Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel bd. Hans Van Dalen
Op 14 juli 1789 begon in Frankrijk de revolutie met de bestorming van de Bastille, een soort staatsgevangenis. De roep om meer medezeggenschap die begon vanuit de adel, werd overgenomen door de gegoede burgerij en vervolgens door het gewone volk. De vlam sloeg ook over naar de Oostenrijkse Nederlanden, waar de Belgen in 1790 in opstand kwamen tegen de Oostenrijkse bezettingsmacht, die ze ook daadwerkelijk wisten te verdrijven. Een binnenvallend Pruisische leger zou (net zoals voorheen in Nederland) een einde maken aan de Belgische onafhankelijkheidsstreven en de oude orde herstellen.
In 1792 brak oorlog uit tussen Frankrijk enerzijds en Oostenrijk Pruisen anderzijds. Deze laatste landen vreesden de revolutionaire geestdrift van het Franse volk en wilde het oude koninklijke regime in Frankrijk herstellen. Frankrijk was succesvol en veroverde voor de zoveelste keer de Oostenrijkse Nederlanden. Op 27 oktober 1792 versloeg generaal Dumouriez bij Jemappes het Oostenrijkse leger. In januari 1793 stierf de Franse koning Lodewijk XVI onder de guillotine, de revolutie ging een nieuwe fase in. Afleiden van de binnenlandse problemen, oorlog aan alle koningen en vrede aan de naties van Europa was nu het parool. In februari 1793 verklaarde Frankrijk de oorlog aan de Erfstadhouder van de Republiek (en niet aan de Republiek zelf!) en aan de koningen van Engeland en Spanje.
België was geheel door Franse troepen overmeesterd en generaal Dumouriez vestigde zijn hoofdkwartier in Antwerpen. Omdat de Republiek door de Franse revolutionairen als een vijand van het Franse vrijheidsstreven werd beschouwd, vielen op 1 februari 1793 14.000 Franse militairen binnen onder leiding van generaal Dumouriez. Met deze strijdmacht, waaronder een Bataafs bevrijdingslegioen aangevoerd door Daendels, was hij voornemens om Amsterdam en daarmee de Republiek der Vereenigde Nederlanden te veroveren.

Men hoopte van daaruit door te kunnen stoten naar Holland. Bergen-op-Zoom capituleerde. Breda gaf zich op 27 februari over. Ook Klundert capituleerde, maar Willemstad bood meer verzet. Een belegering op 1 maart liep op een mislukking uit. Om de Schelde te houden moesten echter wel in allerijl Engelse schepen te hulp worden geroepen. Daendels stootte het hoofd bij een poging om zijn Bataafs bevrijdingslegioen het eiland Dordt te bezetten. Een eskadron van wat toen nog de Huzaren op Holland waren, onder bevel van majoor P.A. Baron van Hessberg, trok zich terug van Breda naar Geertruidenberg.1 Toen op 1 maart ook daar de belegering begon, wist hij zijn eskadron over de bevroren rivier naar Dordrecht te brengen. Er was namelijk onvoldoende voer voor de paarden in Geertruidenberg. Die stad gaf zich al op 4 maart over.

Uiteindelijk was de positie van het Franse leger strategisch niet meer houdbaar door operaties van het Oostenrijkse leger in België die over de Maas trokken. Dumouriez moest terug met zijn leger om hun het hoofd te bieden. Slechts nadetachementen bleven achter. Prins Frederik voerde het bevel over de troepen van de Republiek in Noord-Brabant. Daartoe behoorde tien eskadrons cavalerie, waaronder twee eskadron van het Korps Huzaren op Holland (een voortzetting van het Korps Huzaren van Rijngraaf van Salm en één van de stamregimenten van Huzaren van Boreel). Raamsdonk werd heroverd en de Fransen ontruimden Geertruidenberg. Daarna werd Breda belegerd. Van de huzaren was het 1e eskadron gekantonneerd in Teteringen, het 2e eskadron te Princenhage, waar ook de erfprins van Oranje zijn hoofdkwartier had. Het hoofdkwartier van de tweede prins (Prins Frederik) was te Ginneke. Op 29 maart deden de Fransen een uitval met 300 man en twee stukken geschut om hooi en haver te bemachtigen. Bij het daarop volgende gevecht werd prins Frederik gered door de huzaren uit de omsingeling door Franse ruiters. Sypestein schrijft hierover:2
““Zij onderscheidden zich in een scherp gevecht, dat plaats had in den avond van den 29 maart, en dat was veroorzaakt doordien de Franschen, met 800 man en 2 veldstukken, eenen uitval uit de vesting deden, met het voornemen, om eene aanzienlijke hoeveelheid hooi en haver binnen te brengen. Midden uit de vijandelijke ruiters, redden zijn, bij die gelegenheid, den jeugdigen Prins Frederik van Oranje, het leven.“
Op 8 april kon men weer bezit nemen van Breda. De volgende dag hadden alle Franse troepen de Nederlandse bodem verlaten. De eerste Franse inval was dus mislukt.
Op 17 april 1793 was bij het Korps Huzaren op Holland wisseling van de regimentsleiding. Reinhard, van Heeckeren van Molencate3 werd nu kolonel en gaf zijn naam aan wat nu van een ‘korps’ in een ‘regiment’ werd veranderd. Het Regiment Huzaren van Heeckeren was geboren. Van der Borch werd als kolonel-commandant van het Korps Huzaren op Holland vervangen door Dirk Wouter Baron van Lijnden tot Hoevelaken, die dus formeel de leiding kreeg over het Regiment Huzaren van Heeckeren. Frans Godert Willem Baron van Lijnden werd luitenant-kolonel. Naast de genoemde kolonel en de luitenant-kolonel bestond de regimentsstaf verder uit een adjudant, twee adjudant, pikeur, onderpikeur, chirurgijn-majoor, tweede chirurgijn-majoor, pauker en een paardenmeester (op wachtmeesters gage). De samenstelling van de compagnieën bleef ongewijzigd, waardoor de sterkte van het regiment slechts 341 man bedroef. Uit praktische overwegingen werd de kleur van de Attila weer zwart, zoals dat van het Korps Huzaren van Rijngraaf Salm. De huzaren van Van Heeckeren stonden dan ook bekend als ‘de Zwarte Huzaren.’ Over het regiment Huzaren van Van Heeckeren schreef de eerste luitenant Jhr. J.W. van Sypesteijn in zijn boek4:
“Een Regiment dat zijnen roem zeer kort na zijne oprigting reeds gevestigd had, was het regiment Hussaren van Van Heeckeren, vervolgens Bataafssche Hussaren, gedurende het koninkrijk Holland het 2e, en onder het Fransche keizerrij het 11e regiment Hussaren. Het behoorde gedurende het tijdvak van 1793 tot de inlijving van Holland in het Fransche keizerrijk, in 1810 tot de schoonste regimenten van het Staatsche, vervolgens Bataafsche, en eindelijk Hollandsche leger. Zijne geschiedenis vermeldt als eerste roemrijke daad, het redden van het leven van den toen nog jeugdigen later zoo beroemd geworden veldheer, Prins Frederik van Oranje, en na een beduidend aantal beslissende wapenfeiten en dappere verrigtingen, tegen over Fransche, Engelsche, Russische, Pruissische, Oostenrijksche en Zweedsche legers, zijnen lof van in eenen veldtogt, waarvan de geschiedenis misschien geen tweede voorbeeld kan leveren, door proefdoen van vroomheid met de, in onwrikbaar standhouden, onovertroffelijke Fransche kavallerie zoodanig te wedijveren, dat daardoor de Nederlandsche krijgsmagt in een vreemd leger, hoog geacht werd.”

In 1793 werd ook het Korps Rijdende Artillerie opgericht om de cavalerie bij snelle, offensieve operaties vuursteun te kunnen geven. Op 1 oktober 1787 was eerder al een tweede korps huzaren opgericht door Adriaan van der Hoop, die toen nog luitenant was. Eerst op 1 februari 1794 werd daar een kolonel benoemd. Dat werd Pieter Joseph Timmerman en dit tweede korps werd vaak ‘Korps Timmerman’ genoemd. Van der Hoop werd in deze periode bevorderd tot majoor.

Intussen werd Dumouriez op 18 maart 1793 in België verslagen bij Neerwinden door een Oostenrijks-Zuid-Nederlands leger, waardoor de Habsburgers de heerschappij in de Zuidelijke Nederlanden herwonnen. De Fransen werden nu ook uit België verjaagd. Prins Frederik legerde zijn divisie langs de rivier de Leie, met zijn hoofdkwartier eerst te Kortrijk en daarna te Menen. Prins Willem legerde zijn divisie bij Doornik, langs de rivier de Schelde met het front naar Rijssel. Op 22 mei deed prins Willem een schijnaanval richting Rijssel, terwijl prins Frederik bij Menen nu de Leie overstak. De Huzaren van Van Heeckeren, onder bevel van kolonel van Lijnden, kregen bevel om een hoogte, links van de weg van Menen naar Rijssel, in te nemen. Kolonel van Lijnden had al patrouilles uitgestuurd om de vijandelijke posities te verkennen, maar die hadden geen vijand waargenomen. Toen bood zijn ordonnans, wachtmeester J.P. Weitzel, aan om op verkenning te gaan met zes vrijwilligers. Hij ontdekte rechts van de weg naar Rijssel een vijandelijk bivak en daarna een colonne van 300 man die naderde op de weg die over de hoogte naar Roncq leidde. Dwars door het terrein probeerde patrouille van Weitzel aan de vijand te ontkomen, wat ook lukte met het verlies van slechts één paard. Sypestein beschrijft deze actie5:
“Omstreeks ½ uur van Hallum verwijders, waren de Hussaren genaderd tot het punt van waar de helling van het zeer hooge terrein, naar de zijde van Rijssel begint, en ontdekten op 1000 passen regts van den weg, achter eene herberg eene vlakte, op welk het vijandelijk bivouacq was opgeslagen. De vijand hen bemerkende, zond onmiddellijk een detachement op hen af, waarop de Hussaren, die het doel van hunne zending hadden bereikt, in den draf terugtrokken. Naauwelijks op ¼ uur van Roncq genaderd, dáár waar de helling van het hooge terrein naar die zijde begint, ontdekten zij op nieuw den vijand, waarvan eene kolonne omstreeks 300 man sterk, langs den grooten weg, die over de helling in eene regte lijn tot Roncq gelegen is, naderde. In gestrekten draf vervolgden de Hussaren den weg, om nog tijdig genoeg die plaatsen te bereiken, waar, zoo als zij dat ’s morgens hadden bemerkt, het hun mogelijk zou zijn, door den zwaren heg, welke langs den weg stond over het beploegde land, over slooten en kleine wallen enz., te ontkomen. Niet zonder groot gevaar werd dit ten uitvoer gebragt, en zijn volgden daarop het land in de rigting van Werwick.
Zes uur na vertrek kon de patrouille zich terug melden met nauwkeurige gegevens over de vijand. Van Sypestein:
“De moeijlijkheden van het terrein, waren evenwel oorzaak dat zij den vijand, die om hun den weg af te snijden, in het bouwland tirailleurs had uitgezonden, niet tijdig genoeg konden omtrekken. Een paard, getroffen door het schot van een dezer tirailleurs, moest worden achtergelaten, de wachtmeester Weitzal liet den hussaar mede plaats nemen op het paard van eenen zijner kameraden en, in weerwil van het vijandelijk geweervuur, ontkwam hij weldra het gevaar. Tegen 11 ure kwamen zij te Bousbeek vervolgens tegen de middag over Menen te Hallum en des namiddags ten 4 ure bij den kolonel terug. Als een blijk van zijne groote tevredenheid, ontving de wachtmeester, die men met de zijnen reeds verloren achtte, tot belooning, eene aanzienlijke gratificatie.”
Wachtmeester Weitzel werd later (in 1795) bevorderd tot 2e luitenant bij het Regiment Huzaren van Van Heeckeren. De huzaren namen de volgende dag (23 mei) deel met twee eskadrons aan de gevechten bij Roncq en Tourcoing en op 12 juni aan de verovering van Wervik.

Op 6 september verdedigden de kolonel van Lijnden met zijn huzaren de Nederlandse posten bij Messine, toen Franse troepen deze trachten terug te werpen. Op 12 en 13 september werd de slag bij Wervik en Mening uitgevochten. Deze slag werd geleverd tussen de 30.000 man van het Franse ‘Leger van het Noorden’ (o.l.v. generaal Houchard) en 13.000 coalitietroepen van het Veldleger van de Republiek (o.l.v. erfprins Prins Willem en zijn broer Prins Frederik). Ook namen vier eskadrons Oostenrijkse cavalerie (o.l.v. Pál Kray) deel aan de slag. Door het numerieke overwicht van de Fransen behaalden die de overwinning. Op 12 september sloegen de huzaren (onder aanvoering van kolonel Constant De Villars), samen met de Jagers van Van Bylandt en de compagnie vrijwilligers van kapitein Mattieu, nog de Franse aanval op Hallem en Roncq af. De volgende dag keerde het tijd echter. Wervik ging verloren.

Misleid door een onjuiste belofte van Kray, dat meer Oostenrijkse troepen zouden arriveren als versterking, lanceerde Prins Frederik een tegenaanval met hemzelf aan het hoofd. Deze tegenaanval bestond uit infanterie in het midden, geflankeerd op de rechtervleugel door Nederlandse en Oostenrijkse cavalerie. De aanval was gericht op een Franse batterij. Deze joeg met kartetsvuur de Oostenrijkse cavalerie uiteen, die in hun paniek een Nederlands infanteriebataljon omverreden. Op dit cruciale moment werd Prins Frederik gewond door een geweerkogel in zijn rechterschouder en viel bewusteloos van zijn paard. De aanval mislukte hierdoor en met grote verliezen werden de Nederlanders terug geworpen. Wachtmeester Stenger6 van het Regiment Huzaren van Van Heeckeren verleende eerste hulp en escorteerde de prins met vier huzaren naar de verbandplaats te Roeselare. Van Sypestein7:
“Omdat hij zich ook dáár niet veilig achtte, reed hij, in eenen hussarenmantel gewikkeld en met een hussarenmuts op het hoofd, te paard naar Thielt en werd van daar naar Brugge overgebragt.”
Bij het kasteel van Hallum werd nog enige tijd standgehouden door de huzaren, maar ook zijn moesten de terugtocht aanvaarden naar Gent. De erfprins wist nog wel enige tijd stand te houden bij Menen, maar trok later ook terug richting Kortrijk. De terugtrekking van het Nederlandse leger voorkwam de vernietiging ervan. De rest van 1793 zou het leger in de omgeving van Gent verblijven. Kort voor de winter werd de vesting Maubeuge nog door de Hollandse troepen tot overgave gedwongen. Begin november werden winterkwartieren betrokken. Het hoofdkwartier kwam in Nijvel (Nivelles) terecht.
Na de slag werd Menen bezet door het Bataafse legioen van Daendels. Drie dagen later werd het Franse leger op haar beurt verslagen door het goed uitgeruste Oostenrijkse leger in de slag van Kortrijk. De wond van Prins Frederik heelde hooit helemaal goed en droeg bij aan zijn vroegtijdige dood in 1799.

Prins Frederik wordt getroffen in zijn schouder tijdens de slag bij Wervik en Menen. Geheel links zijn de ‘zwarte huzaren van Van Heeckeren’ herkenbaar.
Frankrijk had echter de nodige interne problemen, o.a. de opstand in de Vendée. Toulon, gesteund door een Engelse strijdmacht, hield de poorten voor de revolutie gesloten. Majoor Bonaparte bombardeerde de stad met zijn artillerie. De Engelsen landden bovendien bij Duinkerken, maar de geallieerden verzuimden door te stoten naar Parijs. Op 9 oktober 1793 werd Maubeuge nog veroverd, maar daarna trok het geallieerde leger zich terug in winterkwartieren, met het hoofdkwartier in Nijvel.
In april 1794 begonnen de gevechten weer. Op 16 juni werd Charleroi voor een tweemaal ontzet. Deze aanval gebeurde met vier colonnes, waarbij de Huzaren van Van Heeckeren met zes compagnieën ingedeeld waren in de tweede colonne, o.l.v. de Oostenrijkse generaal Latour. Na de verovering van Heppignies en Wangenies werd de Franse rechtervleugel over de Sambre teruggedrongen. Op 26 juni 1794 echter werd het Zuid-Nederlandse leger opnieuw en ditmaal definitief verslagen bij Fleurus. De Oostenrijkse troepen, vielen kort daarna terug op Luik en zochten daarna veiligheid achter de Rijn. De Oostenrijkse Nederlanden en Luik werden hierna in 1795 door Frankrijk geannexeerd. De Erfprins van Oranje, die onder hem de Staatse troepen aanvoerde en die stand had willen houden achter het kanaal van Leuven, moest nu wel terug naar Breda. Op 6 juli werd hij aangevallen bij Mont St. Jean (het latere slagveld van Waterloo) en hield hier een dag stand. Daarna volgde de terugtocht en op 22 juli waren alle Nederlandse troepen terug in Nederland. De Engelsen ontruimde heel Vlaanderen om dekking te zoeken bij de Schelde, en Prins Frederik, die met een ander deel van het Staatse leger onder hem diende, had geen keus, maar moest volgen. Eind juli was geheel België ontruimd. Met het uitwijken van de Oostenrijkers en Engelsen was de Republiek nu op zichzelf aangewezen.

De oorlog werd nu voortgezet in de Generaliteitslanden van de Republiek, dus in Zeeuws-Vlaanderen, Brabant en Limburg. Anderhalf jaar na hun eerdere vertrek uit Staats-Brabant, viel het Franse leger in augustus 1794 nu opnieuw de Republiek binnen, ditmaal onder leiding van generaal Pichegru met een aanzienlijk groter leger van 72.000 man. De Staatse troepen hielden aanvankelijk nog stand in een verdedigingslinie die van Bergen op Zoom naar Grave liep en voor een deel uit inundaties bestond. Ook de Huzaren van Timmerman namen deel aan de gevechten in Noord Brabant. Op 5 september werd Tilburg door de Fransen bezet, vervolgend door een reeks dorpen in de Meierij. Op 4 oktober moest Den Bosch zich na een lange belegering overgeven. Ongeveer 250 Franse royalistische soldaten die hadden meegeholpen bij de verdediging van de stad, werden op het fort Isabella gefusilleerd. In de daaropvolgende weken werd vrijwel het totale grondgebied van het huidige Noord-Brabant veroverd, met inbegrip dus van Hollands Brabant en de vrije heerlijkheden in het noordoosten (omgeving Ravenstein). In november 1794 moest Prins Willem zijn hoofdkwartier verleggen naar Gorinchem. Het Engelse leger, hoofdzakelijk bestaande uit Hannoveranen, trok vanuit Midden-Brabant al plunderen in noordwestelijke richting terug. De Oostenrijkers hadden intussen eerder al Maastricht en Venlo al ontruimd.

Herman Willem Daendels was intussen divisiegeneraal in het Franse leger. Bij de tocht van Pichegru naar het noorden riep hij zijn patriottische medeburgers in Gelderland en Overijssel te hulp. Vooral noord Gelderland en Overijssel waren voorheen patriottische bolwerken. Maar die aarzelden. Ook Pichegru aarzelde. De Franse troepen gingen, enigszins tegen hun gewoonte in, vestigingen belegeren. Achtereenvolgens maakten zij zich meester van Sluis (belegerd van 9 juli tot 25 augustus), Maastricht (26 september tot 4 november) en Venlo (11 tot 26 oktober). De belegeraars werden niet of nauwelijks lastig gevallen door geallieerde troepen. De Oostenrijkers weken steeds verder uit naar het oosten en de Engelsen naar het noorden. De Engelsen stonden onder bevel van de zwakke bevelhebber Hertog van York en vielen terug richting Hannover. Diverse Nederlandse plaatsen werden bij hun terugtocht geplunderd, o.a. Paleis het Loo. Op 8 november viel Nijmegen en stonden de Fransen vrijwel overal aan de grote rivieren. Alleen de vesting Grave hield nog stand, maar ook die zou op 30 december zich overgeven. Op 11 december werden op twee plaatsen ten oosten van Nijmegen door de Fransen pogingen gedaan om de Waal over te steken en op één plaats (noord van Den Bosch) de Maas. Bij Keeken liep de Franse poging op een mislukking uit. Bij Hulhuizen lukt het generaal Vandamme wel om de Waal over te steken, maar hij moest zich onder hevig vuur echter weer terugtrekken. De hoofdaanval noord van Den Bosch mislukte ook. De op de Dieze verzamelde schepen zaten zelfs geen kans om de Maas op te varen en Pichegru staakte tijdelijk het offensief. Op 16 december begin het echter hard te vriezen. Het was een extreem strenge winter en veel rivieren en inundaties bevroren en werden hierdoor passeerbaar. Inclusief voor cavalerie en (zware) kanonnen. Op 22 december werd door de Fransen bij Capelle in de Langstraat een proefaanval ondernomen, die werd afgeslagen. Op 27 december trokken de Franse en Bataafse troepen de bevroren Maas over (waarbij Daendels de hoofdaanval commandeerde) en namen de Bommelerwaard in bezit. Om 11.00 uur werd Zaltbommel binnengetrokken. Daarna werd bij Zaltbommel de Waal werd overgestoken en Tuil bereikt ten noorden van de rivier.

Een te hulp gesneld Engelse leger zette een tegenaanval in en de Fransen moesten weer terug de Waal over. Twee dagen lang (29 en 30 december) dooide het, maar in de oudejaarsnacht draaide de wind naar het oosten en kwam de vorst terug. De in de ogen van Pichegru te energieke Daendels werd op een zijspoor gezet en kreeg opdracht met zijn eenheid naar het westen af te zwenken. Hij veroverde in het land van Altena op 13 januari Heusden.
Ruzie tussen de geallieerde commandanten (prins Frederik en generaal Wallmoden) was de oorzaak dat het Engelse legertje Leerdam ontruimde en zich over de Lek en de Rijn uit de Betuwe terugtrok. Prins Frederik (met zijn hoofdkwartier in Gorkum) zag zijn linkerflank in elkaar zakken, waardoor het leger van de Republiek zich ook van de Waal en van de Rijn moest terugtrekken.

Bekende schoolplaat. Fransen trekken over de Lek
Op 10 januari staken de Fransen op verschillende plaatsen de Waal over, waarop de Engelsen zich onmiddellijk achter de Rijn terugtrokken, zodat de vijand de beschikking kreeg over de gehele Betuwe. De Oostenrijkers trokken mee terug. De Nederlanders stonden er alleen voor. De moed was eruit. Vele manschappen waren buiten gevecht gesteld, ook door ziekte; daarenboven hadden alle garnizoenen, die zich reeds moesten overgeven, de belofte afgelegd niet meer tegen de Fransen op te treden. Desertie nam snel toe.
In januari 1795 bereikten de Franse troepen Utrecht. Daar werden zij enthousiast verwelkomd met vlaggetjes en emblemen van de revolutie. De Staten van Utrecht capituleerden op vrijdag 16 Januari. Daendels kon door overreding Amsterdam aan zijn zijde krijgen. De Staten van Holland namen op dezelfde dag hetzelfde besluit en stuurden twee gedeputeerden, de heeren Van Boetzelaar van Kijfhoek en Calcoen, naar de Fransen voor onderhandelingen. Uiteindelijk kozen de Staten Generaal de kant van de revolutie en vluchtte de stadhouder Willem V op 18 januari vanuit het strand van Scheveningen naar Engeland, nadat hij tot 12 uur ‘s nachts voor de kust had gedobberd. De Fluwelen Revolutie was een feit.
Hij schreef aan de Staten van Holland en Staten Generaal:
Hoog Mogende Heeren,
De omstandigheden, waarin de Republiek zich bevindt, ons doende vooruitzien welk lot wij te wachten hebben, zoo de vijand verder indringt, en niet willende een obstakel zijn aan den vreede, die voor de goede ingezeetenen dezer landen nodig is, hebben wij geresolveert om voor een tijd ons met onze geheele Familie van hier te retireeren. Wij hoopen dat Uwe Hoog Mog. zulks niet zullen afkeuren, en bidden den Allerhoogsten om zijne dierbaarste zeegeningen voor het lieve vaderland te willen uitstorten, in eene rijke maate – God zegene dit voormaals gelukkig Land en maake dat het wederom gelukkig worden moge! Wij hebben alles gedaan wat in ons vermogen was om ons Vaderland wel te dienen, en hebben daartoe altijd onze pogingen aangewend. Het doet ons leed van niet van meerder nut te hebben kunnen zijn, en zoo de omstandigheeden immer of ooit toelaaten, dat wij weederom van nut aan Ons Vaderland, hetwelk wij hartgrondig beminnen, kunnen zijn, zullen Uwe Hoog Mog. ons altijd gereed vinden, om daartoe alle onze pochingen aan te wenden. Onze beide zoons, aan wien wij hun ontslag verleend hebben van het commando van het Leger, zullen met ons vertrekken. Wij hebben van onze plicht geacht Uwe Hoog Mog. hiervan kennisse te geven. Waar meede Hoog Mogende Heeren
Uwer Hoog Mog. gehoorzame Dienaar
‘s Hage den W Janu. 1795
W. PR. v. ORANJE.

Revolutionaire comités namen de macht over en orangistische hoogwaardigheidsbekleders vluchtten, maar werden in het algemeen ongemoeid gelaten. De in 1787 onderdrukte revolutie van de patriotten werd weer opgepakt en leek aan te sluiten bij de idealen van de Fransen. Er werden tal van overwinningsparades georganiseerd en dankdiensten in kerken. De nieuwe patriottische regering veranderde de naam van de Republiek in die van ‘Bataafse republiek.’ Weldra werd de vrede gesloten tussen Frankrijk en de nieuwe Bataafse Republiek. De meeste mensen verwelkomden de Franse bezetters. Frankrijk verlangde een offensief en defensief verbond met de Republiek en voor de duur van de oorlog moesten alle steden en forten ten zuiden van de Waal en Schelde aan het Franse leger in gebruik worden afgestaan.
[1] De militair Reinhard van Heeckeren van Molecaten (gelegen vlakbij Oldenbroek) kiest eind achttiende eeuw voor de Oranjegezinden. Hierdoor wordt Molecaten in 1786 beschoten door patriottische burgermilities uit Hattem onder leiding van de Hattemse patriottenleider Herman Willem Daendels. De Franse inval in 1795 maakt een einde aan de adellijke privileges, zo ook aan de positie van Reinhard, en de algemene status van een buitenplaats als Molecaten. Na de Franse tijd wordt die status hersteld en wordt aan de oudste zoon en erfgenaam van Molecaten, Evert, in 1814 officieel de erfelijke titel “baron” verleend. Hij overlijdt in 1819 op het Huis Molecaten en laat de erfgenamen grote schulden achter.
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 8 ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 9 ↩︎
- De militair Reinhard van Heeckeren van Molecaten (gelegen vlakbij Oldenbroek) kiest eind achttiende eeuw voor de Oranjegezinden. Hierdoor wordt Molecaten in 1786 beschoten door patriottische burgermilities uit Hattem onder leiding van de Hattemse patriottenleider Herman Willem Daendels. De Franse inval in 1795 maakt een einde aan de adellijke privileges, zo ook aan de positie van Reinhard, en de algemene status van een buitenplaats als Molecaten. Na de Franse tijd wordt die status hersteld en wordt aan de oudste zoon en erfgenaam van Molecaten, Evert, in 1814 officieel de erfelijke titel “baron” verleend. Hij overlijdt in 1819 op het Huis Molecaten en laat de erfgenamen grote schulden achter. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz XVII en XVIII ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 11 en 12 ↩︎
- Hij diende later ook bij het Regiment Bataafsche Hussaren en ontving hier op 28 februari 1803 het ereteken voor 18-jaar trouwe dienst. ↩︎
- Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 14 ↩︎
