Door kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel
Enkele jaren geleden draaide op NetFlix de populaire Deense serie ‘1864.’ De serie ging over de belevenissen van Deense militairen in de oorlog van 1864. Hierin werd ondermeer verwezen naar de door Denemarken gewonnen oorlog tegen Pruisen en Sleeswijkse opstandelingen in 1850. Deze oorlog, die ook wel de eerste Sleeswijkse oorlog wordt genoemd, is echter vrij onbekend, terwijl er toch ook een Nederlandse eenheid aan deelnam, waaronder een eskadron van het regiment Huzaren van Boreel. Tijd voor wat achtergrond.
In 1848 waren de beide hertogdommen Holstein en Sleeswijk onderdeel van het Koninkrijk Denemarken. Holstein was echter ook lid van de (noord) Duitse Confederatie, de opvolger van het Habsburgse Rijk. Holstein had een Duitstalige bevolking en Sleeswijk een gemengd Duits-Deens talige bevolking. Geïnstigeerd door de Parijse rebellie van 1830 en de in de hierop volgende decennia politieke tumult, waren ook in Holstein, maar vooral in Sleeswijk de politieke spanning enorm opgelopen. Het verzet tegen de absolute macht van het Deense Koningshuis was groot.

Toen in 1848 in diverse Europese steden een nieuwe golf van rebellie uitbrak (Keulen, Heidelberg, Parijs, Hannover, Berlijn, Wenen, Venetië) greep de broer van de gouverneur, generaal Nör, zijn kans en marcheerde met militaire eenheden van Kiel van Rendsburg en riep de onafhankelijkheid van Sleeswijk-Holstein uit. Zijn broer, de gouverneur zelf, was op dat moment in Berlijn en riep de hulp van de Duitse troepen in. De Pruisische koning, Friederich Wilhelm IV, was blij dat hij een extern probleem had om de aandacht van zijn interne (Berlijnse) problemen af te leiden en gaf opdracht om het 10 Legerkorps van de Duitse bond te laten ingrijpen in Sleeswijk Holstein. De in Sleeswijk en Holstein gelegerde Deense lokale eenheden liepen vrij massaal over naar de nieuwe opstandige regering. Sleeswijk-Holstein beschikte hierdoor dus snel over een eigen leger. De Denen zelf daarentegen, met een nieuwe jonge koning Frederik VII, aan de macht, mobiliseerden en marcheerden op 29 maart 1848 Sleeswijk-Holstein binnen.
Op 9 april slaagde het Deense leger (onder generaal Hedemann) erin om het legertje van Sleeswijk-Holstein te verslaan bij Böv en terug te drijven tot voorbij Flensburg. Maar enkele dagen later stuitten ze bij hun opmars op het naderende Pruisisch Duitse leger bij de stad Sleeswijk, gecommandeerd door Wrangel. Na link-up met het Sleeswijk-Holstein leger, slaagde Wrangel er in de Denen terug te drijven naar het noorden. I.p.v. richting Jutland terug te trekken, evacueerde Hedeman zijn leger naar het eiland Als, met de sterke vesting SØnderborg met op de achtergrond het grotere eiland Fyn (ook wel Funen genoemd). Dit was een verstandige keuze omdat Denemarken met haar marine de zeeën beheerste. De Deense troepenmacht kon hierdoor een flankbedreiging blijven vormen. Aangenomen werd dat het Duits-Pruisische leger niet verder zou oprukken dat de grens van Sleeswijk-Holstein met de rest van Denemarken.

Terwijl Denemarken haar troepen begon te versterken op de eilanden Als en Fyn, stuurde Wrangel echter wel zijn troepen richting Jutland en begon het platteland te plunderen. Zijn detachementen bereikten zelfs Aarhus, halverwege Denemarken. Dit optreden wekte echter internationale bezorgdheid en zowel Zweden (gedeeltelijke mobilisatie in Zuid Zweden) als Engeland begon zich met het conflict te bemoeien. Bezorgd gaf op 25 mei de Pruisisch regering opdracht aan Wrangel om zich terug te trekken.
De verspreiding van de Duitse, Pruisische en Sleeswijk-Holsteinse eenheden over een groter gebied was een kans voor het sterker wordende Deense leger. Op 28 mei staken ze de zee-engte over en vielen bij Sundeved de plaatselijke vijandelijke eenheden aan. Een bericht van de Deense regering aan Hedemann dat hij niet mocht aanvallen, maar zijn troepen naar Jutland had moeten overbrengen, was in de ochtend van 28 mei tijdig aangekomen, maar werd genegeerd door Hedemann. De Deense aanval slaagde erin een bruggenhoofd te vestigen op het vasteland. Dit bruggenhoofd werd op 5 juni door een aanzienlijke Duits-Pruisische aanvalsmacht aangevallen. Deze aanval werd, weliswaar met moeite, door de Denen afgeslagen en een Deense tegenaanval herwon al het initieel verloren gegane gebied. Deense aanvallen op de uit Jutland terugtrekkende Duitse, Pruisische en Sleeswijk-Holsteinse eenheden werden over het algemeen afgeslagen. Zweden had intussen de leiding genomen over de internationale onderhandelingen en als dreigementen richting Pruissen 5.000 Zweedse troepen naar Fyn gezonden.
Nadat een eerste ronde van onderhandelingen was mislukt (Denemarken weigerde Sleeswijk in tweeën te splitsen) dreigde het wapengekletter opnieuw te beginnen. De Deense generaal Hedemann verklaarde de wapenstilstand voor ongeldig, maar voordat hij de gevechten opnieuw kon starten, werd hij ontslagen door de Deense koning en vervangen door generaal Von Krogh. Ook Wrangel moest het veld ruimen en werd door Prittwitz. Bonin was intussen de commandant van het leger van Sleeswijk-Holstein geworden. De Denen benutten de tijd van onderhandelingen wel door met hun marine alle Pruisische havensteden in de Oostzee te blokkeren. Later werden ook de Duitse havensteden in de Noordzee geblokkeerd.
Op 3 april 1849 brak een nieuwe rond van gevechten uit met een poging van het Deense leger om uit hun bruggenhoofd bij Sundeved te breken. Deze aanval op de verdedigende eenheden van het Sleeswijks-Holsteinse leger werd afgeslagen nadat een divisie van het Duitse leger tussenbeide was gekomen. Een Deense martieme operatie met een slagschip, vier fregatten, een korvet en een stoomschip bij Eckernfjörde was door Sleeswijks-Holsteinse kustbatterijen afgeslagen, waarbij het Deense slagschip (de Christiaan VIII) was geëxplodeerd.
Nadat Duitse eenheden alle Sleeswijks-Holsteinse eenheden bij het bruggenhoofd van Sundeved hadden afgesloten, besloot generaal Bonin zijn vrijgekomen eenheden te gebruiken om opnieuw Jutland binnen te trekken, ondanks orders van Prittwitz die dit verboden. Het Denen verloren diverse kleinere schermutselingen en trokken zich deels terug in noordelijke richting en deels naar de sterke vesting Frederica. Prittwitz (die geen aanwijzingen van Berlijn ontving) slikte zijn trots in en stuurde een Duits-Pruisisch leger ook gedeeltelijk naar het noorden. Deense cavalerie werd gebruikt om Duits-Pruisische rekwisitie-tochten te ontregelen en Deense bevolking werd benut om bewegingen van Duits-Pruisische legereenheden te rapporteren.
Zowel de Duits-Pruisische eenheden als de Deense eenheden raakten verspreid over het gehele land. De Denen besloten echter tot een herconcentratie en concentreerden eind mei en begin juni 1849 hun eenheden (o.l.v. generaal Bülow) via maritieme operatie vanuit Helgenaes (op het schiereiland Mols, noord van Aarhus) naar Bogense op Fyn.

De maand mei werd door het Sleeswijks-Holsteinse leger gebruikt om de belegering van de vesting Frederica te verstevigen en bombardementen over en weer resulteerden in aanzienlijke schade en slachtoffers. Het Sleeswijk-Holsteinse leger begon zwaardere artillerie aan te trekken. De Denen maakten intussen plannen voor ontzet van Frederica. Oorspronkelijke plannen van het Deense leger om troepen ten noorden en zuiden van Frederica te laten landen en dan het Sleeswijks-Holsteinse belegeringsleger in te sluiten werd opzijgeschoven door de Deense marine. De marine calculeerde dat de grote hoeveelheid (ingegraven en goed beschermde) Sleeswijks-Holsteinse belegeringskanonnen teveel schade zou aanbrengen aan de marineschepen.
Uiteindelijk werd besloten om de Deense eenheden vanaf Fyn over te brengen naar de vesting Frederica zelf en dan uit te breken. De uitbraak gebeurde in de nacht van 4 op 5 juli 1849. Om 01.00 ’s nachts stormden 23.000 Deense troepen uit de vesting en overliepen de belegeringsstellingen van de 14.000 Sleeswijks-Holsteinse troepen van Bonin. Een hele dag met zware gevechten volgde, waarin o.a. de Deense generaal Rye het leven liet. Aan het einde van 5 juli was het Sleeswijks-Holsteinse leger echter teruggedreven en het beleg gebroken. Ze hadden 3.000 man verloren aan doden, gewonden en gevangenen (= 20%). Ook de Denen hadden zware verliezen geleden (1800 man), maar wel vrijwel al het belegeringsgeschut veroverd. Geheel Jutland werd nu weer ontruimd door het Duits-Pruisische en Sleeswijks-Holsteinse leger.
Vooral Pruisen was de oorlog zat en, mede vanwege de nog voortdurende burgeronrust in haar steden, deed vredesvoorstel op vredesvoorstel. Parallel aan de gevechten van 1849 gingen de vredesonderhandelingen in Londen door, maar deze leidden niet tot succes. Denemarken weigerde pertinent om haar belangen over Sleeswijk af te staan of een deling van Sleeswijk (in een Duitstalig en in een Deenstalig gedeelte) te accepteren. De stadholderskab (parlement) van Sleeswijk-Holstein vervingen intussen generaal Bonin door generaal von Willisen, een Pruis. In november 1849 sloegen de Pruisen een burgeropstand in Berlijn met harde hand neer en de vredesonderhandelingen werden in december van Londen naar Berlijn verplaatst. Zonder medeweten van Sleeswijk-Holstein sloten Pruisen en Denemarken echter een ‘geheim’ akkoord. Er zou een wapenstilstand worden gesloten, Sleeswijk-Holstein zou onder Deens bestuur blijven, Pruisische troepen zouden de orde bewaren in het zuiden van Sleeswijk en Zweedse troepen in het noorden. Als het Sleeswijks-Holsteinse leger zich tegen haar ontwapening zou verzetten, mocht het Deense leger tussenbeide komen en zou Pruisen niet ingrijpen. Op 4 juli 1850 werd een simpele vrede gesloten tussen Denemarken en Pruisen. De Pruisen zou Sleeswijk-Holstein niet langer steunen, maar behield wel ‘haar rechten’ in de twee hertogdommen. Binnen 11 dagen zouden de Pruisische troepen Sleeswijk verlaten en binnen 22 dagen Holstein. Denemarken beeindigde de zeeblokkades van Pruisische en Duitse zeesteden. Pruisische officieren die dienden in het Sleeswijks-Holsteinse leger werden verordonneerd hun posities te verlaten. De rest van de (noord) Duitse staten volgde in grote lijnen het voorbeeld van Pruisen. Sleeswijk-Holstein stond alleen.
Maar de aftocht van de Pruisen betekenden niet het einde van de gevechten. Denemarken besloot de ontwapening van de Sleeswijks-Holsteinse leger niet af te wachten en zond op 20 juli cavaleriepatrouilles over de grens. Op 24 juli werd de Deense aanval ingezet richting Sleeswijk en bij Isted werd op 25 juli slag geleverd. De slag bij Isted zou uiteindelijk de grootste slag worden op Scandinavisch grondgebied en Sleeswijks-Holsteinse soldaten verdedigden de stad hardnekkig. De Denen behaalden uiteindelijk de overwinning, maar niet nadat meer dan 3.200 Deense soldaten door en gewond op het slagveld achterbleven, terwijl de Sleeswijk-Holsteinse verliezen niet meer dan 1327 bedroegen. Sleeswijk werd door het Deense leger bezet.
De oorlog duurde nog een half jaar en gedurende deze periode waren er nog enkele kleinere veldslagen, o.a. bij Friedrichstadt (4 oktober) en Jagel. Een Sleeswijks-Holsteinse poging om bij Mysunde de stad Sleeswijk in het oosten te omtrekken en het Deense leger in de rug aan te vallen, mislukte. De druk op Sleeswijk-Holstein om de handdoek in de ring te gooien nam echter snel toe. Vooral de dreigementen van Oostenrijk-Hongarije om zich met de oorlog te gaan bemoeien, deed Pruisen besluiten om de druk op Sleeswijk-Holstein te vergroten door te dreigen met inzet van het Pruisische leger tegen het Sleeswijks-Holsteinse leger.

Op 11 januari 1851 besloot het stadholderskab (parlement) van Sleeswijk-Holstein de wapens neer te leggen. Het had nog steeds 860 officieren en 43.288 manschappen ter beschikking, waaronder 3.000 van de (noord) Duitse bond en zelfs nog 2.000 vrijwilligers uit Pruissen. In de hierop volgende weken werd het leger teruggebracht tot 13.000 man en de rest gedemobiliseerd. Denemarken bezette de rest van Sleeswijk en Holstein en nam de bewapening en geschut van het Sleeswijks-Holsteinse leger over. Toch nog goed voor 645 kanonnen, 54.810 musketten, geweren en pistolen, 42.660 sabels en 17.900 zadels. In 1852 werd uiteindelijk het verdrag van Londen getoond.
De naoorlogse situatie bleef troebel. De Deense controle over Sleeswijk en Holstein was strak, de Deense taal werd verplicht in bestuur en onderwijs, maar ze gaven wel amnestie aan alle militaire van het opstandige leger. De leiders van de Sleeswijks-Holsteinse opstand werden echter wel verbannen en hun bezittingen geconfisqueerd. Veel Sleeswijks-Holsteinse officieren (10%) verliet het gebied en vertrok naar de USA.
De situatie werd pas opgelost, opnieuw met geweld, toen de nieuwe Pruisische kanselier, Otto von Bismarck, het dispuut aangreep in 1864 voor een door Deens kortzichtige politiek en overschatting van het eigen militair vermogen, uitgelokte oorlogsverklaring van Berlijn aan Kopenhagen. Dit maal verliep de oorlog minder gunstig voor Denemarken en de energieke Pruisische leger maakte korte metten met het (tragere) Deense leger. De hertogdommen werden losgemaakt van Denemarken, inclusief het Deenstalige noordelijke gedeelte van Sleeswijk. Pas in 1920 keerde dit gedeelte na een volksreferendum terug naar Denemarken.
Nog een paar afsluitende opmerkingen. De belangrijkste plaats in deze oorlog was Sleeswijk. In en om deze plaats vonden veel gevechten plaats, zowel aan het begin als aan het einde van de oorlog. Het strategisch belang van deze plaats is gelegen in het feit dat hier de belangrijkste verdedigingslinie Dannevirke, aansluit aan een zee-engte. Dit gedeelte van het gebied is namelijk het smalst en het best verdedigbaar, met een moerasgebied op de noordzeeflank en de sterke vestingstad Sleeswijk op de Oostzeeflank. Het te daadwerkelijk te verdedigen gebied is hierdoor in de praktijk slechts 6 km. Deze Dannevirke linie komt in de NetFlix serie 1864 vrij prominent in beeld omdat hier Denemarken zich probeerde te verdedigen tegen de Pruisisch legers o.l.v. wederom Von Wrangel. Zijn energie was echter verdwenen en het Pruisische succes was in 1864 vooral te danken aan de jonge “Rode Prins”, Frederik Karl van Pruissen, met op de achtergrond Helmuth von Moltke (de oudere), chef van de Pruisische generale staf.
Wat veel mensen (ook) niet weten is dat ook Nederland betrokken was in deze oorlog. Doordat Limburg lid was van de (noord) Duitse bond (afgedwongen door Pruisen tijdens de vredesonderhandelingen tussen Nederland en België in 1830 en geaccepteerd door Nederland om dit gedeelte van Limburg met de verbinding naar Maastricht te kunnen behouden), moest deze provincie een legerdetachement samenstellen en dit naar Sleeswijk-Holstein sturen. Dit Limburgse legioen heeft niet officieel aan de strijd deelgenomen, waar is wel gebruikt als bezettingseenheid in enkele Holsteinse steden. Ook een (bonds)eskadron van het 2e Regiment Lansiers (dat later 4e Regiment Huzaren en daarna het Regiment Huzaren van Boreel werd) deel uit van dit legioen. Het Regiment Huzaren van Boreel heeft dus tegen Denemarken gevochten.