Belgiski Bronevoj Avtomobilni Divizion

Door: Kolonel (bd) Hans van Dalen, Commandant Regiment Huzaren van Boreel

Een Belgisch pantserkorps onder bevel van de Tsaar

Ik vermoed dat maar weinig mensen weten dat tijdens WO I een Belgische expeditionaire eenheid van ongeveer 350 man met pantserauto’s aan het Oostfront heeft gevochten. Tijd om daar verandering in te brengen, want dit verhaal is de moeite waard om verteld te worden. Dit verhaal laat ook zien dat België in ‘pantseropzicht’ hierdoor dus decennia vooruit liep op Nederland.

In den beginne

Eind 1914 was het westfront tot stilstand gekomen en was geheel België bezet op de zogenaamde Westhoek na. Aan dit IJzerfront hield het Belgische leger stand, samen met Engelse en Franse eenheden. Al in september en oktober hadden enthousiastelingen binnen het terugtrekkende Belgische leger geëxperimenteerd met gepantserde auto’s. Dit werd als succes gezien en het Belgische Ministerie van Oorlog besloot om een speciale eenheid op te richten die ‘Autos-Canons-Mitrailleuses’ Korps (ACM-korps) werd genoemd. De rekrutering verliep snel en al op 1 december 1914 meldden zich de eerste honderd vrijwilligers in Parijs, een allegaartje van militairen, vluchtelingen en avonturiers. De eerste leider werd majoor Collon, de Belgische militair attaché in Parijs. Omdat het merendeel van de Belgen uit Walen bestond, is de voertaal Frans. De formatie en training werd snel opgepakt. Begin 1915 telde de eenheid al 200 man en werden de eerste tien pantserauto’s van de firma Keller[1]1, afgeleverd. Dit waren 6 pantserauto’s met een kanon (37 mm snelvuur) en 4 met een mitrailleur (8 mm Hotchkiss). De bemanning bestond uit vier man: commandant, chauffeur schutter en hulpchauffeur (tevens munitiehulp). De pantserauto’s waren aan de bovenkant open. De tactiek was om het vuur te openen over de achterzijde, zodat bij gevaar snel van positie kon worden gewisseld.

In februari 1915 waren er al 350 man gearriveerd en werd het ACM-korps in twee batterijen verdeeld van elk vijf pantserauto’s, namelijk drie ‘canons’ en twee ‘mitrailleuses’. Op 17 april werd een vaandel uitgereikt, namelijk een heraldische leeuw op een zijden stof in de Belgische vlag met in goud de letters ‘Corps des Autos Blindées – L’union fait la force.’ Op 26 april was de eenheid gevechtsgereed en vertrok naar het front bij de Westhoek. Het ACM-korps werd gelegerd bij het plaatsje ‘Moeren’,  vlakbij de Panne. De eenheid werd vanwege de starheid van het front niet ingezet en verdeed de tijd met trainingen en verkenningsritten.

Een ACM pantserwagen vurend over de achterboeg

Naar het front

Op 10 juni kwam er echter hoog bezoek van een aantal Russische officieren en tijdens een hierop volgend onderhoud met Koning Albert op locatie van de Belgische Generale Staf, verzochten de Russische officieren om het ACM-korps over te plaatsen naar Rusland omdat daar de inzetmogelijkheden beter waren en omdat Rusland in deze periode de nodige tegenslagen te verduren had gehad. Koning Albert voelde er wel wat voor en stelde het ACM-korps kosteloos te beschikking van Rusland, waarna het ACM-korps geheel Russisch zou worden. Ze zouden dus Russische bevelen opvolgen en Rusland zou voor de instandhouding opdraaien. De ACM-mannen konden kiezen: mee naar Rusland of terugkeren naar hun oude eenheden. Het merendeel ging mee naar Rusland. Medio 1915 werden de pantserauto’s nog technisch aangepast[2]2 in de Keller fabrieken en eind augustus 1915 was alles gereed.

Per schip naar Rusland

Op 21 september ging het complete ACM-korps in de Franse havenstad Brest aan boord van het schip Wray Castle. De pantserauto’s zelf waren gedemonteerd aan boord gehesen. De eenheid kreeg een grote instandhoudingseenheid mee, namelijk 275 man. De ACM-eenheid zelf telde inmiddels 355 man. Het geheel stond nog steeds onder leiding van majoor Colon. Op 22 september vertrok het schip, maar de zeereis naar Noord-Rusland verliep niet probleemloos. De mannen sliepen los in het ruim en er was te weinig eten. Ook was er geen winterkleding beschikbaar. De Noordkaap werd op 3 oktober gerond, maar op 5 oktober, bij het binnenvaren van de Witte Zee, stak er een storm op die het leven aan boord niet aangenaam maakte. De storm weerhield het verder varen omdat de Duitse mijnenvelden niet konden worden ontweken. Pas op 13 oktober kon de haven van Archangelsk worden binnengevaren en Russische bodem worden betreden. Alles werd vervolgens op treinen geladen en op 20 oktober kwam het ACM-korps per trein aan in Sint-Petersburg[3]3. Hier werd contact gemaakt met de Belgische ambassadeur die hogelijk verbaasd was en niet geïnformeerd over de komst van het ACM-korps. Ook de Belgische liaisonofficier bij de Russische Generale Staf (STAVKA) te Mogilev, generaal de Ryckel[4]4, was niet geïnformeerd.

10 januari 1916. Sint Petersburg. Trein beladen voor vertrek naar het front

Voorbereiding voor het vertrek aan het Russische front

Het Belgische ACM-korps werd ondergebracht in Petershof in de kazerne van het Keizerlijke Garderegiment van Lanciers en bereidde zich voor op frontinzet. De eenheid bestond intussen uit 359 manschappen, 13 officieren, 2 dokters en 1 aalmoezenier. Er waren twee gevechtsbatterijen met elk dus vijf pantserauto’s. De logistiek was de verantwoording van de 3e batterij met 26 voertuigen. De 4e batterij was de ondersteuningsbatterij en een sectie motorrijders[5] 5en 3 pelotons fietsers[6]6. Zij moesten verkenningen uitvoeren en de pantserauto’s beveiligen in het gevecht.

De verhoudingen met de Russen waren stroef. Omdat het Russische leger de rang van majoor had afgeschaft, meende Collon zichzelf de rang van luitenant-kolonel te moeten verlenen, hetgeen niet werd gewaardeerd. De problemen werden minder nadat Collon een vijfde batterij had geformeerd, bestaande uit Russische verbindingsofficieren, tolken en lokale hulpen. Op 8 november was het echter feest. Een ACM-delegatie bezocht Tsarskoje Selo, het nabij gelegen paleis van de Tsaar. De delegatie werd voorgesteld aan Tsaar Nicolaas II. Op 11 november kwam de Belgische ambassadeur op bezoek. In deze maand kwam ook de Russische winter goed op gang en de ACM-manschappen hadden het koud in hun Belgische uniformen. Begin december verstrekten de Russen winterkleding, bestaande uit vilten beenstukken, zware bontgevoerde jassen en Kaukasische bontmutsen, ‘papacha’s’ genaamd. Op 6 december werd een complete wapenschouw opgevoerd in Tsarskoje Selo en defileerde het gehele ACM-korps voor de Tsaar. De Tsaar maakte van de gelegenheid gebruik om eens grondig een Belgische pantserauto te inspecteren.

6 december 1915. De tsaar op bezoek bij het Belgische pantserkorps.

In Russische krijgsdienst

Op 13 december werd er een keizerlijke decreet uitgevaardigd, waarmee het ACM-korps officieel in Russische krijgsdienst werd gesteld. De benaming werd ‘Belgiski Bronevoj Avtomobilni Divizion’ (Belgische Pantserwagens Divisie). Met hetzelfde decreet werden ook de officieren officieel aangesteld: kapitein Lejeune als chef van het depot en administratie, kapitein Delporte en Rozeals batterij commandanten en luitenant van der Donkt als commandant van de motorrijders en wielrijders (cyclisten). Er werd echter van hoger hand geprobeerd om majoor Collon te verwijderen als ACM-chef. Hij werd als te afstandelijk en niet doortastend genoeg gezien. Op 28 januari werd hij ontslagen en volgde majoor Semet[7]7 hem op.

Naar het front

Op 10 januari werd in de vrieskou drie Russische treinen beladen en vertrok het ACM-korps op 11 januari naar het front in Galicië. Op 20 januari kwamen ze bij 30 graden onder nul aan op het station van Volotsjisk. Vervolgens werd over de weg naar Tarnopol verplaatst en werden ze in het nabijgelegen oord Zbaraz ondergebracht. De verhouding met de lokale bevolking was niet best. De culturele verschillen waren erg groot. Bij het aanbreken van de lente arriveerde de nieuwe korpscommandant, majoor Semet. Hij trok de tucht aan en organiseerde een strak trainingsregime. De Russische kadaverdiscipline was van toepassing, wat de gemiddelde (vrijgevochten) Belg niet beviel. Die meenden immers begrijpelijk recht te hebben op een fatsoenlijke en menswaardige behandeling.
Eind mei arriveerden nog meer nieuwe officieren, o.a. majoor Baudry die het bevel kreeg over de 3e batterij, verantwoordelijk voor bevoorrading en instandhouding. Kapitein Lejeune werd vanwege wangedrag (regelmatig dronken) teruggestuurd naar België. De eerste contacten met de Russen aan het front verliepen niet goed. De Belgen werden vanwege kun kepi’s vaak aangezien voor Oostenrijkers. Als ze hun stalen helmen opzetten werden ze weer aangezien voor Duitsers. Pas met hun oude (blauwe) Belgische petten waren ze veilig. Ze werden ingedeeld bij het 6e Legerkorps van het 11e Leger dat onder bevel van legergroep commandant Brusilov stond. Met dit 6e Legerkorps ging het ACM-korps deelnemen aan het Russische zomeroffensief. Op de laatste meidag raakt kapitein Roze (commandant 2e batterij) ernstig gewond aan zijn hoofd door een Oostenrijkse artilleriegranaat bij de verkenning van de voorgenomen aanval op het dorp Ivankovtsi. Hij was de eerste oorlogsgewonde van het ACM-korps. Hij overleefde dit maar was voor langere tijd uitgeschakeld. De leiding over de 2e batterij kwam nu in handen van de beide luitenants Oudenne en de Ribaucourt. De hierop volgende inzet van de Belgische pantserauto’s bij het Russische offensief was succesvol, maar bij de terugtocht in de nacht zakte een pantserauto’s in een bomkrater en twee anderen zakten weg in een moeras, waardoor hun achterbruggen braken. Alle drie werden ze met paarden geborgen en later gerepareerd.

Russische militairen bekijken de Belgische ACM pantserwagens.

Op 9 juni was er wederom een inzet bij het dorp Vorobjevka en Tsebrov. De Russische infanterie was doorgebroken en de 1e batterij had opdracht hun opmars te ondersteunen en enkele achtergebleven Oostenrijkse mitrailleurnesten uit te schakelen. Hierbij vielen echter meerdere gewonden en soldaat de Becker werd doodgeschoten toen hij een sleepkabel probeerde aan te haken. Hij was de eerste ACM-dode. Er zouden er nog meer volgen.

Op 11 augustus was er een grotere en zwaardere inzet bij Vorobjevka. Meerdere onderdelen van het ACM-korps werden ingezet, waaronder de 1e batterij een pelotons wielrijders. Onder wielrijders vielen drie doden, waaronder twee onderofficieren. Op 12 augustus hadden de Belgen meer geluk en wisten de wielrijders bij Jezerna een Oostenrijkse pantsertrein onschadelijk te maken. 15 kilometer verderop lag Zborov. Vier pantserauto’s van de 2e batterij wisten het stadje binnen te treden, waarna Russische infanterie het oord zuiverde van de Oostenrijkse tegenstander. Geheel augustus hield de strijd aan en vielen er een paar Belgische gewonden. De inzet van de Belgische pantserauto’s werd zeer gewaardeerd door de Russische troepen. Op 4 september werden er aan 104 manschappen en officieren van het ACM-korps Russische onderscheidingen uitgereikt, namelijk SintJoris eretekens. Commandant Delporte van de 1e batterij werd echter naar huis gestuurd. Hij was niet bestand tegen de oorlogsstress.

Het Russische opperbevel (STAVKA) besliste om het ACM-korps zuidelijker in te zetten bij het 7e Leger. De nieuwe inzetplek werd Bucac in de uitlopers van de Karpaten. De Belgen kwamen nu tegenover Duitsers te staan en moesten met twee Russische Transamoer divisies oprukken. De inzet was echter nu versplinterd met telkens secties van twee pantserauto’s. De Duitsers beten echter stevig van zich af en beantwoordden de inzet van de Belgische pantserauto’s met artillerievuur en infanterie tegenaanvallen. De Russen leden veel verliezen en ook aan Belgische kant vielen doden en gewonden en werden pantserauto’s vernietigd of beschadigd. Overigens waren de Belgen door hun aanzienlijke instandhoudingscapaciteit, in tegenstelling tot de Russen, om hun pantserauto’s relatief snel te repareren. Na het mislukte offensief werd de maand oktober doorgebracht in Kosov en Tsjortkov ten oosten van Bucac. Ziektes deden hun intreden en enkele Belgische manschappen kregen te maken met de hardhandige disciplinehandhaving door Russische officieren. De sfeer werd er niet beter op. Eind oktober verplaatste de eenheid zich terug naar Jezerna en kwam weer onder het vertrouwde bevel van het 6e Legerkorps.

ACM pantserwagens bij Konjoechi

Winter 1916-1917

Op 5 november stond de eenheid voor inspectie aangetreden voor de bezoekende Belgische generaal de Ryckel. Hij kreeg de kogelgraten op de zes nog inzetbare pantserauto’s te zien en was in zijn rapport lovend over het ACM-korps. Maar niet in het openbaar. Tegen de aangetreden eenheid zei hij dat de pantserauto’s “erg vies” waren. Een goed bericht was dat kapitein Roze weer van zijn hoofdverwonding was hersteld en zich weer bij zijn batterij voegde.

De winter in Jezerna was zwaar. Bevroren ledematen, ratten, slechte hygiëne en onvoldoende eten. Het moreel zakte en vooral het verbod op roken in het openbaar beviel de Belgen slecht. Dertig man dienden hun ontslagaanvraag in, maar deze werden allemaal afgewezen. Het toegestane verlof in Kiev, Moskou en Sint Petersburg hielp wel om de sfeer te verbeteren.

Revolutie

In februari 1917 sloeg de lont in het Russische kruitvat en brak de revolutie uit. Tsaar Nicolas II trad af en Kerensky nam voorlopig althans, de macht over. Midden april 1917 arriveerde Lenin vanuit ballingschap en nam de revolutie een andere wending. De Belgen in Jezerna bemerkten in hun contacten met de Russische frontlinies de veranderde gezagsverhoudingen. De Belgen werden niet langer als vrienden gezien, maar als beschermers van de oude machthebbers. Soldatenraden deden hun intrede en de gemiddelde Belg keek hier raar van op. Eind mei was de nieuwe Russische regeringsleider Kerenski in Jezerna en bezichtigde ook het ACM-korps. Hij sprak het aangetreden ACM-korps gloedvol toe. Hoewel zijn omhelzen van een Belgische mitrailleurschutter vreemd gevonden werd, deed zijn toespraak enthousiasme door de rangen rollen.

ACM pantserwagen aan het hoofd van een oprukkende Russische colonne

In de late lente van 1917 probeerden de Russen, ondanks een wankel moreel, nog een keer een groot offensief te lanceren onder leiding van generaal Brusilov. De geallieerde wapenleveringen hadden voor een grote beschikbaarheid van artillerie gezorgd. Ook werden er stoottroepen gevormd, de zogenaamde Bataljons van de Dood. De Duitsers (en dus ook Oostenrijkers) waren echter door overlopers uitstekend op de hoogte en voorbereid. Het ACM-korps had zich intussen gereorganiseerd. Er waren nu drie gevechtsbatterijen (nr 1, 2 en 4) met 3 of 4 pantserauto’s. De batterij wielrijders bestond niet meer en was met pelotons verdeeld over de gevechtsbatterijen. Daarnaast waren gemotoriseerde mitrailleurschutters toegevoegd aan de pantserauto’s. Het korps behoorde nog altijd tot het 6e Legerkorps van het 11e Leger. Hun taak tijdens het aankomende offensief was oprukken naar het dorpje Konjoechi ten zuidwesten van Jezerna.

Kerenski offensief

Op 27 juni 1917 begon het offensief, terwijl Kerenski zelfs de commandopost van het 11e Leger bezocht. Het offensief werd Kerenski offensief genoemd. Het Russische artilleriebombardement duurde drie dagen. Op 1 juli ging het 11e Leger met rode vlaggen voorop in de aanval en werd er een bres geslagen in de Oostenrijkse stellingen nabij Zborov. Op 2 juli werden de Belgische pantserauto’s ingezet, maar zonder groot succes. Het door granaten omgeploegde terrein was te zwaar. Ondanks alle problemen werd wel het dorpje Konjoechi bezet door de pantserauto’s van batterij 4. Alleen sloot de Russische infanterie niet aan. Een inslaande Oostenrijkse granaat viel precies tussen twee pantserauto’s in, met twee doden en een aantal zwaar gewonden tot gevolg. De verdediging stortte hierna in en toen de Oostenrijkers een tegenaanval inzette, werd Konjoechi losgelaten. Op 6 juli trokken de pantserauto’s van de 2e batterij ten strijde, dit maal met een extra Russische pantserauto. Ook ditmaal geen groot succes en wederom een dode en een aantal gewonden. Het debacle bij Konjoechi kostte de commandant van de batterij, kapitein Bridoux zijn positie. Op 21 juli kwam ook de 1e batterij in actie. Ze voerden een tegenaanval op Duitsers ten zuiden van Kozova (zuid van Tarnopol). De combinatie van roekeloosheid en materiaalpech leidde ook nu weer tot doden en gewonden.

Vernielde ACM pantserwagen tijdens Kerenski offensief.

Hoewel het Brusilov offensief deels een succes was, moesten de Russen door de Duitse en Oostenrijkse tegenaanvallen de terugtocht inzetten. Het ACM-korps dekte de terugtocht terwijl de Duitsers Tarnopol innnamen. De mislukkingen aan het front hadden een negatieve invloed op de sfeer binnen de eenheid en hier en daar stak het ‘rode virus’ de kop op. Er werd veel gemopperd op de slechte bevoorrading en er vielen harde woorden tussen officieren en manschappen. Majoor Semet deed wanhopige pogingen om zijn batterijen weer bij elkaar te krijgen en dit lukte in de oude omgeving van Zbaraz. Het ACM-korps verkeerde nu achter de dun bezetten Russische linies. De Duitsers drukten niet door en wachten rustige de uitkomst van de Russische chaos af. Semet begon aan te dringen op de terugkeer van het ACM-korps naar België en vertrok zelf eind augustus. De nieuwe korpscommandant werd kapitein Roze.

Chaos aan het front

Er brak een periode van wachten aan, waarbij het moreel steeds verder zakte. Bij de sporadische bezoeken aan het front bleek de ineenstorting van het Russische leger. Soldatenraden en overal plakkaten waarin opgeroepen werd de bevelen van hun officieren niet meer op te volgen. Een delegatie van het ACM-korps bezocht de nieuwe Belgische (socialistische) ambassadeur in Sint Petersburg, Jules Destrée.  De Belgen voelden zich in de steek gelaten, maar Destrée kon niets voor ze doen. De Belgische regering in La Havre had duidelijk andere prioriteiten en bij de STAVKA werd hij niet eens binnengelaten.

Wederom revolutie

In november 1917[8]8 grepen de bolsjewieken in Sint Petersburg de macht en vlucht Kerenski. Aan het front bleef het stil en het ACM-korps zat nog altijd in Galicië ‘gevangen’ in deze Russische wenteling. De balans opmakend bestond het ACM-korps uit 370 man, waarvan ongeveer de helft (zo’n 180) aan gevechtshandelingen[9] 9had deelgenomen. Tot dus ver waren er 15 overleden (11 tijdens of na gevechten) en 40 gewond. Het totaal aantal doden en gewonden was dus 55. Eind 1917 kwam eindelijk het verlossende bericht dat koning Albert had besloten om het ACM-korps terug te halen (repatriëren).
In december 1917 arriveerde het ACM-korps in Kiev, waar in deze periode een burgeroorlog ontstond tussen Oekraïense nationalisten (o.l.v. Rada) en Oekraïense bolsjewieken. Ze werden ondergebracht in het grote spoorwegstation van Svjatoshin aan de rand van Kiev. Het depot van het ACM-korps was intussen nabij in de Bender kazerne gehuisvest. Hier bevond zich ook het Grether hospitaal waar de gewonden van het ACM-korps lagen. Het was een chaotische tijd waarin veel geïmproviseerd moest worden, met daarnaast veel getouwtrek over het eigenaarschap van de resterende pantserauto’s. Het Russische opperbevel, de STAVKA was intussen vervangen door de Raad van Volkscommissarissen. Op 28 en 29 januari brak er ware volksrevolutie uit in Kiev en werden zelfs de door de Belgen bezetten locaties bedreigd. Er is nauwelijks nog voedsel, de kogels vlogen in het rond en de Belgen zaten meer in de kelders dan bovengronds. De Rode troepen wonnen begin februari deze strijd en kapitein Roze probeerde naderhand te overleggen met de nieuwe militaire bewindvoerders, terwijl om hem heen executies werden uitgevoerd op politieke en militaire tegenstanders van het nieuwe bewind.

Maart 1918. ACM militairen tijdens een treinstop in Perm, Siberië

Uiteindelijk kregen de ACM-mannen de benodigde papieren om Rusland te verlaten. De pantserauto’s en vrijwel al het andere materiaal moesten worden achtergelaten. De panterauto’s werden voordien nog wel vakkundig onklaar gemaakt. Hun geweren mochten ze behouden. Op 20 februari 1918 bestegen de Belgen de trein met 50 wagons en kon de terugreis beginnen. Ze richtten de trein zelf in met o.a. geïmproviseerde slaapplekken, bakkerij en twee keukenwagons. Onder inzittenden waren ook enkele vrouwen en kinderen, die sommige Belgen in Rusland hadden opgedaan.

In de Russische geleidde papieren (‘attest’) stond dat Rusland verlaten moest worden via Moermansk of Vladivostok. De route naar Moermansk leidde via Sint Petersburg. De route naar Vladivostok dwars door Siberië. Terwijl de officieren van het ACM-korps ijverden voor de kortste, maar relatief onveiligere route naar Moermansk zag het gros van de manschappen dit anders. Zij wilden liefst zonder kleerscheuren huiswaarts keren en gaven de voorkeur aan de route door Siberië. 170 manschappen hadden zelfs een petitie hiertoe aan generaal de Ryckel gestuurd. Bij het vertrek uit Kiev ontbraken twee Belgen. Eén Belg bleef achter omdat hij nog in het ziekenhuis lag. Hij zou enkele maanden later via Moermansk naar België terugkeren. Een tweede Belg was gedeserteerd en had als officier dienst genomen bij het Rode Leger. Over hem is nooit meer iets vernomen. Op 22 februari vertrok de ACM-trein uit Kiev en stoomde over de besneeuwde Russische vlakten naar het noorden. Op de wagons stonden de woorden geschilderd: Belgiski Bronevoj Avtomobilni Divizion (Belgische Pantserauto Eenheid). Op 26 februari werd Moskou bereikt en kon er kort rondgewandeld worden, o.a. over het Rode Plein en enkele bezichtigden zelfs het Kremlin.

De Boej-revolte

Op 28 februari werd Vologda bereikt en is er nog een laatste mogelijk om toch de route naar Moermansk te kiezen. Terwijl de officieren wachten op een instructie van generaal de Ryckel om toch de geprefereerde route naar Moermansk te kiezen, werd de trein in afwachting door de Russische stationschef naar het nabijgelegen Boej gedirigeerd. Hier stonden intussen meer speciale treinen met diplomatieke delegaties die uit Rusland willen vertrekken.

Kapitein Roze ontving bericht dat de trein naar Moermansk moest en sprak zijn aangetreden mannen toe met dit bericht. Dit leidde tot een explosie van woede onder de manschappen. Een zestigtal begonnen zelfs hun bagage uit de trein te halen. Ze verbroederen met het lokale Russische treinpersoneel en weten voor elkaar te krijgen dat de Russen de trein alleen verder naar Siberië willen doen geleiden. Een patstelling was het gevolg, die pas na drie dagen werd doorbroken. Op 4 maart kwam een Chinese diplomatieke trein langszij die bevestigde dat de noordelijke route naar Moermansk door de Duitsers was afgesneden. Hierdoor werd kapitein Roze gedwongen de route door Siberië te accepteren. Zijn bevel hiertoe werd met sarcastisch gelach maar ook met vreugde begroet. De Boej-revolte heeft wel gevolgen. De ACM-manschappen zijn nu de baas en de officieren speelden vanaf nu een ondergeschikte rol. Ze legden zelfs hun rangonderscheidingstekens af en kwamen nauwelijks nog hun wagon uit.

Hervatting van de reis

De reis werd hervat. Bij de haltes lagen stapels hout als brandstof voor de locomotieven. De soldatensovjets langs de route maakten langzaam plaats voor boerensovjets. Via de Oeral kwam de trein op 8 maart in Jekaterinburg aan, waar later de Tsaar en zijn familie werden vermoord.  Vanaf dit punt was de Trans Siberische spoorlijn overigens in handen van Tsjechen. Dit waren voormalige Oostenrijkse soldaten die na gevangenname in Russische dienst traden. Na de revolutie vormden ze een eigen aanzienlijk Tsjechisch legioen die de kant van de ‘Witten’ koos en niet zonder succes de strijd met het Rode Leger aanbond. Op 10 maart kwam de trein in Omsk aan. Een Belg had bij een behoeftepauze bijna de trein gemist, maar kon zich al rennend nog net aan de laatste wagon vastklampen om zich vervolgens honderden kilometers aan de buitenzijde van de wagon te moeten vertoeven. Hier ontstonden problemen want de lokale Sovjets eisten de wapens van de Belgen. Ze dreigden levensmiddelen achter te houden. De Belgen weigerden hun wapens in te leveren, maar moesten wel een verklaring ondertekenen dat ze nooit de wapenen tegen het Rode Leger zouden opnemen.

Via Krasnojarsk bereikte het ACM-korps op 19 maart Irkoetsk, de poort naar Oost-Siberië. Ook hier werden weer Tsjechische soldaten ontmoet. Ook hier ontstonden problemen, want de lokale Sovjet wilden de trein doorzoeken op zoek naar zware wapens (die de Belgen inderdaad hadden meegesmokkeld.) De Tsjechen zorgden met veel wodka dat de zoektocht zonder resultaat bleef. Na passeren van het Baikalmeer veranderde het terrein en kwamen de Belgen meer en meer Aziatische volkeren tegen, zoals Boerjaten, Mongolen en Chinezen. In Verchne Oedinsk gaan enkele Belgen op zoek naar vertier en misten hierdoor hun trein. Ze ritselden een andere trein en haalden enkele dagen later de ACM-trein in.

ACM militairen in Harbin

Op 21 maart kwam de trein tot stilstand in Tsjita. Hier heerste grote onrust omdat de stad het twistpunt was tussen het kozakken leger van Semjonov en onderdelen van het Rode Leger. Ook hier werd de trein door de Sovjets doorzocht op zware wapens. Dit keer grondiger maar weer werden de zware wapens niet gevonden. Nadeel is dat de ACM-trein geen toestemming krijgt om de kortste route naar Vladivostok te nemen (via Harbin in Mantsjoerije) maar een noordelijke omweg moet maken. De Belgen sluiten de gelederen, officieren treden weer in functie en er werd besloten om toch de route via Harbin te nemen.
Bij de grensplaats Daoeria ontstond vervolgens trammelant. De lokale Sovjeteenheid weigert de grens te openen en eisen alle wapens op. De locomotief werd afgehaakt en de treinwagons omsingeld door Sovjetsoldaten. De Belgen gingen in een soort rondom verdediging, haalden de zware wapens tevoorschijn en brachten deze zelfs in stelling. Na zware onderhandelingen slaagden de Belgen erin om grenspassage met wapens te krijgen onder belofte om deze wapens nooit aan de kozakken van Semjonov te geven. Met een enkele locomotief werd eerst een Chinese locomotief van de andere kant van de grens gehaald. Deze werd aan de ACM-treinwagons gekoppeld en in de nacht van 26 of 27 maart werd de Chinese grens gepasseerd. In Harbin werd de trein verwelkomd door de lokale Belgische consul. Hier moest langere tijd worden doorgebracht, want het geld was op en kapitein Oudenne, die voor instructie naar de Belgische ambassade in Peking was gestuurd, moest eerst terugkeren.

Het leven in Harbin was niet gemakkelijk. De stad was vuil, verwaarloosd en totaal anders dan wat de Belgen gewend waren en het nieuws van het thuisfront was (met wederom oprukkende Duitsers) niet gunstig. Ook was het moeilijk om ‘dames van plezier’ te vinden, hetgeen overigens later wel lukte. In Harbin lieten zes Belgen zich echter overhalen om dienst te nemen in het kozakkenleger van Semjonov en vertrokken voor een bezoek aan zijn steppe-kamp. Vier van hen bleven later, bij vertrek van de ACM-trein daadwerkelijk achter in Mantsjoerije. Later besloten ze toch eieren voor hun geld te kiezen. Via een avontuurlijke tocht door Mongolië zouden ze jaren later weer in België opduiken. Op 18 april keerde kapitein Oudenne terug met de instructie om zich in Vladivostok in te schepen voor een overtocht naar de Verenigde Staten en om daarna door te reizen naar Europa.[10]10

Naar Amerika

Op 20 april kwam de trein op de havenkade in Vladivostok aan. Het Sovjetbestuur was hier aan banden gelegd en Japanse militairen bewaarden ter plaatse de orde. Aan boord van de Sheridan verliet het ACM-korps op 25 april Vladivostok. Echter zonder één Belg, omdat hij weigerde afscheid te nemen van zijn twee geadopteerde honden. De overtocht duurde 17 dagen. Op 12 mei kwam de Sheridan aan in San Francisco. Hoewel de Amerikaanse overheid twijfelde aan de ‘door Sovjet propaganda beïnvloedde’ ACM-mannen, was de tocht door de Verenigde Staten een triomftocht. De mannen werden gezien als de vertegenwoordiging van het zwaar getroffen België. Een grootse parade in San Francisco, ontvangst op stadhuizen en veel publieke belangstelling viel hun ten deel. Per trein ging de reis verder. Via Salt Lake City (21 mei) doorkruiste het ACM-korps Wyoming, Nebraska en Iowa. Op 26 mei zorgde de lokale Vlaamse gemeenschap in Detroit voor een waar volksfeest met wederom een militaire parade. Op 28 mei kwamen de Belgen in New York aan. Ook hier weer een ware triomftocht met wederom parades, feestjes en bezoeken.

Mei 1918. ACM parade in San Francisco

Terug naar België

Op 15 juni ging het ACM-korps in de Franse pakketboot La Lorraine scheeps naar Europa en op 23 juni arriveerde het schip in de haven van Bordeaux. In de kazerne van Bordeaux schoot echter nog een ACM-onderofficier zichzelf een kogel door het hoofd. Hij is de laatste dode in ACM-uniform. De hierop volgende dag defileerde het ACM-korps nog een keer door Bordeaux om daarna met de trein via Parijs te reizen. Na een officieel ontvangst werden ze met een stuk boord en bidon koffie de volgende dag met een oude militaire trein naar Eu gebracht, het opleidingscentrum van de Belgische artillerie aan de Normandische kust. Op 15 juni werd vervolgens het ACM-korps officieel ontbonden. De mannen kregen twee maanden verlof met soldij en werden daarna verspreid over verschillende Belgische eenheden. Het Russische avontuur was ten einde

In totaal dienden 444 Belgen en 33 Russen bij het ACM. 15 Belgen sneuvelden in Rusland en één Belg pleegde zelfmoord. Het ACM-korps beschikte over 58 motorvoertuigen, waaronder 12 pantserwagens, 23 motorfietsen en 120 fietsen. Na de oorlog richtten veteranen van het ACM-korps de ‘Union Fraternelle des Anciens ACM’ op. Het is de oudste Belgische veteranen vereniging uit WO I.

Tekening uit veteranenblad van het ACM korps met plaatsen waar ze allemaal waren geweest.

Verder lezen:
Een zeer lezenswaardig boek is Thiry & van Cleemput, Reizigers door de Grote Oorlog, Leuven, 2008

https://nl.wikipedia.org/wiki/Korps_Autos-Canons-Mitrailleuses
https://www.be14-18.be/nl/defensie/het-korps-autos-canons-mitrailleuses-in-rusland
https://histoforum.net/recensies/pantserkorps.htm
https://bel-memorial.org/cities/abroad/ukraine/ternopil/ternopil_memorial_ACM.htm
https://ostfront.forumpro.fr/t3490-le-tour-du-monde-des-autos-canons-mitrailleurs-belges
https://www.the-low-countries.com/article/king-alberts-heroes-how-400-young-belgians-fought-in-russia-and-conquered-the-us
https://www.old.klm-mra.be/D7t/fr/content/lauto-canon-mitrailleuse-100-ans-decouvrez-lalbum-commemoratif-une-replique-grandeur-nature
https://bel-memorial.org/cities/abroad/ukraine/ternopil/ternopil_memorial_ACM.htm

  1. Chassis is van Peugeot, Minerva motor van 40 pk, gepantserde carrosserie met 7 mm staal, enkele rubberen wielen voor, dubbele rubberen wielen achter ↩︎
  2. Onder andere grotere wielen vanwege de hobbelige Russische wegen. Dit leidde echter tot een grotere belasting op de voorbrug en achterbrug van het chassis die later in Rusland veelvuldig zouden breken. ↩︎
  3. In 1914, toen WO I uitbrak, werd Sint-Petersburg omgedoopt in Petrograd, aangezien Sankt-Peterburg te Duits klonk, en Rusland in oorlog was met Duitsland. In 1924 kreeg Petrograd de naam Leningrad, als eerbetoon aan de in dat jaar overleden Lenin. Op 6 september 1993 kreeg Leningrad, na een referendum, zijn oude naam van vóór 1914 terug: Sint-Petersburg ↩︎
  4. Deze corpulente generaal speelde een hoogst onaangename rol. Hij was eerder weggepromoveerd van de Belgische Generale Staf en was in zijn rapportages over het algemeen zeer negatief over het ACM-korps ↩︎
  5. Indian en Harley-Davidson motoren, waarvan sommigen met zijspan. ↩︎
  6. Peugeot-fietsen ↩︎
  7. Majoor Semet was adjudant van de omstreden generaal De Ryckel, Belgische liaisonofficier bij de STAVKA. ↩︎
  8. Vanwege de afwijkende Russische kalender heet dit de oktober-revolutie. ↩︎
  9. Deze gevechten waren dus Brusilov offensief (1916) en Kerenski offensief (juli 1917) ↩︎
  10. Ook generaal de Ryckel en de Belgische ambassadeur in Moskou, Destrée keerden omstreeks deze tijd via de Trans Siberische spoorlijn terug naar België. ↩︎

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!