vroor en sneeuwde, waardoor bivakkeren een uitdaging was. Wachtmeester Tonbreker werd als ordonnans naar Maastricht gestuurd en wist in dit winterse weer, onder vermijding van alle oorden, Maastricht te bereiken. Hiervoor mocht ook hij een Militaire Willemsorde ontvangen. Zonder tegenstand bereikte de colonne Saxen-Weimar Maastricht. Op de terugweg ging het restant van het Regiment Lichte Dragonders No. 5 mee, waaronder honderden ruiterloze paarden. Speciaal hiervoor was een detachement onbereden kurassiers meegenomen, onder commando van 1e luitenant Janssens.6
Vervolgens werd de opmars naar het eveneens omstreden Venlo ingezet. Tijdens de mars daarheen werden twee Belgische gendarmen op de markt in Maaseyk gevangen genomen. De Hertog van Saxen-Weimar herkende in één van hen een gedeserteerde Zuid-Nederlander7 uit zijn staf en wilde hem als deserteur laten fusilleren. De huzaren van RH6 aarzelden echter en traden niet naar voren, waarop de Hertog zijn beslissing terug draaide.8 De beide huzaren ontvingen voor hun gedrag van de Hertog elk 10 gulden. Toen Venlo genaderd was, werd de stad niet aangevallen omdat er een wapenstilstand was afgesproken. Venlo kwam weer onder Noord-Nederlandse controle. Op 25 novermber werd bij Bree gebivakkeerde en op 26 november werd de Nederlandse grens bij Achel weer overschreden. Het detachement van de Hertog van Saxen Weimar werd ontbonden en het ingedeelde eskadron keerde weer terug naar het RH6 te Etten-Leur.
Kolonel van Balveren was intussen vanuit Brabant naar het regimentsdepot te Zutphen vertrokken om te werken aan de reorganisatie en wederopbouw van het Regiment. Het eskadron bij Roosendaal en (later ook) het eskadron bij Etten-Leur werden onder leiding gesteld van ritmeester van Bronkhorst, totdat op 25 november majoor van Schaek arriveerde en de leiding ter plaatse op zich nam. Van Balveren had op 14 november het bevel over het depot van RH6 in Zutphen over genomen. Tot januari 1831 werd beveiliging aan de grens uitgebracht. Dit werd destijds ‘voorpostendienst’ genoemd. Op 6 januari 1831 verplaatste het Regiment zich via Dongen en Oirschot naar Valkenswaard en vormde hier met 4e en 5e Regiment Lichte Dragonders de Lichte Brigade (voorhoede van het Mobiele Veldleger) onder bevel van de intussen tot generaal-majoor bevorderde Jhr. W.F. Boreel, de oude regimentscommandant. Tot april bleef het Regiment in de omgeving van Valkenswaard, bij toerbeurt de taak van voorpostendienst vervullend. De administratie werd op orde gebracht. Op het depot te Zutphen werden nieuwe eskadrons geformeerd. Aan vrijwilligers geen gebrek.
In de opstelling van de voorposten werden bij RH6 af en toe wijzigingen aangebracht. Eind januari bevond zich luitenant Rambonnet met een detachement huzaren op de voorpost in Bergeik, de luitenant Schreuder met een detachement te Westerhoven en de luitenant Baron van der Duijn bij Leende. De aflossing gebeurde elke twee weken. Op 21 februari werd een detachement van 9 man met 14 ongeschikte paarden en overtollige uitrusting onder leiding van ritmeester van Heerdt terug naar het depot in Zutphen gezonden. De paarden werden onderweg in Den Bosch verkocht.
Internationale en nationale ontwikkelingen
Na het verjagen van het Nederlandse leger uit Brussel en omstreken had België ondertussen op 1 oktober 1830 de onafhankelijkheid uitgeroepen. In januari waren de geallieerden (uit de Napoleontijd) en Frankrijk bijeengekomen in Londen. De Belgische onafhankelijkheid werd geaccepteerd en de grenzen werden vastgesteld op basis van de grenzen uit 1795. Het Belgische en Nederlandse leger hadden zich sindsdien teruggetrokken achter deze grenzen. Het Nederlandse leger hield echter altijd nog vast aan drie belangrijke citadellen op Zuid Nederlands grondgebied, namelijk Antwerpen, Luxemburg en Maastricht. Vooral de citadel Antwerpen stond onder druk. Toen op 5 februari 1831 Belgische opstandelingen een wachtschip in de haven dreigden te vermeesteren, blies luitenant-ter-zee van Speijk zijn schip de lucht in door een brandende sigaar in het kruitvat te steken. Tientallen Nederlandse opvarenden en Belgische opstandelingen vonden de dood, maar van Speijk was in één klap een Noord-Nederlandse zeeheld. Op 11 februari hoorde het regiment van deze zelfopoffering. Baron van Tuijll van Serooskerken schreef hierover:
“Bij het leger wekte de kennisneming van een en ander strijdlust, zucht naar wraakneming en een innig verlangen op, om den vijand voor zijne trouweloosheid en tevens voor die lafhartige daad te tuchtigen; een wensch die eenige maanden later vervuld werd.”
Het Groot Hertogdom Luxemburg (door vererving persoonlijk bezit van Koning Willem I) bleef twistpunt, net zoals Limburg. Koning Willem I was bovendien niet betrokken geweest bij het overleg in Londen en weigerde zich erbij neer te leggen. Hij zinspeelde op militair ingrijpen om door een overwinning op de Belgen tenminste gunstiger afscheidingsvoorwaarden te kunnen bedingen. Zowel aan Nederlandse zijde als Belgische zijde maakte men zich klaar voor een militaire confrontatie. Het Belgische leger had ook te lijden onder de deling en bestond slechts uit een sterkte van 30.000 man, die grotendeels ongeoefend waren. Er werd een Schelde leger in de buurt van Antwerpen opgesteld en een Maasleger in de buurt van Luik. Het Nederlandse leger was behoorlijk groter met een statisch gedeelte van 50.000 man en een mobiel veldleger van 36.000 man.
Het statische gedeelte bestond uit vrijwillige milities en richtte zich op de territoriale verdediging. Het mobiele veldleger bestond uit drie divisies (elk twee brigades en een batterij veldartillerie) en een divisie cavalerie (met twee brigades, elk met een halve batterij Rijdende Artillerie). Er was een zware cavaleriebrigade en een lichte cavaleriebrigade. De zware cavaleriebrigade (drie afdelingen kurassiers met elke twee eskadrons en het Regiment Lansiers no 10 met vier eskadrons) stond onder leiding van generaal-majoor Post en was ontplooid tussen Breda en Oosterhout. De lichte cavaleriebrigade werd gecommandeerd door generaal-majoor Jhr. W.F. Boreel en telde drie regimenten, namelijk het 4e en 5e regiment lichte dragonders (ieder twee eskadrons) en het 6e regiment Huzaren met drie eskadrons. De lichte brigade lag in de omgeving van Eindhoven en Valkenswaard. Verder was er nog een vierde reserve divisie, bestaande uit twee brigades (met elk zes bataljons schutterij), twee bataljons infanterie, een eskadron kurassiers en een batterij veldartillerie.
De Belgen maakten zich geen grote zorgen over de naderende confrontatie en vertrouwden op het ingrijpen van de geallieerden. Het Nederlandse leger had intussen plannen gemaakt voor de aanval. De bedoeling was om een wig te drijven tussen de beide Belgische legers door een snelle opmars naar Diest, een plaats halverwege tussen Antwerpen en Luik. De reserve divisie zou vervolgens naar het oosten afbuigen in de richting van Maastricht om het Maasleger te binden. Vanuit Breda en Zeeuws Vlaanderen zou een schijnaanval op Antwerpen worden gedaan om het Scheldeleger verder naar het westen te lokken om zo het gat tussen de twee Belgische legers te vergroten. Via het Maasdal zou ook nog troepen naar Maastricht worden gestuurd om vanuit Maastricht ook het Maasleger te kunnen binden. Nadat eerst het Maasleger was verslagen zou vervolgens worden afgerekend met het Belgische Scheldeleger.De kolonel van Balveren had te Zutphen intussen energiek gewerkt aan de oprichting van nieuwe eskadrons voor RH6, geholpen door golven van enthousiasme die na de Belgische opstand door Noord-Nederland rolden. Velen namen vrijwillig dienst en brachten soms hun eigen paarden en uitrusting mee, dien zij als huzaar dienst namen. Dit alles had resultaat. Op 22 februari was er een inspectie van generaal Trip en toen stonden er 160 manschappen en paarden gereed. Een derde eskadron met 4 wachtmeesters, 6 korporaals, 3 trompetters en 157 manschappen kon op 19 maart vanuit Zutphen naar Valkenswaard vertrekken en zich bij het Regiment voegen. Het 1e eskadron van RH6 lag toen bij Valkenswaard, het 2e bij Aalst, 3e bij Riethoven, terwijl het 4e eskadron in Waalre, Leende en Budel was gelegerd. De bekende ritmeester (en Waterloo held) ritmeester van Bronkhorst was intussen tot majoor bevorderd en bij het ‘Regement Ligte Dragonders No.5’ (RLD5) geplaatst. Van Balveren droeg hem voor voor een beloning:
“Deze ritmeester, die reeds in 1815 met de M.W.O. 4e kl. Is gedecoreerd, heeft ook ditmaal bij alle voorkomende gelegenheden zich betoond te zijn een zeer kundig, actief en moedig officier, die overal is present geweest en van groote waarde in campagne is.”
Ook andere luitenants verlieten RH6 en werden als ritmeesters bij RLD5 geplaatst of Lansier regimenten.
Het Regiment werd vanuit Valkenswaard op 5 april naar de omgeving van Woensel verplaatst. De staf kwam te Woensel bij Eindhoven. De eskadrons in Strijp, Ocht, Tongelree en enige voorposten verder zuidelijk. Terwijl van Balveren nog in Zutphen achterbleef aanvaarde luitenant-kolonel de Lenne (voorheen dienende bij het regiment Lansiers) op 7 april 1831 het commando over de veldeskadrons te Valkenswaard. Hij nam het commando ter plekke over van majoor van Schaek. Vanuit het depot werden ook de ritmeesters van Gerveroth en Thirion toegevoegd aan het regiment, net zoals de 1e luitenant Graswinkel. Te Woensel werd voor het eerst een tirailleurpeloton opgericht, onder leiding van 1e luitenant König.
Van Balveren bleef werken in Zutphen aan verdere aanvulling voor het regiment. Vijftien van hen dienden met eigen paard en verschillende vrijwilligers zonder bezoldiging, zoals de drie gebroeders Schwartsenberg Thoe Hohenlandsberg. Ook Scheltinga, van Hoorn en de Baron van Pallandt dienden zonder bezoldiging. De heer van der Hoop uit Amsterdam en Crommelin uit Haarlem betaalden uit eigen zak een compleet uitgeruste huzaar.
Op 12 juli 1831 vertrok een 4e eskadron (6 officieren en 140 onderofficieren en manschappen sterk) uit Zutphen en kwamen op 17 juli in Woensel aan. De kolonel van Balveren was, samen met zijn adjudant 1e luitenant van Werkhoven, erbij en voegde zich dus bij de troepen te velde. Op 17 juli 1831 nam kolonel van Balveren vervolgens te Woensel het commando over het voltallige regiment weer op zich, luitenant-kolonel de Lenne werd zijn plaatsvervanger. Majoor van Borsselen (Zuid-Nederlander die involge afspraken niet mocht dienen) nam het commando over het depot te Zutphen op zich.9 Het depot had toen een sterkte van 297 man en 151 paarden. Op 26 juli vond er een Koninklijke Inspectie plaats toen verschillende troepenafdelingen, waaronder RH6, op de heide bij Woensel langs de koning defileerde. Hierna marcheerde RH6 op 2 augustus met een halve batterij Rijdende Artillerie (onder leiding van kapitein Bentinck) naar Eersel en werd als voorhoede ingedeeld bij de 3e Divisie.
Tiendaagse Veldtocht
Op 2 augustus gaf Koning Willem I het bevel om de grens te passeren. De directe aanleiding was het uitroepen van Leopold van Saksen Coburg tot ‘Koning der Belgen.’ Onder leiding van kroonprins Willem van Oranje, bijgestaan door Prins Frederik der Nederlanden (als meer ervaren militaire adviseur) werd de aanval ingezet. Men rukte op over een zo breed mogelijk front om de tegenstander int misleiden over het uiteindelijke aanvalsdoel. De schijnaanval op Antwerpen had succes en het Belgische Scheldeleger verplaatste naar Antwerpen.Het Regiment Huzaren no. 6 (RH6) passeerde op 3 augustus bij Arendonck en Postel de grens.10 Via Rethij werd Moll bereikt. Hier was het eerste gevechtscontact met de Belgen. Baron van Tuijll van Serooskerken vertelt hierover:
“De vijand nam den schijn aan aldaar stand te willen houden, doch hij werd spoedig teruggedreven. Bij deze affaire verloor de wachtmeester Lambateur, welke vroeger bij Duffel hetzelfde ongeluk trof, andermaal zijn paard.”
Op 5 augustus ging het voorwaarts tot Beverloo terwijl de vijand relatief gemakkelijk werd teruggedrongen. De 4e (reserve) Divisie, onder leiding van generaal-majoor Cortheijligers en met slechts twee ingedeelde eskadrons kurassiers, had meer weerstand. Bij het dorp Houthalen, 12 km noord van Hasselt, ontstonden enige schermutselingen met Belgische voorposten. Een paar kilometer verder, bij de Winterse Heide, stuitte de 4e Divisie vervolgens bij verrassing op een grote Belgische strijdmacht die in slagorder stond opgesteld. Men was op het Belgische Maasleger gestuit. Deze onaangename verrassing was niet alleen het gevolg het onoverzichtelijke terrein, maar ook het gebrek aan cavalerie bij deze reserve divisie. De Belgen waren overigens net zo verrast als de Nederlanders en vielen niet in kracht aan, terwijl ze wel een getalsoverwicht hadden (10.000 man tegenover 5.000 man bij de Nederlandse 4e Divisie). De 3e Divisie werd om hulp gevraagd. RH6 kreeg op 6 augustus om 17.00 uur daarom opdracht om zich met een sectie Rijdende Artillerie te melden bij de 4e Divisie. Laat in de avond meldde het Regiment zich op de opgedragen plaats, maar hier waren de gevechten al afgelopen. RH6 kreeg hierop een stelling toegewezen bij Houthalen, waarbij in de nacht een eskadron in voorposten werd gepositioneerd. Verzorging voor man en paard was nauwelijks aanwezig en het Regiment was bijna 24 uur onafgebroken in touw geweest. Baron van Tuijll van Serooskerken weer:
“Na vermoeijenis en ontbering van dezen dag, vonden de Hussaren daar ter plaatse geen voedsel, noch voor de manschappen noch voor de paarden. Het was daar een echt ‘bivouac à belle étoile’, een bivouac dat menigeen die het bijwoonde, zich nog wel herinneren zal. Met blijdschap zag men den 6e Augustus aanbreken. Ons Hussaren-regement moest nu op algemeene verkenning uit.”
Gevechten met het Maasleger
De Belgen hadden intussen door wat er stond te gebeuren en probeerden hun strijdkrachten te concentreren. Het Maasleger werd naar Diest gestuurd en trok zich terug van de Winterse Heide. Het marcheert via de noordkant van Hasselt naar Diest. Het Scheldeleger kreeg ook opdracht naar Diest te marcheren. De terugtrekking van het Maasleger van de Winterse Heide gaf de 4e Divisie lucht en RH6 was ter plaatse niet meer nodig. In de ochtend van 7 augustus moest RH6 zich daarom terugmelden bij de 3e Divisie. De order kwam van de luitenant-generaal Cortheijligers en luidde:
“De ondergeteekende Luitenant-Generaal, opperbevelhebber over de troepen in en bij Nijmegen en Grave gelast mits dezen aan den kolonel kommanderende het Regiment Hussaren no. 6, om zich met zijne onderhebbende Escadrons, op ontvangst deze te begeven naar Kermpt met zich nemende de beide stukken rijdende artillerie, en zich weder te stellen onder de bevelen van Zijne Excellentie den Luitenant-Generaal kommanderende de 3de divisie wiens hoofdkwartier te Herck gevestigd is.”
Op 7 augustus werd de opmars hervat. Verkennend voor de 3e Divisie ging RH6 nu zuidwaarts over Kermt11 richting Kuringen, hiertoe versterkt met een sectie Rijdende Artillerie. Bij Kuringen (ten noorden van Hasselt) werd voor de tweede keer op de voorhoede van het Belgische Maasleger gestoten. Het tirailleurpeloton steeg af en ging te voet voorwaarts. De rest van het Regiment stelde zich in pelotonscolonne op de weg tussen net noord van Kermt richting het dorp Herkenrode op12, omdat het zijterrein geen mogelijkheden tot ontplooien bood. Onder de hier grote bomen probeerde het regiment te herfourageren en voedsel werd uitgedeeld aan de vermoeide paarden en huzaren. Baron van Tuijll van Serooskerken beschrijft de hierop volgende gebeurtenissen:
“Toch werd dat voedsel uitdeelen aan de afgematte paarden, iet wat voor een regtgeaard kavallerist onder zulke omstandigheden zoveel bekoorlijks heeft, reeds spoedig afgebroken. Eensklaps hoorde men in de verte hevig geweervuur en steeds ijlings te paard.”
De voorhoede van het Belgische Maasleger was gearriveerd en drong voorwaarts. Vijandelijke afdelingen kwamen uit een gedekte stelling vanuit het meer oostelijke bos van Erkenrode naar voren.13 Terwijl RH6 de vijand probeerde te vertragen werden het 4e en 5e Regiment Ligte Dragonders (RLD4 en RLD5) op de flanken ingezet en chargeerden op de vijand. RLD414 kwam ten zuiden van RH6 (richting Stevoort) en RLD5 probeerde iets meer naar het noorden vanuit Herkenrode de vijand tegen te houden. De sectie Rijdende Artillerie, onder leiding van 1e luitenant Wicherlink stond ongeveer ter hoogte van RH6 en opende hierbij het vuur op de vijandelijke eenheden, maar de overmacht was te groot. Het tirailleur peloton onder leiding van luitenant König dreef de vijandelijke voorposten iets terug, terwijl de huzaren van RH6 op de grote weg van Kermt naar Kuringen in pelotonscolonnes opgesteld stond en niet konden ontplooien vanwege de vele sloten en heggen. Baron van Tuijll van Serooskerken schrijft:
“de kolonne (van RH6) had in schuins regte rigting voor zich liggen het bosch van Erkenrode dat door de geheele magt van Daine was bezet. Op onze nadering déboucheerden deze troepen, waarop de sectie rijdende artillerie regts aan het hoofd der kolonne positie nam, en geruime tijd goed aangebragte schoten op den vijand loste. Deze beantwoorde dit vuur spoedig door eene geheele batterij, gekommandeerd door den bij ons maar al te bekenden kapitein Blondeau, welke daarbij sneuvelde.”
Diverse paarden van de Rijdende Artillerie werden gedood en om de stukken terug te kunnen trekken, moesten verschillende huzaren hun paarden afstaan. Van Tuijll van Serooskerken:
“Daar de vijand met groote overmagt opdaagde, en onze artillerie door het verbreken van een disselboom en het verlies van 4 paarden geheel ontredderd was, kwam deze in groot gevaar.”
De commandant van de sectie rijdende artillerie, luitenant van Sijpestein zegt zelf:
“dat het behoud van deze stukken te danken was aan de goede houding der Hussaren. Deze hielpen de sectie uit het vuur, door hunne paarden voor de stukken te spannen, terwijl kolonel van Balveren, hoezeer aan een hevig vuur blootgesteld en zijn troep niet kunnende bewegen, pal bleef staan tot dat de sectie artillerie terug gebragt was.”
Gedurende deze terugtrekkende manoeuvre, die ondanks vijandelijk vuur in goede orde plaatsvond, dekte het tirailleurpeloton van RH6 de terugtocht. De commandant van dit peloton, luitenant de König, mocht voor deze heldhaftige actie later de Militaire Willemsorde ontvangen. Bijna mocht hij deze onderscheiding postuum ontvangen, doordat vijandelijke scherpschutters hem gericht onder vuur namen, hierbij geholpen doordat naast hem zijn trompetter-ordonnans op een witte schimmel reed. Luitenant Rambonnet en twee huzaren sneuvelden bij dit gevecht.[1] Luitenant Rambonnet had een geweerkogel in de schouder gekregen die tot in zijn borst was gedrongen. Hij werd nog verbonden door de officieren van gezondheid van Leersum en (later) Hendriks, maar overleed enige dagen later toch aan zijn verwonding. Over de officier van gezondheid van Leersum schrijft Baron van Tuijll van Serooskerken:
[1] RLD5 (stamregiment RHPA) vermeldt over dit gevecht: Op 7 augustus werd het Regiment versterkt met een compagnie infanterie om via Kermpt te verkennen in de richting van Zonhoven en Hasselt. Ten oosten van Kermpt ontstond een ontmoetingsgevecht met de voorhoede van het in westelijke richting oprukkende Belgische Maasleger, waarna het Regiment vertragend terugviel op de noordrand van Kermpt. Intussen was het ook ten noorden van Kermpt tot een treffen gekomen tussen RH6 en de vijand. Om hen in de gelegenheid te stellen via Kermpt terug te gaan, ging luitenant-kolonel Dumonceau weer met beide eskadrons voorwaarts. Zo ontwikkelde zich bij Kermpt een reeks gevechten, die de hele dag zou duren. Het Regiment werd later op de dag aangevallen door het Belgische 2e Regiment Jagers te Paard, het vroegere RH8. Hierbij moest zelfs de cornet (standaarddrager), tweede luitenant A. baron de Vos van Steenwijk, met de sabel de vijand van zich afslaan. Na dit gevecht werd het Regiment in reserve genomen.
“ van Leersum heeft inderdaad, ook bij dit gevecht, bewijzen van groote dapperheid en zelfopoffering gegeven. Bij den aanvang van het gevecht was hij reeds aan het hoofd der kolonne, en stelde zich er aan hevig vuur bloot, ten einde steeds gereed te zijn om onverwijld hulp te kunnen verleenen waar dit noodig was. Het regiment trok terug, en op dat moment werd de luitenant Rambonnet achter aan de kolonne getroffen. Wij ontwaarden dit eerst toen van Leersum me den verwonden, die toen nog te paard zat, ons voorbij trok, en diens regterarm nog ondersteunde. Buiten het vuur gekomen, verleende hij onze gekwetsten wapenbroeder onverwijld de eerste hulp, en toen het Regement later door Kermpt terug trok, zagen wij onze armen kameraad nog even voor het laatst, liggende op een wagen, ten einde daarmede weggevoerd te worden.”
Toen RH6 meer naar achteren in Kermt stond opgesteld nam de infanterie het gevecht in de oordrand van Kermt langzaam over van de cavalerieregimenten. Deze infanterie bestond uit een bataljon van 13e Infanterie Regiment en een bataljon Friessche Plattelands-Schutterij. Baron van Tuijll van Serooskerken loofde deze infanterie en schrijft:
“Het slagveld toch lag daar overal als bedekt met de dapperen, die daar den heldendood hadden gevonden. Op den dag van het gevecht stond die infanterie regts en links van onze kolonne en tirailleur, men zag hen vallen alsof zijn weggemaaid werden. De luitenant Baron van Til van de 13e Afdeeling Infanterie werd zwaar aan een been verwond. Zijn broeder, een nog jeugdig korporaal, bragt hem uit het vuur, en gaf hier een heerlijk voorbeeld van broederliefde en pligtsbetrachting. Zoodra hij toch zijn gekwetsten broeder uit het vuur had gebragt, nam hij afscheid van hem, en haastte zich om op zijn post in die toen zoo gevaarlijke tirailleurlinie terug te keeren. Even moedig als vroeger ging hij met zijne manschappen voorwaarts. Helaas ! hij mogt zijnen gekwetsten broeder niet terug zin. De luitenant van Til overleed spoedig te Diest aan zijne bekomen wonde.”
De korporaal van Til zou voor zijn daad later de Militaire Willemsorde ontvangen.
De vijand won steeds meer terug en RH6 week langzaam terug op de grote weg. Plotseling kwam er vanuit de linkerzijde een charge van de Belgische 2e Regiment ‘Jagers te Paard.’ Dit was een afgedwaalde patrouille die uit een noordelijke zijweg kwam en trachtte door de Nederlandse colonne heen te breken. Kolonel van Balveren bevond zich toen in het midden van het regiment bij het 2eeskadron. Een aantal van de doorgebroken Belgische ruiters stootte op de Regimentsleiding van RH6, die Eén van de Belgen, de wachtmeester Coureux, herkende de regimentscommandant kolonel van Balveren, uit de Belgische garnizoenstijd van RH8, reed op hem toe en verwondde hem met een sabelhouw. Baron van Tuijll van Serooskerken vertelt:
“Een dier jagers had vroeger dien hoofdofficier bij het 8ste Hussaren gekend, hij rende op hem af en bragt hem een sabelhouw op het hoofd toe; eene daad die men wel stoutmoedig mag noemen. Die roekelooze ruiter werd gevolgd door drie andere jagers, doch zij werden onmiddellijk van alle zijden aangevallen en gevangen genomen.”
Coureux werd bij deze actie ook verwond en krijgsgevangen gemaakt.
“De jager die den kolonel verwond had, kreeg toen hier veel te lijden, zelfs werd hem, en nog wel door een officier, nadat hij reeds afgestegen was, een geduchte sabelhouw toegebragt..[..]..De ongelukkige jager werd verder goed verpleegd. Hiervoor zorgde weder onze van Leersum. Ik hoorde daarna dat hij zijnen patient eenige jaren later in Gent had terug gezien, zijnde goed van zijn wonde hersteld.”
Kolonel van Balveren was hierdoor ernstig gewond. Hij moest het commando over het regiment overdragen aan zijn plaatsvervanger, luitenant-kolonel de Lenne. De gevechten waren hevig geweest en aan beide zijden waren de verliezen aanzienlijk. Bij het vallen van de avond trok de 3e Divisie zich enige kilometers terug op Beringen. RH6 trok zich ’s avonds om 10 uur terug en betrok bivak bij Herck la Ville (Herk). De vijand was gedurende het 7-uur durende gevecht tot in Kermt doorgedrongen, maar had het weer moeten ontruimen.In de morgen van de 8e augustus verkende RH6 het slagveld van de vorige dag
“tot hunne verbazing ontwarende dat de vijand in volle aftogt was. Toen vooral konden wij zien hoe dapper daar de Friezen hadden gestreden. Zij lagen daar, die braven met hunne vijanden op hetzelfde slagveld.”
Ook de Belgen hadden grote verliezen geleden
“Het Belgische 2de Regement Jagers te Paard had daar ook groote verliezen geleden. Verder voortrijdende vonden wij op den weg geheel verlaten eenige stukken eener Belgische veldbatterij, met voorraadwagens er bij. De vijand had de paarden van de stukken afgesneden en het overige laten staan, men vond er slechts een kannonier bij die overeden zijnde, de vlugt niet had kunnen volgen.”
Het Nederlandse leger ontwikkelde nu plannen om het Maasleger bij Hasselt te omvatten. Het Belgische Maasleger zag op haar beurt echter de doortocht naar Diest versperd en besloot terug te vallen op Hasselt om vervolgens te proberen via een zuidelijke omtrekking via Tongeren naar Diest op te marcheren.
Deze manoeuvre werd te laat begonnen en toen het Belgische leger in de middag van 8 augustus door Hasselt trok, naderde juist het Nederlandse leger15, met voorop de lichte cavaleriebrigade van generaal-majoor Boreel. RH6 verkende in de middag richting Bilzen en de beide dragonderregimenten (RLD4 en RLD5) richting Tongeren. Generaal-majoor Boreel doorzag de omtrekkende beweging van de Belgen en liet zijn brigade snel door Hasselt oprukken gade geslagen door de in de omgeving staande Prins van Oranje en Prins Frederik met hun staf. Het stadsbestuur van Hasselt bood de Prins van Oranje de sleutels van de stad op een zilveren schotel aan. RH6 trok intussen in oostelijke richting door de stad en wierp zich via de ‘Tongerse Poort’ op de achterhoede van de vijand. Er ontstond aan Belgische zijde chaos: paarden sloegen op hol, karren kantelden en de achterhoede kon maar nauwelijks uit de stad ontsnappen.16 Het succes werd echter niet uitgebuit, hoewel RH6 de Belgen bleef achtervolgen via Diepenbeek, Bevers en Caats tot aan Tongeren toe. Deze achtervolging duurde 24 uur. Hoewel de Belgische achterhoede (bestaande uit het vrijkorps va Le Charlier) uit elkaar was geslagen, bleef de hoofdmacht intact, zij het in wanorde. De Belgische terugtocht werd pas in Luik gestaakt. Veel gevangenen en materiaal was in handen van de Nederlanders gevallen en de eerste fase van de Tiendaagse Veldtocht was succesvol geëindigd. Het Maasleger kon geen verbinding vormen met het Scheldeleger en had voorlopig geen gevechtswaarde meer. Aan dit succes had RH6 een groot aandeel gehad, hoewel ze in drie dagen meer dan 56 uur in het zadel had gezeten. Restte nog de vernietiging van het Belgische Scheldeleger en de inname van Brussel. Een glorieuze intocht in Brussel zou immers de smaad van de eerdere aftocht uit die stad (1830) uitwissen.
Via Leuven opmars naar Brussel
Na de nederlaag van het Maasleger lieten de Belgen hun Scheldeleger niet langer oprukken naar Diest, maar gaven het opdracht om bij Leuven in positie te komen om Brussel te beschermen. Ook werd de Fransen om hulp gevraagd. Dit had succes, want op 10 augustus rukten drie Franse colonnes België binnen. De oostelijk colonne marcheerde in de richting van Namen en Luik. De westelijke colonne ging naar Antwerpen en de centrale colonne naar Brussel. Het Nederlandse leger had zich ook gehergroepeerd en de 2e Divisie, onder leiding van generaal-majoor hertog van Saxen-Weimar ten noorden van Leuven gepositioneerd. Het plan was om de stad te omvatten via de westelijke flank, waartoe de Brigade Lichte Cavalerie van generaal-majoor Boreel onder bevel werd gesteld. De opdracht was om de weg naar Brussel te blokkeren. De rest van het mobiele Veldleger (1e en 3e Divisie) zou over Tienen naar Leuven oprukken. Koning Willem I had hierbij opdracht gegeven dat onder geen bedding Nederlandse troepen in gevechtscontact mochten komen met de naderende Franse troepen. Snelheid was dus geboden.Na een dag rust bij Hasselt had RH6 intussen opdracht gekregen zich op 11 augustus weer te verenigen met de rest van de Brigade Lichte Cavalerie bij Tirlemont (Tienen). RH6 zette de opmars in als voorhoede van de 2e Divisie. Aan het einde van de middag van 9 augustus marcheerde RH6 van Hasselt over Steenvoort, Alken, Melveren naar het riviertje de L’Eau om hier te bivakkeren. In de nacht van 10 augustus werd de L’Eau overgestoken en via Gilshoorn, Tirlemont en Meerdael (Meldert) naar Bossu (Bost) getrokken om te proberen Leuven op de westelijke flank te omtrekken.
Op 12 augustus om 03.00 uur, trok RH6, met opnieuw een sectie Rijdende Artillerie (onder bevel van luitenant Wicherlink) in haar gelederen, over de rivier de Dijle en verder over St-Agata Rode (St. Achtenrode) naar de hoogvlakte tussen Brussel en Leuven waar de kunstweg tussen beide steden werd bereikt. De weg naar Brussel was dus geblokkeerd en de opdracht uitgevoerd. De 2e Divisie bevond zich nu min of meer in de rug van het Scheldeleger. Tijdens het passeren van de holle weg bij Leefdal had de 1e luitenant Sandberg, die met een peloton huzaren voorop reed, de Franse ambassadeur Belliard ontmoet en staande gehouden. De voorhoede van RH6 maakte op de grote straatweg een grote Belgische goederen legertrein buit, waarin zich verschillende krijgskassen bevonden, onder andere van een regiment Lansiers. Een deel van de buit en geld werd onder de troepen verdeeld, waardoor het moreel nog verder steeg.
Het Regiment wist in de loop van de middag met succes Belgische eenheden, die probeerden vanuit Leuven uit te breken richting Mechelen of Brussel bij de ‘IJzeren Berg’ terug te slaan. De eigenlijke veldslag vond ten oosten van Leuven plaats, voorafgegaan door een veldslag bij Bautersem. Bij deze slag werd nog het paard van de kroonprins Willem van Oranje onder hem vandaan dood geschoten. Het Belgische leger werd hier verslagen en de weg naar Brussel lag open.
De centrale Franse colonne, een leger onder leiding van generaal Gérard, was echter genaderd en marcheerde op in Noordelijke richting. Het leger was Brussel al gepasseerd. Aan het einde van 12 augustus naderde bovendien een Engelse gezant met een witte vlag de Nederlandse troepen. Dit was de Engelse gezant te Brussel, Lord William Russell die namens de Britse en Franse regering verklaarde dat Engeland en Frankrijk ten gunste van België tussenbeide waren gekomen. Ook een Franse ambassadeur (Belliard) meldde zich bij de Hertog van Saksen Weimar met dezelfde mededeling. Baron van Tuijll van Serooskerken schreef:
“Spoedig daarna kregen wij officiëel den last om de vijandelijkheden te staken en weldra vernamen wij dat de veldtogt geëindigd was, en het nederlandsche leger weder naar het vaderland zou terug trekken. Het Leger ontving deze tijding met diep leedwezen, vooral onze dappere Hussaren die boven op den ‘IJzeren Berg’ hun bivouac hadden opgeslagen met de stad Leuven vóór en beneden zich, en achter zich de hoofdstad Brussel, op slechtgs 2 uren afstand in het dal gelegen. In die positie toch begrepen zij welligt meer dan eenig ander korps van het leger den zin van de woorden van den Prins van Oranje in zijne legerorder te lezen: “Gisteren en heden stonden onze voorposten op twee uren afstand van Brussel en geen Belgische leger is er meer om ons te beletten die hoofdstad binnen te trekken.” Met deze kans eener volkomen vernietiging van den vijand voor ons, moesten wij het aanzien hoe den geheelen namiddag en den volgenden morgen op eenige honderden passen voorwaarts, de Belgische troepen Leuven ongestoord in de rigting van Mechelen ontruimden.”
Een eskadron van RD4 moest overigens tijdens deze aftocht nog chargeren om een aanval het Belgische vrijwilligerskorps Niellon te weerstaan. Kennelijk had nog net iedereen van de wapenstilstand gehoord.

Koning Willem I accepteerde de interventie, maar eiste wel om de Nederlandse eer te redden en als bewijs van de Belgische nederlaag, de overgave van de stad Leuven. Aan deze eis werd gehoord gegeven en enige Nederlandse troepen trokken in triomf door de stad om zich vervolgens naar Nederland terug te trekken. Zo ook RH6, die intussen op de ‘IJzeren Berg’ bij Leuven in stelling was gekomen. RH6 kreeg opdracht om via Leuven naar Oorbeek en Overlaan bij Tirlemont te verplaatsen, terwijl aan de Dragonders via Meldert gaande Hougarden als standplaats werd toegewezen. Aan het einde van de 13e augustus werd via Leuven Bierbeek bereikt. Hier was weinig voedsel voor mannen en paarden te krijgen. Tegen middernacht ontstond echter nog commotie bij de voorposten van RH6, omdat opdringende Franse huzaren het vuur hadden geopend en Nederlandse huzaren teruggeschoten hadden. Baron van Tuijll van Serooskerken:
“tegen middernacht ontstond er alarm, en spoedig was het regement weer te paard op de verzamelplaats. Een detachement van het 5eFransche Hussaren-regement had onze posten teruggedreven, waarbij niettegenstaande de gegevene bevelen, nog eene schermutseling plaatsvond. Bij die gelegenheid ontving één onzer Hussaren en schot door den arm. Hoe die verwonding heeft kunnen plaats grijpen is ons altijd een raadsel gebleven, zeker is het dat die Hussaar op vedet staande de Franssche Hussaren wilde doen stand houden, en deze daarop terstond vuur gaven. Zij hadden last om de door ons aangewezene dorpen te bezetten en schenen wel wat ongeduldig. Onze Hussaren trokken toen ’s nachts nog terug tot achter Tirlemont (Tienen) in het dorp Brusthem en kwamen den 16e Augustus te Alken, zonder nu verder door de Franschen te worden verontrust.”
Uit politiek belang maar met tegenzin werden de terugtocht bevelen opgevolgd en het gevecht afgebroken. Over Tienen ging RH6 terug naar Alken. Daarna werd via Beeringen en Neerpelt op 19 augustus de omgeving van Eindhoven bereikt en de oude legeringskwartieren weer ingenomen.
Aan Nederlandse zijde werd de strafexpeditie als een succes beschouwd. De nationale trots was gered en de populariteit van de kroonprins was verder toegenomen. De snelle interventie van de Fransen had erger voorkomen, maar het eigenmachtige optreden van de Fransen had toch ook een breuk in de internationale coalitie veroorzaakt. Op de conferentie te Londen waar de afscheiding van België werd geregeld, was de positie van Nederland versterkt. Zeeuws-Vlaanderen en Maastricht bleef voor Nederland behouden. Ook het Groothertogdom Luxemburg bleef (weliswaar grotendeels) behouden voor het huis van Oranje (maar niet voor Nederland) en werd niet bij België gevoegd. Ook het conflict over de staatsschuld werd in Nederlands voordeel beslecht. Koning Willem I was desondanks nog niet tevreden en wilde verdere aanpassing van de regeling in Nederlands voordeel. Hij kreeg geen steun van de geallieerden en weigerde het akkoord te ondertekenen.
Kolonel van Balveren kon begin september het bevel over zijn RH6 weer overnemen van luitenant-kolonel de Lenne. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht zijn in totaal 131 Nederlandse militairen gesneuveld en 590 gewond geraakt. In totaal zijn 876 dapperheidsonderscheidingen uitgereikt, waarvan 139 bij cavalerie-eenheden. Bij RH6 is 12 maal de Militaire Willemsorde uitgereikt, waarvan zeven officieren (ondermeer kolonel van Balveren en luitenant König), drie onderofficieren en twee huzaren.
Baron van Tuijll van Serooskerken had in een later geschreven herinneringsboekje nog veel waardering voor de Belgische soldaten. Hij schreef17:
“Ik wilde hulde doen aan het Belgische leger en wijzen op de trouw vanden Belgische soldaat, gebleken bij die Belgen welke wij destijds bij de Hussaren in dienst hadden, eene trouw die zij ook bij andere korpsen van het leger zoo ruimschoots bewezen hebben. De waarheid eischt van mij deze verklaring, want de misstappen door enkelen van hen bedreven, mogen geen blaam blijven werpen op het geheel, omdat hunne houding tegen over den opstand soms zeer moeijelijk was. Zij waren toch Belgen en niets werd door de hoofdleiders onbeproefd gelaten om hen tot ontrouw over te halen. Moest later dat jonge Belgische leger zich in weinige dagen door ons leger geheel verslagen weten, het is reeds genoeg aangetoond en bewezen dat die smet niet mag kleven op den Belgischen soldaat. Den 6 en 7 Augustus vochten zij bij Houthalen en Kermpt dapper, en gingen trouw voorwaarts en hadden zij destijds aanvoerders gehad zoo als het Nederlandsche leger die bezat, dan ware die strijd zeker toen niet in tien dagen beslist geworden..”
Nadien
Koning Willem I hield de vloot en leger op oorlogssterkte, totdat hij (gedwongen door de oplopende kosten) pas in 1839 instemde met het akkoord van Londen. Ter demonstratie hield hij bijvoorbeeld op 29 augustus 1831 een parade op de heide bij Acht, waaraan ook RH6 deelnam. In september 1832 kwam de Standaard bij het Regiment terug. De luitenant-kolonel de Quaita had hem uit handen van de opstandelingen weten te houden, nadat het Regiment Doornik had verlaten. In Parijs had hij het Standaard aan de Nederlandse gezant gegeven. Omdat hij Zuid-Nederlander was, werd aan hem eervol ontslag verleend. Ook kapitein-kwartiermeester F.L. Matt melde zich terug met de ongeschonden regimentsarchieven en de krijgskas.
De periode tot 1839 is voor het Regiment een reeks van nuttige en mooie jaren geweest. Eenmaal per week verzamelde generaal-majoor Boreel zijn Brigade Lichte Cavalerie met de batterij Rijdende Artillerie voor oefeningen. Baron van Tuijll van Serooskerken vertelt:
“De brigade van Boreel was eene der schoonste en meest geoefende die men ooit in een leger gekend heeft. Vlug en naauwkeurig in hare bewegingen, en die den braven generaal Boreel destijds gekend hebben zullen zich nog wel herinneren, wat er onder hem is verrigt; steeds hoorde men hem: ‘in galop! in galop! Voorwaarts” roepen. Alle manoeuvres-bewegingen grepen toen meestal ‘in dien gang’ plaats. Hij manoeuvreerde altijd met zijne brigade zonder dat men ooit eenige liniën zag afbakenen. Men mogt inderdaad deze bewegingen wel van nabij bezien. Vele oude kavallerie-officieren waren toen van gevoelen dat ons oud manoeuvre-reglement met de kleine wijzigingen en uibreiding van Boreel erbij, door geen beter kon worden vervangen.”
In deze tijd werd het Regiment ook compleet gemaakt met aanvullend personeel. Op 1 november werd een nieuw eskadron vanuit het depot met majoor van Borsselen (intussen verlost van zijn krijgsgevangenschap belofte) en 6 officieren, 161 onderofficieren en manschappen en 150 paarden aan het regiment toegevoegd en over de bestaande eskadrons verdeeld. Luitenant-kolonel de Lenne nam nu de leiding over het depot in Zutphen over. In 1832 werd het Regiment zelfs van vier op vijf eskadron gebracht.18 In 1834 ging het 4e eskadron onder leiding van ritmeester Bergers, naar Maastricht om hier de Kurassiers af te lossen. Intussen was in november 1832 een Engels leger van 90.00 man België te hulp gekomen en werden alle Nederlandse havens geblokkeerd. De druk op Nederland en met name Koning Willem I nam toe, zeker nadat op 24 december 1832 de citadel van Antwerpen zich moest overgeven. Het jaar daarop werd formeel een wapenstilstand getekend en krijgsgevangenen keerden terug. Op 30 april 1835 werd de tot generaal-majoor bevorderde kolonel van Balveren benoemd tot Commandant der Depots en werd hij door kolonel Hendrikus Royen (die vroeger als ritmeester in RH6 had gediend) opgevolgd als regimentscommandant. Op 8 februari 1839 werd generaal-majoor Boreel commandant van de Divisie Cavalerie bij het Veldleger en kort voor zijn pensionering op 5 november 1840 nog benoemd tot luitenant-generaal. Over Boreel schreef Baron van Tuijll van Serooskerken:
“Op zijne goede en trouwe diensten is reeds genoeg gewezen, alleen zij nog gezegd dat hij ook in den gewonen maatschappelijken omgang een generaal was zoo als wij er in dien tijd maar weinigen hadden. Hij was gaarne van zijn officieren omringd, en er was te Stratum bij Eindhoven steeds als het ware bij hem open tafel, zoodat hij dagelijks eenige van zijn officieren bij zich vereenigde. Over de wijze waarop hij met zijne officieren omging verdient hij den hoogsten lof.”
Kolonel Graaf Dumonceau volgde Boreel op als brigadecommandant van de Brigade Lichte Cavalerie. Terwijl het merendeel van de infanterie eenheden al naar haar vredeskwartieren was afgemarcheerd, bleef RH6 als één van de weinige eenheden de grens beveiligen. Aan deze toestand kwam een einde toen in maart 1839 RH6 naar Limburg werd verplaatst. De regimentsstaf en twee eskadrons kwamen in Maastricht terecht, twee eskadrons werden in Venlo geplaatst en één in Roermond. Op 18 februari 1841 nam kolonel de Bellefroid het commando over het regiment over van kolonel Roijen die tot commandant van de rijschool in Den Haag was benoemd. RH6 had intussen haar sterkte met één eskadron zien verminderen. In de zomer van 1841 volgden nog brigade-oefeningen in de omgeving van Tilburg.


Bezuinigingen en reorganisaties
Na de Tiendaagse Veldtocht van 1831 brak er een periode van gewapende vrede aan. Aan beide kanten van de grens werden grote aantallen militairen gelegerd. In opdracht van Koning Willem I verrees op de Oirschotse Heide een enorm tentenkamp. Het doel: voorkomen dat de afscheiding van België definitief werd. Het tentenkamp – ook wel de linnen stad genoemd – huisvestte tussen 1832 en 1834 meer dan 10.000 militairen. Het koninkrijk was echter bijna failliet. De staatsschuld bedroeg meer dan een miljard gulden en alleen al de rente hiervan slokte de helft van de rijksbegroting op. Bezuinigingen kwamen op de cavalerie en RH6 af. Bijna een kwart van de officieren en een derde van de paarden moesten verdwijnen. De gehele cavalerie werd georganiseerd19, zoals vastgelegd in Koninklijk Besluit van 10 maart 1841. RH6 werd even het 3e Regiment Dragonders en daarna het 2e Regiment Lansiers (2RL)20. Baron van Tuijll van Serooskerken geeft ons de reden:
“Het Hussaren uniform was te kostbaar, zoo heette het, men nam ons dien uniform dan ook af, maar slechts om ze te geven aan de rijdende artillerie aan welke wij zelfs onze sabelstasschen moesten zenden.”
De onderverdeling van de eskadrons in compagnieën verdween en de sterkte werd verminderd met 1 opperwachtmeester, 4 korporaals, 12 vrijwilligers en 25 paarden. Het aantal miliciens per eskadron steeg van 40, naar 50, maar daarvan waren er 10 in reserve en 20 met groot verlof. De 20 miliciens die in werkelijke dienst waren, dienden er 10 jaarlijks slechts een half jaar en de andere 10 slechts één maand. Het operationele concept van het leger was gebaseerd op verdediging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De rang van Luitenant-Cornet werd afgeschaft en zijn taak als Standaarddrager werd overgenomen door een Adjudant-onderofficier. Dit moment is de ‘geboorte’ van de Regiments-Adjudant!
In 1840 was eerder al een eskadron van het Regiment afgenomen (terug van vijf naar vier eskadrons) kreeg het Regiment als vijfde eskadron een eskadron Jagers te Paard toegevoegd. Dit eskadron zorgde voor onrust. Baron van Tuijll van Serooskerken:
“De verhouding van deze troep tot het regement was zoo abnormaal mogelijk. De kolonel de Bellefroid was ook nominaal chef over dat eskadron, en , in wezen der zaak, had hij er niets over te zeggen.“
De schuld van de problemen lag volgens de schrijver bij het zwakke optreden van de regimentscommandant:
“Het jager-eskadron stelde zich dan ook meer en meer op den voorgrond, en greep ten laatste zoo zeer in de dienst van het regement, dat de chef in plaats van dit een en ander te laten welgevallen, en daardoor den maatregel voor te bereiden die later zou volgen, beter had gedaan zijn kommando neder te leggen.”
Het 4e eskadron van 2RL werd namelijk ook bij het eskadron Jagers te Paard gevoegd, in jager-uniform gestoken en vormden samen zij het Limburgse Bonds Contingent.21 Dit bondscontingent moest in voorkomend geval aan de Duitse Bond ter beschikking worden gesteld.
De kolonel de Bellefroid was wel kommandant van het regement lanciers en jagers, doch hij kon er nooit mede uitrukken, want de kommandant der eskadrons jagers sloot zich nooit bij ons aan, en toonde zich den absoluten chef over dat korps.”
Aanvankelijk bleven beide eskadrons in naam onder bevel van 2RL, maar op 10 september 1849 werden ze uit het regimentsverband losgemaakt en vormden een nieuw Regiment Jagers te Paard.
Op 17 april 1854 ontving dit nieuwe regiment haar Standaard uit handen van generaal-majoor Storm de Grave, destijds de commandant van de 2e Brigade Cavalerie. Lang duurde dit niet, want in 1867 zou dit regiment weer worden opgeheven en het personeel verdeeld over andere cavalerieregimenten. Ook was in 1843 intussen het 4e Regiment Lichte Dragonders (4DR) opgeheven en haar personeelsleden over de drie andere Dragonderregimenten verdeeld, waarbij het verschil tussen licht en zwaar kwam te vervallen. Bij alle cavalerie eskadrons (dus ook bij 2RL) verdween de tweede ritmeester en werden de paarden teruggebracht van 129 naar 105. De luitenants mochten nog slechts één paard hebben. De diensttijd van de 10 miliciens die een half jaar dienden per jaar werd nog verder verkort tot 3 maanden.
2RL had intussen in mei 1845 Limburg verlaten en was naar Den Haag vertrokken om gelegerd te worden in de Alexander kazerne. Hier was tot 1846 ook het 1e Regiment Dragonders gelegerd en later een batterij van het Korps Rijdende Artillerie. Op 2 november 1848 werd kolonel K.E. Baron van Heerdt de nieuwe regimentscommandant. Na het vertrek van de twee eskadrons Limburgse Bonds contingent (Jagers te Paard) op 10 september 1849 werd het restant van 2RL (toen onder bevel van ritmeester Fundter staand) samengevoegd met 1e Regiment Lansiers (1RL, voorheen 10RL) om gezamenlijk te Deventer een nieuw regiment te vormen: 4eRegiment Dragonders. Baron van Tuijll van Serooskerken schrijft over deze droevige gebeurtenis:
“Deze dag was voor een ieder die zich oud-Hussaar mogt noemen, inderdaad regt treurig. De luitenants van het regement en eenige ritmeesters vereenigden zich op den avond van te voren als echt goede kameraden. Was de stemming der gasten somber en neerslagtig als het scheiden van trouwe vrienden, die vele jaren lief en leed hadden gedeeld, onderlinge waardering en innige verknochtheid hadden daarbij den boventoon. Het was dan ook alsof die trouwhartige kameraden niet konden scheiden. Zij bleven bijeen tot de volgende ochtendzon grijs aan de kimmen verrees. Zij stegen toen te paard, zetten zich stilzwijgend aan het hoofd hunner manschappen, en zij die achterbleven staarden, lang nadat de afmarsch was geblazen, met diepen weemoed en een geschokt hart de vertrokken kameraden na. Alzoo marcheerde het laatste, dat van het oud-Hussaren-regement was overgebleven, naar Deventer…”
- Een cavalerie eskadron bestond uit twee compagnieën met elk twee pelotons ruiters. ↩︎
- De Eerens was van 1826 belast met de algemene inspectie van het vierde groot militair commando. Gedurende de maanden september en oktober van 1827 voerde hij het bevel over de in het kamp bij Ravels verzamelde Nederlandse legermacht. Op 4 juli 1829 kreeg hij een aanstelling tot commandant van de derde divisie infanterie. Op 5 september 1834 werd De Eerens benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Hij overleed in functie te Java op 30 mei 1840. ↩︎
- De ontslagen Belgen van de beide huzarenregimenten (No 6 en No 8) vormden de kern van het 1e en 2e Regiment Jagers te Paard van het nieuwe Belgische Leger. Uit de vertrokken elementen uit de Nederlandse zware cavalerie regimenten werden drie Belgische lansier regimenten gevormd (1e, 2e en 3e). ↩︎
- Dit was een Zuid-Nederlands regiment, opgericht op 1 maart 1814 door Prins F. de Croy. Dit regiment was onder leiding van luitenant-kolonel I.L. Duvivier, ingezet bij de slag bij Waterloo en was na de oorlog gelegerd geweest te Tervueren en Ath. Hun Standaard werd door RH-8 bij het Departement van Oorlog ingeleverd. ↩︎
- Regiment Huzaren No. 8 was opgericht op 1 maart 1814 als onderdeel van het Belgische Legioen ↩︎
- Dit regiment bleef bestaan, maar driekwart van het personeel had de zijde van de Belgen gekozen en vormde later het Belgische 1e Regiment Lansiers. ↩︎
- De schuldige was een oud-Marechaussee ↩︎
- Eén van de huzaren die de gendarmen gevangen nam, was N.L.F.M. de Koning. Hij ging in 1838 naar Indië, waar hij tot ritmeester der Cavalerie bracht en met een majoorsrang werd gepensioneerd. De andere was wachtmeester J. Kuneken. Hij gaf zich later over aan de drank en pleegde in 1842 zelfmoord. ↩︎
- Omdat de formele uitwisseling nog niet was voltooid, mocht hij nog geen troependienst doen. ↩︎
- Niet alleen RH6 verkende in front van de 3e Divisie, maar ook Regiment Ligte Dragonders No.5 (RLD5). ↩︎
- Vaak ook met een ‘p’ als Kermpt geschreven ↩︎
- Er is verwarring over de precieze plaats van de cavalerieregimenten. Enkele rapporten melden dat de commandant van RLD5, kolonel Dumonceau, ter plekke een meningsverschil had met kolonel van Balveren van RH6. Volgens Dumonceau was RH6 op de verkeerde plaats (Herkenrode) en had te Kermt moeten blijven, omdat RLD5 links van RH6 Herkenrode had moeten bezetten. Andere rapporten bestrijden deze visie. ↩︎
- Dit werd destijds ‘déboucheren’ genoemd ↩︎
- J.C. Fundter, die de regimentsgeschiedenis van RD4 heeft samengesteld schreef: “het plaatste zich met de Groningsche jagers en de halve batterij tussen genoemd dorp en Stevoort (= ten zuidoosten van Kermpt). Op eenmaal liet het geweer- en kanonvuur zich hooren; patrouilles gingen in alle rigtingen, en de last om terug te trekken werd tegen den avond ontvangen.” ↩︎
- Het Nederlandse leger was op haar beurt weer verrast dat het Belgische leger het slagveld nabij Kermpt had ontruimd en compleet teruggetrokken was op Hasselt. ↩︎
- Van de vijf kanonnen die hierbij werden veroverd, werden er later twee geplaatst aan weerszijden van de gedenknaald te Soestdijk. Uit het brons van de andere drie werden na afloop van de veldtocht de herinneringskruizen geslagen. ↩︎
- H.N.C. Baron van Tuijll-van Serooskerken, De Lichtblauwe Hussaren van Willem Boreel, ’s Gravenhage, 1868 ↩︎
- Regiment Lansier No. 10 (RL10) werd in dezelfde periode van vijf naar zes eskadrons uitgebreid ↩︎
- De nieuwe cavalerie organisatie zou gaan bestaan uit twee regimenten zware dragonders, twee regimenten lichte dragonders en twee regimenten lansiers. ↩︎
- Het 10e Regiment Lansiers (10RL) werd het 1e Regiment Lansiers (2RL) ↩︎
- Limburg was formeel nog lid van de Duitse Bond. Een contingent vanuit Limburg heeft zelfs nog deel genomen aan de oorlog van de door Pruissen geleide Duitse Bond tegen Denemarken, maar hierbij geen gevechtshandelingen gezien. ↩︎












