luitenant-kolonel P.H. Hoevenaars en kolonel J.A. van Dalen
Enkele militairen van het regiment Huzaren van Boreel hebben deelgenomen aan de strijd in Korea. Hieronder was voormalig regimentscommandant P.H. Hoevenaars. Op 20-jarige leeftijd was Piet Hoevenaars[1] eind 1947 in dienst getreden en na zijn officiersopleiding naar Indië vertrokken, om daar leiding te geven aan een verkenningspeloton. Hij was hier trots op en naar eigen zeggen de laatste cavalerie-officier die nog te paard, niet met de sabel, maar met de klewang op de vijand was afgestormd. In 1952 ging hij vrijwillig naar het NDVN in Korea. Ook hier was hij pelotonscommandant en heeft o.a. bij de slag om voorpost Nudae diverse Chinese aanvallen afgeslagen. Piet Hoevenaars is hiermee één van de weinige Nederlandse cavaleristen die fysiek tegen de Chinezen heeft gevochten. Hij heeft later op verzoek van de Vereniging Oud Korea strijders, een verslag geschreven over het verloop van de gevechten om de bataljonsoutpost op Nudaehill. Hij wilde hiermee belangrijke gevechtservaring vastleggen voor het nageslacht en recht doen aan één van de drie opschriften die zijn aangebracht op de vlag van het Nederlandse Detachement VN (NDVN), welke luidt: ‘Nudae 1953.’ Dit artikel is gebaseerd op zijn verslag.
Korea oorlog en NDVN
Eerst wat achtergronden.[2] De directe oorzaak van het Korea conflict lag in de na de Tweede Wereldoorlog doorgevoerde deling van het in 1910 door het Japanse Keizerrijk geannexeerde Korea. Het noordelijke deel werd door de Sovjet-Unie bezet en het zuidelijke deel door de Verenigde Staten.
Als scheidslijn werd de 38e breedtegraad genomen. De opdeling zou tijdelijk zijn, maar beide delen ontwikkelden een eigen identiteit die unificatie belemmerde. Na diverse grensconflicten begon de oorlog op 25 juni 1950 met een invasie van Noord-Korea op het zuiden.
Onder paraplu van de Verenigde Naties kwam de Verenigde Staten (met in haar kielzog diverse andere ‘westerse’ landen) tussenbeide en steunde Zuid-Korea. Hierop intervenieerde China ten gunste van Noord Korea.

De oorlog eindigde op 27 juli 1953 met een wapenstilstand, zonder een echte winnaar. De nieuwe scheidslijn kwam wederom rond de 38ebreedtegraad te liggen. Er is nog altijd geen formeel vredesverdrag gesloten en Noord- en Zuid-Korea bevinden zich nog altijd formeel in oorlogstoestand. Sinds 1953 is er soms sprake van ‘dooi’ in de onderlinge verhoudingen, die helaas daarna vaak gevolgd worden door ‘verslechtering’ van de relaties.
Na aanvankelijke aarzeling besloot de Nederlandse regering in juli deel te nemen aan de oorlog, waarna op 3 juli 1950 Hr.Ms. Evertsen als eerste van in totaal zes schepen naar Korea werd gestuurd. Na zware druk van de Amerikaanse regering werden Nederlandse vrijwilligers geworven en gestuurd. Er melden zich 1670 vrijwilligers en in oktober werd het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN) opgericht.
Een eerste groep met bataljonssterkte (636 man) onder bevel van luitenant-kolonel M.P.A. den Ouden vertrok op 26 oktober 1950 naar Korea en werd onder bevel van het 38eRegiment van de 2e Indian Head Infanterie Divisie (8e leger) geplaatst. Binnen het 38e Regiment vormde het NDVN het 4e bataljon.
Het laatste Nederlandse detachement werd in juli 1954 naar Korea gezonden. Eind 1954 waren alle Nederlanders weer terug op vaderlandse bodem. In Korea sneuvelden 122 Nederlanders en 3 raakten er vermist. De zwaarste gevechten waar Nederlanders bij betrokken waren, waren die te Hoengseong (1951), Wonju (1951) en Nudae (19153). Van de 4748 Nederlandse militairen die in Korea dienden, ontvingen er drie de Militaire Willemsorde van wie twee postuum (commandant lkol Den Ouden, soldaat J.F. Ketting Oliver) en één nog bij leven (kapitein J. Anemaet). Vijf maal werd de Bronzen Leeuw toegekend en 21 keer het Bronze Kruis en vier keer het Kruis van Verdienste. Naast Nederlandse medailles werden ook Amerikaanse en Koreaanse medailles toegekend.

Nudae hill
In de nacht van 27 op 28 januari werd het ‘Nederlandse’ 4e bataljon (NDVN) naar de frontlijn gestuurd. Het was in de periode na de jaarwisseling in reserve gehouden en werd nu weer in de ‘main line of resistance (MLR) geplaatst. Het bataljonsvak was een lijn van steunpunten lopende in noord-zuid richting op heuveltoppen van ongeveer 120 meter hoog. Hierin waren loopgraven en wapenopstellingen gegraven die bezet waren door een tirailleurpeloton of tirailleurcompagnie. De bataljonscommandopost en de zware wapens van de ondersteuningscompagnie waren in de dalen 2 à 3 kilometer verder naar achter gepositioneerd. Voor de hoofdverdedigingslijn ligt een vallei met verlaten, nat, soms zelfs moerassige kleine rijstvelden en landbouwgrond. Nog verder naar voren, ongeveer 1 tot 2 km, voor de verdedigingslijn, ligt de vrijwel parallel lopende Sami-Chon rivier. Deze is afhankelijk van de neerslag in de afgelopen 24 uur, doorwaadbaar. Het waterniveau in deze rivier kan snel en heftig stijgen. De Chinese stellingen bevonden zich op soortgelijke heuveltoppen ongeveer 0,5 tot 1 km aan de andere kant van de rivier. Er was één vooruitgeschoven post in het bataljonvak. Deze ‘outpost’ van pelotonsgrootte lag op een heuvel van 80 meter hoog op 1,5 km voor de verdedigingslinie, halverwege de rivier. De codenaam van deze ‘outpost’ was Nudae, afgeleid van de naam van het (ruïne) gehucht aan de voet de heuvel. De ‘outpost’ Nudae werd achtereenvolgens bezet door een peloton van de A-compagnie (pc = tlnt Rombouts) en daarna een peloton van de B-compagnie (pc = tlnt Hoevenaars).
Tot half maart waren er van beide zijden op deze plaats geen omvangrijke acties, maar wel enige stevige schermutselingen. Ter beheersing van het niemandsland tussen de linies en ter beveiliging of waarschuwing tegen vijandelijke verkenningen van onze stellingen of de ligging van mijnenvelden, werden vanuit de compagnieën bij duisternis vrijwel elke nacht verkenningspatrouilles gelopen. Ook werden luisterposten betrokken of hinderlagen ingericht. Overdag kwam er regelmatig en onregelmatig vijandelijk storend artillerie- of mortiervuur binnen op onze stellingen. Volgens normale procedure zou het bataljon begin maart weer rouleren met een ander bataljon van het regiment en (weer) voor korte periode in reserve gaan. Dat ging om bepaalde redenen niet door en het Nederlandse bataljon bleef tot nader order in de frontlijn en behield zijn opdracht.
De spanning neemt toe
De vijandelijke activiteiten in het voorterrein begonnen merkbaar toe te nemen. Met name het gebied voor Nudae kreeg meer en meer interesse. In de nacht van 16 maart werd één van onze luisterposten overrompeld en ondanks weerstand sneuvelde de viermansbezetting. Twee man ter plaatse en twee zwaargewonden overleden later in het hospitaal, waar ze door een te hulp gesnelde patrouille naar toe waren gebracht. In de nacht van 16 maart maakte een patrouille van een dertigtal Chinks (=Chinezen) ook contact met de bezetting van de luisterposten Rita en Bernhard (=noord van Nudae) waarna hevige vuurgevechten volgden. Met gevoelige verliezen week de vijand terug. De zuiveringspatrouille vond daarna sleepsporen. De Chinezen hadden namelijk de (goede) gewoonte om hun doden en gewonden mee terug te slepen. Daarvoor had men zelfs speciale touwen bij zich. Het vaststellen van de exacte verliezen aan vijandzijde was daardoor lastig.
De avond van 17 maart onderhield de vijand een langdurige artillerie beschieting op en vóór Nudae. Om 0200 uur kreeg de outpost Rita[3] (4 man) beneden voor Nudae en de ‘outguard’[4] patrouille vóór de mijnenvelden (10 man) vuurcontact met een grote groep Chinezen van ongeveer 100 man. Hierbij sneuvelden vier man waaronder de partrouillecommandant, kapitein Kamevaar. Dezelfde vijand of een andere vijand eenheid viel aan in de richting van Nudae. Deze aanval liep vast in de versperringen, de mijnvelden en eigen artillerievuur en de weerstand van het inmiddels ter versterking aangekomen bataljon reservepeloton. De vijand deed twee uur later nog een poging, maar ook deze aanval werd door hevig artillerievuur afgewezen.

In stelling
De bataljonscommandant achtte het nodig om de bezetting van Nudae af te lossen en ik kreeg de opdracht tot overname van de ‘outpost’ met mijn peloton. Mijn peloton bezette de stellingen op 19 maart. Mijn peloton was ondanks aanvulling met zeven Koreaanse militairen een paar man onder de sterkte. Door niet voldoende aanmeldingen van vrijwilligers in Nederland, waren alle pelotons gevoelig onder de sterkte geraakt, terwijl hun opdrachten op volle organieke sterkte waren gebaseerd. Ter compensatie kreeg het bataljon militairen vanuit het Koreaanse leger aangeboden. Deze werden verdeeld over de pelotons. De integratie verliep van weerszijde redelijk. Hun inzet en prestaties waren na enige tijd zeer redelijk.
De loopgraven en de wapenopstellingen op de ter verdediging ingericht heuveltop (een half voetbalveld groot) hadden zware schade opgelopen door vijandelijk artillerievuur. Dat gold ook voor de voorgelegen prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. Graaf- en stellingbouw was frustrerend. Overdag zeer beperkt door waarneming door de vijand die onmiddellijk vuur uitbracht. Bij duisternis zeer beperkt om het luisteren van de eigen wachtposten niet te hinderen of Chinezen te waarschuwen.
Aangezien onbekend was hoelang het bataljon nog in de frontlijn zou blijven moest rekening worden gehouden met een lang verblijf in de ‘outpost’. Het peloton had vanuit zijn vorige opstelling ook al vele patrouilles gelopen en hinderlagen betrokken. Dit laatste betekende platliggen en scherp blijven in het voorterrein van 18.00 uur tot 06.00 uur bij -10 á -20 graden, daarna bakken regen en modder. Teneinde moreel en alertheid op hoog peil te houden, waren er enige aanpassingen nodig. Warm eten werd door de CTC-ers (=Koreaanse defensiearbeiders) vanaf het compagniessteunpunt door een lange verbindingsloopgraaf (800 meter) die overdag onder zicht van de vijand lag, naar voren gebracht. Deze waren al enige malen beschoten en hadden verliezen geleden. Dat voor onze warme prak de ‘obers’ weren afgeschoten, vonden we toch wat teveel luxe. Ik besloot over te gaan op de c-rations (=gevechtsrantsoenen in blik). Deze moesten om de twee dagen afgeworpen worden door een jeep, die bij invallen duisternis over een pad de achterhelling benaderde en voordat de vijand kon reageren, weer verdween.
Een paar dagen na overname, viel weer eens rond lunchtijd een intussen door de vijand keurig ingeschoten mortier concentratie midden op onze stelling. Een paar man zaten op het niet door de vijand waarneembare plekje. Eén van de, overigens meer stabiele kerels, ging door het lint en rende schreeuwend de heuvel af richting de mijnenvelden. Door hem tijdig tegen de grond te werken en met twee man op hem te gaan liggen, werd erger voorkomen. Na een indringend gesprek en een nacht rust was hij verder weer inzetbaar. Het stemde wel tot nadenken.
Elke nacht was het gehele peloton in actie. 1/3 op wacht en achter de automatische wapens, 1/3 op patrouille of ‘outguard’ onder aan de heuvel, 1/3 werkte aan stellingherstel of onmiddellijk standby. Overdag kwam het peloton niet tot rust vanwege onregelmatig inkomend vijandelijke artillerievuur. Bovendien was de oppervlakte waar buiten zicht van de vijand buiten de loopgraaf verbleven kon worden, maar een huiskamervloer groot. Ik besloot om met mijn pelotonssergeant en één infanteriegroep op de heuvel te blijven (overdag hadden we het gehele voorterrein onder waarneming en tijd genoeg voor alarmering) en wisselend per dag twee groepen bij dag aanbreken naar achter te zenden om achter het compagniesteunpunt te slapen of te rusten. Bij invallen duisternis keerden ze dan weer terug naar de ‘outpost’ op de heuvel.
Volgens Amerikaanse inlichtingen waren de vorige vijandelijke aanvallen slechts proefaanvallen. Een grotere aanval werd daarom verwacht. Onze patrouillegang en outpost-bezetting was daarom zeer intensief en extra munitie werd opgevoerd. Behoudens onregelmatig inkomend storend artillerie- of mortiervuur (wat enige gewonden kostte), waren er enige dagen geen grote vijandelijke troepenbewegingen of zware vuurcontacten.


De Chinese aanval
Omstreeks 22.00 uur breekt een hevig bombardement los van vijandelijk artillerie- en mortiervuur. Een regen van inslagen op onze pelotonsstellingen op de top en op de voorhelling. Op onze stelling zijn er meer dan 100 inslagen binnen 5 minuten. Onafgebroken ging het door, het leek wel alsof de heuvel explodeerde. De automatische wapens werden in dekking genomen om vernietiging te voorkomen en gereed gehouden om stelling te komen en vuur gereed te zijn bij afname van het artillerievuur of verlegging van de inslagen. Ik vraag om alle eigen stukken artillerie en mortieren die vuurconcentraties voor en op Nudae hebben voorbereid, zich gereed te houden voor vuren. Het is duidelijk dat dit een inleiding is voor een grotere gevechtsactie. Maar waar? Er zijn geen artillerie of mortierwaarnemers op Nudae en vanaf de achtergelegen compagniessteunpunten kan men zeker bij duisternis mijn opstelling, de voorhelling en het voorterrein niet waarnemen. Ik zal dus alle vuursteun zelf moeten aanvragen en leiden.
De hinderlaagpatrouille bij de versperringdoorgang (outguard) was versterkt tot 20 man. Deze nam tientallen Chinezen waar die gekanaliseerd de versperring naderden en nam die vervolgens onder vuur, gesteund door eigen artillerievuur. Helaas blijken alle lijnverbindingen vernietigd te zijn. De eerste gesneuvelde en gewonden worden mij gemeld. Ik lig boven op mijn bunkertje en kan de stellinten overzien, behalve het bovenste deel van de voorhelling voor de eigen opstellingen. Door het schietlawaai is het schreeuwcontact met de groepscommandanten en de commandanten van de .30 automatische wapens nog als problematisch. Springend en kruipend komen ze naar me toe met meldingen. Ik maak snel een rondje langs de posten en wapenopstellingen voor kort moreel contact en een eigen blik op het theater op onze voorhelling. Ik kom tot de adembenemende ontdekking dat mijn enige verbinding bestaat uit mijn draagbare ANVRC radio toestelletje. Sinds kort hebben we kleinere en lichtere radio’s, maar met de kinderziekte dat het snoer van de handtelemicrofoon het vaak begeeft. Het bezorgde me angstzweet te weten dat ik geen reserve handset meer had. Mijn hele greep op het gevecht, met name de vuurleiding, en de afloop hing hiervan af. Ik moest me steeds concentreren dat ik de handset onbeweeglijk vast moest houden, hetgeen bij inslagen rondom een lastig karwei is, temeer daar het radiotoestel weggeblazen dreigde te worden. Derhalve handen tekort, want tegelijk moet je met je zaklantaarn op de kaart met concentraties en coördinaten kijken, want ‘achter’ verwachten ze keurige vuuraanvragen en correcties.
Bij het licht van de inslagen en de lichtgranaten die ik heb aangevraagd, worden een paar honderd Chinezen waargenomen die door de beschadigde versperringen en mijnenvelden de voorhelling naderen. Ik laat het ‘licht’ onderhouden en laat uit alle automatische wapens vuren zodra de vijand binnen schootsafstand is. Tegelijk laat ik artillerievuur afgeven en dat bij herhaling. Als me gemeld wordt dat er nog een zelfde Chinees gezelschap aankomt, terwijl de voorste ondanks zichtbare verliezen door mijnen en ladingen artillerievuur gestaag doorgaan en de voorhelling van onze heuvel bereiken, dient zich een ijskoud moment aan, waarop je de eenzame beslissing moet nemen: wat beveel ik als ze de rand van de loopgraven naderen en binnendringen? Ontruimen en terugvallen op de MLR is geen optie.
Vechten in een handgemeen man tegen man met een vijand die fors in de meerderheid is? Artillerievuur met nabijheidsbuizen aanvragen op de eigen stelling, met niet te voorziene afloop? Ik vraag nog eenmaal vuur aan van alles wat schieten kan en trek de mortierafsluitvuren op tot 50 meter voor onze stellingen. Met onvermijdelijke kortvallers binnen onze eigen stelling. Alle beschikbare handgranaten gereed. Een batterij artillerie gereed voor vuur óp de eigen opstelling.
Het is een hels inferno van inslagen voor ons. Al onze hand- en automatische wapens schieten. Alles werkt. We zijn op ons best, het teamgevoel is op een kookpunt. Onuitgesproken kameraadschap. Ademloos waarnemen en wachten op meldingen. Eerst aarzelend, dan wordt bijna juichend geschreeuwd: “Ze stoppen, ze gaan terug, ze sjouwen mensen mee!” No words. De aanvallers dropen af naar beneden, zover we konden zien in het voorterrein. De situatie bleef even onduidelijk. Door artillerie concentraties af te geven, kon ik ze opjagen.
Dan komt na enige tijd een tweede golf van ongeveer tweehonderd ‘Chinks’ en zet weer op dezelfde wijze de aanval in. Wederom kwam vijandelijke artillerievuur op onze stellingen. Ik vroeg dezelfde vuurconcentraties van alle beschikbare vuurmonden en voordurende ‘lichtflare voorziening’. Dezelfde hel speelde zich af. Het peloton zette zich met ongebroken moreel en even effectief in. Dit was nodig, want het zelfde succes als een uur vroeger was niet verzekerd. Zo begon de munitievoorraad bedenkelijk te slinken, zonder de mogelijkheid tot aanvulling. Vooral de BAR’s (lichte mitrailleurs) en de .30 Browning mitrailleurs hadden al bergen munitie verschoten. Een ander punt van zorg was de gewondenverzorging. Het peloton had maar één verpleger. Hij kon zijn taak aan. Geen zwaargewonde is overleden. Maar niemand kon te hulp komen of gewonden afvoeren.
De tweede vijandelijke aanval kon door het overweldigende vernietigende eigen artillerievuur wederom worden afgeslagen voor hij de stellingen bereikte. Door de goed ingeschoten concentraties verder in het voorterrein, kon de vijand op zijn terugtocht constant worden bestookt. Hier konden zelfs tanks en vierling .50’s van de bataljonssteunpunten aan deelnemen. Ook meerdere veronderstelde oversteekplaatsen over de Sami-Chon rivier lagen voortdurend onder vuur, teneinde de mogelijkheid tot vernietiging uit te buiten of vijandelijke versterking te voorkomen. Later in de nacht vond de zuiveringspatrouille tientallen sleepsporen en enkele achtergelaten doden. Outpost Nudae bleef vast in eigen handen.

Daarna
De volgende dag werd mij vanuit de bataljonscommandopost mee gedeeld dat er op en rond Nudae ruim 1400 vijandelijke granaten waren gevallen bij de eerste aanval en dat op het moment van mijn dringendste vuuraanvraag, ‘het grootste vuur van de NDVN periode’ had plaatsgevonden. Op dat moment hadden zelfs enige stukken uit het nevenvak (wij sloten over de divisie vakgrens aan op een andere Amerikaanse divisie) ongeregistreerd en niet ingeschoten hadden meegevuurd. Totaal meer dan 100 stukken artillerie en mortieren. Dat verklaarde mij de kortvallers op de eigen stelling. Wij verloren die nacht op ‘outpost’ Nudae twee gesneuvelden, namelijk één Nederlander (oud KNIL-er) en mijn Koreaanse oppasser Hyon Sang Wook, genaamd ‘de Slome’. Dit was een opgewekte, toegewijde goede soldaat. Verder hadden we twee zwaar gewonden, waaronder één Koreaan en negen lichte gewonden.
Na een paar ‘gewone’ dagen, waarop toch gemiddeld 100 granaten per dag op en rond Nudae vielen, kwam het bericht dat het bataljon op 7 april zou worden afgelost en uit de Main Line of Resistance (MLR) worden genomen. Een Engels bataljon zou onze stellingen overnemen. Op 5 april kwam zoals gebruikelijk, een advance party bestaande uit compagnies- en pelotonscommandanten de over te nemen stellingen verkennen en de nachtelijke wisseling van eenheden coördineren. Ook op Nudae vond zo’n procedure plaats. Ik gaf een uitvoerig exposé aan de aflossende pelotonscommandant en besprak het tijdstip van stellingovername en tevens tijdstip van begeleiding van hun eerste bataljons ‘outgard’ naar het versperringsdoorlaatpunt voor Nudae. Dit laatste was een bataljonszaak. Deze gids/begeleider zou de laatste Nederlandse officier zijn, die het bataljonsvak zou verlaten. Aangezien ik het beste bekend was in dit gebied, werd dit mijn opdracht.
Aflossing
Ik lig op het afgesproken punt met mijn ordonnans/oppasser bij invallen duisternis te wachten op de Engelse patrouille om hen naar voren te brengen tot de beruchte doorgang en hen in positie te brengen. Toen na een half uur wachten niemand verscheen, vreesde ik dat de patrouille mogelijk was verdwaald. Ik zond mijn ordonnans/oppasser naar achteren om contact te zoeken. Aangezien de tijd drong en de vraag was wie eerst ter plekken zou zijn, wij of de Chinezen, was ik genoodzaakt om naar voren te gaan om daar, weliswaar met gemengde gevoelens, een éénmanspost te betrekken. Aangezien ik over enkele dagen naar Nederland zou terugkeren, lag ik toch alleen mijn laatste frontnacht onder de Koreaanse sterrenhemel te vieren. Na enige tijd kwam mij oppasser aankruipen en zei: “het zooitje ligt achter me, allemaal rotsmoezen, gewoon te laat.” De overgave verliep snel en ik heb getracht mijn misgenoegen te onderdrukken. Met opgewerkt gemoed ruimden wij bieden het veld om ons bij ochtendgloren bij het bataljon te voegen.
Met verbazing en teleurstelling hoorden wij een paar dagen later dat de Engelsen Nudae hadden ontruimd en de stellingen die wij zo hardnekkig en met verliezen hadden verdedigd, met artillerie- en tankvuur hadden opgeblazen. De gevechten om Nudae hadden in de Amerikaanse pers ruime aandacht gekregen, met termen als: “The Dutch have blocked the enemy advanceroute to Seoul”.
Het NDVN had zijn uitstekende naam bevestigd. In Nederland wordt hier echter geen aandacht aan geschonken. Slechts in een krant wordt op pagina 3 zonder verder commentaar de regeringsadvertentie met rouwrandje opgenomen: “Gevallen in Korea.. De regering maakt bekend, dat tot haar leedwezen in Korea gesneuveld zijn: soldaat x, legernr y, etc. Wij, in aantal snel afnemende Korea wapenbroeders, kennen hen, ook na een halve eeuw als was het gisteren.

die niet terugkwamen
.
[1] Na terugkeer in Nederland heeft Piet Hoevenaars diverse functies binnen de cavalerie vervuld, o.a. bij 102 Verkenningsbataljon, 41 Tankbataljon, commandant 43 ZVE, commandant opleidingsrichting voor reserveofficieren (SROC) en commandant 11 Tankbataljon. Piet heeft niet alleen in oorlogen gediend, maar ook in een vredesmissie. In 1984 is hij uitgezonden geweest naar de Multinational Force & Observers (MFO) in de Sinaï, waar hij een jaar waarnemer en contigentscommandant is geweest. Ook was Piet Hoevenaars bijna zeven jaar lang commandant Regiment Huzaren van Boreel, van 11 september 1978 tot 28 juni 1985. Hij droeg zijn regiment in het hart en was gemakkelijk te benaderen voor de leden van zijn regiment. Hij stond met veel bezieling voor, achter en tussen zijn regiment, zoals hij dat eerder ook bij zijn eenheden deed.
[2] nl.m.wikipedia.org
[3] Outpost Rita was ingericht om een patrouille-doorlaatgat in de mijnenvelden en prikkeldraadversperring te bewaken.
[4] Outguard is een taak (voor een kleine eenheid) om een beveiligingspost in te nemen in de directe nabijheid van de eigen pelotons outpost.






