Door: Kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Op 9 augustus 1976 voerde de Selous Scouts uit voormalig Rhodesië met groot succes een lange afstand raid uit op een opstandelingenkamp bij Nyadzonya in naburig Mozambique. Deze actie staat bekend als Operation Eland. Ik begin dit artikel met een korte introductie van de context van het conflict om Rhodesië om vervolgens een toelichting te geven over de verkenningseenheid Selous Scout en hun speciale manier van optreden. Ik ga daar na in op enkele opmerkelijke acties en geef daarna een gedetailleerde omschrijving van de bovengenoemde raid. Ik eindig met wat waarnemingen en conclusies.
Oorlog om Rhodesië
Rhodesië is een voormalige Britse kolonie en aan het einde van de 19e eeuw gekoloniseerd door boeren die vanuit Zuid Afrika naar het noorden trokken, met name op instigatie van Cecil Rhodes (Brits imperialistisch diamant-ondernemer en politicus in Zuidelijk Afrika) naar wie het gebied ook werd genoemd. De kolonie wist zich te onttrekken de dominantieoorlogen die de Boeren- en Britten in Transvaal en Oranje Vrij Staat uitvochten[1]. Het kreeg pas in 1923 een volwaardig Brits koloniebestuur en bestond toen uit de samengevoegde gebieden Noord-Rhodesië, het huidige Zambia, en Zuid-Rhodesië, het huidige Zimbabwe. De inheemse stammen kregen vanzelfsprekend geen stem in dit bestuur en werd onderdrukt en uitgebuit. De blanke minderheid in Rhodesië wist een welvarende staat op te bouwen, gebaseerd op mijnbouw en grote boerderijen met extensieve veeteelt[2]. In 1953 werden Noord- en Zuid-Rhodesië en Nyasaland, het huidige Malawi, tot één federatie samengevoegd. Deze Centraal-Afrikaanse Federatie werd in 1963 weer opgeheven.
Als gevolg van de dekolonisatiegolf van de jaren 50 en 60 werden in 1964 Zambia en Malawi onafhankelijk en dat was ook het Britse voornemen voor Zuid-Rhodesië. Maar op 11 november 1965[3] riep de blanke regering onder leiding van Ian Smith in de hoofdstad Salibury de onafhankelijkheid van het vroegere Zuid-Rhodesië uit onder de naam Rhodesië. Deze onafhankelijkheidsverklaring verzekerde een continuatie van het blanke minderheidsbewind en probeerde een machtsovername door de inheemse bevolking te voorkomen.[4] De internationale gemeenschap erkende de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring niet en stelde een politiek, economische en militaire embargo in. Alleen Portugal (het moederland van het aangrenzende Mozambique) en het apartheidsbewind in Zuid Afrika steunden openlijk het blanke minderheidsbewind in Rhodesië.
Vrijwel onmiddellijk ontstonden er gevechten tussen de nu zelfstandig zijnde Rhodesische veiligheidstroepen en twee rebellengroeperingen. Dit waren de ZANLA en de ZPRA. De ZANLA (Zimbabwaanse Afrikaanse Nationale Bevrijdings Leger) was de militaire vleugel van de Zimbabwaanse Afrikaanse Nationale Unie (ZANU) o.l.v. Robert Mugabe. De ZPRA (Zimbabwaanse Revolutionaire Volksleger) was de gewapende macht van van de Zimbabwaanse Afrikaanse Volksunie (ZAPU) o.l.v. Joshua Nkomo). De ZANU was maoïstisch georiënteerd, terwijl de ideologie van de ZAPU het communisme als uitgangspunt had. Een andere belangrijke differentiatie tussen de ZAPU en ZANU was hun etniciteit. ZANU bestond voornamelijk uit Shona en ZAPU rekruteerde onder de Matabele-stammen.
Rhodesische veiligheidstroepen
De Rhodesische veiligheidstroepen steunden het blanke minderheidsregime en waren zeer effectief. Van een aantal van 3.400 in 1964 groeiden ze uit tot 11.000 beroeps en 40.000 reservisten aan het einde van de jaren zeventig. De elite-eenheden zoals de Rhodesische SAS en de Rhodesische Lichte infanterie waren volledig blank, terwijl aan het einde van de burgeroorlog grote delen van het gewone leger zwart was. Er waren ook een paar volledig zwarte eenheden, zoals de Rhodesian African Rifles. In de Rhodesische gelederen dienden ook buitenlandse vrijwilligers uit Groot-Brittannië, Ierland, Zuid-Afrika, Portugal, Hongkong, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten. Daarnaast konden de Rhodesische veiligheidstroepen op rekenen op ‘verborgen’ politionele steun vanuit Zuid Afrika. Ondanks de sancties en het wapenembargo was het Rhodesische leger relatief goed uitgerust en met technisch vernuft werden zelf ook gepantserde voertuigen in elkaar gesleuteld. Rhodesië bezat ook een kleine luchtmacht, waaronder een belangrijke helikoptervloot.
De Rhodesische veiligheidstroepen voerden een actief counter-insurgency politiek[5]. De steden werden beveiligd door politie en burgerwachten, terwijl het leger actief was in de meest opstandige rurale gebieden. De tactiek bestond uit permanente beveiligingsposities op de infiltratieroutes aan de grens, met om de 8 km een kamp voor 30 man. Daar tussen waren mobiele interventieteams actief die de kampen ook konden ondersteunen. Rebellen werden achtervolgd tot in de buurlanden. In Zambia zonder toestemming, maar in Mozambique zelfs met toestemming van Portugal. Aan het begin van de burgeroorlog behielden daarom de Rhodesische veiligheidstroepen de overhand en leden ZANLA en ZIPRA aanzienlijke verliezen.
ZANLA en ZIPRA
De ZANLA was het leger van Robert Mugaba en bestond dus uit Shona sprekende rebellen. De ZANLA kreeg financiële militaire steun vanuit China en had banden met FRELIMO, de onafhankelijkheids-beweging in Mozambique. De ZANLA telde uiteindelijk rond de 25.000 rebellen. De ZANLA was vrij actief in noord- en oost Rhodesië, maar haar belangrijkste trainingskampen bleven veilig in Mozambique.
Het ZIPRA was het leger van Joshua Nkomo en bestond uit de Matabele stam[6]. ZIPRA had haar bases in Zambia en werd getraind door 1.400 Sovjet-, 700 Oost-Duitse en 500 Cubaanse instructeurs. De ZIPRA was minder actief dan de ZANLA. Haar strategie was om te wachten tot de ZANLA het Rhodesische leger zou verslaan om dan zelf het veel lichter bewapende ZANLA te verdrijven. Het ZIPRA had dan ook enkele vliegtuigen en voertuigen tot haar beschikking. De aanwezigheid van het ZIPRA zorgde wel voor instabiliteit in Zambia.
Selous Scouts

De Selous Scouts waren min of meer een ‘spoorzoekerseenheid’ en waren in feite een mengeling van geharde ‘bushraiders (verkenners), inlichtingenpersoneel en overgelopen rebellen[9]. De eenheid bestond speciaal geselecteerde vrijwilligers, afkomstig uit blanke eenheden van de Rhodesische veiligheidstroepen, maar ook vrijwilligers uit de zwarte Rhodesian African Rifles. Sommige officieren waren van inheems afkomst en zelfs de regimental sergeant major was een Matabele. Alle vrijwilligers moesten een fysiek en mentaal zwaar opleidingsproces doorstaan. Het gedurende lange tijd kunnen overleven in de woeste savanne was een belangrijk recruteringsgrond om toegelaten te kunnen worden tot de Selous Scouts. Dit uithoudingsvermogen werd ‘bushcraft’ genoemd.
De speciale selectie training van de vrijwilligers duurde 17 dagen en was vooral gericht op het aanleveren van ‘bushcraft’ en testen van het fysiek en mentaal uithoudingsvermogen. De cursus ging dag en nacht door en voedsel was bewust schaars. Aan het einde stond er een uitputtingsmars van 100 km op het programma met een 30 kg zware rugzak met stenen om uiteindelijk te eindigen met een speedmars van 2 ½ uur. Daarna was er een week verlof gevolgd door de ‘donkere fase’ van de training, waarin geleerd werd om te leven als de ZIPRA en ZANLA tegenstanders.

De Selous Scouts opereerden diep in rebellen gebied met een combinatie van ‘spoorzoeken’, hinderlagen op rebellen infiltratieroutes en ‘hit-and-run’ acties op rebellenkampen in Rhodesië zelf of cross border Mozambique en Zambia. Deze manier van optreden leek erg op die van de Portugese Flechas[10]. De tactieken waren divers, controversieel en zelfs strijdig met landoorlogsrecht te noemen. Naast spoorzoeken, verkenningen en raids, werden ook bomaanslagen, ontvoeringen, moordaanslagen, sabotage, intimidatie, vergiftigingen en afpersingen toegepast. De Selous Scouts waren ondermeer onderdeel van de mislukte moordaanslag door Rhodesische Special Forces (SAS) op Joshua Nkomo in Zambia in 1978.
Door hun speciale manier van optreden en gebruik making van inheemse capaciteiten waren de Selous Scout experts in human intelligence (HUMINT). Vooral het laten ‘overlopen van gevangen genomen rebellen’ door een combinatie van ‘medische hulp, beloningen en dreigen met executie’[11] was zeer succesvol en leverde spectaculaire inlichtingensuccessen op. Sommige potentiële overlopers werden door de Selous Scouts zelfs clandestiene geholpen om te ontsnappen uit Rhodesische gevangenissen. De ‘overlopers’ werden vervolgens ingezet voor diepe infiltraties in rebellengebied om inlichtingen te verkrijgen. Hierdoor verkregen de Selous Scouts een perfect inzicht in de modus operandi van de rebellen eenheden en waren ze de ZIPRA en ZANLA rebellen vrijwel altijd een stap voor.

Een nauw samenwerkingsverband werd daarnaast opgezet met de Rhodesische Special Forces: Special Air Service (SAS). Met de rest van het Rhodesische leger bestond overigens een minder goede relatie, veroorzaakt door de controversiële manier van optreden, het eigenzinnig en ‘drammerig’ optreden van de commandant (luitenant-kolonel Reid-Daly) en beschuldigingen van ivoor-stroperij. Het feit dat de Selous Scouts direct onder Commander of Combined Operations, lgen Walls viel en dus geen verantwoording schuldig was aan sectorcommandanten van het leger, kwam de relatie ook niet ten goede. Daarnaast waren het leger (en politie) vaak verontwaardigd als bepaalde rebellen gebieden ‘bevroren’ werden voor leger- en politieoperaties om de Selous Scouts in deze gebieden de vrije hand te geven.

Een andere belangrijke tactiek was de Fire Force. De Fire Force was helikopter reactie macht, bestaande uit gevechtshelikopters en troepentransporthelikopters en zelfs gevechtsbommenwerpers. Selous Scouts op de grond diep in rebellen gebied, loodsten de Fire Force eenheid in positie, waarna de combinatie van helikopter gelande grondtroepen (meestal compagnie) en gevechtshelikopters in de lucht, de rebellen omsingelden en decimeerden.
Ondanks de controverse waren de acties van de Selous Scouts zeer succesvol. Bijna tweederde van de gedode of gevangen genomen rebellen in de periode tussen 1973 en 1980 waren te danken aan de acties van de Selous Scouts tegenover slechts 40 dode Scouts. De totale grootte van de eenheid was rond de 500 man, bestaande uit zogenaamde ‘troops’. Een ‘troop’ was verdeeld in drie operatiegroepen van variabele sterkte, afhankelijk van het aantal ‘overlopers’, maar meestal ergens tussen de 10-20 man. Een operatiegroep bestond meestal uit twee ‘blanke’[12]operateurs en voor de rest uit ‘zwarte’ soldaten en ‘overlopers’.
Nieuwe tactieken
Het wegvallen van het Portugese bewind in Mozambique in 1975 en de machtsovername door FRELIMO was een zware tegenvaller voor Rhodesië. Enerzijds verloren ze hierdoor een mogelijkheid om het internationale wapenembargo te omzeilen (Portugal leverde clandestien wapens via Mozambiquaanse havens) en anderzijds viel nu de Portugese druk op ZANLA weg die met hulp van FRELIMO nu ongestraft trainingskampen kon opzetten in Mozambique.
Het Rhodesische leger besloot haar cross border acties daarna op te voeren. De Selous Scouts kregen toestemming voor een cross-border raids, maar wel met de waarschuwing dat er geen luchtsteun beschikbaar zou zijn en dat niets mocht wijzen op een openlijke Rhodesische betrokkenheid. Ook moesten gevechten met FRELIMO vermeden worden. Vanaf januari 1976 begonnen de Selous Scouts met kleine korte raids in Mozambique. De infiltraties waren soms te voet en soms per helikopter[13]. De meeste waren succesvol, maar niet allemaal. ZANLA zat intussen ook niet stil en had haar activiteiten in Rhodesië opgevoerd en haar operatiegebied zelfs uitgebreid. De oorlog nam duidelijk intensere vormen aan.
De Selous Scouts ondernamen medio 1976 grotere acties en voerden voor het eerst bereden cross border raids uit. De eerste hiervan was Operation Detachement in mei 1976. Met vier Unimog voertuigen beschilderd in FRELIMO kleuren werd een bereden raid met twee teams van 10 man op een trainingskamp in Chigamane uitgevoerd onder leiding van luitenant Tim Baxter. Het succes van deze actie smaakte naar meer en in juni 1976 werd de Operation Long John op touw gezet. Dit keer werd het transitiekamp Chicualacuala bij Mapai aangevallen, waarbij de bereden infiltratieafstand 110 km bedroeg. Hierbij werd gebruikt gemaakt van een in burgerkleding optredend lange afstandsverkenningsteam dat vanuit het Kruger nationaal park in Zuid Afrika was geïnfiltreerd. Voor deze actie waren de Selous Scouts versterkt met twee gepantserde verkenningsvoertuigen (Ferrets) van het Rhodesische Armoured Car Regiment en een mortierpeloton. Ook deze aanval was een succes, hoewel gevechten met FRELIMO niet konden worden vermeden en er ook doden en gewonden onder de Selous Scouts vielen.
Operation Eland
In de zomer kwam meer en meer informatie beschikbaar over een groter ZANLA transitiekamp in de buurt van de Pungwe rivier. Om achter de exacte locatie te komen werden fotoverkenningen uitgevoerd met Canberra bommenwerpers. Pas na meerdere dagen werd het kamp ontdekt en luchtfoto’s gemaakt juist toen er een appél gehouden. Inlichtingenstudie van de foto’s resulteerde in een aanvankelijke schatting dat er meer dan 800 ‘rebellen’ in het kamp aanwezig zouden zijn. Zowel de SAS als de Selous Scout kregen vervolgens een planningsopdracht om dit kamp uit te schakelen. Door het ‘verbod op luchtsteun’ waren een helikopter of luchtlandingsactie van de SAS uitgesloten, waardoor een actie van de Selous Scouts als enige mogelijkheid overbleef.

De Selous Scouts verbeterden door HUMINT inlichtingen intussen hun informatiepositie over het rebellenkamp, waardoor het geschatte aantal ‘rebellen’ intussen op ‘enkele duizenden’ kwam te liggen. Kortom: een zeer waardevol aanvalsdoel. De Selous Scouts intensiveerden hun planning en maakten zelfs een complete maquette van het kamp om hun aanvalsplannen te verbeteren. 65 Selous Scouts gingen vervolgens in zelfisolatie op het Nkomo-kamp om de laatste aanvalsvoorbereidingen te treffen.

De aanvalscolonne zou bestaan uit negen geïmproviseerd licht-gepantserde Unimog voertuigen, een gepantserde truck[14] en vijf Ferret gepantserde verkenningsvoertuigen. Op de voertuigen werden door de monteurs van de Selous Scouts dubbele MAG-mitrailleur installaties gelast, evenals twee 20-mm Hispano kanonnen, overgenomen van de Rhodesische luchtmacht. Ook waren een paar .50’s aanwezig en 12.7 mm Russische mitrailleurs. Alle voertuigen werden in het intussen bekende FRELIMO camouflagepatroon geschilderd, compleet met FRELIMO nummerborden en voertuigregistratienummers. De voertuigen werden daarnaast uitgerust met mobiliteitsmiddelen, zoals schoppen, pikhouwelen en lieren. Door een technisch ongeval viel de gepantserde truck op het laatste moment af, evenals een Ferret.
De exacte infiltratie en (delen van) de exfiltratie route werden zo veel mogelijk te voet verkend met lange afstandspatrouilles. De bereden infiltratie zou in duisternis plaatsvinden, zodat het rebellenkamp bij Pungwe bij dag aanbreken aangevallen kon worden. Uit inlichtingen bleek dat de rebellen vrijwel elke dag om 0800 appel hielden om de aangetreden manschappen toe te spreken. Een uitgelezen kans om ze ‘te verrassen’. Een hoofdbreken vormde de brug over de Pungwe-rivier in Mozambique. Om FRELIMO en ZANLA reacties te blokkeren moest deze worden opgeblazen, hoewel dit kans op compromitatie zou vergroten en mogelijk zware internationale veroordeling met zich mee zou brengen. Direct vooraf gaande aan de raid werd te voet een drie man lange afstandsverkenningsteam op pad gestuurd o.l.v. sergeant-majoor Anthony White. Hemelsbreed legde dit team heen en terug 120 km te voet af door het zware terrein.
De uiteindelijke bereden aanvalscolonne bestond uit het spitsvoertuig (Unimog met 20 mm Hispano kanon), commandovoertuig (Unimog met dubbele MAG), plaatsvervangend commandovoertuig (Unimog met 20 mm Hispano kanon), Tango-1, Tango-2, Tango-3, Tango-4 (allemaal Ferrets met .30 mitrailleur), infanteriesectie (twee Unimogs met .50), mortiersectie (twee Unimogs met dubbele MAG en elk een aanhanger voor mortiermunitie), geniesectie (Unimog), infanteriesectie (twee Unimogs met dubbele MAG). De colonne stond onder leiding van kapitein Rob Warracker met luitenant Tim Hallows als plaatsvervanger.

Om middernacht 9 juli begon de operatie. Om 02.00 dreigde het fout te gaan toen een Ferret verkenningsvoertuig in de duisternis en verblind door stof een bruggetje miste en een wadi en een droge rivierbedding in rolde. Het voertuig werd gestript en de bemanning op de andere voertuigen geladen. De colonne slaagde erin om diverse FRELIMO wachtposten te passeren, waarvan sommigen zelfs sliepen. Onderweg werden telefoonlijnen doorgesneden. De bereden opmars ging verder voorspoedig en na passeren Vanduzi werd naar het noorden ingedraaid. Om 03.30 werd de Pungwe brug gepasseerd, waarna aan de oostzijde van de rivier op ongeveer 10 km afstand van de rebellenbasis in de bush een afwachtingslocatie ingenomen werd.

Net voor dagaanbreken werd de aanval ingezet. Op drie km afstand van het kamp nam een infanteriesectie samen met de geniesectie (in totaal dus drie Unimogs) gevechtsposities in om de rug van de aanvallende colonne te beveiligen . Hierdoor bleven er zeven Unimogs en drie Ferrets over voor de aanval op het kamp. Om 08.25 werd de ingang van het kamp bereikt en openden de ZANLA wachtposten de slagboom, nadat er in het Portugees bevelen vanuit de colonne waren geschreeuwd naar de wachtposten. Er waren twee aanvalsplannen. Plan A was een omsingeling van de aangetreden manschappen met de voertuigen en ze vervolgens autoritair toespreken met een Portugees sprekende Selous Scout als ware hij een hooggeplaatste FRELIMO officier en dit vertalen in Shona. Hierna zouden geselecteerde leiders van de ‘rebellen’ worden gearresteerd en weggevoerd. Daarna zou het vuur op de verzamelde rebellen worden geopend. Plan B voorzag in fysiek verzet door de rebellen en was gebaseerd op vooraf afgesproken vuurposities door de voertuigen.

Nadat de slagboom was gepasseerd positioneerden de voertuigen zich in linie en naderden de inderdaad de appél verzamelde rebellen. Het commandovoertuig in het midden, Unimogs met de 20 mm Hispano kanonnen naast hem, aangesloten door de andere Unimogs. Op links de infanteriesectie met nog verder naar links de Ferrets. De mortiersectie kwam in stelling iets verder naar achteren. Pogingen om plan A in werking te stellen haalden niets uit. De in Portugees en Shona geschreeuwde aanwijzingen gingen verloren in het enthousiast naar voren stormen van de rebellen om hun zogenaamde ‘FRELIMO’ kameraden te begroeten en ZANLA en FRELIMO strijdkreten vulden de lucht. De voertuigen van de Selous Scouts waren binnen de kortste keren omringd door de niets vermoedende rebellen. Na enkele minuten openden de Selous Scouts het vuur waarbij de wapens vanaf de voertuigen maximaal gedeclineerd moesten worden om de dichtstbijzijnde rebellen te kunnen raken. Totale paniek brak uit onder de rebellen die naar alle kanten probeerden weg te vluchten, elkaar vertrappend. Met alle boordwapens en handvuurwapens schoten de Selous Scouts om zich heen. De mortiersectie konden aanvankelijk niet mee vuren omdat de rebellen nog te dicht bij de voertuigen van de Selous Scouts zich bevonden. De rebellen vuurden slechts sporadisch terug, met name vanuit enkele stenen gebouwen in de omgeving van de appélplaats. Hierdoor vielen wel vijf lichte gewonden onder de Selous Scouts.

Na verloop van tijd stopten de Selous Scouts het vuren en werden systematisch de laatste weerstand nesten opgeruimd, waarbij de mortieren nu wel mee schoten en mortiergranaten afvuurden op onderkende ontsnappingsroutes. Vooral de Ferrets hielden vreselijk huis onder rebellen. Een hospitaal van het kamp vloog in brand. Tientallen rebellen verdronken toen ze te probeerden te vluchten door de Nyadzonya rivier over te steken. Slechts 14 gevangen werden gemaakt. Onder honderden doden waren overigens ook enkele FRELIMO officieren. Het rugbeveiligingsdetachement had overigens ook nog vuurcontact, schoot een naderende Landrover overhoop en doodde vijf rebellen.
Rond het middaguur gaf kapitein Warracker het bevel de actie af te breken en de terugtocht te aanvaarden. Via de positie van het rugbeveiligingsdetachement werd verplaatst naar de kruising van de Nyadzonya weg met de Tete-weg. Hier werd een tijdelijke beveiligingspositie ingenomen terwijl een infanteriesectie en de geniesector op weg gingen om de brug over de Pungwe-rivier op te blazen een tiental km terug naar het zuiden. Deze brug werd echter verdedigd door een FRELIMO detachement aan beide zijden van de brug. Dit detachement werd vanuit de beweging gedood en verdreven. De lijken werden in de rivier gegooid en de brug opgeblazen, terwijl naderende FRELIMO voertuigen onder vuur werden genomen. Nadat het beveiligingspositie bij het kruispunt weer was bereikt werd de terugtocht naar het noorden aanvaard.

Rond 15.30 weg de Teteweg verlaten en via een bushroad naar het westen richting Rhodesië gereden. Langs de bushroad lag nog een belangrijke FRELIMO positie bij het dorpjes Masuku. In dit dorp werd verkeerd gereden. De colonne moest omdraaien terwijl de FRELIMO soldaten aanvankelijk vriendelijk zwaaiden. De situatie werd grimmiger toen een Ferret pech kreeg en op sleeptouw genomen moest worden. Onderzoekende FRELIMO soldaten werden onder vuur genomen, maar deze brachten mortieren in stelling. Dringende verzoeken van lkol Reid-Daly om luchtsteun (ondanks het politieke verbod) hadden intussen succes en Hawker Hunter bommenwerpers schakelden de mortierstellingen uit en helikopters kwamen de enige serieus gewonde Selous Scout ophalen. De overige licht gewonden bleven bij de colonne. Intussen was de nacht gevallen en de colonne had grootte moeite in de duisternis voortgang te blijven maken. Uitgeput werd pas de volgende dag om 13.45 uur de Rhodesische grens weer overgestoken, uitgezwaaid door begeleidend, maar ineffectief mortiervuur van FRELIMO.
Even voorbij de grens werd haltgehouden, gerust en de koppen geteld. Tot grote schrik waren er twee vermisten. Sergeant Paul Holton en korporaal Rodrigues (uitgeleend door de SAS) hadden het vertrek van de colonne gemist en per ongeluk achtergelaten in het Pungwe rebellen kamp. Ze exfiltreerden vervolgens te voet terug en melden zich verontwaardigd op 12 augustus terug in het kamp.
Fotoverkenningen door Canberra bommenwerpers lieten vele honderden lijken zien in het Pungwe rebellen kamp en de Rhodesiërs claimden officieel 300 ZANLA en 30 FRELIMO doden. Er ontstond vrijwel onmiddellijk veel ophef over deze actie. ZANLA, geholpen door UNHCR stelden dat het kamp geen militair kamp was maar een vluchtelingen kamp met ongewapende burgers. Ze beweerden dan ongeveer 1.026 ongewapende vluchtelingen waren gedood door de ‘moorddadige Rhodesiërs’, waaronder veel kinderen. Ook zouden de Rhodesiërs honderden mensen standrechtelijk hebben geëxecuteerd.
Einde
Naderhand voerden de Selous Scouts nog meer spectaculaire raids uit. O.a. in aug 1976 op een spoorlijn in Mozambique, een raid op kampen in de omgeving van Jorge do Limpopo en Massangena (operation Mardon, okt – nov 1976), een raid op een ZIPRA commandopost in Francistown, Zambia (operation Ignition, okt 1976), hernieuwde raid op Jorge do Limpopo en Mapai (operation Aztec, mei/juni 1977) en een raid om meerdere bruggen op te blazen in Mozambique tussen Dombe en Espungabera (nov/dec 1977). Andere geruchtmakende aanvallen van de Selous Scout was die op het ZIPRA opleidingskamp bij Kavalamanja in Zambia in februari en maart 1977 en die op Mboroma, wederom in Zambia in no 1978, waarbij Rhodesische gevangen werden bevrijd via een airborne operatie. De laatste grotere raid was die op een ZANLA basis in Chimoio, Mozambique in oktober 1979. Hieraan namen 200 troepen deel (SAS, Rhodesian Light Infantry, Selous Scouts) en tientallen helikopters en vliegtuigen deel. De voortzetting van de cross border raids bekoelden de verhoudingen tussen Pretoria en Salibury nog verder.

De raid van de Selous Scouts op het kamp bij Pungwe had politieke repercussies want het Zuid Afrikaanse apartheidsregime, geleid door Vorster, stopte onmiddellijk de Zuid Afrikaanse militaire en politionele hulp aan Rhodesië, waardoor de beschikbare Rhodesische luchtsteun werd gehalveerd. Zuid Afrikaanse eenheden werden teruggetrokken en voorraden werden tegen gehouden. Erger nog: Vorster maakte bij monde van minister van buitenlandse zaken Hilgard Muller, in september 1976 bekend vanaf dat moment een zwarte meerderheidsbewind in Rhodesië te steunen. Gesteund door de Amerikanen, o.l.v. van Kissinger, werden de Rhodesiërs als het ware door de spijkerharde Vorster naar de ‘slachtbank’ geleid. Het toch al aanzienlijke internationale isolement van Rhodesië nam verder toe en vrijwel geen enkel land steunde het blanke minderheidsregime meer. Ook binnen de Rhodesische veiligheidstroepen ontstond ophef over de ‘ongeautoriseerde en eigengereide’ actie van de Selous Scouts en enkele hooggeplaatste officieren spraken van ‘moordpartij’ die de lopende onderhandelingen met de rebellen bemoeilijkten. Ian Smith maakte op 24 september 1976 op nationale TV bekend op termijn brede verkiezingen uit te zullen schrijven. Het moreel van de veiligheidstroepen begon in te storten.
Hoewel er nog enkele jaren doorgevochten werd, kwam in 1980 het einde. Het blanke minderheidsregime, o.l.v. Ian Smith, in zwaar weer door economische malaise als gevolg van het internationaal isolement, stopzetting van de Zuid Afrikaanse hulp, aanhoudende rebellenverzet, gebrek aan blanke mankracht door toenemende blanke emigratie en toenemend aantal, schreef verkiezingen uit, waaraan ook de zwarte bevolking deelnam. In ruil hiervoor staakten het ZANLA en ZIPRA de strijd. Vervolgens werden ook de economische sancties opgeheven
De verkiezingen van 1980 brachten Robert Mugabe, de leider van het ZANU, aan de macht. Het Rhodesische leger beschuldigde Robert Mugabe echter van verkiezingsfraude, maar hun geplande coup voerden ze nooit uit. Op 18 april 1980 kreeg het land zijn officiële onafhankelijkheid en internationale erkenning. In de jaren nadien verstevigde Robert Mugabe zijn macht over het land. In 1981 en tussen 1982 en 1985 braken er onlusten uit tussen ZANLA- en ZIPRA-eenheden.
Het einde van de Selous Scouts was bitter met beschuldigingen wegens oorlogsmisdaden tegen lkol Reid-Daly en een aantal andere officieren. Ook werd bepaalde regimentsleden van stroperij verdacht in olifant slagtanden. De goede verhoudingen tussen lkol Reid-Daly en Commander of Combined Operations lgen Walls kwam tot een abrupt einde toen afluisterapparatuur in het bureau van lkol Reid-Daly werd ontdekt. Het regiment vertrouwde daarna steeds minder hooggeplaatste functionarissen en ging steeds minder inlichtingen delen met anderen. Ze keerden zich steeds meer in zichzelf en voerden als het ware een eigen oorlog. Ook het einde was hiermee in lijn. Bij de vredesonderhandelingen wilden vrijwel geen enkele hooggeplaatste Rhodesische functionaris het regiment verdedigen en namen vrij massaal afstand van het regiment en haar omstreden optreden. Het regiment smolt vervolgens als het ware weg, waarbij leden terug gingen naar hun oorspronkelijke eenheden, burgerkleren aantrokken of het land ontvluchtten. Er was geen formeel afscheidsceremonie, geen afscheidsparade, geen toespraak. De Selous Scouts bestonden niet meer. Kap Rob Warracker maakte het allemaal niet meer mee. Hij was tijdens een actie op 12 jan 1977 op 32 jarige leeftijd al om het leven gekomen.
Conclusies
Operatie Eland was uitgevoerd zonder politieke toestemming. Ook veel legerofficieren waren vooraf niet op de hoogte gebracht. Lgen Walls was overigens wel geïnformeerd en had formeel toestemming verleend voor de operatie.
De actie werd gekenmerkt door een goed inlichtingenproces en gedegen planning, waaronder strikte geheimhouding. De actie was een mengeling van lef en doorzettingsvermogen, waarbij het geloof in eigen kunnen doorslaggevend was. De actie werd geleid door lagere officieren die geheel op eigen inzichten handelen. Er was geen ‘overwatch’ door hogere commandoposten. De regimentscommandant, lkol Reid-Daly, informeerde slechts twee keer hoe de operatie ervoor stond, maar schoot wel te hulp toen de colonne nabij Masuku onder zware druk van FRELIMO kwam te staan.
Er werden ook geen vragen gesteld over het gebrek aan medische ondersteuning en afwezigheid van luchtsteun. De colonne was geheel op zichzelf aangewezen en iedereen wist dit en accepteerde het ook. Iets wat in deze tijd nauwelijks voor te stellen is. De inzet, namelijk het voorbestaan van de eigen Rhodesische staat, was natuurlijk ook hoger dan in normale westerse stabiliteitsoperaties.

Hoewel de Rhodesische context zich natuurlijk slecht laat vergelijken met andere conflicten, laat deze actie wel zien wat vastbesloten militairen kunnen bereiken met lef, initiatief en inbeeldingsvermogen. En wat onderschatting van tegenstanders en niet naleven van elementaire basisvaardigheden, zoals te zien bij ZANLA en FRELIMO voor gevolgen met zich mee kan brengen.
Opvallend is natuurlijk dat de Selous Scouts een mengeling waren van een inlichtingen eenheid, verkenningseenheid en ‘lange afstands’ gevechtseenheid. Hierdoor waren ze niet alleen in staat om inlichtingen te verzamelen, maar ze konden hier zelf ook actie op nemen. Deze zelfstandigheid, gekoppeld aan eigenstandigheid in het Rhodesische systeem, zorgde voor gebrek aan tegenbalans. Hierdoor oogsten de Selous Scouts spectaculaire operationele successen, maar gleden tegelijkertijd af naar een bedenkelijk niveau. Dit bedenkelijk niveau uitte zich in verboden methodes, zoals dragen van vijandelijke uniformen, afpersingen, martelingen en moordaanslagen, die in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht. Daarnaast leverden de omstreden methodes (vooral die in Zambia en Mozambique) de nodige politieke problemen op, waardoor het Rhodesische blanke minderheidsregime internationaal steeds geïsoleerder kwamen te staan. Desondanks laat deze operatie zien dat onorthodox optreden door kansen-grijpende-gewapende verkenners spectaculaire operationele successen kan opleveren.
Bronnen:
Reid Daly, Peter Stiff – Selous Scouts, Top Secret War, Galago Publishing, South Africa, 1982
Paul L. Moorcraft – African Nemesis, War and Revolution in Southern Africa 1945-2010, Brasseys, Londen, 1990
Peter Baxter – Selous Scouts, Rhodesian Counter-Insurgency Specialist, Africa@War Volume 4, Helion&Company Publishing, Solihull, West Midlands, 2011
Barbara Coll – The Elite, The Story of the Rhodesian Special Air Service, Three Knight Publishing, Pietermaritzburg, Natal, South Africa, 1985
Paul L. Moorcraft & Peter McLaughlin, The Rhodesian War, A Military History, Stackpole Books, Mechanicsburg, 2010
https://nl.wikipedia.org/wiki/Zimbabwaanse_Onafhankelijkheidsoorlog
https://nl.wikipedia.org/wiki/Republiek_Rhodesië
https://en.wikipedia.org/wiki/Operation_Eland