Door kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel
Duitse tegenreacties van II SS Panzerkorps rond Arnhem tijdens Operatie Market Garden
Er is veel geschreven op de geallieerde luchtlandingsoperatie Market Garden van september 1944. Vooral de 75-jarige herdenking van deze slag leverde een nieuwe serie publicaties op. Veel van deze publicaties behandelen voornamelijk het geallieerde optreden, maar recentelijk zijn er ook een aantal boeken en artikelen verschenen die de succesvolle Duitse tegenreacties beschrijven. Onder andere op basis van archieven van betrokken Duitse eenheden en dagboeken van Duitse militairen. Dit artikel geeft een overzicht van de Duitse tegenreacties rond Arnhem, waarbij ook kort het relevante Duitse optreden rond Nijmegen wordt aangehaald. Het begint met een kort overzicht van de dispositie van de Duitse eenheden en behandelt daarna chronologisch de tegenreacties. Het sluit af met een korte beschouwing. Het geallieerde optreden rond Nijmegen en Arnhem wordt als bekend verondersteld.
Dispositie van de Duitse eenheden aan de vooravond van Market Garden.
Duitsland had een zware nederlaag geleden in Normandië en kon aan het Westfront binnen Heeresgruppe B in augustus 1944 nog slechts 24 infanterie- en 11 panzerdivisies op de been brengen. Maar de panzerdivisies hadden vaak nog maar regimentssterkte met gemiddeld tussen de 5 en 10 tanks. De meeste van de eenheden waren bovendien uitgeput vanwege de lange terugtocht, waarbij ze continue bestookt waren door de geallieerde luchtmacht. Eerdere pogingen om een nieuw front op te bouwen aan de Seine of Somme rivier waren mislukt en na de val van Antwerpen op 4 september, gevolgd door Dolle Dinsdag (5 september) leek niets de geallieerden tegen te kunnen houden. Onder meer door controverse over te volgen strategie binnen het geallieerde top leiderschap (haven van Antwerpen ontzetten, breed of smal opmarsfront), te uitgerekte logistieke lijnen en aanvoer van restant Duitse eenheden (zogenaamde Kampfgruppen) of snel samenvoegde nieuwe Duitse eenheden slaagde het Duitse opperbevel er toch in om een geïmproviseerd verdedigingsfront op te bouwen langs het Albert-kanaal en dit toe te vertrouwen aan het 1e Fallschirmjäger Armee van Kurt Student. In het achterland (o.a. Noord Brabant, Veluwe en rivierengebied) bevonden zich recupererende eenheden en opleidingseenheden. Al deze eenheden hadden opdracht kleine mobiele reactie eenheden gereed te houden. Intussen was de 15e Armee van Von Zangen bezig met de evacuatie van Zeeuws Vlaanderen en het overbrengen van haar eenheden naar West Brabant. Zowel het 1e Fallschirmjäger Armee als 15e Armee vielen beiden onder Heeresgruppe B, gecommandeerd door veldmaarschalk Model. De achtergrens van de Heeresgruppe was de Maas-Waal lijn. Het gebied erboven viel onder verantwoordelijkheid van de Duitse militaire bevelhebber van Nederland, General der Flieger Christiansen.
In het gebied van Nijmegen en Arnhem waren dan ook verscheidene Duitse eenheden aanwezig. Langs de rivier de Waal voerde Generalleutnant von Tettau het bevel over een opvangscherm om terugtrekkende Duitse eenheden op te vangen en te reorganiseren. Zijn meest effectieve eenheid was de SS Underführerschule Arnheim onder bevel van SS kolonel Lippert, bestaande uit ervaren frontsoldaten in opleiding voor onderofficier. Een andere effectieve eenheid van von Tettau was zijn ‘divisiereserve’ in de omgeving van Arnhem, het SS-Panzergrenadier Ausbildung und Ersatz Bataljon 16 in Wolfheze o.l.v. SS kapitein Krafft. Deze eenheid bestond uit twee infanteriecompagnieën en een zware wapen compagnie. Dieper in Nederland waren er ‘Fliegerhorst Batallionen’, bestaande uit terugtrekkend Luftwaffe personeel wat het opvangscherm van von Tettau had opgepikt. Hun gevechtswaarde was gering, met uitzondering van het Fallschirm Ersatz- und Ausbildungs- Regiment Hermann Göring[1], die nieuwe Duitse parachutisten opleidde. Ook de gevechtswaarde van de ‘Schiffstammabteilungen’ was gering, bestaande uit overbodig Kriegsmarine personeel. Daarnaast waren er op diverse locaties in Nederland bewakingsbataljons bestaande uit Nederlands SS personeel. De dichtstbijzijnde eenheid hiervan was het Nederlandse SS Wach Batallion 3 in Amersfoort o.l.v. SS kapitein Helle [2]. De oostflank van de geallieerde luchtlanding was ook belangrijk. Ook hier bevonden zich diverse Duitse aanvullings- en trainingseenheden, die behoorden tot Wehrkreis VI dat ongeveer geheel Westphalia omvatte. Hiervan was de belangrijkste de 406e Landesschützen (infanterie) Division.
In de eerste weken van september waren er echter ervaren Duitse eenheden in het gebied aangekomen met aanzienlijke gevechtswaarde. Op 7 en 8 september arriveerde restanten van de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen onder bevel van SS luitenant-kolonel Harzer [3] en 10e SS Panzerdivision Frundsberg onder bevel van SS kolonel Harmel [4] in het gebied ten noorden en noordoosten van Arnhem [5]. Beide divisies hadden nog maar tussen de 20 en 30% van hun geautoriseerde sterkte en stonden onder bevel van het 2e SS Panzerkorps van SS generaal Bittrich. De 10e Frundsberg Division zou ter plekke worden gereorganiseerd en worden voorzien van nieuw materiaal. De 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen moest haar resterend zware materiaal afgeven aan de 10e SS Panzerdivision Frundsberg en verder verplaatsen naar Siegen in Duitsland om daar nieuwe materiaal en verse manschappen te ontvangen. Diverse Hohenstauffen-officieren negeerden of ontweken echter het bevel om het zware materiaal af te geven aan hun zusterdivisie. Beide divisies beschikten over ieder nog zo’n 2500 man.

De 10e SS Panzerdivision Frundsberg kon uiteindelijk ongeveer een zwakke brigade op de mat brengen, met een staf in Ruurlo, drie panzergrenadier bataljons in Deventer (Boreel-kazerne!), Diepensen en Rheden, een tankeenheid in Vorden en een artilleriebataljon in Dieren. Op 10 september had Harmel daarnaast opdracht gekregen om Kampfgruppe ‘Heinke’ af te staan voor een tegenaanval op het geallieerde bruggenhoofd over het Albertkanaal bij Neerpelt. Deze Kampfgruppe bestond uit een infanteriebataljon, een batterij artillerie, een geniecompagnie en een verkenningscompagnie en raakt later als onderdeel van Kampfgruppe ‘Walther’ betrokken bij de strijd in Noord Brabant.
Op 13 september begonnen de eerste eenheden van de 9e Hohenstauffen Division zich te verplaatsen naar Siegen, waarbij kaderleden en technische specialisten als eersten verplaatsen. De andere eenheden zouden later verplaatsen en hadden ‘Alarmeinheiten’ geformeerd, meestal ter sterkte van een compagnie. Al deze ‘Alarmeinheiten’ lagen links en rechts van de Arnhem-Velp-Zutphen weg en zuid van Apeldoorn op 10-15 km afstand van de stad. Opvallend was dat alle eenheden van het 2e SS Panzerkorps anti-luchtlandingstraining had ondergaan. Dit was een initiatief geweest van de toenmalige Commandant Panzertruppen West generaal Geyr von Schweppenburg in anticipatie van de landing op de westkust. Het was aangeleerd om snel en agressief te reageren met inzet van alle wapens. Men moest ‘in de tanden (Zähne) van de luchtlanding rijden om deze te kunnen verslaan.’ De ‘vijand moest razendsnel tijdens zijn meest kwetsbare fase worden aangevallen, bij de landing, voordat hij zich kon organiseren.’ Lagere kaderleden was geleerd om onmiddellijk te reageren en niet te wachten op bevelen van hogerhand.[6] De gunstige dispositie van de recuperende Duitse gevechtseenheden, uitgerust met zware wapens was een belangrijke reden van de geallieerde nederlaag rond Arnhem. Met name de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen met negentien compagnieseenheden die binnen 30 minuten tot 2 uur konden reageren en op relatief korte afstand stonden speelde hierbij een belangrijke rol.
De landingen (17 september)
Op 17 september om 10.30 gingen de sirenes af op vliegveld Deelen. Geallieerde luchtmacht bombardeerde luchtverdedigingsposities op het vliegveld en rond Arnhem en Nijmegen. Ook de Willemkazerne, de Menno van Coehoorn kazerne en de Saksen Weimar kazerne werden aangevallen.
Om 12.00 was de omgeving van Ede aan de beurt en werden Duitse kazernes Beeckman en Stevin gebombardeerd. De luchtaanvallen alarmeerden natuurlijk wel de Duitse eenheden, waaronder het bataljon van SS Kapitein Krafft in de bossen rond Wolfheze. Bij dag aanbreken was intussen ook de geallieerde luchtarmada opgestegen en rond 13.00 vonden de luchtlandingen [7] plaats, ten noorden van Eindhoven, zuidoost van Nijmegen en ten westen van Arnhem. De Duitsers in de omgeving van Arnhem reageerden onmiddellijk. De eerste eenheid die in actie kwam was die van SS kapitein Krafft die met twee van zijn drie compagnieën een oefening hield in de bossen van Wolfheze. Hij dirigeerde zijn eenheden in linie en stuurde ze naar de rand van de dichtstbijzijnde landingsplaats. De tweede eenheid die in staat was te reageren was die van SS kapitein Gräbner, de commandant van het 9e SS Aufklärungsbatallion (verkenningsbataljon). Zijn eenheid hield noord van Deelen bij Hoenderloo net een parade om de uitreiking van een Ridderkruis aan hemzelf te vieren, verdiend tijdens de terugtocht uit Normandië. De parade werd bijgewoond door zijn waarnemend divisiecommandant, SS luitenant-kolonel Harzer. Ook SS kolonel Lippert (SS Unteroffizierschule Arnheim) en SS majoor Müller (geniebataljon 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen) brachten hun alarmeenheden snel in staat van gereedheid en verplaatsingsgereed.
Ook de alarmeenheden van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg werden gealarmeerd. Veldmaarschalk Model (Heeresgruppe B) die aanvankelijk dacht dat de luchtlandingsactie bedoeld was om hem te grijpen, verplaatste in paniektoestand zijn hoofdkwartier van Hotel Tafelberg in Arnhem naar kasteel Terborg, waar zijn logistieke ondersteuningseenheid zat. Ook andere niet essentiële ondersteunende Duitse eenheden en hoofdkwartieren verplaatsen zich halsoverkop weg van Arnhem, net zoals het hoofdkwartier [8] van de Luftwaffe 3e Flieger Division op Deelen, wat naar Duisburg verplaatste.

SS kapitein Krafft stuurde onmiddellijk twee gevechtspatrouilles uit richting de vermoedde luchtlandingsterreinen (Renkum, Heelsum) om gevechtsinlichtingen in te winnen. De 2e compagnie kreeg opdracht een aanval uit te voeren op dit terrein, terwijl de 4e compagnie een verdedigingslinie begon in te richten in de buurt van Hotel Wolfheze. Zijn derde compagnie (9e cie) werd vanuit Arnhem naar Wolfheze gehaald om een bataljonsreserve te vormen. De 2e cie voerde de aanval halfhartig uit, beschoot wat ‘gliders’, maar viel al snel terug op de verdedigingslinie van de 4e cie. Krafft zorgde hierna ervoor dat zijn eenheden de twee belangrijkste verharde naderingswegen naar Arnhem afsloten, namelijk de wegen vanuit Ede en vanuit Wageningen, als ook de spoorweg Utrecht-Arnhem. Gedurende de gehele middag van 17 september vocht de eenheid van Krafft met de 1e para brigade van Lathbury en na aankomst van de 9e cie slaagde Krafft erin om zijn posities tot nachtinval vast te houden. Omdat hij vermoedde te zijn omtrokken [9] besloot Krafft van de duisternis gebruik te maken en terug trekken.
De enige andere Duitse eenheid die onmiddellijk luchtlandingsterreinen begon te beschieten was een alarmeenheid van het 4e Batallion Luftnachtrichten Regiment 213 (verbindingen) die de luchtverkeersradar op Deelen bemande. Kapitein Weber stelde snel een eenheid van 90 man samen en viel de meest noordelijke landingszone aan. Na kort beginsucces trok hij toch zijn eenheid terug en richtte een verdediging in aan de rand van vliegveld Deelen.[10]
Generaal Bittrich, commandant van het 2e SS Panzerkorps ontving de eerste vijandmeldingen op zijn CP in Doetinchem rond 13.30 en gaf een alarmeringsbevel al om 13.40. [11] Het ervaren korpshoofdkwartier reageerde bliksemsnel en analyseerde dat de luchtlandingen gericht waren op de bruggen bij Arnhem en Nijmegen.[12] Snel werd de bevelsverhoudingen bijgesteld. De 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen kreeg opdracht om Arnhem te verkennen, de brug zeker te stellen en een bruggenhoofd ten zuiden van de rivier Rijn te vormen. Zodra dit was uitgevoerd zou 10e SS Panzerdivision Frundsberg naar Nijmegen optrekken, hier de bruggen zeker stellen en een bruggenhoofd ten zuiden van de Waal vormen.

De 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen zette onmiddellijk het verkenningsbataljon van Gräbner in beweging, die binnen twee uur vertrok met 40 pantserwagens en halftracks [13]. Gräbner reageerde adequaat en met een echte ‘verkennersmentaliteit’. Hij verplaatste zijn eenheid naar de noordrand van Arnhem en spoedde zichzelf naar de DivCP in Beekbergen. Zich realiserend dat hier nog weinig overzicht over de gevechtssituatie bestond, zond hij direct een aantal bereden en gepantserde gevechtsverkenningspatrouilles bestaande meerdere pantservoertuigen over de belangrijkste hoofdwegen in de westelijke richting om naderingswegen van de Britse para-eenheden te verkennen. Zijn verkenningspatrouilles meldden de meeste noordelijke gedeelte van de stad nog vijandvrij, maar zijn meest zuidelijke verkenningspatrouille raakte in gevecht met de achterste eenheden van het 2e Parabataljon van Frost die via de Rijnoever inmiddels op weg was naar de Rijnbrug. Een vuurgevecht brak uit en er ontstond hierdoor een gat achter de eenheden van Frost.
Gräbner haalde vervolgens zijn verkenningseenheden terug. De meldingen van Gräbner en het ‘bevochten’ gat achter Frost hadden twee belangrijk voordelen voor de Duitsers. Ten eerste kregen ze een goed overzicht over de zich ontwikkelde gevechtssituatie waardoor het mogelijk werd om arriverende Alarmeinheiten gecoördineerd en doordacht te ontplooien. Ten tweede vergrootte de verschijning van Duitse pantservoertuigen, Duitse verkenners en gevechten met zwaardere wapensystemen de al aanzienlijke bevelschaos aan Britse zijde, waardoor belangrijk tactisch voordeel ontstond. Een bewijs dat doortastend optreden van verkenningseenheden van doorslaggevende betekenis kan zijn.
Om 14.40 hadden alle alarmcompagnieën van de divisie zich intussen gereed gemeld en begonnen zich op soms geïmproviseerde wijze naar Arnhem te verplaatsen [14]. Leidinggevende officieren van deze eenheden spoedden zich vooruit naar de DivCP, die naar Velp was verplaatst. Van sommige eenheden waren mensen en materiaal dus al naar Siegen verplaatst, maar die werden met spoed weer terug geroepen. Om 15.00 verplaatste de alarmeenheid van het 9e SS Panzerjäger Abteilung (anti-tank bataljon) onder leiding van SS majoor von Allworden zich eveneens razendsnel van Apeldoorn naar Arnhem. De eenheid bezat twee Mark IV tankjagers en enkele getrokken 75 mm anti-tank geschut. Ook de alarmeenheid van de 9e SS Flak Batterie (luchtverdedingsbatterij) en 9e SS Pionier Batallion (genie o.l.v SS majoor Möller) spoedden zich naar Arnhem. [15] Aan het einde van de middag trokken deze Duitse eenheden door het centrum en de westrand van Arnhem richting Oosterbeek. De SS genisten zonden eveneens onmiddellijk gevechtspatrouilles dieper de stad in om opheldering over de situatie te krijgen.
Ook de 10e SS Panzerdivision Frundsberg alarmeerde haar eenheden. Zonder zijn commando officieel over te dragen was de divisiecommandant, SS kolonel Harmel, enkele dagen eerder naar Berlijn gegaan om met het SS FührungsHauptAbmt gesprekken te voeren om zijn divisie weer op oorlogssterkte te krijgen. Hij werd met spoed teruggeroepen. De tijdelijke leiding over de 10e SS Panzerdivision Frundsberg lag in handen van de SS luitenant-kolonel Paetsch. De eerste eenheden die deze divisie in beweging zette, zijn het divisie verkenningsbataljon o.l.v. SS kapitein Brinkmann, een infanterie-eenheid o.l.v. SS kapitein Euling en een gevechtsgroep gevormd uit tankbemanningen van het tankregiment, o.l.v. SS majoor Reinhold. De DivCp werd snel naar Didam verplaatst.
Om 15.00 verscheen veldmaarschalk Model op het hoofdkwartier van het Bittrich. Hij autoriseerde de al lopende operationele maatregelen en taakverdeling tussen de beide divisies en plaatste het hoofdkwartier van Bittrich onder rechtstreeks bevel van Heeresgruppe B [16]. Om 17.30 gaf hij vervolgens een schriftelijk bevel uit, waarin hij de drie geallieerde luchtlandingsgebieden rond Eindhoven, Nijmegen en Arnhem verdeelde over drie ondercommandanten. Generaal Student en zijn 1e Fallschirmjäger Armee moest het Britse grondoffensief stoppen en de luchtlandingen van 101 (US) Airborne Division noord van Eindhoven bestrijden. Student werd hiertoe versterkt met meerdere kampfgruppen, waaronder enkele gepantserde. Het bestrijden van de Amerikaanse luchtlandingen van 82 (US) Airborne Division bij Nijmegen werd toevertrouwd aan Wehrkreis VI, die hiertoe extra fallschirmjäger eenheden van generaal Meindl werd beloofd. Het 2e SS Panzerkorps hield zich bezig de aanval vanuit het noorden en oosten op het operatiegebied Arnhem en vanuit het noorden op Nijmegen. Het korps zou ter versterking een gemotoriseerd infanteriebataljon van Wehrkreis VI en daarnaast de 280e Sturmgeschutz Brigade onder bevel krijgen.[17] De Wehrmachtbevelhebber Niederlanden, generaal Christiansen had de taak om de landingsgebieden bij Arnhem vanuit het noorden en westen aan te vallen, waarbij hij de samengestelde divisie van Von Tettau kon gebruiken, die net boven de Waal de opvanglinie bezette. Een compleet en gedetailleerd bevel werd door Model al op de eerste dag rond 23.15 uitgeven.[18 19]

Met de eerste slag waren ongeveer twee luchtlandingsbrigades en wat ondersteunende divisie troepen geland. Lathbury’s 1e Parabrigade moest oprukken naar de bruggen van Arnhem, terwijl Hicks 1e Luchtlandingsbrigade de luchtlandingsterreinen moesten verdedigen om het landen van de tweede slag mogelijk te maken [20]. Om 15.00 begonnen de eenheden van Lathbury aan hun opmars, maar liepen al snel vast op het scherm van het SS bataljon van Krafft en de alarmeenheid van Gräbner. Later op de middag en de vroege avond slaagden enkele Britse gevechtspatrouilles de Duitse posities te omtrekken en wel de buitenrand van Arnhem te bereiken. Eén van deze gevechtspatrouilles doodde de al eerder genoemde Duitse stadscommandant Kussin. Het 2e Parabataljon van John Frost had wel een succesvolle opmars via de meest zuidelijke route, via Heelsum, Heveadorp en de Westerbouwing. Deze eenheid kwam in gevechtscontact met de naar de westrand van Arnhem oprukkende Duitse alarmeenheden. De spoorbrug over de Rijn werd tijdig op geblazen door een aanwezig Duits Sprengkommando. 2e Parabataljon (versterkt met elementen van 3 Parabataljon) vocht zich een weg naar de hoofdbrug van Arnhem en slaagde erin de noordelijke oprit en de directe omgeving te bezetten. [21]
Net tevoren om 18.00 uur was echter het verkenningsbataljon van Gräbner in volle vaart over de brug gereden richting Nijmegen. Hij had na zijn doortastend optreden in West Arnhem opdracht om vervolgens de situatie in Nijmegen te verkennen. Tegen de orders in liet Gräbner echter geen veiligheidsbezetting achter bij de brug, waardoor die slechts verdedigd werd een tiental bewapende soldaten van het stadcommando en wat luchtafweergeschut. [22]
De Duitse bevelsverhoudingen werden nu wat verwarrend. Het verkenningsbataljon van Gräbner werd nu onder bevel gesteld van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg die immers voor de situatie in Nijmegen verantwoordelijk was. Als compensatie kreeg de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen het verkenningsbataljon van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg toegewezen. Deze eenheid (Kampfgruppe ‘Brinkmann’) had echter een veel geringere gevechtskracht. Kampfgruppe ‘Brinkmann’ rukte ook op richting de brug over de Rijn bij Arnhem en raakte rond de schemering om 20.00 uur in gevecht met het Britse 2e Parabataljon van Frost die intussen de noordelijke oprit van de brug had bezet. Net zoals andere, voor Nijmegen bestemde, Duitse eenheden, waaronder het bataljon Euling van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg en de Kampfgruppe Trapp (3e cie van het 21e Panzer-Grenadier Regiment 10e SS Panzerdivision Frundsberg). De noordelijke oprit van de brug was nu echter in Britse handen en de eenheden van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg moesten daarom een andere manier vinden om de Rijn over te steken en naar Nijmegen te verplaatsen.

Het SS bataljon van Krafft trok zich na invallen van de duisternis rond 21.30 vechtend terug richting Arnhem en sloot zich noord aan bij verdedigingslijn van de intussen in West Arnhem gevormde Kampfgruppe ‘Spindler’. Deze Kampfgruppe ‘Spindler’ was geïmproviseerd samengesteld uit diverse Alarmeinheiten van de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen en stond onder krachtige leiding van SS luitenant-kolonel Spindler, de commandant van het artillerie regiment. De kampfgruppe bestond uit twee infanteriecompagnieën gevormd uit artilleristen, een geniecompagnie o.l.v. SS majoor Müller gevormd uit het geniebataljon van de divisie en een compagnie gevormd uit de luchtverdedigingsbatterij o.l.v. SS luitenant Gropp. Müller had eerder zijn eenheden vanuit het centrum van Arnhem laten aanvallen naar het westen richting Oosterbeek via de doorgaande wegen. De gevechten concentreerden zich o.a. rond het Elisabeth ziekenhuis en het hoge gebied bij ‘Den Brink’, die beide de opmarsroutes van de Britten beheersten. Het krachtige optreden van Kampfgruppe ‘Spindler’ voorkwam dat het Britse 1e en 3e Parabataljon zich konden aansluiten bij het naar de brug doorgebroken 2e Parabataljon van Frost. Het SS bataljon van Krafft werd na aansluiting ook onder bevel van Spindler geplaatst.
In de nacht van 17 op 18 september kwamen er echter zoveel ‘Alarmeinheiten’ bij aan Spindler dat een herstructurering nodig werd geacht. Er werden twee nieuwe kampfgruppen gevormd. Eén extra kampfgruppe werd gevormd rond de kern van de Sturmgeschutz Abteilung (mobiel anti-tank geschut) van de divisie en kreeg de naam SS kapitein von Allworden. De eenheid had ook enkele PanzerJäger IV en Jagdpanthers en werd verder versterkt met uitgestegen bemanningen en marinepersoneel ter sterke van drie infanteriecompagnieën. Daarnaast werd de Kampfgruppe ‘Harder’ gevormd vanuit het tankregiment van de divisie, geleid door SS luitenant Harder. Deze laatste bestond uit een compagnie tankbemanningen, compagnie logistiek personeel en een marine eenheid. Alle deze eenheden werden als infanteriecompagnieën ingezet. De snelle reacties en improvisatievermogen van Duitse zijde is opmerkelijk en doorslaggevend. Uit het niets werden eenheden samengevoegd tot krachtige eenheden en on-the-fly werden hier continue arriverende eenheden aan toegevoegd. De Sperrlinie werd sterker en sterker. [23]
Aan de westzijde van de landingsterreinen reageerden de Duitsers trager. SS kolonel Lippert ontving pas om 19.00 uur het bevel om zich met zijn trainingsschool te melden bij het divisie hoofdkwartier van von Tettau op de Grebbeberg. Hier heerste verwarring en ontbrak een duidelijk inlichtingenbeeld over de omvang en de plaatsen van de geallieerde luchtlandingen. Het gebrek aan inlichtingen verhinderde dan ook snelle en gecoördineerde inzet van Duitse eenheden in deze sector. Eén van de eerste eenheden die in actie kwam en gevechtspatrouilles richting de landingsgebieden zond was het Nederlandse SS Wachbataillon 3 van SS kapitein Helle. Deze onervaren eenheid liep echter aan de rand van de Ginkelse Heide met haar verkenningseenheid in de nacht een hinderlaag [24]. Von Tettau gebruikte de nacht om eenheden uit het Waalfront terug te halen en in te zetten tegen de landingsgebieden. De arriverende eenheden werden onder bevel SS kolonel Lippert geplaatst die zijn eenheid zag groeien tot regimentssterkte. In de nacht van 17 op 18 september zuiverden deze eenheden de bossen direct ten westen van de landingsgebieden. Daarnaast werden zes andere grotere en kleinere kampfgruppen gevormd uit eenheden die vanuit West Nederland werden aangevoerd. Hierin zat maar één ervaren eenheid: SS Kampfgruppe ‘Eberwein’, gevormd uit twee compagnieën van de al genoemde SS Unterfuhrerschule van SS kolonel Lippert. Verder had alleen de kampfgruppe gevormd uit het Ausbildung und Ersatz Regiment Herman Göring (komend vanuit vliegveld Valkenburg bij Katwijk) enige gevechtswaarde. Eén compagnie van dit trainingsregiment werd vanuit het westen richting Nijmegen gestuurd.
Nijmegen
Ook in Nijmegen was het chaos. De organisatie van de Duitse tegenmaatregelen was aanvankelijk in handen van kolonel Henke, die met zijn staf van een Fallschirmjäger Training Regiment, drie compagnieën van Ersatz Batallion 6 (Wehrkreis VI) en een compagnie van het Ausbildung und Ersatz Regiment Hermann Göring de stad in stad van verdediging probeerde te brengen. Hij gooide gevechtsvoorposten in een waarschuwingsring in de buitenwijken van de stad en concentreerde zijn gevechtskracht in twee kleinere bruggenhoofden ten zuiden de Waal rond de spoorbrug en wegbrug.
De belangrijkste weerstandsgebieden waren de twee verkeerspleinen 1 km ten zuiden van de beide bruggen, namelijk het Keizer Karel Plein en het Keizer Lodewijk Plein. De gelande Amerikaanse eenheden waren relatief passief en bezig zichzelf te organiseren. Pas om 18.30 werd de eerste verkenningspatrouille Nijmegen ingestuurd. De eerste gevechtseenheden van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg arriveerden in de nacht van 17 op 18 september. Gedwongen door de Britse verovering van de Arnhem brug en gederouteerd over het veer bij Panningen arriveerden de elementen van het SS bataljon ‘Euling’ en Kampfgruppe ‘Reinhold’. Het 10e SS Pionier Batallion begon gelijk een geïmproviseerde veerdienst over de Rijn en probeerde met alles wat dreef zoveel mogelijk troepen en materiaal over te zetten.


Gräbner met zijn 9e SS Aufklärungsbatallion arriveerde om 1900 uur in Elst, vond hier geen vijand en zette zijn opmars richting Nijmegen voort. Om 20.00 hoorde Gräbner via de radio dat de brug bij Arnhem in handen van de vijand was. Ondanks dat hij orders had van kolonel Harmel (cdt 10e SS Panzerdivision Frundsberg) om in Nijmegen te blijven, draaide Gräbner [25] zijn eenheid om en reed weer richting Arnhem. Het feit dat hij geen vijand in Nijmegen had gevonden, maar dat de vijand wel een belangrijke brug in zijn rug bezette deed hem orders negeren. Zijn eenheid bracht de nacht door
in Elst, dus ten zuiden van de Rijnbrug.
De vijand had echter de bruggen bij Grave en over het Maas-Waal kanaal bij Heumen in bezit genomen en was inmiddels Nijmegen binnengedrongen. Twee compagnieën van het 508e Parachute Infantry Regiment van 82 (US) Airborne Division probeerden de bruggen met een bliksemactie te veroveren, maar raakten in zwaar gevecht met de verdedigende eenheden van Henke en de intussen arriverende SS eenheden van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg. Duitse ‘Alarmeinheiten’ ten oosten van de stad begonnen ook hier te arriveren en werden in onder bevel van 406 Landesschützen Division geplaatst. [26] Deze divisie formeerde vier kampfgruppen (‘Stargaard’, ‘Fürstenberg’, ‘Greschick’ en ‘Goebel’) en kreeg de opdracht om bij dagaanbreken 18 september de door de Amerikanen bezette bruggenhoofden en Groesbeek aan te vallen.
Omstrengeling en versterkingen (18 september)
In de nacht van 17 en 18 september was het chaos rond de noordelijke oprit van de Rijnbrug bij Arnhem. De Duitsers hadden geen overzicht van de Britse posities, maar probeerden toch tegenacties te coördineren met inzet van Kampfgruppe ‘Brinkmann’ (10 SS verkenningsbataljon en achtergebleven delen van SS bataljon Euling). Om 04.00 uur ’s nachts meldde majoor Knaust zich bij de commandopost van Harzer. Hij was commandant van het Wehrmacht Panzergrenadier Training en Depot Bataljon ‘Bocholt, bestaande uit vier compagnieën. Belangrijker was dat hij tanks bij zich had, namelijk acht Panzer Mark III en IV, voorheen gebruikt voor rijlessen in Bielefeld en via Zedam naar Arnhem verplaatst. Knaust werd onder bevel van Kampfgruppe ‘Brinkmann’ geplaatst, waardoor SS bataljon ‘Euling’ compleet vrij gemaakt kon worden en richting Nijmegen kon verplaatsen via het veer bij Pannerden. In de ochtend van 18 september vielen de troepen van Brinkmann aan en zware huis-aan-huis gevechten met het 2e Parabataljon van Frost waren het gevolg. Een pantserraid aanval onder de tunnel van de brugoprit mislukte echter en eindigde in zware Duitse verliezen. De DivCP van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg werd van Didam naar Pannerden verplaatst.

Iets na 09.00 volgde echter een tweede pantserraid aanval. Dit maal vanaf het zuiden over de Rijnbrug heen. SS kapitein Gräbner (9e SS verkenningsbataljon) was op eigen beweging [27] vanuit Nijmegen terug naar het noorden gereden. Gräbner was een echte ‘verkenner’ en een man van actie en besloot d.m.v. een pantserraid de Britse parachutisten te overrompelen. Een dergelijke tactiek was in Rusland en Normandië vaak succesvol gebleken. De 22 pantservoertuigen van Gräbner denderden over de brug. De voorop rijdende gepantserde voertuigen (Puma’s) slaagden er in als schietend door te breken en de noordzijde te bereiken, maar de volgende met infanterie volgeladen halftracks, lukte dit niet. Ze werden op de noordelijke afrit van de brug vernietigd door Brits antitank- en mitrailleur vuur van het 2e Parabataljon van Frost. De paar overlevenden van de eenheid van Gräbner, die zelf ook werd gedood, sprongen van de brug af of vluchtten terug naar de zuidelijke oprit.

De bedoeling was dat al de eenheden van Division ‘von Tettau’ bij dagaanbreken op 18 september de landingsgebieden vanuit het westen zouden aanvallen, maar niet alle eenheden waren op tijd. Het Nederlandse SS wachtbataljon van Helle zou ten zuiden van de Ede-Arnhem weg aanvallen als noordelijke aanvalsmacht optreden. In het midden zou SS Kampfgruppe ‘Eberwein’ aanvallen langs de Ede-Arnhem spoorlijn. De zuidelijke aanvalsmacht werd gevormd door SS Kampfgruppe ‘Lippert’ die zou aanvallen in de as Renkum-Heelsum. De tussengelegen gebieden werden afgedekt marine eenheden en Luftwaffe eenheden. De aanval verliep voorspoedig. Er was weinig vijandweerstand, hoewel de onervaren eenheden meer verliezen leden dan de meer ervaren eenheden. Rond 15.00 uur werd de westrand van de geallieerden landingsgebieden bereikt en het Nederlandse SS wachtbataljon van Helle had zelfs het landingsterrein overgestoken en de oostrand van de Ginkelse heide bereikt. Kampfgruppe ‘Lippert’ had intussen de landingsterreinen ten zuiden gepasseerd en was op weg naar Oosterbeek. Maar op dat moment begon de tweede slag landingen.
De landingsterreinen werden verdedigd door eenheden van de Britse 1e Airlandings Brigade, die in gevecht waren met de eenheden van Division ‘von Tettau’. De tweede slag luchtlandingen, bestaande uit de 4e Parachute Brigade van Hackett deed de gevechten kantelen, hoewel de Britten bij de landingen zware verliezen leden, o.a. door vuuropening van de Nederlandse SS-ers van Helle die intussen al een landingsterrein hadden overlopen. Het Nederlandse SS-bataljon van Helle raakte hierbij echter haar interne samenhang kwijt en desintegreerde compleet, o.a. door falend leiderschap van Helle zelf. Hierdoor bestond de noordelijke van de drie aanvalsassen van de Division ‘von Tettau’ feitelijk niet meer. De zuidelijke as (Lippert) stond intussen ook onder druk door de nieuwe landingen. Haar aanval kwam ook tot stilstand om haar noordelijke flank nu moest worden afgedekt om de nieuwe dreiging te keren.

Generaal von Tettau, bracht intussen orde in de chaos en herstelde het evenwicht in de Duitse linies. Hij gaf SS bataljon ‘Eberwein’ opdracht op de aanval langs de spoorlijn Ede-Arnhem met kracht voor te zetten en zojuist gelandde Britse eenheden aan te vallen. Een nieuw gearriveerde Sicherheits Regiment ‘Knoche’ kreeg opdracht om de noordelijke aanvals-as van Helle over te nemen en de Britten uit de bossen ten oosten van de Ginkelse heide te verdrijven, waarbij de aanval vanuit het noorden moest worden ingezet om de open vlaktes te omtrekken.

Terwijl de bataljons van de 1e Airlandings Brigade de aanvallen van von Tettau afsloegen, zetten de zojuist gelande bataljons van de 4e Parabrigade zetten direct de opmars in richting Arnhem en probeerden door de linies van de 1e Parabrigade en ten noorden ervan door te breken naar de brug. Maar ook deze nieuwe eenheden liepen onmiddellijk vast in de steeds sterker wordende Sperrlinievan Kampfgruppe ‘Spindler’, die zich inmiddels uitstrekte van de Rijnoever tot en met de Ede-Arnhem weg. Van noord naar zuid bestond de linie uit Kampfgruppe ‘Krafft’, Kampfgruppe ‘Bruns’ (Wehrmacht), Kampfgruppe ‘von Allworden ’, Kampgruppe ‘Gropp’ en Kampfgruppe ‘Müller’. Als extra versterkingen waren inmiddels nieuwe eenheden van SS Panzergrenadierregiment 19 en 20 (behorende tot 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen) aangevoerd. De restanten van het 9e SS Aufklärungs Batallion van de gesneuvelde Gräbner bezette de zuidzijde van de Rijnoever en kon flankerend vuur uitbrengen op de noordzijde. Achter de Sperrlinie van Spindler was nog de nieuw gevormde Kampfgruppe ‘Harder’ aanwezig als reserve. De Duitsers beschikten over steeds meer zwaar geschut. Bovendien konden de aanvallende Britse parachutisten alleen maar snel progressie maken als ze de doorgaande wegen benutten en juist deze wegen lagen onder vuur van het zware Duitse geschut. De gevechtswaarde van het 1e en 3e Britse Parabataljon was inmiddels ernstig gereduceerd door de zware gevechten. De nacht van 18 op 19 september werd gebruikt voor de hoognodige onderlinge coördinatie tussen de Britse eenheden, gehinderd door gebrekkige verbindingen en onbekendheid met de lokale situatie.
Veldmaarschalk Model had ook niet stil gezeten en gezorgd dat meer en meer eenheden de vechtende troepen onder bevel werden gesteld van 2e SS Panzerkorps. Ondermeer arriveerden deze dag een politie bataljon uit Apeldoorn, een Nederlands Landstormbataljon bataljon uit Hoogeveen, een geniebataljon (met flammenwerpers) uit Glogau, de al eerder genoemde Kampfgruppe ‘Knaust’, een compagnie Tiger I tanks uit Paderborn [28], de SS Werferabteilung 102, 9 separate Alarmeinheiten van compagniesgrootte, twee Panzerjäger compagnieën van Herford en zes Luftwaffe compagnieën. Bittrich verdeelde ze over de Hohenstauffen en Frundsberg. Andere eenheden waren nog onderweg.
Nijmegen
SS kolonel Harmel (cdt 10e SS Panzerdivision Frundsberg en op 18 september teruggekeerd uit Berlijn) nam intussen krachtig de leiding op zich over de gevechten aan de noordzijde van Nijmegen. Omdat de noordelijke oprit van de Rijnbrug bij Arnhem in Britse handen was derouteerde hij al zijn toegewezen eenheden via het veer van Pannerden, waar intussen zijn geniebataljon een intensieve veerdienst was begonnen als aanvulling op de civiele pont, die bovendien te licht was voor tanks. Alle overgezette eenheden werden aanvankelijk onder bevel van SS kapitein Reinhold geplaatst, die verantwoordelijk werd voor de verdediging in Lent, ten noorden van de Waal. Het rond het middaguur arriverende SS bataljon ‘Euling’, werd de Waalbrug overgestuurd en kreeg opdracht aan de zuidzijde een bruggenhoofd te vormen en contact te maken met de in de stad vechtende troepen van Kampfgruppe ‘Henke’. De zich nu snel versterkende Duitse eenheden in Nijmegen, aangevuld met arriverende Sturmgeschutze en tanks van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg, slaagden erin op de aanvallen van Amerikaanse parachutisten in Nijmegen richting de Waalbrug te stoppen.

De aanval op de bruggenhoofden ten oosten van Nijmegen vorderde ook relatief goed en bedreigde de Amerikaanse landingsterreinen. Amerikaanse paracompagnieën uit Nijmegen moesten worden teruggehaald om de Duitse aanval te stoppen. Ook hier vond in de middag van 18 september de tweede slag landingen plaats. De combinatie van aanvallende Amerikaanse paracompagnieën en de tweede slag luchtlandingen was teveel voor de Duitsers die zich chaotisch terug trokken tot de rand van het Reichswald. In de loop van de middag arriveerden er echter betere Duitse gevechtseenheden in deze sector, namelijk gevechtsgroepen van de 3e en 5e Fallschirmjäger Division, behorende tot de door Model toegezegde eenheden van II Fallschirmjäger Korps van Meindl. Deze eenheden konden echter pas op 19 september worden ingezet.
De situatie in Nijmegen zelf werd rustiger en pas in de middag van 19e september zouden de gevechten in hevigheid toenemen, met een nieuwe arriverende eenheid. Dit maal echter een geallieerde, namelijk de gepantserde eenheden van het Britse XXXste Corps van Horrocks, die via de brug bij Grave contact had gemaakt met eenheden van het 82 (US) Airborne Division.
Duitse insluiting (19 sept)
19 sept zou de dag van de waarheid worden [29], zowel in Arnhem als in Nijmegen. In Arnhem zetten de Britse bataljons van 1e en 4e Parabrigade de aanval in om 04.00 ‘s ochtends ten einde het 2e Parabataljon van Frost bij de noordelijke oprit van de brug te ontzetten. Het zwaartepunt lag in het lage gedeelte bij de Rijnoever. Om 07.00 liep deze aanval ‘onderlangs’ echter vast, ondermeer door het flankerend vuur van de restanten van Gräbner verkenningsbataljon vanaf gevechtsposities op de zuidoever van de Rijn. Ook meer naar het noorden, was de aanval van de Britse para’s om 10.00 vastgelopen in verbeten Duitse tegenstand. De rest van dag van 19 september was het toneel van aanvallende Duitse en terugtrekkende Britse eenheden richting Oosterbeek.
Intussen was de Kampfgruppe ‘Spindler’ weer versterkt. Ditmaal met stukken Sturmgeschutz III van de Wehrmacht Sturmgeschutz Brigade 280, die verdeeld werden over de diverse Kampfgruppen. De Duitsers hadden intussen ook de Britse para’s in het noorden ingesloten en hier hun Sperrlinie vervolmaakt. Hier vocht het SS bataljon van Krafft (parallel aan de Koningsweg) en Kampfgruppe ‘von Allworden’ (langs de spoorlijn) en ook hier liepen Britse aanvallen vast in moorddadig vuur van SS-ers en zwaar geschut van pantserwagens en stukken Sturmgeschutz.
Het 2e Parabataljon van Frost kreeg het deze dag ook zwaar te verduren. Hun perimeter was geslonken door de zware aanvallen van de beide Kampfgruppen ‘Brinkmann’ en ‘Knaust’, gesteund door zware artillerie, een batterij Nebelwerfers (raketwerpers), 88-mm FLAK geschut en zelfs enkele zware Tiger II tanks die inmiddels waren ingedeeld bij Kampfgruppe ‘Knaust’. De Duitsers waren gestopt met huis zuiveren met SS-Panzergrenadiers en overgegaan tot het met zware wapens direct richting vernietigen van de Britse opstellingen. De aankomst van meer zware tanks maakte de situatie van de mannen van Frost steeds nijpender, vooral omdat alle anti-tank munitie (PIAT’s) inmiddels vrijwel verbruikt was.

In de namiddag van 19 september zetten de Duitse eenheden van Kampfgruppe ‘Spindler’ de aanval in op de Britse perimeter. Ook vanuit het Westen waren de aanvalsgroepen van Division ‘von Tettau’ [30] opnieuw aan hun opmars begonnen, waarbij SS bataljon ‘Eberwein’ Wolfheze veroverde en Kampfgruppe ‘Lippert’ de bossen ten westen van Heelsum zuiverde. Zelfs vanuit het noorden nam deDuitse druk toe me aanval van het Regiment ‘Knoche’ die de Ginkelse Heide en de bossen ten noorden van Wolfheze veroverde. En ook SS bataljon ‘Krafft’ had zijn verdedigingsposities verlaten en de aanval meer in zuidelijke richting ingezet.
Om 16.00 uur landde echter een Poolse ‘glider’ eenheid (van de 1e Poolse Brigade) op landingszone L tussen de Ede-Arnhem weg en de spoorlijn en raakte verzeild tussen de aanvallende elementen van SS bataljon ‘Krafft’, de terugtrekkende eenheden van de 4e Parabrigade van Hackett. De landing was een chaos, temeer omdat de Duitse Luftwaffe ingreep, en de Poolse eenheid desintegreerde. Overlevenden sloten zich aan bij de terugtocht van Hackett.
Verder arriveerde aan Duitse kant op 19 september een luchtverdedigingsbrigade van luitenant-kolonel Swoboda, bestaande uit 5 detachement met 88-mm luchtdoelgeschut, aangevuld met 20-mm en 37-mm luchtdoelgeschut en zelfs 105 mm artillerie. Deze met geïmproviseerd vervoer uit het Ruhrgebied aangevoerde eenheid, kreeg onmiddellijk de gehele luchtverdediging rond Arnhem onder bevel [31]. Enkele individuele stukken werden bij de diverse kampfgruppen ingedeeld voor inzet tegen gronddoelen. Verdere luchtversterkingen waren eerder al de Luftwaffe Reich Jagdflieger Division 1. Haar 300 gevechtsvliegtuigen (verspreid over vliegvelden in geheel West Duitsland) zorgden voor tijdelijk Duits luchtoverwicht, intervenieerden bij de landing van de Poolse ‘glider’ eenheid en beschoten de zich terugtrekkende eenheden van de 4e Parabrigade van Hackett. Net zoals eerder de gehele luchtverdediging onder éénhoofdige leiding was geplaatst, coördineerde de Duitse lucht liaison officier (FLIVO) van de 1e Jagdflieger Division de inzet van de Duitse Luftwaffe.
Het hoofdkwartier van de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen stond in rechtstreeks contact met de 1e Jagdflieger Division en kon de Geschwader-commandanten in de lucht naar hun doelen dirigeren. Op artilleriegebied gebeurde overigens hetzelfde, want Artillerie Regiment 191 was door Heeresgruppe B ter beschikking gesteld. Aangevuld met de Nebelwerfers van SS Werfergruppe ‘Nickmann’ samengesteld uit restanten van de SS Artillerie Regiment 102 (korpsartillerie van 2e SS Panzerkorps), werd nu alle Duitse artillerie onder bevel van ‘ARKO 191’ geplaatst.
Nijmegen
Ten zuidoosten van Nijmegen arriveerden vanuit Keulen, op deze dag diverse elementen van 3e en 5e Fallschirmjäger Division, die zich samen met 406e Infanterie Division gereed maakten voor een aanval op Groesbeek en Nijmegen. De aanval door vier Kampfgruppen ‘Becker’, ‘Von Fürstenberg’, ‘Gresick’ en ‘Hermann’ zou op 20 sept om 0630 beginnen.
In Nijmegen zelf waren er intussen weer zware gevechten uitgebroken, maar de meeste aanvallen van 82 (US) Airborne Division liepen vast op de Duitse verdediging van SS bataljon ‘Euling’. Ook de aankomst van tanks van de Guards Armoured Division (XXX Corps) via de brug bij Grave gaf nog geen doorslag. SS bataljon ‘Euling’ (versterkt met wat Pzkw III tanks en FLAK 88 mm geschut) verdedigde het bruggenhoofd, Kampfgruppe ‘Reinhold’ het oostelijke gedeelte noord van de rivier de Waal en Kampfgruppe ‘Henke’ het westelijk gedeelte noord van de Waal. Het Duitse bruggenhoofd ten zuiden van de Waal slonk deze dag echter in omvang tot 1 km breed en slechts 300 meter diep.
Veldmaarschalk Model verbood echter om terug te trekken en de Waalbrug (en spoorbrug) op te blazen omdat hij meende de brug voor latere Duitse offensieven nodig te hebben. Hij hoopte nog altijd op een snelle herovering van de Rijnbrug van Arnhem, zodat Duitse gevechtskracht vanuit Arnhem naar het front van Nijmegen gestuurd kon worden.
Insluiting in Oosterbeek en Waal-oversteek in Nijmegen (20 september)
Gedurende de nacht van 19 op 20 september werden de Britten alsmaar verder richting Oosterbeek teruggedrongen, agressief gevolgd door de eenheden van Division ‘von Tettau’, die zelfs hier en daar complete Britse eenheden insloot en tot overgave wist te dwingen. Vooral SS bataljon ‘Eberwein’ onderscheidde zich hierbij en wist in totaal 578 Britse krijgsgevangenen te maken. De successen van Division ‘von Tettau’ waren bewonderenswaardig. Hoewel soms bekritiseerd door zijn eigen (meer ervaren) ondergeschikten had generaal von Tettau uit diverse, totaal verschillende eenheden met variërende gevechtswaarde, toch een effectieve eenheid kunnen scheppen. En een Britse elite parabrigade zware schade toe kunnen brengen en op de vlucht kunnen jagen.

De snelle opmars van von Tettau, gecombineerd met de bedachtzamere maar effectieve aanvallen van Kampfgruppe ‘Spindler’ hadden wel als resultaat dat op 20 september de resterende en afgematte Britse para-eenheden opgesloten raakten in de Oosterbeek perimeter. Door de Duitsers ook wel ‘Hexenkessel’ genoemd. Sommige ingesloten Britse eenheden hadden zich zelfs door de Duitse linies moeten vechten om de perimeter te bereiken. Sommige parabataljons hadden nog maar 150-200 man en enkele compagnieën waren geslonken tot minder dan 40 man. De Duitsers leken de buit voor het grijpen te hebben. Het zwaartepunt van de Duitse aanval lag in het zuidoosten bij Kampfgruppe ‘Harder’. Het enige nadeel was dat de situatie in Nijmegen uit de hand was gelopen en dat geallieerde artillerie vanuit Nijmegen inmiddels het operatietoneel in Arnhem kon bevuren. In de voorafgaande nacht waren daarnaast wederom Duitse versterkingen aangekomen in Arnhem en naar het front gedirigeerd of opgedeeld over de bestaande kampfgruppen. O.a. was een Wehrmacht infanteriebataljon o.l.v majoor Bruhns gearriveerd, naast een als infanterie ingezette Marine Artillerie Afdeling en de MG-bataljons 37 en 41 (mitrailleur eenheden). Het over wat meer gevechtskracht beschikkende bataljon van Bruhns werd rechts van het SS bataljon van Krafft ingezet.
Intussen hadden de Duitsers ook bevel gegeven en maatregelen in werking gesteld om de stad te ontruimen. Iedereen diende te vertrekken, met uitzondering van de nutsdiensten en openbaar bestuur.
Het 2e Parabataljon van Frost zat nog altijd gevangen in hun steeds kleiner wordende perimeter bij de noordelijke oprit van de Rijnbrug in Arnhem. De mannen van Kampfgruppe ‘Brinkmann’ hielden de druk op de Britse perimeter hoog, zowel in de nachtelijke uren als tijdens daglicht. Meer en meer werd echter huis zuiveren door infanterie vervangen door uitroken met ‘Panzerfaust und Flammenwerfer’. Honger, maar vooral dorst speelde de Britse para’s parten. De huizen die aan de oostzijde van de oprit stonden en de huizen aan de westzijde die het dichtst op de oprit stonden waren inmiddels al in handen van de Duitsers die gelijk begonnen enkele van de wrakken op de oprit te verwijderen. De eerste Frundsberg-eenheden staken donderdagochtend 21 september zelfs al over richting Nijmegen.

In de avond van 20 september werd met Kampfgruppe ‘Brinkmann’ een wapenstilstand afgesloten om gewonden te kunnen evacueren. Duitse versterkingen (restanten van Panzergrenadier Regiment 21 van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg) werden in de nacht aangevoerd en onder bevel van SS majoor Brinkmann gesteld en de volgende ochtend zouden nog meer zware Tiger II tanks arriveren.
In de nacht van 20 op 21 september was het echter voorbij en gaven de 200 overlevenden van het 2e Parabataljon van Frost zich over. Sommigen probeerden nog individueel naar Oosterbeek te ontsnappen, maar slechts weinigen slaagden hierin. 150 door 2 Parabataljon gevangengenomen Duitsers werden weer in vrijheid gesteld en weer opgenomen in de diverse kampfgruppen.
Nijmegen
De Duitse aanval ten zuidoosten van Nijmegen kwam laat op gang en om 09.30 was de situatie onduidelijk. Na aanvankelijk succes, liepen de Duitse aanvallen op de meeste plaatsen vast in goed georganiseerde verdediging van de Amerikaanse para’s en aan het einde van de middag was de aanval mislukt. Succes was er wel in de meest zuidelijke aanval van Kampfgruppe ‘Hermann’. Deze aanvals-as had Riedhorst en Mook veroverd en stond op het punt de brug bij Heumen te vermeesteren, waarover op dat moment de voertuigen van de grondeenheid, Britse 30e Corps reden. Maar een Amerikaanse tegenaanval, versterkt met tanks van de Britse Guards Armoured Division, heroverde Mook en dreef de Duitsers terug naar Riedhorst. Wyler werd nog wel veroverd door de 406e Landesschützen Division, maar Mook en Groesbeek bleven vast in Amerikaanse handen. De Duitse aanval op Nijmegen vanuit het zuid oosten was definitief mislukt.
In Nijmegen zelf verliep de strijd ook ongunstig voor de Duitsers, want om 15.00 uur, ondersteund door vuur van 40 Sherman tanks en 100 stukken artillerie stak het 3e bataljon van het 504 (US) Parachute Infantry Regiment [32] plots ten westen van de spoorbrug in canvasboten de Waal over. Ze bestormen de Waaldijk en veroverden het hierachter liggende oude fort ‘Hof van Holland.’ De Duitsers waren volledig verrast en hadden in deze sector onvoldoende gevechtskracht om de Amerikanen tegen te houden. Snel werden kleinere gevechtsgroepen vanuit Lent en Valburg overgebracht om de Amerikaanse aanval richting de noordelijke oprit van de Waalbrug te stoppen, maar het was te laat. Temeer omdat op dat moment ook de eerste tanks van de Britse Guards Armoured Division de verdediging van SS bataljon ‘Euling’ [33] had doorbroken en de brug overstaken. De Duitse verdediging in het bruggenhoofd stortte ineen en de Duitsers probeerden wanhopig de noordelijke Waaloever te bereiken, maar de meesten lukte dit niet. Ook de spoorlijnbrug viel in Amerikaanse handen. De opdracht van Model om de brug intact te laten had nu zeer negatieve consequenties [34]. Harmel slaagde er wel in om een nieuwe verdedigingslinie in de lijn noord van Oosterhout-Ressen-Bemmel samen te stellen uit aanwezige en nieuw arriverende Duitse eenheden vanaf de veerdienst bij Pannerden.
Insluiting in Oosterbeek en opbouw nieuw front van noord van Nijmegen (21 september)
Na de overgave van het 2e Parabataljon van Frost was Kampfgruppe ‘Brinkmann’ op 21 september bezig met het opruimen van laatste geïsoleerde vijandweerstanden, afvoeren van de krijgsgevangenen en het weghalen van de wrakken van de gevechtsvoertuigen van het verkenningsbataljon van Gräbner. De brug was eindelijk vrij voor Duits gebruik en de gepantserde Kampfgruppe ‘Knaust’ stak rond het middaguur de brug over en werd onder bevel gesteld van de 10e SS Panzerdivision Frundsberg. Zijn kampfgruppe was intussen met meer tanks versterkt, waaronder enkele Tiger II tanks. Ook was hem een Schiffsstamabteilung (marine) toegewezen, maar die had weinig gevechtswaarde. Omdat de geallieerde tanks die de vorige dag Lent waren binnengetrokken niet verder waren opgerukt kon Kampfgruppe ‘Knaust’ ongehinderd Elst bezetten en de Duitse geïmproviseerde verdedigingslinie verdichten en versterken. De beveiliging van de Arnhem brug werd door een aangevoerd SS bataljon Landstorm Nederland overgenomen.

Rond Oosterbeek werd de ring steeds verder aangetrokken. De Duitsers hielden de druk hoog en gebruikten de tijd om hun eenheden te herordenen, te hergroeperen en versterkingen op te nemen in hun gelederen. Uit het westen van Nederland aangevoerde eenheden werden ingevoegd in Division ‘von Tettau’, waarbij minder ervaren eenheden wachtdiensten en zuiveringsacties kregen in het achtergebied en de meer ervaren eenheden in de frontlinie werden ingezet. De Division ‘von Tettau’ bestond inmiddels van zuid naar noord uit het ‘Wossowski’ bataljon [35] van de trainingsregiment Hermann Göring, SS bataljon ‘Schulz’, SS bataljon ‘Eberwein’, SS bataljon ‘Helle’ en de SS bataljon ‘Lippert’ (Unterführerschule). Het SS bataljon Krafft was intussen van SS Kampfgruppe ‘Spindler’ overgeheveld naar Division ‘von Tettau’ en als bataljonsreserve terug naar Wolfheze gestuurd.
Aan de oostzijde van de perimeter besloot SS luitenant kolonel Harzer (9e SS Panzerdivision Hohenstauffen) om zijn tactiek te wijzigen om sneller progressie te kunnen maken. Hij liet zijn Kampfgruppen kleine gevechtsgroepen (Sturmpionieren) samenstellen en liet deze aanvallen in kleine sectoren, zodat een smalle maar diepe penetratie kon worden bereikt. Sturmgeschutze, tanks en halftracks moesten deze kleine gevechtsgroepen ‘voorwaarts schieten’. De nieuwe tactiek slaagde erin behoorlijke voortgang te bereiken en drie diepe penetraties in de Britse oostelijke linie te maken, maar wel tegen aanzienlijke verliezen. Ook bleven er ingesloten Britse weerstandsnesten over achter de Duitse linies, die ook geëlimineerd moesten worden.
SS kolonel Harmel zette intussen geïmproviseerd een Duitse aanval op de oostflank van de geallieerde penetratie noord van Nijmegen. Samengesteld uit overstekende Duitse eenheden bij Pannerden en arriverende Duitse troepen over de Rijnbrug bij Arnhem viel hij in de late middag van 21 september aan. Zijn aanvallen slaagden echter niet en liep vast in geallieerd artillerie- en tankvuur. Tegelijktijdig bewogen de geallieerden langzaam voorwaarts en hevige gevechten om uit te breken ten noorden van Nijmegen waren het gevolg. Het zachte polderland verhinderde effectieve ontplooiing van de Britse tanks van 30e Corps en Duits antitankgeschut, versterkt met enkele Sturmgeschutz en Tiger II schakelden aanzienlijke aantal tanks uit. SS kolonel Harmel slaagde er dan ook in om de Duitse verdedigingslinie te sluiten en te stabiliseren, zeker toen ook het restant van Kampfgruppe ‘Brinkmann’ vanuit Arnhem hem kwam versterken. Maar om 17.00 uur werden de Duitse maatregelen verstoord door de zoveelste geallieerde luchtlanding in hun rug. Ditmaal van het restant van de 1e Poolse Parabrigade bij Driel.
Poolse landingen bij Driel en insluiting in Oosterbeek (22 september)
Intussen werd de aanval op de perimeter ten noorden van de rivier ingezet op 22 september rond 08.00 uur voorgezet. De aanval op de Westerbouwing door het ‘Wossowski’ bataljon ging gepaard met zware verliezen aan Duitse zijde, maar slaagde erin om de Britse verdedigers te verdrijven. Het verlies van deze dominerende hoogte zou de Britten nog duur komen te staan. De andere aanvallende eenheden van Division ‘von Tettau’ vorderen slechts langzaam. Het Nederlandse SS wachtbataljon ‘Helle’ leed opnieuw dusdanig zware verliezen ondermeer door slechte leiding van de officieren. Dit deed de SS kolonel Lippert besluiten de eenheid op te heffen en de overlevenden te integreren in SS bataljon ‘Eberwein. [36]

De aanval vanuit het oosten met vier eenheden door Kampfgruppe ‘Spindler’ begon om 09.00 uur en maakte wel goede vorderingen, zeker met de ondersteuning van de nieuw gearriveerde Tiger II tanks. De eenheid van Spindler vocht zelf noord van de Utrechtse weg, in het midden vielen de eenheden van Müller en von Allworden aan. Aan de Rijnoever maakte Kampfgruppe ‘Harder’ goede progressie. De nieuwe gevechtsgroep tactiek van Harzer was succesvol. ’s Nacht hield hij de (psychologische) druk hoog door onophoudelijk vuur van zware wapens.
De Poolse luchtlandingen bij Driel verliepen niet zonder problemen. Slechts twee ‘zwakke’ bataljons werden gedropt. Duitse luchtafweergeschut en jachtvliegtuigen schoten vervolgens veel vliegtuigen neer van de terugkerende transportvliegtuigen [37]. Ondanks de verrassing, reageerden de Duitsers opnieuw snel. Onder aanwijzingen van ARKO 191 begonnen de artillerie batterijen van Artillerie Regiment 191 en SS Werfergruppe ‘Nickmann’ salvo’s af te geven op de landingsgebieden. De op de zuidoever van de Rijn aanwezig zijnde restanten van het verkenningsbataljon van Gräbner en Kampfgruppe ‘Knaust’ in Elst openden met hun wapens massaal het vuur. SS luitenant-kolonel Harzer dirigeerde daarnaast extra reserve’s vanaf de noordzijde van de rivier over de Rijnbrug naar de zuidzijde om de nieuwe Poolse dreiging te weerstaan. Een nieuwe eenheid, Sperrverband Harzer werd gevormd om de Duitse activiteiten tegen de Polen te coördineren. Ze bestond uiteindelijk uit vijf eenheden, namelijk Marine Bataljon ‘Schörken’, Marine Kampfgruppe 642 ‘Köhnen’, Luftwaffe Bataljon ‘Kauer en Kustgeschut Bataljon 47. Ook de FLAK brigade Swoboda, MG bataljon 41 en Artillerie Regiment 191 leverde elk een ondersteunend detachement die onmiddellijk naar de zuid oever werden gestuurd. Ten zuiden van Sperrverband ‘Harzer’, sloten Kampfgruppe ‘Knaust’ en andere eenheden van 10e SS Panzerdivision Frundsberg aan. Heeresgruppe B bood daarnaast een extra regimentscommandpost aan (‘Gerhard’) om het bevel over Sperrverband Harzer over te nemen, zodat die zich weer op zijn divisietaken kon richten. In de nacht van 22 op 23 september werd ook Kampfgruppe ‘Brinkmann’ door het 2e SS Panzerkorps weer terug onder bevel van Sperrverband ‘Harzer’ gesteld en had opdracht gekregen om Driel aan te vallen.
De gelandde Polen konden weinig uitrichten omdat de veerpont onbruikbaar was gemaakt, maar slaagden er wel in de Duitse aanval op de Oosterbeek perimeter te verzwakken, waardoor de Britse para’s hier wat respijt kregen. De Polen vermeesterden Driel en probeerden een corridor te bevechten naar de rivier teneinde aansluiting te krijgen bij de Oosterbeek-perimeter. Het Duitse vuur vanuit de Westerbouwing (‘Wossowksi’ bataljon) verhinderde dit echter. De Poolse acties gingen ook gepaard met verhevigde aanvallen van Britse en Amerikaanse eenheden om vanuit Lent uit te breken richting noorden en westen. De aanval van Kampfgruppe ‘Brinkmann’ liep bijvoorbeeld vast door een flankaanval vanuit Valburg door eenheden van de 43e Wessex Division. [38] Deze infanterie-eenheid had de spits van de Guards Armoured Division overgenomen en was beter geschikt om het in het polderlandschap tussen Nijmegen en Arnhem op te treden. De geallieerde toegenomen dreiging in dit gebied deed de Duitse leiding besluiten om nog een extra troef uit te spelen en het uit 45 fabrieksnieuwe zware Tiger II tanks bestaande Schwere Panzer Abteilung 506 aan te voeren. Volgens planning zouden deze zware tanks op 24 september arriveren.

De Britse perimeter in Oosterbeek was inmiddels tot 2 km2 geslonken. Voor de 23 september verordonneerde het Duitse opperbevel de eliminatie van de Hexenkessel. Veldmaarschalk Model reorganiseerde daarnaast de Duitse bevelsstructuur. Het 15e Leger van Von Zangen kreeg het gebied van de kust tot Rhenen, terwijl het 1e Fallschirmjäger Armee het gedeelte van Rhenen tot Roermond kreeg toegewezen.
Eindstrijd (23 september)
Het goede weer van 23 september deed de geallieerde luchtmacht in grotere aantallen verschijnen boven het strijdtoneel. Ook de Luftwaffe was actief waardoor er vele luchtgevechten en close air support voor grondtroepen rond Arnhem en Nijmegen plaatsvonden. De taaie weerstand van de Britse para’s liet de aanvallen van Kampfgruppe ‘Spindler’ en Division ‘von Tettau’ tot stilstand komen. De Duitsers legden het zwaartepunt langs de Rijnoever om de Britse perimeter weg te drukken van de rivier en aansluiting met de Polen ten zuiden van de rivier te voorkomen. De Duitse aanval van uit westen slaagde erin om de plaats van het pontveer Driel-Heveadorp te veroveren, die onder vuur lag vanuit de Westerbouwing. Kleinere elementen van de Poolse brigade waren intussen al de rivier geïmproviseerd overgestoken en opgenomen in de perimeter rond Oosterbeek. De sterk geslonken Britse perimeter lag wel constant onder zwaar en onophoudelijk Duits artillerievuur. De perimeter was zo klein geworden dat afgeworpen bevoorradingscontainers voor het merendeel in Duitse handen vielen.
De 129e Brigade van de 43e Wessex Division had intussen de Duitse linies bij Lent in het westen doorbroken en de buitenwijken van Elst binnengetrokken en met de 130e Brigade via Valburg de Polen bij Driel bereikt. Hun opmars was deels te danken aan effectief ingrijpen van squadrons Typhoons en Thunderbolts vanuit de lucht. In de nacht van naar 24 september staken zelfs twee infanterie compagnieën van de 43e Wessex Division de Rijn bij Heveadorp over en probeerden een klein bruggenhoofd te vormen in de rug van de Duitse voorste linies. Duitse meldingen hierover bereikten de commandopost van 2e SS Panzerkorps en onmiddellijk werd er met het 1e bataljon van Sicherungs Regiment 26 vanuit Renkum een succesvolle tegenaanval ingezet. Doordat veel groepjes op de verkeerde plaats overstaken, namelijk in door Duitsers bezet gebied Westerbouwing en net west daarvan, maakten de Duitsers 140 Britse gevangenen. Slechts 75 van de 400 overgestoken soldaten van de 43e Wessex Division bereikte weer heelhuids de zuidoever. Deze mislukking deed de Britten besluiten geen verdere oversteekpogingen te wagen en de perimeter bij Oosterbeek te ontruimen.
24 september
De Tiger II tanks van Schwere Abteilung 506 arriveerden in de ochtend van 24 september. Ze werden uitgeladen in Zevenaar en Elten en twee tankcompagnieën (30 tanks) werden aan de 10e SS Panzerdivision Frundsberg van Harmel gegeven die ze naar Elst stuurde Eén tankcompagnie (15 tanks) werd naar Oosterbeek gestuurd en aan 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen van Harzer gegeven, die hem vervolgens aan Kampfgruppe ‘Spindler’ gaf.

Teleurgesteld doordat de Britten rond Oosterbeek nog altijd volhielden en verontrust door aanzienlijke Duitse verliezen gaf Bittrich voor 25 september opnieuw het bevel om de aanval op de perimeter bij dagaanbreken met kracht voort te zetten en de Britten te elimineren. Hiertoe werd alle beschikbare artillerie op de perimeter gericht, waardoor meer dan 110 artilleriestukken de uitgeputte Britse para’s rond Oosterbeek beschoten. Hoewel de Britse para’s verbeten vochten, waren na acht dagen vechten velen de uitputting nabij en het aantal krijgsgevangenen van de Duitsers nam snel toe. Harzer reorganiseerde opnieuw aan de oostrand van de perimeter zijn eenheden en liet alleen de meest ervaren eenheden op de 25e september aanvallen, versterkt met de gearriveerde zware Tiger II tanks van de Schwere Abteilung 506. De 88-mm kanonnen van de Tiger II tanks begonnen onmiddellijk aan hun vernietigend werk en schoten opstelling van Britse paratroepen aan gruzelementen. Waarna SS-troepen met mitrailleurs en vlammenwerpers de puinhopen uitrookten, beschikbaar gesteld door de in de nacht van 21 op 22 september gearriveerde Pionier Lehr Batallion 9 uit Glogau.
De eenheden van Harzer waren van noord naar zuid aan de oostzijde van de perimeter de Kampfgruppen ‘Bruhns’, en ‘ Spindler’. Deze laatste bestond uit de drie subgroepen ‘Müller’, ‘Spindler’, ‘von Allworden’ en ‘Harder’. Aan de westzijde van de perimeter vanaf de rivier naar het noorden waren de eenheden van Division ‘von Tettau’ gearrangeerd, met van zuid naar noord de bataljons van ‘Wossowski’, ‘Schulz’, ‘Eberwein’ [39] en ‘Krafft’ [40], waarna aansluiting was met de eenheden van Harzer. Alle andere eenheden werden verder naar achteren geplaatst en als reserve gereed gehouden ten westen bij Elden of ten oosten bij Velp. Vanuit de noordoever van de Rijn nam de Duitse artillerie ook Poolse opstellingen ten zuiden van de rivier onder vuur.

Een zeer succesvolle aanval van de Kampfgruppen ‘von Allworden’ en ‘Harder’ veroverde bijna het zuidelijk gedeelte van de perimeter en overliep een gedeelte van de Britse airborne artillerie. Het einde was duidelijk nabij. Een vier uur durende wapenstilstand werd gesloten om gewonden te kunnen evacueren, iets waar veldmaarschalk Model achteraf niet blij mee was. In de nacht van 25 op 26 september evacueerden de Britten om 22.00 uur de geslonken perimeter [41], gesteund en gemaskeerd door artillerievuur van het 30e Britse Corps en een Britse misleidingsaanval van de 43e Wessex Division richting Heteren, west van Driel. De Britse oversteek werd pas tegen de ochtend ontdekt door de Duitsers bij Westerbouwing [42], maar deze waren niet in staat tot effectieve tegenmaatregelen maar beschoten de oversteekplaats wel met mitrailleurvuur en mortiervuur, waardoor behoorlijke verliezen aan Britse en Poolse zijde werd geleden. Grotere Duitse aanvallen bleven uit en de oversteek was een succes. 300 gewonde Britse militairen waren achtergebleven, 2.398 waren gered (1.741 van de 1e Britse Airborne Division, 422 Britse zweefvliegtuig piloten, 160 man van de 1e Poolsführere Parachutisten Brigade en 75 man van de 43e Wessex Division) van een totaal van 9.000 man die ten noorden van de Rijn aan geallieerde zijde waren ingezet.

De aanval van de Duitse eenheden in de ochtend van 26e september stuitte vanzelfsprekend niet meer op grote weerstand en rond 12.00 uur zwegen alle wapens ten noorden van de rivier de Rijn. Operatie Market Garden was over. De Duitse soldaten waren eveneens totaal uitgeput en sliepen dagenlang. Alle Wehrmacht eenheden die in Arnhem meegevochten hadden, kregen 10 dagen speciaal verlof van Hitler. Maar niet de Waffen SS eenheden. Die kregen hun verlof, volgens Himmler, pas na de eindoverwinning.
Duitse tegenaanvallen tussen Nijmegen en Arnhem liepen op niets uit, ondermeer omdat men er niet in slaagde de brug bij Nijmegen te vernietigen door luchtaanvallen en duikers, zodat de geallieerden continue versterkingen konden aanvoeren. Ook geallieerde pogingen om de Kampfgruppe ‘Knaust’ uit Elst te drukken mislukten. [43] Maar de Duitsers trokken later op de dag wel terug naar Elden, minder dan twee kilometer van de Rijnbrug. Het front stabiliseerde hier. De Duitsers troffen verder nog meer maatregelen door het aantrekken van 363e Volksgrenadier Division (aanvankelijk om druk vanuit de Betuwe van het westen te zetten en later om de noordelijke Rijnoever te bezetten) en de 9e en 116e Panzer Division om een tegenaanval vanuit het oosten in de Betuwe op te kunnen zetten. Deze vond plaats op 1 oktober (en werd herhaald op 2 en 3 oktober), maar kwam nooit goed van de grond door ondermeer het zachte en open polderlandschap en ingrijpen van de geallieerde luchtmacht. Ondersteunde aanvallen van eenheden van het 2e Fallschirmjägerkorps zuidoost vanNijmegen slaagden evenmin. Na het succesvol bombarderen van de zwaar-omstreden Rijnbrug bij Arnhem op 7 oktober door de Royal Air Force, ontruimden de Duitsers het gebied. Temeer omdat op 8 oktober de Amerikaanse aanval op Aken was begonnen. De 9e SS Hohenstauffen Panzerdivision was intussen op 31 september al naar Siegen/Altenkirchen in Duitsland vertrokken om hun al lang eerder geplande ‘opfrissing’ te kunnen ontvangen.
Enkele deducties
De geallieerden hadden op 17 september totale verrassing [44] door het droppen van 6 Britse en 18 Amerikaanse bataljons parachutisten en ondersteunende wapens achter de Duitse linies. Maar de Duitse reactie was bliksemsnel en aan het einde van de eerste dag waren al 10/11 Duitse gevechtsbataljons verzameld (nog vaak bestaand uit losse ‘Alarmeinheiten’) nabij Arnhem en twee in Nijmegen. Binnen 24 uur was dit aantal gestegen tot 13/14 bataljons bij Arnhem en 13 in Nijmegen.
De Duitse improvisatie betrof niet alleen bevelsverhoudingen, maar ook het transport van deze eenheden was vaak een allegaartje van transport middelen. Van vrachtwagens, treinen, bustrollies, fietsen tot paard en wagen en te voet.

Opvallend was daarnaast dat de geallieerde luchtmacht de verplaatsing van de Alarmeinheiten ongemoeid liet. Omdat de geallieerden hun vliegtuigen inzetten om de airlifts te escorteren konden de Duitsers hun eenheden op de eerste dagen ongehinderd door geallieerden luchtaanvallen naar de inzetgebieden verplaatsen. Overigens speelde slecht weer op 19, 21 en 23 september ook een beperkte factor voor geallieerde luchtinzet, maar op 17 en 18 september was het wel goed vliegweer. Het niet met vliegtuigen verstoren van de aanvoer van Duitse versterkingen, waardoor de tijd-ruimte factoren in Duits voordeel bleven, moet als fout worden bestempeld.

De Duitsers zetten verder hun (relatief sterke) verkenningseenheden, de bataljons van Gräbner en Brinkmann, effectief in, zowel in Arnhem als in Nijmegen. Met name Bittrich speelde hier een belangrijke rol in . De waarde van de gevechtsverkenningen van Gräbner in de middag van 17 september in Arnhem worden in de literatuur onderschat. Maar hierdoor was de leiding van de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen wel in staat om een goed gevechtsoverzicht op te bouwen en arriveerden Alarmeinheiten goed te instrueren en gecoördineerd in te zetten. Deze bracht dus snel samenhang in de Duitse reactie en gaf operationeel voordeel.
Doordat de Duitse snel eenheden konden concentreren van ‘buiten naar binnen’ konden schieten konden ze snel concentratie van effecten laten plaatsvinden. Dit was niet mogelijk aan Britse zijde. De twee meest genoemde fouten aan Britse zijde was het feit dat ze niet dichter bij de Rijnbrug waren geland (bijvoorbeeld in de polders ten zuiden van de brug) en niet de gehele divisie in één slag aan de grond hadden gezet. [45] Toch is maar de vraag of dit tot een andere uitkomst had geleid. De landingen hadden dan immers dichter bij het met luchtafweer versterkte Duitse vliegveld Deelen plaatsgevonden en de Duitsers konden immers nog steeds snel hun Alarmeinheiten concentreren op Arnhem. Bovendien konden ze nog steeds eenheden naar Nijmegen overbrengen via het veer bij Pannerden. Anderzijds had een Amerikaanse landing niet ten oosten, maar ten noorden en zuiden van Nijmegen mogelijk wel enkele dagen versnelling kunnen brengen omdat hiermee in een coup-du-main zowel de Waalbrug als de bruggen bij Grave en Heumen veroverd hadden kunnen worden. Hierdoor had de opmars van 30e Korps naar Arnhem versneld kunnen worden.
De geallieerden misten daarnaast een belangrijke operationele kans. Onmiddellijk na het oversteken van de Waalbrug bij Nijmegen in de voornacht van 20 september lag immers de weg naar Arnhem open. In de loop van de nacht ging deze kans voorbij doordat SS kolonel Harmel erin slaagde een nieuwe provisorische verdedigingslinie op te bouwen van vijf bataljons en 25 tanks en pantserwagens. Een improvisatievermogen van formaat.
Doordat de Britse en Amerikaanse luchtlandingen relatief ver verwijderd plaatsvonden van de hoofdbruggen en doordat veel eenheden de landingsterreinen verdedigden om de tweede lift te kunnen ontvangen, waren de diverse verspreidde Duitse Alarmeinheiten in staat essentiële verkeersinfrastructuur te bezetten en Sperrlinies in te richten. De vertragende gevechtsacties van het SS bataljon ‘Krafft’ waren lastig voor de Britten, maar doorslaggevend was het effectieve optreden van de Kampfgruppe ‘Spindler’ die immers met een geïmproviseerde en ad-hoc samengestelde krijgsmacht, de link-up tussen het 2e Parabataljon van Frost en de volgende 1e en 3e Parabataljon verhinderde. De leidinggevende capaciteiten van Spindler waren fenomenaal en hij ontving voor zijn optreden bij Arnhem op 27 september ook het Ridderkruis. Hij kwam overigens in december om het leven bij de Slag in de Ardennen.
De blokkade van de Rijnbrug door Frost was niet onbelangrijk en is van invloed op de strijd in Nijmegen geweest. Hij voorkwam hierdoor dat de Duitsers snel meer reserves naar Nijmegen konden sturen om daar de geallieerden terug te drukken. De Duitse veeroperatie bij Pannerden door het 10e SS Geniebataljon (SS kapitein Brandt) en 10e SS FLAK Abteilung was essentieel. Met gereduceerde krachten (ook hij had een Alarmeinheit moeten afstaan), met geïmproviseerde middelen en onder constante dreiging van geallieerde jachtbommenwerpers was het de Duitsers gelukt om gevechtseenheden van enige omvang over te zetten [46]. De meeste van de gevechtseenheden waren echter in op 20 september het zuidelijk bruggenhoofd van Nijmegen ingezet of waren zich verspreid (in verband met dreiging luchtaanval) aan het gereedmaken voor latere acties. De weg naar Elst lag als het ware ‘open’ voor tanks van de Britse Guards Armoured Division die de Waalbrug bij Nijmegen overstaken in de avond van 20 september.

Maar ook aan Duitse zijde werden fouten gemaakt. De in potentie meest krachtige eenheid was het verkenningsbataljon van Gräbner, maar zijn optreden faalde uiteindelijk om twee redenen. Ten eerste liet hij geen zware veiligheidsbezetting achter bij de Rijnbrug en ten twee overschatte hij de effectiviteit van zijn geplande panzerraid. Daarnaast verdienden de aanval op de oostrand van Nijmegen vanuit het Reichswald [47] en de mislukte verdediging van de Waalbrug ook geen schoonheidsprijs.
De kwetsbaarheid van luchtlandingstroepen is ook vaak bediscussieerd. De geallieerden kozen deze keer voor een daglanding omdat de nachtlandingen in Normandië chaotische toestanden en ineffectieve luchtlandingseenheden hadden opgeleverd. Dit leverde weliswaar beter gecoördineerde eenheden op, maar vooral de latere landingen hadden zwaar te leiden van Duits afweergeschut en grondvuur. De kwetsbaarheden van lichte infanterie voor zware wapens (artillerie, tankgeschut en tanks) zijn ook duidelijk, zowel in bebost als in verstedelijkt terrein. De tactieken van Harzer, waarbij hij kleine penetrerende gevechtsgroepen versterkt met (wat verder naar achteren geplaatst) zwaar geschut en tanks in de hoofdstraten, lieten zien dat pantservoertuigen (mits juist gehanteerd) een belangrijke rol kunnen spelen in straatgevechten. Niet alleen vanwege psychologisch oogpunt, maar vooral ook om met overweldigende vuurkracht gevechtsposities van de tegenstander aan puin te schieten.[48] Lessen die de geallieerden toepasten in maart 1945 bij OP VARSITY de luchtlanding over de Rijn.
Verder lezen:
Airborne Museum – De slag om Arnhem, Pitkin Publishing, 2018
Robert Kershaw – It never snows in September, Crécy Publishing Limited, 2019
Antony Beevor – The Battle of Arnhem, Penguin Books, 2018
Wilhelm Tieke – In Feuersturm letzter Kriegsjahre, II SS Panzerkorps met 9. und 10. SS-Division
‘Hohenstauffen’ und ‘Frundsberg’, Munin Verlag, 1975
Herbert Fürbringer – 9. SS-Panzer-Division Hohenstauffen, Editions Heimdall, 1984
Bob Gerritsen – Fighting the British at Arnhem: SS-Unterführerschule Arnheim – Its Origins and
Operations against the 1st British Airborne Division September 1944, R. Sigmond Publishing 2018
___________________________________________________________________________________________
Voetnoten:
1 Commandant was kolonel Fullriede. De eenheid was gelegerd in de Kromhoutkazerne in Utrecht!
2 Helle was Duitser, maar 75% van de soldaten waren Nederlanders
3 SS Lkol Harzer was eigenlijk chef staf van de divisie, maar omdat de divisiecommandant SS-Brigadegeneraal Stadler vanwege verwondingen opgelopen in Normandië in het ziekenhuis lag, voerde Harzer het commando over de 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen. Harzer zou later voor zijn optreden bij Arnhem het Ridderkruis ontvangen.
4 Harmel was 4 jaar eerder in 1940 ook al in Nederland en had als compagniescommandant bij SS Regiment Der Führer’ op de Grebbeberg gevochten.
5 9e SS Panzerdivision Hohenstauffen west van de IJssel, DivCP in Velp en 10e SS Panzerdivision Frundsberg oost van de IJssel, DivCP in Ruurlo.
6 DivCP van 9 SS zat in Beekbergen bij Apeldoorn, maar verplaatste 17 september naar Huize Beekbergen in Velp. Die locatie werd kort daarna overgenomen door Bittrich. Harzer verhuisde op zijn beurt naar Villa Hezelbergh noord van Arnhem, waar daarvoor de Feldkommandantur van General Kussin was gehuisvest
7 Pathfinders: 12.40, Gliders: 1300-1400 daarna para’s.
8 Bunker Diogenes aan de Koningsweg
9 Bevestigd door de dood van Stadscommandant generaal Kussin, die rond 15.00 uur juist de commandopost van Krafft had bezocht
10 Hier zijn overigens de meningen over verdeeld. Weber zou pas veel later elders zijn ingezet. Meest waarschijnlijk is dat secties van Gräbner over de Amsterdamse (straat) weg met 1st Bn Para in gevecht zijn geraakt. Immers 1 ParaBn heeft 100 gevechtsverliezen! Die komen niet van 90 Luftwaffe soldaten met een K98, maar wel van 20mm en 37mm kanonnen op SdKfz verkenningsvoertuigen.
11 De bevelen waren kort en krachtig:
– An den Führer der 9. SS-Panzerdivision: Division klärt auf über Arnheim nach Westen mit Schwerpunkt gegen Nymwegen. Die Brücken über den Waal bei Nymwegen sind zu besetzen und offenzuhalten.
– An 10e SS-Panzerdivision: Division, sofort antretend, erreicht, über Arnheim vorgehend, Nymwegen. Sie besetzt die Eisenbahn- und Straβenbrücke über den Waal, gewinnt und hält Brückenkopf südlich der Stadt. Alle im Raum Nymwegen angetroffen Kräfte werden unterstellt. In een later schriftelijk bevel stellt Bittrich dit bei en stuurt de 9e Div naar Arnhem en de 10e naar Nijmegen. De 10e kreeg hierbij opdracht de Rijnbrug bij Arnhem bezet te houden. Hierover ontstond later nog veel controverse aan Duitse zijde.
12 Bittrick had zijn CP verbonden met het Luftwaffe telefoonnet, waardoor hij snel op de hoogte was van de naderende grote luchtarmada.
13 Het verkenningsbataljon van Gräbner beschikte nog over relatief veel pantservoertuigen omdat ze hun pantserwagens niet, zoals bevolen, aan de 10e SS Panzerdivision Frundsberg hadden afgestaan. Ze hadden ze simpelweg ontdaan van tracks en niet inzetbaar gemeld. Na alarmering werden de tracks snel om de loopwielen geplaatst en was de eenheid weer mobiel en gepantserd. Een deel van de pantserwagens was overigens al op het rangeerterrein 2km oost van Arnhem.
14 Het parool was: “Jeder schlägt sich nach Arnheim zur Front durch – Front is da, wo es schieβt!
15 Ook voor Möller was Arnhem geen onbekend terrein. Ook hij was er in 1940 doorheen getrokken richting Grebbeberg en had destijds bij Renkum nog een brug moeten repareren.
16 Dit vergemakkelijkte Duitse tegenmaatregelen, omdat de bevelen niet langer via de commandopost van het 1e FallschirmjägerArmee doorgegeven moesten worden om de vechtende troepen te bereiken. Zowel de aanvoer van reserve-eenheden als de logistieke verzorging werd dus rechtstreeks door de Heeresgruppe gecoördineerd.
17 Deze Sturmbrigade kwam nota bene van oefenterrein Oxbull uit Denemarken!
18 Daarnaast speelde op de achtergrond SS generaal Hans Rauter (Höherer SS- und Polizeiführer „Nordwest“) een stimulerende rol door diverse NLD en Duitse SS eenheden vrij te maken van bewakingsdiensten en op geïmproviseerde wijze naar Arnhem te dirigeren.
19 Intussen heeft Harzer zijn CP verplaatst naar het oude hoofdkwartier van de gesneuvelde stadscommandant van Arnhem generaal Kussin en neemt Bittrich met zijn korpshoofdkwartier de oude locatie over Harzer in Velp.
20 In dit plan waren er dus maar 3 bataljons van de 12 ter beschikking om het divisie aanvalsdoel te bereiken westrand van Arnhem oprukkende Duitse alarmeenheden. De spoorbrug over de Rijn werd tijdig op geblazen door een aanwezig Duits Sprengkommando. 2e Parabataljon (versterkt met elementen van 3 Parabataljon) vocht zich een weg naar de hoofdbrug van Arnhem en slaagde erin de noordelijke oprit en de directe omgeving te bezetten.21
21 A coy bereikt 2000 uur de brug. B Coy blijft bij pontinbrug en C Coy raakt in gevecht met Luftwaffe eenheden en later waarschijnlijk KG Moller. Pas middernacht komen er Panzergrenadiere van 10 SS die de troepen van Frost afgrendelen
22 Wel bleven 10 van zijn 39 SdKfz pantservoertuigen in Arnhem/ Oosterbeek achter.
23 Na inzet van de Sturmbrigade 280 op 19 sept bovenlangs (museum) en onderlangs werden de Stugs verdeeld over KG Spindler en KG Allworden.
24 De andere compagnieën van Wachbatallion 3 wisten op 18 sep de Ginkelse Heide te veroveren op de KOSB. Temidden van dit gevecht landde de 4th Para Bde in een hot landingzone. Daarna werd Wachbatallion 3 uiteengeslagen. Later zijn ze gereorganiseerd en ingezet tegen de noordkant van de Oosterbeekse perimeter.
25 Laatste inzichten zijn dat Gräbner opdracht kreeg van de operatie officier van 10 SS Panzerdivision
26 Toen later meer eenheden ten oosten van Nijmegen arriveerden, werd hier de geïmproviseerde Korpsstaf ‘Feldt’ boven geplaatst.
27 Nieuwste inzichten zeggen dat de operatieofficier van 10 SS Panzerdivision hier opdracht voor gegeven had.
28 Slechts 2 van de 14 Tigers II bereikten daadwerkelijk Arnhem
29 19 sep is turning point in slag om Arnhem. 20 sep is significant voor Operatie MARKET omdat Arnhemse brug op zelfde tijdstip in handen van Duitsers valt als de Nijmeegse brug in handen van Amerikanen.
30 Divisie ‘von Tettau’ was inmiddels door Model onder bevel van 2e SS Panzerkorps geplaatst
31 Duits luchtafweergeschut werd onder de onderkende re-supply aanvliegroutes van de RAF geplaatst. Deze weken niet van de routes af, waardoor er veel vliegtuigen verloren zijn gegaan.
32 O.l.v. van majoor Julian Cook
33 De restanten van het ingesloten bataljon van Euling vochten zich een weg uit de omsluiting en exfiltreerden (samen met een paar Fallschirmjäger o.l.v. majoor Alhorn) via Halderden naar de noordoever van de Rijn. SS Kapitein Euling zou voor zijn inzet en leiderschap later het Ridderkruis ontvangen.
34 Er ontstond aan Duitse zijde nog fikse controverse over de schuldvraag waarom de brug niet opgeblazen was. Hoewel sommige Duitse officieren (waaronder Harmel) technische falen van de ontstekingsketen claimden of als reden opgaven dat SS bataljon ‘Euling’ nog terug moest trekken via de brug, gaf Model later toe dat de schuld volledig bij hemzelf lag. Hij had de brug nodig gehad voor aanvoer van versterkingen, maar had eerder bevoegdheden tot stellen van de brug aan Harmel of Reinhold moeten delegeren. Hij had ook gehoopt de brug nog te kunnen heroveren met een Duitse aanval vanuit het oosten van Nijmegen door de nieuw aangevoerde eenheden van II Fallschirmjägerkorps.
35 Overigens 600 man sterk!
36 In februari 1945 vormden zowel de Nederlandse soldaten van WachBatallion 3 als de Landstorm de 34ste Freiwillige SS PzGrenDiv Landstorm. Werd in mei 1945 ontwapend in Elst en geïnterneerd in de Harskamp. Zowel Krafft als Lippert waren de Regimentscommandant geworden binnen deze divisie!
37 43 van de in totaal 114 vliegtuigen werden neergeschoten.
38 Hierbij maakten de verkenners van Brinkmann een Britse verbindingswagen buit. Hierdoor waren de Duitsers in de komende dagen in staat het Britse radioverkeer af te luisteren waardoor geanticipeerd kon worden op Britse acties.
39 De beiden kampfgruppen ‘Schulz’ en ‘Eberwein’ hadden hun oorsprong in SS Unterführerschule Arnheim van SS kolonel Lippert. Deze eenheid werd voor haar prestaties genoemd in het Ehrenblatt des deutschen Heeres en Lippert zou later het ‘Ehrenblattspange’ ontvangen.
40 Krafft was in begin dus onder bevel van Tettau, maar had zich bij bevriende SS aangesloten! Dus bij Spindler en Harzer.
41 De evacuatie had de operatie ‘Berlijn’ gekregen.
42 De Duitsers rekenden eigenlijk op aanvoer van nieuwe Britse of Poolse versterkingen naar de perimeter.
43 Het optreden van Knaust was indrukwekkend, zowel in Arnhem als bij Elst. Hij kreeg hiertoe later persoonlijk van veldmaarschalk Model het Ridderkruis uitgereikt.
44 Strategische verassing die tactisch verloren is gegaan.
45 Er waren zo’n 500 transportvliegtuigen en gliders ter beschikking per divisie. Grotere transport capaciteit voor 1 UK Airborne Division had ten koste gegaan van één van de twee US Airborne Division.
46 Vreemd is dat 2 ATAF de veerponten niet ontdekte.
47 De “klungelige aanval” had overigens wel het resultaat dat het Amerikaanse para bataljon dat de Waalbrug op 400m was genaderd moest terugkeren naar de landingsterreinen om deze vrij te vechten.