Kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel en onze Regimentsadjudant, Auke Posthumus, bezochten op zaterdag 6 september 2025 namens het Regiment de herdenking in Roermond, terwijl andere Regimentsgenoten deelnamen aan de Airborne Herdenkingswandeltocht in Oosterbeek om de ruim 17.000 gevallen geallieerde militairen en burgerslachtoffers te herdenken.

Gisteren nog op Curaçao, zaterdag alweer in Roermond; Boreelverkenners zijn onuitputtelijk.
Kolonel van Dalen:”Vandaag heeft de Commandogroep Regiment Huzaren van Boreel deelgenomen aan de jaarlijkse herdenking bij het Nationale Indië Monument in Roermond. Indrukwekkende speeches, indrukwekkende fly-by en indrukwekkende veteranen.
Samen met opperwachtmeester administrateur Galjaard van 5e Eskadron Vechtwagens (tanks) mochten we blauwe rozen leggen op de herinneringsplaquettes van onze Boreel-eenheden. Zoals gewoonlijk weer trouw geassisteerd door Sven van Eck, Johnny Slegers en Scott Heldens.
Het Regiment Huzaren van Boreel heeft 8 eskadrons vechtwagens, 6 eskadrons pantserwagens, 2 verkenningsregimenten en 3 zelfstandige verkenningseskadrons naar Indië gezonden.
123 doden van ons Regiment liggen daar begraven. OWA Galjaard moest hiervan 3 namen als gesneuveld muteren en één van hen zelfs afleggen. Nog elk jaar noemen wij hun namen, zodat ze niet worden vergeten en niet als het ware een tweede keer sterven. Ook bij onze gesneuvelden tijdens de latere vredesoperaties hebben blauwe rozen gelegd.
In eerbied buigen wij ons hoofd“
De herdenking is terug te zien op deze video van L1 | een bijdrage over de inzet in “De Oost”
Foto’s van de RC en Johnny Slegers


































De Opperwachtmeester-administrateur Galjaard is bewoner van Bronbeek. Hij heeft op 28 november 2024, tijdens het jaarlijkse diner de Corps van Officieren Regiment Huzaren van Boreel, in Kumpulan (zie ook elders op onze Regimentswebsite) het idee gekregen om zich hier te vestigen. Tijdens dat diner was hij samen met 8 andere Indie veteranen uitgenodigd aan te zitten bij de regimentsverjaardag.
De geschiedenis van het 5e Eskadron Pantserwagens is ondermeer terug te vinden in het boek van J.A.C. Bartels “Vier Eeuwen Nederlandse Cavalerie“. Maar hoe mooi is een eigen onderstaande levensverhaal van deze Boreelveteraan?
OWA Galjaard had zijn jongste zoon bereid gevonden hem te begeleiden naar Arnhem en liet weten dat deze gezellige avond een goed diner en de bijzondere momenten van het binnenvoeren van onze Regimentsstandaard, het indrinken van “het jonge haar” (jonge officieren) een goede bodem gevormd hadden. Dat tezamen met de informatie aan de muur in Kumpulan aangaande het Koninklijk Tehuis voor Oud Militairen en het gegeven dat hij “pas” 98 was en al 9 jaar alleen woonde na het overlijden van zijn echtgenote, een goed moment was om na te denken over een mogelijkheid in Bronbeek te gaan wonen.
Galjaard, nog kras en zonder verzorgingsindicaties, heeft een proefweek wonen in Bronbeek glanzend doorstaan en afgezien van het feit dat het wel een grote verandering was om van een aanleunwoning bij een zorgflat “terug” naar een militaire locatie zou zijn wist hij dat na de ontmoeting met andere bewoners wist dat er gelijkgestemden waren waarvan er zelfs iemand een vergelijkbare levensloop gevonden had. Het verhaal van de koloniale geschiedenis binnen Bronbeek, zijn dienstverleden binnen het Regiment Huzaren van Boreel, ja daar paste Galjaard wel bij. Met een motiveringsbrief en de aanmelding werd de heer Galjaard welkom geheten door de commandant van Bronbeek.
Na de verhuizing vond hij al snel zijn weg door aan activiteiten en vooral herdenkingen deel te nemen. Af en toe levert dat verrassende gesprekstof op en verder kan hij er ontspannen wonen. Ook heeft hij in 1979 een proefschrift geschreven waar hij nu verder de hand aan wil leggen. Dat proefschrift is eerder gepubliceerd en op het Web gedeeld. Hij beleeft er groot plezier aan en gebruikte toen ook al het fenomeen dat nu kunstmatige intelligentie genoemd wordt. Maar de herdenkingen blijven voorrang krijgen.
Hoe het begon
Na zijn opleiding bij het Centraal Orgaan Administratief Kader in Kampen kwam hij terecht bij de Luchtvaarttroepen, toen nog deel uitmakende van de Landmacht, in Breda. Hij werd als sergeant-titulair administrateur naar Amersfoort gestuurd en diende onder zijn eerste commandant, ritmeester Aldenkamp.
Onder leiding van een militair-administratief al doorgewinterde OW-A leerde hij de kneepjes van het maken werd al spoedig effectief sergeant. Hij werd toegevoegd aan het zich op een uitzending voorbereidende 5e eskadron Vechtwagens met kapitein Segers als commandant en luitenant Bisschoff van Heemskerk als ondercommandant. Kort voor vertrek werd Galjaar al toto Opperwachtmeester-administratie bevorderd omdat hij zelfstandig al behoorlijk wat werk had verzet.
De reis met de Kota Baroe (afvaart 31 maart 1948) had tegenslagen en duurde daardoor 5 weken. Het eskadron werd ondergebracht bij het Depot Pantsertroepen in Bandoeng. Met zijn kantoortje in het Depot, waar Indische militairen met hun gezinnen woonden leefde hij daardoor een bijzondere sfeer.
Op 3 december 1948 werd hij – na een korte terugkeer naar Nederland – opnieuw naar Nederlands Indie gestuurd, ditmaal met de SS Waterman. Er waren toen 18-20 sergeants-titulair aan zijn zorg toevertrouwd die hij wegwijs moest maken en begeleiden in het doorgangskamp Tjililitan, Batavia. Via dat kamp werden ze verder gestuurd naar hun bestemmingen.
Op kerstavond lagen zij voor de rede. De dag erop zou de ontscheping plaatsvinden en was de zogenaamde tweede politionele actie begonnen. Ze keken over de verschansing naar het land waar een oorlog plaatsvond die niet zo genoemd mocht worden en hij stelde zijn reisgenoten gerust, als ware hij al een oude rot. De aalmoezenier had het houden van een kerstdienst aan de veldprediker overgelaten en eerst moest daarvoor de kantine met veel kabaal daarvoor worden ontruimd.
In het doorgangskamp vond hij uiteindelijk de plek die hun was toebedeeld. Op het bureau ging hij een geldbedrag ophalen en begaf hij zich naar de ingang. Hij geschikte over voldoende Maleise taalkennis om vrouwen te vinden die voor hen de was zouden kunnen en willen doen. Met de gevonden dames achter zich aan ging hij terug naar zijn groepje, liet de onderofficieren aantreden en verdeelde de sarongsdraagsters onder hen, benadrukkend dat zij nu elke dag hun kleding moesten laten wassen en strijken.
De rauwheid waarmee in het kamp de Aan- en Afvoertoepen binnenreden en zich in de kantine te buiten gingen aan dronkemanskabaal was voor zijn groepje niet geruststellend. Je wist niet waar die A.A.T.-ers die dag mee hadden gemaakt natuurlijk en dus deed Galjaard maar of het allemaal heel gewoon was (en dat was het eigenlijk ook). De daarop volgende dagen hielp hij de mannen zich thuis te geraken en zich ook buiten het kamp te begeven om de pasar te bezoeken.
In Medan wachtte het eskadron op de administrateur die er nog steeds niet was en het duurde een paar weken voordat hij met de twee overgebleven sergeanten die ook in Medan moesten zijn, met het mooie schip genaamd Plancius daarheen kon vertrekken. Zijn korporaal-schrijver had inmiddels goed werk verricht en daarna bracht Galjaard alles weer op orde.
Het eskadron telde inmiddels 1 gesneuvelde, Wim van de Bergh. Hij was in een poging te hulp te komen met zijn Humber scoutcar in een ravijn gevallen. Gewonden kwamen meermalen voor.



Tijdens de anderhalf jaar die zij nog op Noord Sumatra zouden blijven, sneuvelden na de wapenstilstand en voor de soevereiniteitsoverdracht, nog twee huzaren: George Koppenaal en Jan de Beer. George had hem een week eerder op de plek niet ver van daar toegeroepen:”opper, nu zal je wat beleven!” Hoewel non-combattant ging ik wel eens met hun mee met hun konvooibewaking. Er was geschoten vanuit het zijterrein bij Kabendjahe. een enorm tumult van schieten brak los, maar lang duurde het niet. “Je hebt kruitdamp geroken” riep luitenant Bischoff, toen ik terugkeerde. In het overlijdensregister van Anna Pauwlona betreffende huzaar Koppenaal staat ook een relaas vermeld.
Nog in Medan, voor hun thuisreis, werd het commando van wat inmiddels het eerste eskadron Pantserwagens was, overgedragen aan KNIL-kapitein Bouman. Onder diens leiding scheepten zij zich in voor de terugkeur. De eerste route met de Kota Inten (zusterschip van de Kota Baroe), waarmee via een dagreis varen op de Moesi, nog een onderdeel werd opgehaald. In Tandjong Priok wachtte het Amerikaanse troepenschip SS General Hersey, waarmee op 1 juni 1950 Nederland werd bereikt.
Hun vroegere commandanten waren al eerder teruggekeerd. Hij kwam hen beide tegen bij de Technische Hogeschool Delft waar Galjaard zich als student had ingeschreven. Colleges waren toen niet verplicht dus kwam hij alleen in Delft voor tentamens en verplichte oefeningen. Hij was “werkstudent” waarover hij een heel ander verhaal zou kunnen vertellen.



