Next Generation Tanks: Firing or Launching ?

Door kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel
Plaatsvervangend commandant Commando Opleidingen & Training Koninklijke Landmacht

Het Nederlandse leger heeft weer tanks gekocht en dat is een goede zet. In mijn ogen is dit niet de eindoplossing, maar een deur die wordt opgezet. Het begin van een ontwikkeltraject om hernieuwde mobiele, gepantserde gevechtskracht weer terug te brengen op het slagveld. Terwijl ik de terugkeer van de tanks toejuich beargumenteer ik wel dat tegelijkertijd al moet worden nagedacht over de volgende tankgeneratie. In dit artikel geef ik een overzicht van een onmiskenbare trend bij de ontwikkeling en inzet van wapensystemen. Ik stel dat deze trend een lijn te zien geeft die schuift van een directe naar indirecte rol. Dit geldt ook voor landwapensystemen. Deze trend heeft in mijn ogen ook gevolgen voor de ontwikkeling van nieuwe tankconcept. Een nieuw tankconcept moet in daarom gebaseerd zijn op een indirecte rol. Allereerst behandel ik in dit artikel zeesystemen. Vervolgens komen luchtsystemen aan de beurt om daarna te eindigen met landsystemen. Aan het einde geef ik nog een waarschuwing of op het gebied van kwaliteit versus kwantiteit.

Inleiding

Er is in militaire vakliteratuur veel geschreven over tanks. In al deze artikelen staat het belang van tanks voor militaire operaties buiten kijf. De combinatie van mobiliteit, bescherming en vuurkracht van de tank wordt terecht gezien als doorslaggevend voor vernieuwing en versnelling van mobiele oorlogvoering. De tank (naast air interdictie) stelde landlegers namelijk weer in staat de toegenomen vuurkracht van infanterie en artillerie te overwinnen en verdedigingen te doorbreken. De tank bracht als het ware ‘de charge’ terug in het gevecht.

De tank had nog een tweede voordeel. Haar mobiliteit maakte uitbuiting van succes weer mogelijk, omdat doorbroken vijandelijke troepen zich vaak niet tijdig konden herstellen om de doorgebroken tanks op te vangen. De tank kon als het ware ‘tactisch succes’ omzetten in ‘operationeel voordeel’ zodat strategische overwinning weer binnen hand bereik kwam. Het succes van de Duitse tanktroepen in de eerste helft van WO II, Amerikaanse en Russische tanktroepen in de tweede helft van WO II, de Israëlische tankcharges in de Israëlisch-Arabische oorlogen en het belang wat in de Koude Oorlog aan beide zijden aan tankeenheden werd gehecht, maakte duidelijk dat de tank doorslaggevend was geworden. De twintigste eeuw wordt daarom ook wel de Eeuw van de Tank genoemd.

Nederlands enigste tank tijdens WO-2 de Renault FT

De vraag is natuurlijk wel of met de voortschrijdende techniek en veranderende militaire concepten dit ook zo blijft. Dit artikel wil duidelijk maken dat er duidelijke trend waarneembaar is op het gebied van wapenplatforms. Een trend die loopt van ‘direct’ naar ‘indirect’. Niet alleen op zee en in de lucht, maar ook op land. Deze trend is ook van toepassing op landgebonden wapenplatforms. De trend naar ‘indirect’ wordt duidelijk bij de enorme rol die drones (en lange afstandsraketten) op dit moment spelen in de Russische-Oekraïense oorlog. Ik stel dus niet dat direct confrontaties geheel verdwijnen, maar wel dat meer en meer op afstand slag wordt geleverd. Hier moeten we niet alleen rekening mee houden bij toekomstige tankontwerpen, maar ook bij vernieuwing van militaire operationele concepten.

Schepen

Niet alleen op land vocht de mensheid. Zodra de mensheid zich de kunst van varen meester maakte, kreeg ook de vechtkunst een maritiem karakter. Aanvankelijk leek ‘vechten op zee’ echter nog veel op ‘vechten op land’. Schepen voeren naar elkaar toe, enterden elkaar en zeelieden, matrozen en soldaten proberen, vechtend met slag- en steekwapens op de houten dekken, elkaars schepen te veroveren. Scheep– en vloot manoeuvres waren ook hierop afgestemd. In de Grieks/Romeinse tijd werden ook ram-manoeuvres uitgevoerd om elkaar tot zinken te brengen en werden enterbruggen aangebracht om sneller grotere hoeveelheden soldaten over te brengen naar een vijandelijk schip.

Nog wat later werden ook boogschutters ingezet om de hoeveelheid vijandelijke soldaten aan boord te reduceren of om roeiers te doden, zodat een vijandelijk schip minder wendbaar of trager was. Later werden brandende pijlen of katapulten ingezet om vijandelijke schepen en tuigage in brand te schieten, maar het eigen tuigage hinderde soms afgifte van dergelijke vuur. In essentie bleef in de Grieks/Romeinse het maritiem gevecht dus een ‘direct’ gevecht. Dit veranderde, ondanks betere scheepsontwerpen met betere zeileigenschappen, nauwelijks in de Middeleeuwen. De Byzantijnse marine zette weliswaar in de Middeleeuwen brandende olie (‘Grieks vuur’) in om vijandelijke schepen in brand te zetten was ook dit was een directe benadering om daarna gemakkelijker vijandelijke schepen te kunnen rammen of enteren.

Slag bij Mylae

Verandering kwam er wel met de introductie van het buskruit. In een zeeslag voor de kust van Oostende werden in de viertiende eeuw voor buskruit gebruikt in een zeeslag. Het afvuren van kanonnen bracht door een combinatie van gebrekkig ontwerp en ‘zeegang’ nog weinig voordeel. Entering bleef noodzakelijk om beslissend voordeel te halen. Ook tijdens de Renaissance- en Godsdienstoorlogen in de vijftiende en begin zestiende eeuw, bracht scheepsgeschut nog geen beslissend voordeel. Hoewel hun effectiviteit toenam bleef het moeilijk om vanaf een ‘bewegend’ ‘ zee-platform een ander ‘bewegend’ zee-platform te raken. Wel ontstond langzaam een grote verscheidenheid aan scheepsgeschut: halve veldslang, bastaard veldslang, lombard, demisaker, saker, falcon, draaibas. Aanvankelijk vormde dit geschut een aanvulling op pieken en pijlen: ze werden geplaatst op schepen die daarvoor niet waren gebouwd zoals de kogge en de karveel. Maar entering bleef dus noodzakelijk om het gevaar van vijandelijke schepen te overwinnen en zeeslagen te winnen.

In de tweede helft van de 16e en de 17e eeuw veranderde dit. Hoewel de Nederlanders bijvoorbeeld nog lang aan enter-techniek vasthielden, gingen vooral de Spanjaarden en Engelse over tot andere technieken. Door verbetering van de effectiviteit (en betrouwbaarheid) van zeekanons werd het wel mogelijk om vijandelijke schepen op afstand beslissende schade toe te brengen. De saker vormde de basis van het scheepsgeschut in deze tijd. Hij schoot een 9-ponds kogel 3600 meter ver, versplinterde dekken met kartets, haalde de tuigage om met een kettingschot, of vuurde brandgranaten af om de vijandelijke zeilen in vuur en vlam te zetten. Geformeerd tot breedzij-batterijen veranderde dit kanon rijk geornamenteerde en vergulde driedekkers in drijvende forten.

Admiraals veranderde dus ook hun vloottactieken. In plaats van hun schepen naast die van de vijand te plaatsen werden schepen achter elkaar in linie geplaatst om vervolgens elkaar op afstand te bestoken. Wel moest men elkaar nog kunnen ‘zien’. Er bleef dus sprake van direct vuur, hoewel de onderlinge afstand toenam. Tegenover stilliggende schepen (beschadigd of in een haven) werden daarnaast vaak ook ‘branders’ ingezet. Schepen met brandbare en/of explosieve lading, die door dappere en goedbetaalde vrijwilligers naar hun doelwitten werden gevaren om fysiek te vernietigen. Om maximaal vuuroverwicht te halen op de tegenstander werden de schepen dus groter, breder en hoger. Dit stuwde natuurlijk ook de kosten omhoog en vloten van deze kwaliteit en omvang sloegen grote gaten in de financiën van staten. Terwijl vroeger het verliezen van een zeeslag nog wel overkomen was, betekende een verloren zeeslag nu vaak het verlies van een oorlog.

In de 19e eeuw nam als gevolg van de industriële revolutie de snelheid en bepantsering van schepen toe door nieuwe fabricage- en voorbewegings-technieken. Schepen werden sneller en beter beschermd, maar schoten ook beter en konden langer op zee blijven. Doordat ook de fabricatieprijzen omhoog gingen, werden de vloten kleiner. Maar tegelijkertijd effectiever. De tijd van zeilschepen was eigenlijk voorbij toen de Amerikaanse Burgeroorlog begon. Het tijdperk van de pantserplaten en de kanonnen met getrokken loop begon.

Dit werd mooi geïllustreerd door het eerste gevecht tussen twee pantserschepen op 9 maart 1862 bij Hampton Roads te Virginia. De Zuidelijken lichtten het gezonken stoomfregat Merrimac, brachten een hellende pantserbemanteling aan, herdoopten het schip CSS Virginia vielen er Noordelijke zeilschepen mee aan. De USS Monitor, met een draaibare geschutstoren (met twee kanonnen van 280 mm), werd uit New York gestuurd om slag te leveren. Dit schip was kleiner en sneller dan de Virginia. Beide merkwaardige pantserschepen overleefden de vier uren durende strijd die een einde maakte aan de heerschappij der houten oorlogsbodems.

Battle of Hampton Roads

Vooral het revolutionaire ontwerp van de Britse Dreadnought aan het einde van de 19e eeuw bracht op het gebied van zee oorlogvoering grote veranderingen met zich mee. Dit schip, naamgevend voor een scheepstype, had maar liefst tien kanonnen van 305 mm. De effectiviteit en dracht van deze scheepskanons was dusdanig dat er ook een compleet nieuw vuurleidings- en vuurwaarnemingssysteem nodig was. Optische afstandsmeters waren van belang om de afstand tot het doel te meten. Door de toenemende afstand van ca. 10 km waarop het scheepsgeschut schoot was het nodig om in de schootstabellen rekening te houden met de corioliskracht, bijvoorbeeld in de Slag bij de Falklands. De Zeeslag bij Jutland was de grootste zeeslag aller tijden met gepantserde oppervlakteschepen die elkaar op grotere afstand bestookten met scheepsgeschut. Het directe zeegevecht had definitief plaatsgemaakt voor het indirecte zeegevecht.

Rond de Tweede Wereldoorlog zette die trend zich nog verder door met onder meer de slagschepen Bismarck, de Tirpitz met vier geschuttorens van elk twee kanonnen van 380 mm en de Yamato met drie geschuttorens van elk drie kanonnen van 460 mm. Een vernieuwing was ook de radar voor vuurgeleiding, zodat het scheepsgeschut ook bij slecht weer of ‘s nachts nauwkeurig gericht kon worden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleek echter dat grote oppervlakteschepen met hun grote kanonnen geen rol van betekenis meer speelden: vliegdekschepen en duikboten vernietigden de oppervlakteschepen met bommenwerpers en torpedo’s. Schepen zelf bleven buiten het bereik van vijandelijk scheepsgeschut.  De Slag bij Midway tussen Japanse en Amerikaanse vloten werd zelfs compleet op afstand met vliegtuigen en duikboten uitgevochten. Geen enkel Japans of Amerikaans schip had elkaar gezien. Na de Tweede Wereldoorlog werd het scheepsgeschut gaandeweg vervangen door kruisraketten, vanwege het groter bereik en de betere richtbaarheid. Scheepsgeschut, met kleinere kalibers en automatisch vuur werd alleen nog maar gebruik voor nabijbeveiliging tegen vliegtuig en zelf deze functie werd op termijn vervangen door (geleidde) raketten.

Kortom: op zee is er een duidelijke verschuiving waarneembaar van fysiek vechtende mannen, via direct vurende platforms naar indirect vurende platforms. Zeeschepen vechten niet meer zelf, maar zijn overduidelijk een platform geworden, waar vanaf wapensystemen in meerdere vormen kunnen worden gelanceerd, zoals raketten of vliegtuigen. Wel zijn deze platforms goed beschermd door eigen beschermingsmiddelen of in eigen vlootverband varende beschermende schepen.

Vliegtuigen

November 1911 – luitenant Giulio Gavotti schreef zijn vader in een brief:”Vandaag heb ik besloten om granaten vanuit het vliegtuig te gooien. Het is de eerste keer dat we dit doen en als het slaagt ben ik blij de eerste te zijn geweest die dit deed.”

Oorlogvoering in de lucht heeft een soortgelijke ontwikkeling meegemaakt. De luchtballon was al in 1783 uitgevonden en werd gebruikt tijdens de Frans-Duitse Oorlog en Amerikaanse Burgeroorlog voor communicatie- en waarnemingsdoeleinden. Uiteindelijk mondde dit uit in de enorm Zeppelin die tijdens de Eerste Wereldoorlog nog militair werd ingezet.  Het zweefvliegtuig werd voor het eerst succesvol getest door Otto Lilienthal in 1891 en in 1903 wisten de Amerikaanse Gebroeders Wright met hun zelf gebouwde gemotoriseerde vliegtuig, “The Flyer”, als eerste een gecontroleerde vlucht te maken. Het vliegtijdperk was begonnen. De militaire waarde van het vliegtuig werd onmiddellijk ingezien en in 1911 was de Italiaanse luchtmacht de eerste die vliegtuigen in een directe rol inzette voor verkenningen en bombardementen tegen Ottomaanse doelen bij de strijd om Libië.

De Eerste Wereld oorlog versnelde het militaire gebruik van vliegtuigen en leidde tot spectaculaire ontwikkelingen. Vliegtuigen werden allereerst ingezet als verkenner, maar begonnen al snel elkaar met handvuurwapens en later boordmitrailleurs te beschieten. Experimenten met grotere vliegtuigen brachten ook het gebruik als bommenwerper dichterbij. De Britse marine zette haar vooroorlogse testen van opstijgen en landen vanaf schepen voort, wat resulteerde in de eerste torpedobommenwerpers, die gebruikt werden bij zeegevechten en bij raids vanaf zee op land.

De razendsnelle technologische ontwikkelingen leidden niet alleen tot snellere, betere en verder en hoger vliegende vliegtuigen, maar ook tot veranderingen in het optreden van vliegtuigen. Terwijl aanvankelijk er sprake was van individueel of in kleine groepjes optredende vliegtuigen, bedachten luchtmachtofficieren al snel dat optreden in grotere, samengestelde verbanden (luchtvloten) effectiever was. Vooral aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was er al sprake van gecoördineerde luchtformaties. Nadeel was nog wel dat vliegtuigen voor opstijgen en landen afhankelijk bleven van vliegvelden, die vanzelfsprekend ook beschermd moesten worden.

Fokker D21

Tussen de beide wereldoorlogen ontstonden door civiele ‘luchtraces’ een complete nieuwe generatie snelle jachtvliegtuigen, zoals de Fokker, Messerschmidt, Focke Wulf, Spitfire, Hurrican, Yak, Mustang en Zero. Grotere passagiersvliegtuigen versnelden ook de ontwikkeling van grotere bommenwerpers. Er ontstonden duikbommenwerpers, nachtjagers en de straalmotor werd geïntroduceerd. Boordmitrailleurs maakten plaats voor boordkanonnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam de afstand waarop vliegtuigen elkaar bestookten toe. Ook maakte de invoer van de radar en radiocommunicatietechniek het mogelijk om luchtvloten langer uit elkaar te houden en pas op het geschikte moment te lanceren. Bommenwerpers begonnen door de toegenomen dreiging van luchtafweergeschut en verbeterde richttechnieken hoger te vliegen. Kortom er begon ook in het luchtdomein een duidelijke verschuiving plaats te vinden van direct naar indirect.

Deze trend werd vervolgens nog eens versnel door de wapenwedloop tussen het Warschaupact en de NAVO. Vliegtuigen vlogen hoger, werden steeds sneller en konden nog langer in de lucht blijven. Chuck Yeager doorbrak als eerste de geluidsbarrière, spionagevliegtuigen vlogen vervolgens tot drie maal zo snel als de geluidssnelheid.

De introductie van geleidde rakettechnologie vergrootte de onderlinge afstand tussen vechtende vliegtuigen aanvankelijk tot ‘buiten gezichtsveld’ en later zelfs tot ‘voorbij de horizon’.  Boordkanonnen werden vervangen door of aangevuld met boordraketten. Tijdens de Israëlisch-Arabische oorlogen beschoten vliegtuigen elkaar en gronddoelen op aanzienlijke afstand en tijdens de NAVO inzet op de Balkan werden Servische vliegtuigen door NAVO jachtvliegtuigen neergehaald, terwijl ze alleen met een ‘rood icoontje’ op het radarscherm gezien geweest waren.

Kruisvluchtwapens; ook Nederland beschikt over deze precisie bewapening.

De introductie van plaatsbepalingstechniek en verbeterde rakettechnologie leidde tot gebruik van kruisvlucht wapens, waarbij doelen over een afstand van 1500 km met grote precisie kunnen worden aangevallen. Drone-technologie maakt het heden ten dage zelfs mogelijk om vanaf de ene kant van de globale punt doelen op de andere kant van de globe te raken.

Vliegtuigen zijn daarnaast inmiddels gedigitaliseerd en kunnen alleen met behulp van een computer gevlogen worden, het zogenaamde fly-by-wire-principe. Intussen is er door verbeterde avionica, halfgeleiderradar en nieuwe motoren, sprake van een 4e generatie (F-16, Mirage, MIG 31) en 5e generatie (F-22 Raptor, F-35 Joint Strike Fighter) jachtvliegtuigen. Bij deze generatie is er sprake van stealth-technieken, lichtere en sterkere materialen en speciale besturingsinstrumenten, waarbij de piloot met een head-up display of helmet-up display alleen nog maar naar het doel hoeft te kijken om het doel te kunnen raken. Ook is deze generatie vliegtuigen voorzien van sensorpaketten en zijn ze verbonden om snel gegevens en data te kunnen uitwisselen. Niet alleen onderling, maar ook met grondstations en grondeenheden.

Net zoals in het zeedomein hebben ook in het luchtdomein een duidelijk indirect karakter gekregen. Vliegende platform vechten nauwelijks nog zelf, maar functioneren meer als platform waarmee effecten over enorme afstanden kunnen worden gelanceerd. Hierbij valt niet alleen te denken aan raketten en geleidde bommen, maar ook aan elektronische stoormaatregelen en zelfs nucleaire, chemische of biologische wapens. En dat alles met nauwkeurige precisie en enorme vernietigingskracht.

Kanonnen

Ook op het landdomein is de verschuiving van direct naar indirect onmiskenbaar. Terwijl aanvankelijk bewapende mannen elkaar lijfelijk bevochten in een melee-gevecht of in slagorde, werden al snel boogschutters en bewegelijke cavalerie gebruikt om te ontkomen aan de moorddadige nabijgevechten.

Trebuchet

Ook bij belegeringen werden niet langer muren bestormd met ladders, aanvalstoren of touwen, maar werden rammen, katapulten, trebuchets en tunnels ingezet. Steeds vaker werd in de Middeleeuwen eerst de vijandelijke formatie ontregeld of een versterking ‘stormrijp’ geschoten, voordat eigen lopende en dus kwetsbare infanterie werd ingezet.

Dit aspect werd ook na de introductie van het buskruit voortgezet. Hoewel aanvankelijke technologische beperkingen van kanonnen en handvuurwapens grootschalige inzet belemmerden, werd dit vooral aan het begin van de 17e eeuw snel anders. Kanonnen en handvuurwapens werden de belangrijkste wapens in het landdomein en veranderen wezenlijk oorlogvoering op het land. Infanterieformaties werden meer gespreid en op grotere afstand neer gezet. Enerzijds om de intensiteit van het eigen vuur te vergroten en anderzijds om de kwetsbaarheid voor vijandelijk vuur te vergroten. Slag- en stootwapens verdwenen en werden vervangen door geweren en mitrailleurs. Ook deden handgranaten hun intrede.

Technologische verbetering van de kanonnen en verschoten granaten leidden tot de introductie van mortieren en lange afstandsgeschut. Hierbij kon de geschutsbemanning de uitwerking van het eigen artillerie- of mortiervuur niet langer zelf waarnemen en moest men voor geleiding van het uitwerkingsvuur vertrouwen op de ogen van anderen. De reikwijdte van de artillerie liep bovendien snel op en bereikt met de introductie van raketartillerie tegenwoordig meer dan 80 km. Bovendien kan door de koppeling van technologische sensoren aan artilleriesystemen ook met nauwkeurige precisie diep in vijandelijk gebied doelen met slechts enkele granaten worden vernietigd. En dat zonder al teveel bijkomende schade. Artillerie is dus veranderd van een direct in een indirect wapen.

PULS raketartillerie op Tatra 815-onderstel

Dit geldt ook voor de infanterie. Uitgerust met moderne geweren zijn de onderlinge afstanden in het open terrein opgelopen. Slechts in urbane gebieden wordt nog op kortere afstand gevochten. Ook de introductie van draagbare sensoren (EOV en Drones) maakt dat vijand al ‘waarneembaar’ is voordat ze gezien en beschoten kan worden. Ook draagbare mortieren en ‘underslungs’ maken dat infanterie niet meer het fysieke nabijgevecht hoeft aan te gaan om vijand te doden.  Een trend zich ook weerspiegelt in de configuratie van infanteriegevechtsvoertuigen waarneembaar is. Terwijl aanvankelijk ze alleen als ‘gepantserde taxi’ gebruikt werden, zijn ze nu uitgerust met snelvuurkanonnen en raketsystemen en komen ze over grotere afstanden (tot soms wel 4 km) gericht vuur uit brengen. En dat terwijl tegelijkertijd de eigen bescherming en mobiliteit ook is verbeterd. Er is werkelijk nauwelijks meer reden om het ‘wit in de ogen van de vijand’ te zien. Ook de infanterie is min of meer een indirect wapen geworden.

Tanks

Terug naar de tanks. Als we in alle domeinen een overduidelijke trend zien van direct naar indirecte uitwerking, kan het niet anders dan dat dit ook geldt voor het landdomein. Ook in het landdomein zien we de afstand waarop legers elkaar aangrijpen gaandeweg toenemen. Van de uiterst persoonlijke confrontatie van de legers in de tijd van Alexander de Grote tot het aangrijpen van landdoelen op honderden meters tot kilometers afstand. In het geval van grondgebonden (raket)artillerie zelfs tientallen kilometers afstand. Toch verdient dit beeld nuance. Het landdomein loopt wat deze trend betreft duidelijk achter bij de andere twee domeinen. Dit komt uiteraard doordat het landdomein onoverzichtelijker en complexer is dan de andere twee domeinen. Natuurlijke en door de mens gemaakte obstakels vertroebelen het beeld. Mensen zijn in het landdomein steeds in staat gebleken de toegenomen effectiviteit van sensoren en wapensystemen tegen te gaan door diverse vormen van camouflage, bescherming en misleiding. Dit blijft ook in de toekomst onverminderd het geval. Toch is de trend onmiskenbaar. De effectiviteit van sensoren neemt hand over hand toe. Kunstmatige intelligentie en robottechnologie zullen ons in staat stellen de toegenomen stroom aan informatie met toenemende snelheid te verwerken en met precisie geïdentificeerde doelen aan te grijpen. Drones domineren tegenwoordig de lucht boven elk gevechtsveld.

Drone operator

Moeten we daarom niet afscheid nemen van de gedachte van een tank als direct vurend platform en onze gedachten focussen de tank als een mobiel, goed beschermd indirect vurend platform? En is die trend al niet waarneembaar?  Immers de eerste generatie tanks waren langzaam, matig bepantserd en beschikten over mitrailleurs en kleinere kanonnen met beperkte reikwijdte. De huidige generatie tanks is snel, meervoudig en meerlaags beschermd en beschikt over zowel gyrogestabiliseerde kanonnen met een bereik van meer dan 4 km. En alsof dat nog niet genoeg is zijn er ook vaak geleidde raketsystemen aan boord. Daarnaast zijn er al volautomatische laadinrichtingen en werd er geëxperimenteerd met robotisering van deelsystemen van de tank. Het Amerikaanse leger testte onlangs al een onbemande variant van de M1 Abrams mijnenruimtank, een omgebouwde M1150 Assault Breacher Vehicle (ABV) dat nu als Robotic Complex Breach Concept Vehicle door het leven gaat. Ook begint radartechniek, EOV-middelen en verbeterde akoestische techniek haar intrede te doen. En zijn er al automatische verdedigingssystemen tegen (kleinere) drones op de markt. Maar ook hier is de trend duidelijk waarneembaar dat de onderlinge vuurafstanden tussen vijandelijke tanks toenemen tot een dusdanige afstand dat ze noch met het blote oog noch met optiek van de tanks zelfs, waarneembaar zijn.

M1150 Assault Breacher Vehicle (ABV)

Wij beargumenteren dus dat de toekomstige tank een ander basis ontwerpprincipe moet hebben. Niet langer een mobiel, beschermd, direct vurend kanon, maar een mobiel, meervoudig beschermd lanceerplatform meer meerdere (wapen) systemen. Die, indien massaal optreden, tactisch doorbraken kan forceren, als onderdeel van een netwerk, een gelaagd systeem van diverse elkaar aanvullende sensoren en wapensystemen. Het hoeft hierdoor niet langer fysiek op een terreindeel aanwezig te zijn om deze te domineren. Die operationeel beslissend voordeel kan behalen door zelfstandig opererend succes uit te buiten. Die over langere afstand zelfstandig kan optreden. Die bovendien nog steeds het verschil kan maken in infanteriegevechten. Een platform dat deels gerobotiseerd is. Een platform wat meervoudig tegen een grotere verscheidenheid aan dreigingen is beschermd. Een platform wat weliswaar een direct vurend wapensysteem heeft voor nabijbeveiliging, maar haar kracht haalt uit de mogelijk tot lanceren raketten, drones, quadcopters, EMS-energie en zelfs ‘direct high energy’. En deze middelen zijn afweermiddelen, waarnemingsmiddelen maar vooral ook vernietigingsmiddelen die vanuit het tankplatform kunnen worden bediend.

U zult zich afvragen wat dan eigenlijk nog het verschil met artillerie is?  Dit wapen bezit immers nu al soortgelijke aspecten. Het verschil is echter dat in tegenstelling tot artillerie de nieuwe tank geheel zelfstandig kan optreden en dat ook meerdaags kan volhouden. Haar sensoren, beschermingsmiddelen en effectsystemen zijn allemaal direct aan het platform gekoppeld. Er hoeven dus geen verbindingen met waarnemers of sensoren onderhouden te worden, omdat het platform alles zelf aan boord heeft en ook na lancering desgewenst weer terug aan boord kan nemen. Het platform is dus ook niet afhankelijk van verbindingen. Het maakt gebruik van fire-and-forget systemen, die indien mogelijk zelfgeleidend zijn. De middelen en het tankplatform beschikken ook over inerte navigatietechniek. Het platform kan dus ‘disconnected’ optreden, een belangrijk voordeel gezien de huidige RF-dreiging op EOV- en Cybergebied.

Belang van massa en kosten technologie

Een aspect waar we trouwens ons nog wel rekenschap moeten geven is de exponentieel stijgende kosten van wapensystemen. Zowel in het zeedomein als luchtdomen zijn de kosten van de wapenplatform enorm gestegen en is de kwaliteit ten koste gegaan van kwantiteit. Hierdoor is het voor arme landen nauwelijks meer mogelijk om kwalitatief hoogwaardige wapensystemen aan te schaffen. Hoewel ook de stijgende welvaart in theorie ook meer geld beschikbaar komt voor militaire uitgaven, wordt het ook voor rijkere landen steeds moeilijk om voldoende hoogwaardige wapensystemen te kopen. En op een gegeven moment wordt een kritische ondergrens bereikt. Enerzijds doordat er geen voldoende wapensystemen zijn om verloren gegane verliezen te vervangen en anderzijds doordat niet alleen politici, maar ook admiraals en generaals vermoedelijk terughoudender worden om deze dure wapensystemen in de waagschaal te gooien.

Nederlandse F35A Strike Fighter en een U.S. Air Force B2 bommenwerper

Een voorbeeld is de door Nederland bestelde Joint Strike Fighter. Hoewel de stuksprijs door de grote aantal die internationaal besteld zijn, is gedaald, is dit nog altijd zo’n $89 miljoen, omgerekend €77 miljoen euro. De Amerikaanse defensie heeft in het totaal bijna 2.500 van deze vliegtuigen begroot. Het totale prijskaartje van deze onderneming bedraagt zo maar liefst $326,5 miljard, inclusief een ontwikkelingskost van $58,4 miljard, maar exclusief een onderhoudskost van $267,6 miljard. Het Nederlandse kabinet heeft voor het hele JSF-project €4,5 miljard uitgetrokken. En F-16 kostte destijds slechts €15 miljoen. Hoewel de vergelijking deels mank gaat i.v.m. inflatie kan voor één JSF toch op zijn minst 5 F-16’s worden gekocht. Een Spitfire of Mustang gevechtsjager uit WO II kostte destijds in hedendaagse prijzen rond de $ 662.000. Dus één F 35 kost net zoveel als 12 Spitfires. Overigens is de F-22 Raptor nog duurder. Dit extreem snel gevechtsvliegtuig dat ook nog eens onder de radars blijft, kost $211 miljoen. Amper tien van deze vliegtuigen zijn zoveel waard als het volledige BBP van Groenland.

Dezelfde argumentatie gaat op voor gevechtstanks. De M1 Abrams M1A2 tank is de belangrijkste tank van de Amerikaanse en koste in 1999 al $6.2 miljoen. Een Sherman kostte in 1942 zo ongeveer $33.000, wat nu gelijk staat aan $ 550.000 heden ten dage. Een M1 Abrams M1A2 is dus ongeveer 11 maal zo duur als een Sherman. En omdat de effectieve Russische T34 destijds maar $24.400 (nu $256.500) kostte, kon men daar zelfs 22 stuks van kopen. Overigens waren Duitse tanks destijds duurder, namelijk een $46.400 voor een Panzer IV, $60.000 voor een Panther en zelfs $119.900 voor een Tiger I tank. Maar de gigantische gestegen kosten blijken ook uit de budgetten voor tanks.

M1A2 Abrahams (in gebruik tijdens tankwedstrijd in VS door NL team)
M4 Sherman tank
Tiger-1 tank

Maar in grote lijnen kunnen we dus stellen dat geavanceerde hoofdwapensystemen in 50-60 jaar tijd tien tot twaalf keer zo duur zijn geworden! Er gaan dan ook steeds meer stemmen op die stellen dat er teveel geld wordt verspild aan technologische vernieuwing voor geavanceerde wapensystemen, die kwetsbaar blijven voor relatief goedkope raketten. Het militair operationeel voordeel wat met deze geavanceerde techniek wordt behaald gaat verloren doordat er mindere aantallen van beschikbaar zijn. Tekenend hiervoor zijn de groeiende defensiebudgetten, maar tegelijkertijd dalend aantal wapensystemen. Militaire superieure technologie is dus uiteindelijk met grote aantal goedkopere wapensystemen op te vangen.

Een manier om deze ontwikkeling tegen te gaan is robotisering en droid-systemen. Onbemande systemen, mits goedkoop, kunnen massa terugbrengen in het gevecht. Met een lager belang voor bescherming kan tegen dezelfde kosten meer wapensystemen tegelijkertijd operationeel worden gehouden. Hier komt het argument vandaan om ook in de next generation tanks over te gaan tot (deels) onbemand technologie.

Technologie & de oorlog van de toekomst

Technologie wint geen oorlog. Dit lijkt een vreemde uitspraak na in de bovenliggende alinea’s de voortrazende technologische ontwikkelingen te hebben verheven tot doel op zich. Dat is het niet. Technologie plays to our strengths. Het geeft ons een ingang tot een methode om een vijand met een numeriek overwicht te verslaan. Het buit het innovatieve karakter van onze economie en onze mensen uit. Het buit wellicht ook de technologische voorsprong uit die we vandaag de dag – in ieder geval op een aantal vlakken – nog hebben. Maar technologie an sich wint geen oorlogen. Het bekende voorbeeld van de technologisch betere tanks van het Franse leger die werden ingezet als steunpunt voor infanterie-eenheden, terwijl de technologisch inferieure tanks van het Duitse leger georganiseerd in Panzer divisies met grote snelheid de statische Franse divisies uitmanoevreerden, spreekt hierbij boekdelen. Naast het nadenken over het platform is het dus van groot belang om na te denken over een bijbehorende doctrine.

In het landdomein speelt daarnaast nog iets anders een rol. In het maritieme domein en het luchtdomein wordt betere technologie vrijwel altijd uiteindelijk door tegenstanders gecountered door nog betere technologie. Denk hierbij aan de ontwikkeling van de onderzeeboot, maar ook stealth-technologie en verbeterde radartechnologie. Op het landdomein is dit niet altijd het geval. De opponent richt soms, en wellicht zelfs in toenemende mate, tot laag technologische of civiel beschikbare technologie om een hoogtechnologische krijgsmacht aan te grijpen en zelfs te verslaan. De gebeurtenissen in Algerije, Vietnam, Afghanistan en Irak van de afgelopen tientallen jaren spreken wat dat betreft tot de verbeelding. Technologie vergroot dus weliswaar in grote mate de kans op succes op het slagveld, maar is op zich geen garantie voor de overwinning. Daarvoor is immers de hedendaagse conflictomgeving te complex. Bovendien is oorlogvoering te dynamisch, te frictueus en te weerbarstig. Oorlogvoering is ellende. Bovendien is oorlog attritie. Het gaat niet om wie de beste technologie heeft en de meeste vijandelijke wapenplatforms vernietigd, maar wie deze technologie het beste gebruikt en het snelst kan eigen wapenplatforms kan bouwen. Daarom moeten we snel aan de slag om verbeterde operationele en tactische concepten te winnen. De introductie van AI, CEMA, robotica en Drones op het slagveld maakt dat we geen tijd te verliezen hebben. Ook niet bij de ontwikkeling van nieuwe (tank)concepten.

Future (tank) battle concept

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!