Door kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel

Dit artikel beschrijft de geschiedenis van tanks binnen de Koninklijke Landmacht. Het behandelt in het kort de introductie, opbouw, modernisering, afschaffing tot en met de voorgenomen wederinvoering van tanks in het Nederlandse leger. Hiermee beoog ik inzicht te geven in de beweegredenen waarom de leiding van de Koninklijke Landmacht bepaalde ‘tank’-besluiten nam. Deze opfrissing van het collectief geheugen kan bijdragen om in de toekomst geen politiek opportunistische keuzes meer te maken, maar weloverwogen tactisch operationele keuzes rondom wapensystemen.
Vechtwagens in Nederlands-Indië
De eerste Nederlandse tanks deden niet hun intrede in Nederland, maar in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Reeds voor de oorlog met Japan werd geëxperimenteerd met ‘vechtwagens’, zoals tanks binnen het KNIL werden genoemd, en getracht bataljon vechtwagens op te richten. Helaas konden de gedane vechtwagen-bestellingen in Engeland en de USA niet tijdig worden uitgevoerd, zodat slechts enkele vechtwagens Java bereikten. Deze werden samengevoegd in een ‘Mobiele Eenheid’ en in de strijd geworpen. In de slag bij Soebang en rond de Tjiater-pas (maart 1942) delfden ze het onderspit tegen de Japanse invasie troepen.

Na de oorlog werden door het KNIL vier vechtwagen eskadrons opgericht. De eskadrons werden allemaal uitgerust met van de Britten overgenomen Amerikaanse lichte Stuart tanks. Met deze tanks werden de eerste twee eskadrons in maart en april 1946 uitgerust en enkele maanden later ook het 3e en 4e eskadron. De officiële oprichtingsdatum was voor alle eskadrons hetzelfde namelijk 15 mei 1946. Vanwege uitputting en verlof tegoeden werd besloten om de KNIL-eskadrons vechtwagens af te lossen door KL-eenheden. Een aantal Stuart tanks was intussen door Nederland aangekocht en naar Amersfoort (Bernhardkazerne) gedirigeerd voor opleidingen. In maart 1948 vertrokken vier nieuwe zelfstandige tankeskadrons vanuit Nederland. Dit waren het 5e t/m 8e Eskadron Vechtwagens. Na afloop van de 1e Politionele Actie, werden de tanks en andere voertuigen van de KNIL-vechtwagen eskadrons overgenomen door personeel van de in Nederland samengestelde eskadrons. Na de onafhankelijkheid van Indonesië en de hiermee gepaard gaande opheffing van het KNIL, bleven veel vechtwagens (Stuart-tanks) achter in Indonesië.

Vechtwagens in Nederland
Terug in Nederland richtte de Landmacht-leiding zich op de verdediging van Nederland in bondgenootschappelijk verband en probeerde de lessen uit de Tweede Wereldoorlog toe te passen. Dienstplicht werd stringenter toegepast en oefeningen werden vaker groter en serieuzer uitgevoerd. Niet langer het legerkorps, maar een divisie werd het belangrijkste formatieniveau. Maar het grootste verschil met de vooroorlogse KL was dat de tank zijn intrede deed. Tanks werden van de Canadezen overgenomen, die een dump in Enschede hadden ingericht. In totaal nam de Koninklijke Landmacht in de hierop volgende jaren 192 tanks van de Canadezen over, het merendeel hiervan waren Shermans. Sommigen hiervan werden naar Nederlands-Indië verscheept en weer anderen in vuurposities ingegraven in de IJssellinie. In 1946 waren echter ook 42 Canadese RAM-II tanks gekocht die vanuit het Verenigd Koninkrijk in juli 1946 arriveerden.
Op 16 juni 1947 werd een Proefeskadron Vechtwagens geformeerd. De eerste instructeurs hadden opleidingen in Engeland gevolgd. De eerste locatie was de Koning Willem III kazerne in Apeldoorn. Daar arriveerden in juli de eerste 4 Canadese RAM-II tanks en 5 GMC gepantserde ¾ tonners. Eind november werd verhuisd naar Kamp Bokkeduinen in Amersfoort. De tanks, inmiddels uitgebreid tot 18 RAM-II en 3 Sherman tanks, werden op de Bernhardkazerne gestald. Later verhuisde het de gehele Proefafdeling naar de Bernhardkazerne en werden de eerste lichtingen dienstplichtige huzaren opgeleid. Het Proefeskadron Vechtwagens werd op 1 november 1948 voorgezet in de oprichting van het Depot Vechtwagens, een teken dat de beproeving voorbij was. Op 31 december 1949 waren al een behoorlijk aantal (voormalig Canadese) tanks aanwezig bij het Depot namelijk 27 RAM-II tanks, 14 Sherman tanks (meerdere types), 1 Grant ARC II/M31 TRV-bergingstank en 1 Valentine X bruglegger.

Vechtwagens worden tanks
Rond 1950 maakte de KL de overstap van het Engelse model naar het Amerikaanse model. De reden hiervoor was simpel, namelijk de Amerikaanse belofte om bij toetreding tot de pas opgerichte NAVO militair materieel te leveren (Mutual Defence Assistance Program (MDAP). Onderdeel hiervan was o.a. de levering van 250 Sherman tanks. De omschakeling werd vastgelegd in de Defensienota 1950, waarbij het Legerplan 1950 het uitgangspunt vormde voor de KL. Veel oude regimenten werden opgeheven en nieuwe werden opgericht. Een onderdeel hiervan was dat de nummering van eenheden werd vervangen door ‘namen’. Bij de cavalerie betekende dit de formele introductie van de benaming: Regiment Huzaren van Boreel (RHB) en Regiment Huzaren van Prins Alexander (RHPA). De beide regimentscommandogroepen kregen direct formeel een plaats in het Depot Pantserwagens. RHB zou zorgdragen voor opleiding verkenningseenheden en RHPA voor tankeenheden. Het Depot Vechtwagens werd daarom op 1 juli 1950 herdoopt in Regiment Huzaren Prins Alexander.

De eerste eenheden die op deze (nieuwe) manier werden opgeleid waren het 3e Verkenningseskadron en het 3e Bataljon Zware Tanks (bedoeld voor de 3e Divisie). In deze laatste eenheid zaten veel uit Indië teruggekeerde dienstplichtige vechtwagenbemanningen, die omgeschoold werden door een 90-dagen durende herhalingsoefening. In 1951 werden echter ook de staf van een tweede tankregiment opgericht, namelijk Huzaren van Sytzama (RHS). In 1953 vond er een nieuwe naamswijziging plaats. Depot Pantserwagens werd weer gewijzigd in Depot Cavalerie. RHB bleef verantwoordelijk voor opleiding verkenningseenheden, RHPA ging het personeel opleiden van tankbataljons voor de divisies en RHS de zelfstandige tankeskadrons voor de regimenten infanterie (later gevechtsgroepen genoemd).
Het Defensiebudget werd significant verhoogd (tot 1959 zelfs de grootste post op de Rijksbegroting) en er was een vaste verdeelsleutel van het budget over landmacht, marine en luchtmacht. Zware (discussies) bestonden over het aantal benodigde divisies en de exacte bewapening hiervan. Men streefde naar vijf divisies en een aantal territoriale eenheden. Deze vijf divisies zouden er overigens nooit in hun geheel komen. In een divisie was een zelfstandig tankbataljon opgenomen en per infanteriebrigade een zelfstandig tankeskadron. Op het nieuw geformeerde legerkorpsniveau (waarin drie van de vijf divisies zouden worden opgenomen) was ook een zelfstandig tankbataljon voorzien, later zelfs twee (101 en 102 Bataljon Zware Tanks). Daarnaast was er een omvangrijk verkenningsbataljon opgenomen op het legerkorpsniveau. Dit was 101 Verkenningsbataljon met hierin 3 eskadrons lichte tanks (Chaffee) en 1 eskadron middelzware tanks (Sherman). De van de Canadezen overgenomen Sherman tanks waren in slecht staat en moesten eigenlijk zo snel mogelijk worden vervangen.
In 1948 kon de Koninklijke Landmacht in Engeland de hand leggen op 42 gebruikte lichte Chaffee tanks. Tussen 1950 en 1958 werden er via het MDAP nog eens 101 stuks verkregen. Ze werden ingedeeld bij de verkenningseenheden. Eind juli 1952 werd het 3e Bataljon Zware Tanks geformeerd (bedoeld voor de 3e Divisie). Het nam deel aan NAVO-oefeningen en was gelegerd in ’t Harde, minus één eskadron wat op Kamp Waterloo te Amersfoort bleef vanwege plaats gebrek. Het bataljon werd later (net zoals de rest van de 3e Divisie) mobilisabel gesteld. De tanks werden gebruikt om het 4e Bataljon Zware Tanks (RHPA) op te leiden. Op 1 juni 1953 werd dit tankbataljon onder bevel gesteld van de 4e Divisie. Het was het eerste blijvende parate tankbataljon. Gelijktijdig werden ook de zelfstandige 41e, 42e en 43e Tankeskadron (RHS) paraat gesteld. Dit waren dus de zelfstandige tankeskadrons van de infanteriedivisies. Zowel het bataljon als zelfstandige tankeskadrons waren met Sherman-tanks (afkomstig uit MDAP) uitgerust. Intussen was voor de mobilisabele 5e Divisie ook het 5e Bataljon Zware Tanks geformeerd.

Jaren vijftig: nieuwe tanks en reorganisaties
Met MDAP-hulp werden er tussen 1953 en 1956 591 Britse Centurion tanks ingevoerd. Eigenlijk 592 maar één Centurion tank was op de Leusderheide door brand verloren gegaan. De Centurion tanks vervingen de Canadese RAM-II en Amerikaanse Sherman tanks. Voor de lichte Chaffee-tank werd voorlopig geen vervanger gezocht. In het voorjaar 1953 stroomde de nieuwe Centurion Mk 5 tank vervolgens in bij de parate tankeenheden. Het nieuwe kanon van de Centurion was de oorzaak dat het tank-schietterrein op Oldebroek niet langer voldeed en men naar het ons bekende Bergen-Hohne moest gaan uitwijken. Omdat er te weinig Centurions waren bleef de Sherman tot de opheffing in 1960 in gebruik bij het 102e Bataljon Zware Tanks (voorkomend uit 2e Bataljon Zware Tanks). In de periode 1959-1960 werden nog een 70 Centurion Mk 7 tanks ingevoerd. Deze konden vanwege onderhoud technische redenen niet gemengd worden met de Mk 5 tanks. 31, 32 en 33 Tankeskadron werden daarom met uitgerust met de Centurion Mk 7. In 1961 gingen ze naar 51 Tankbataljon en twee jaar later naar 52 Tankbataljon.

In 1958 werd de Rijn-IJssellinie verlaten en verschoof de NAVO-verdedigingslinie naar het Oosten. KL-eenheden werden in Duitsland gelegerd. Deze voorwaartse verdediging, mechanisatie en motorisering maakten het nodig om duurdere materiaalaankopen te doen, zoals de AMX, M-113 en YP-408. Ook was er meer technische personeel nodig en deden tactische nucleaire wapens hun intrede op divisie niveau. De mobiliteit en de zelfstandigheid van de (infanterie)divisies werd vergroot door regimentsstaven op te heffen en te vervangen door gevechtsgroep-staven. Dit werd de ‘Atoom’ divisie genoemd. Per divisie kwamen nu 7 bataljons infanterie en 2 bataljons tanks. Eén bataljon tanks was bedoeld ter versterking van de infanteriebataljons in front, terwijl het tweede tankbataljon bedoeld was voor de divisietegenaanval. In de divisietroepen was verder nog een verkenningsbataljon aanwezig. Dit plan werd nooit gerealiseerd, omdat er te weinig geld en te weinig manschappen waren. Wat overbleef was het 1e Legerkorps met de 1e en 4e Divisie (met elk drie gevechtsgroep-staven en divisietroepen) en de 5e Divisie als reserveformatie. Hiernaast nog afzonderlijk de oude drie gevechtsgroep-staven van de opgeheven 3e Divisie (31, 32 en 33). Dus in totaal 6 tankbataljons (2 per divisie) en 3 verkenningsbataljons (1 per divisie), waarvan een deel mobilisabel was. Omdat inmiddels (naast de 4e Divisie) ook de 1e Divisie ‘7 December’ was opgericht (of beter: teruggekeerd uit Nederlands-Indië) waren er dus 4 parate tankbataljons nodig en 2 mobilisabele. De eerste 2 parate bataljons waren het als bestaande 4e Bataljon Zware Tanks wat nu 4e Bataljon Tanks werd en ingedeeld bleef bij RHPA. Nieuw opgericht werd het 11e Tankbataljon (RHS, een samenvoeging van de bestaande 41e, 42e en 43e Tankeskadron). Daarnaast werd begonnen met het oprichten van een derde tankbataljon, namelijk 101e Tankbataljon (RHPA). Deze eenheid kon pas aan voldoende tanks komen toen het (tank) E-eskadron van 102 Verkenningsbataljon werd toegevoegd. Het vierde mobilisabele tankbataljon zou 42 Tankbataljon worden.
Jaren zestig
De toenemende conventionele bewapening van het Warschaupact was aanleiding om begin jaren zestig weer een nieuwe divisiestructuur in te voeren. Dit heette de ‘Landcent-divisie’. De brigade structuur deed zijn intrede met per divisie 2 pantserinfanteriebrigades (met 3 pantserinfanteriebataljons, een tankbataljon en een verkenningseskadron) en één tankbrigade (met 2 tankbataljons, een pantserinfanteriebataljon en een verkenningseskadron) en bij de divisie troepen een verkenningsbataljon. Deze structuur zou in grote lijnen tot eind jaren negentig gehandhaafd blijven. Bij deze reorganisatie vielen aanvankelijk de mobilisabele 5e Divisie en de nog bestaande 31, 32 en 33 gevechtsgroepen uit de boot, evenals de hierin zittende drie (lichte) verkenningseskadrons. In 1963 en 1964 werden de gevechtsgroepen van de 5e Divisie en de 31e, 32e en 33e Gevechtsgroep echter ook tot brigades omgevormd en opgenomen in het Commando Ondersteunings Strijdkrachten (OSK), wat later weer Commando Legerkorps Achtergebied werd. Omdat de Duitse strijdkrachten steeds beter georganiseerd en werden en hun eigen (achter)gebied konden beschermen werden halverwege de jaren zestig de 31e, 32e en 33e Brigade opgeheven, evenals de hierin opgenomen verkenningseskadrons.
De opmars van de eenheden van 1 LK in oorlogstijd werd gedekt door vooruitgeschoven verkenningseenheden, namelijk 121e Lichte Brigade met hierin o.a. 102 en 103 Verkenningsbataljon en een drietal commandotroepen compagnieën. De taak van 121e Lichte Brigade (die tegelijkertijd werd opgeheven) werd in 1963 overgenomen door een permanent in Duitsland gelegerde versterkte 41e Pantserbrigade. De versterking bestond o.a. uit 103 Verkenningsbataljon. Het 4e Tankbataljon werd omgenummerd naar 41 Tankbataljon en in Bergen-Hohne gelegerd, maar het tweede tankbataljon van deze brigade (42 Tankbataljon) bleef mobilisabel.
AMX-tanks en ‘ONDAS’
In deze periode werden ook nieuwe pantservoertuigen en tanks gekocht. De keuze viel op het Nederlandse voertuig YP-408 en de Franse AMX. Deze laatste omdat het Israëlische leger hier in Sinaï-veldtocht van 1956 goede ervaringen mee had opgedaan. Voor de cavalerie betekende dit aanschaf van 131 lichte tanks ter vervanging van de Chaffeetanks bij de twee verkenningsbataljons van de divisies (ieder 18) en de zes zelfstandige (brigade) verkenningseskadrons (ieder 6). Van deze ZVE’n waren er vijf paraat en één mobilisabel. De eerste drie AMX-tanks kwamen in september 1962 in Nederland aan, drie maanden te laat. Er werden bij de AMX-tanks haarscheurtjes in de constructie vastgesteld, waarop de BLS, luitenant-generaal A.V. van de Wall Bake de indeling opschortte. Franse technici werden naar Nederland gehaald voor herstelwerkzaamheden. Pas op 1 februari 1965 werd de uitlevering en indeling hervat. De problemen met de AMX-tanks werden overigens ook veroorzaakt door gebruikersfouten.

Als laatste werden de verkenningsvoertuigen van de verkenningseenheden gemoderniseerd. Aanvankelijk was het bedoeling de YP-104 of AMX-voertuigen hiervoor te gebruiken, maar beide voertuigen voldeden niet. De keuze viel daarna op de M-113 familie en de M-113 C&R (met .50) verving de verkenningsjeeps. Elk verkenningsbataljon 50 en elk verkenningseskadron 16. Tot dezelfde voertuigfamilie behoorde de M-106 A1 (gepantserde mortierdrager), de M577 A1 (commandowagen) en M578 (bergingsvoertuig) die ook bij de verkenningseenheden werden ingedeeld.
Op 1 november 1962 ging de cavalerie bovendien als eerste over van het ‘Filler’ naar het ‘ONDAS’ systeem over. Dat betekende dat militairen niet meer individueel als aanvulling naar parate eenheden werden gestuurd (iedere twee maanden werd 1/8 vervangen), maar in opgeleid onderdeelsverband. De tank- en verkenningseskadron werden hiertoe op de Bernhardkazerne in Amersfoort in eskadronsverband opgeleid, waarbij de laatste twee maanden het kader ingeschoven werd. De diensttijd was begin jaren zestig nog altijd een respectabele 24 maanden. In 1965-1967 werd die stapsgewijs teruggebracht tot 16 maanden. Het ONDAS-systeem maakt de paraat stelling van een vierde tankbataljon mogelijk. Naast 101, 11, 41 werd nu ook 43 Tankbataljon paraat gesteld en ging deel uit maken van de 41e Pantserbrigade in Duitsland.
Flexible Response
De NAVO ging eind jaren zestig over naar een andere strategie. Die verlegde het zwaartepunt van nucleaire oorlogvoering naar conventionele oorlogvoering, zodat er een grotere variatie aan passend antwoorden op de uitdagingen van het Warschaupact kon worden gegeven. Dit leidde tot een herstructurering van 1 LK. Ondermeer werden de divisietroepen afgeschaft. Deze werden opgeheven of verschoven naar het legerkorpsniveau. De artillerie werd bijvoorbeeld in de legerkorpsartilleriegroep opgenomen. De beide verkenningsbataljons bleven echter behouden en onder divisiebevel. 102 Verkenningsbataljon bij de 1e Divisie en 103 Verkenningsbataljon bij de 4e Divisie (maar tijdelijk onder bevel 41e Pantserbrigade). De tankbataljons bleven ongewijzigd. Er waren er inmiddels acht, waarvan zeven ingedeeld bij vijf brigades en één bleef vooralsnog op legerkorps niveau, want de zesde brigade was nog niet geheel gemechaniseerd.
Instroom van de Leopard I
Tussen 1953 en 1960 waren er 591 Centurion tanks ingestroomd en ingedeeld bij de tankbataljons van de 1e en 4e Divisie. In 1960 maakte de Britse regering echter bekend de Centurion tank uit de bewapening te nemen. Dit had tot gevolgd dat ook Nederland eerder dan het geplande jaar (1970) een opvolger moest zoeken.[1]1 In 1963 besloot de Britse regering toch langer door te gaan met de Centurion, waardoor ook in Nederland hij nog tot tenminste 1972 mee kon. De BLS protesteerde omdat hij de Centurion te zeer verouderd vond en niet meer opgewassen tegen de Warschaupact tanks. De Centurion kreeg daarop in 1966 en 1967 een upgrade. Bij 275 Centurions werd de 20 ponder door een 105 mm kanon was vervangen. Ook werd een coaxiale ‘Ranging Machine Gun’ geïnstalleerd waardoor de afstandsmeting werd verbeterd. Verder werden nadien de motoren verbeterd en automatische versnellingsbakken geïnstalleerd. Er werd gestudeerd op een opvolger. Dit zou eerst de Amerikaanse MBT ’70 worden, maar die kwam te laat en was te duur. Bleven de Britse Challenger en Duitse Leopard tank over. Op 15 oktober 1968 koos de Legerraad voor de Leopard tank (39,5 ton en 105 mm kanon). Deze lichtere tank was beweeglijker en minder onderhoudsgevoelig, wat de doorslag gaf. Ook waren er gunstige compensatievoorwaarden voor de Nederlandse industrie.

Voor de 8 tankbataljons waren er 550 Leopard tanks nodig. Er was echter maar geld voor 415. Deze werden in 1986 besteld. 53 voor 6 tankbataljons en 97 voor de reserve voorraad. Dit kostte destijds 500 miljoen gulden. Eind 1969 bestelde de Legerraad nog eens 53 tanks voor een zevende tankbataljon, samen met 30 Leopard bergingstanks (later zelfs 51). Dit was nodig omdat de Centurion bergingstanks niet geschikt waren om in Leopard tankbataljons op te treden. In 1970 stroomden de eerste van de 468 Leopard tanks binnen bij 1LK. In 1971 kregen de 3 parate tankbataljons de tank, daarna in 1972 de 3 mobilisabele tankbataljons en eind 1973 ook het zevende tankbataljon. In 1971 kregen ook 102 en 103 Verkenningsbataljon elk 18 Leopard tanks en namen afscheid van de AMX-tank. Hierdoor was de reserve voorraad tanks wel geslonken. 407 van de 468 tanks waren immers nu ingedeeld.
Met de 7 Leopard tankbataljons bleef de KL er één onder de planning. Er was namelijk gepland om het aantal tankbataljons naar 12 te verhogen, zodat ook de mobilisabele 5e Divisie er voldoende kreeg. Dit zouden volgens planning 8 Leopard tankbataljons en 4 Centurion tankbataljon moeten zijn. Door het ontbreken van het 8e Leopard tankbataljon moesten er nu 5 in plaats van 4 Centurion tankbataljons overblijven. Daarom werden in de eerste helft van de jaren zeventig nog eens 68 Centurion tanks geüpgraded naar een 105 mm kanon. Er waren nu 343 geüpgradede Centurions. Uit dit aantal werd ook nog eens een zelfstandig tankeskadron van de 101 Infanteriebrigade (bedoeld voor achtergebiedsoperaties) gevormd, zodat er eigenlijk 369 geüpgradede Centurions nodig waren. Er was dus een tekort van 26 geüpgradede tanks. Hoewel er wel plannen bestonden om dit te regelen, werden de financiële prioriteiten elders gelegd. Alle 20 ponder Centurions werden afgevoerd. De 5 Centurion tankbataljons waren het parate 101 Tankbataljon, haar RIM-bataljon en drie mobilisabele tankbataljons van de 5e Divisie. De lichte AMX-tanks van de verkenningsbataljons werden doorgeschoven naar de twee pantserinfanteriebrigades van de 5e Divisie en als anti-tank batterij gebruikt.
43 Tankbataljon naar Duitsland en grotere oefeningen
In 1970 besloot het kabinet om geheel 41e Pantserbrigade in Duitsland paraat te stellen. Een RIM tankbataljon werd afgestoten en het al paraat zijnde 43e Tankbataljon werd nu in Duitsland geplaatst. Op 1 augustus 1973 nam het zijn intrek in de nieuw gebouw Langemannshof kazerne. Uit bezuinigingsmaatregelen werden in 1972 bij de pantserinfanteriebrigade het derde pantserinfanteriebataljon weggehaald. Deze werden gebruikt om de brigades van de 5e Divisie verder te mechaniseren. Het LK telde nu 3 pantserbrigades (13, 41 en 51), 6 pantserinfanteriebrigades (11, 12, 42, 43, 52 en 53) en 1 infanteriebrigade (101). Onder de legerkorpstroepen bevonden zich nog altijd 2 zware verkenningsbataljons (102, 103) en 1 licht verkenningsbataljon (53).

Het LK begon ook grotere oefeningen te organiseren. Eén van de grootste was in sept 1973 Big Ferro, waaraan 24.000 Nederlandse, 15.000 Duitse, 750 Amerikaanse en 750 Belgische militairen deelnamen. De oefening werd als groot succes gezien en herstelde het vertrouwen in de conventionele gevechtskracht van 1 LK. Hierna zou elke vijf jaar zo’n grote legerkorps oefening worden gehouden. In 1978 Saxon Drive, in 1983 Atlantic Lion en in 1988 Free Lion. In 1993 vond op kleinere schaal oefening Light Viper en in 1996 Light Recce plaats. De dienstplicht was intussen wel naar 14 maanden gereduceerd, waarvan 4 maanden opleiding en 10 maanden paraat. Dienstplicht kaderleden en specialisten dienden 16 maanden.
Behalve grote oefeningen investeerde de KL ook in betere bewapening om ten minste gelijke tred te houden van NAVO-bondgenoten en om opgewassen te zijn tegen het Warschaupact. In 1974 werden Oerlikon 25 mm kanonnen besteld voor de verkenningsvoertuigen M 113 C&R. Aanvankelijk 234 stuks, later zelfs 266 stuks. Deze boordwapens werden door Wilton Feijenoord (!) in een geschutstoren op de M113 geplaatst die nu M113 C&V werd genoemd. Ook werden in 1975 889 Amerikaanse YPR-755 voertuigen (25 mm kanon) voor de pantserinfanterie besteld. Deze YPR’n kwamen in plaats van de AMX-13 serie en M113. Ze vervingen ook de M113’s die bij de tankbataljons voor ondersteunende diensten waren ingedeeld. Eind jaren zeventig waren 7 pantserinfanteriebataljons met YPR 765 uitgerust, terwijl er nog 8 met de YP408 rondreden.

Op 29 augustus 1975 werd 102 Verkenningsbataljon opgeheven om plaats te maken voor 59 Tankbataljon, uitgerust met Centurion tanks. Aanvankelijk ingedeeld bij RHB, maar in 1980 (na veel geharrewar) ingedeeld bij een nieuw opgericht tankregiment, namelijk Regiment Huzaren Prins van Oranje (RHPO). Er waren hierdoor nu 5 parate tankbataljon (11, 41, 43, 59 en 101).
Leopard II
In 1976 werd een stuurgroep ingesteld die moest adviseren over de vervanging van de resterende Centurion en AMX-tanks. Er werd aangedrongen op een snelle keuze, vanwege de dan grotere kans voor inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven voor compensatieorders. De stuurgroep beperkte in 1977 de keuze tot twee stuks: de Amerikaanse XM-1 en de Duitse Leopard II. In maart 1979 koost het kabinet voor de Leopard II. De reden was het 120 mm kanon want de XM-1 had slechts een 105 mm kanon. Dit kaliber was noodzakelijk om te kunnen blijven opboksen tegen de groeiende kracht van het Warschaupact. Ook economische motieven speelden een rol. De Algemene Rekenkamer was in 1990 overigens wel uiterst kritisch over deze aankoop. Ze vond dat de XM-1 geen eerlijke kans had gehad en dat slechts 1/3 van de verwachte extra werkgelegenheid was gerealiseerd.
Er moesten 369 Centurion tanks en 131 AMX-tanks vervangen worden. Van die 369 waren er slechts 343 in de geüpgradede versie, maar de resterende 26 werden bij de vervanging gewoon meegerekend. Maar er was een TNO-studie verschenen die niet langer een een-op-een vervanging nodig maakte. Deze TNO-studie stelde dat er 475 antitanks wapens lange dracht en 913 tanks nodig waren. Er waren al 468 Leopard I tanks en daarom waren er slechts 445 Leopard II tanks nodig. Deze werden in juni 1979 bij Krauss Maffei besteld en zouden tussen 1981 en 1986 worden geleverd.

Om de vermindering van het aantal tanks toch enigszins op te vangen werd het toch al geplande verbeteringsprogramma van de Leopard I uitgevoerd. Dit bestond uit extra bepantsering en moderne vuurleidingssystemen, waardoor ook rijdend gevuurd kon worden. Het benodigde pantser werd in Duitsland besteld en de vuurleidingssystemen bij Honeywell. Alles werd bij 574 Tankwerkplaats ingebouwd. Dit begon in september 1982, maar er waren hierbij aanzienlijke problemen. Het tijdschema was te krap, de afzonderlijke systemen waren niet in samenhang beproefd, de tanks werden niet in de juiste onderhoudsstaat aangeleverd en bij de inbouw van de vuurleidingssystemen waren technische problemen. In 1984 was het project nog steeds niet afgerond. De vermindering van het aantal tanks werd ook opgevangen door het aantal lange afstand antitankgeschut uit te breiden van 159 naar de door TNO berekende 475 stuks. Hiertoe werd het TOW-systeem ingevoerd. Dit systeem werd opgebouwd op een aantal YP-408s en YPR’n 765, waardoor de AMX-tanks en jeeps met TLV konden worden afgestoten.
Jaren tachtig
De eerste van de 445 Leopard II tanks was afgeleverd in juli 1981 op de Bernhardkazerne in Amersfoort. De officiële overdracht was op 3 september 1981. Op 28 juli 1983 ontving 43 Tankbataljon in Langemannshof de eerste Leopard II tanks, waarmee de tankvervanging begon. Geheel volgens schema werd die in 1986 afgerond en de laatste van de 445 Leopard II afgeleverd. Er werd geëxperimenteerd met een groot aantal vrijwilligers (schutter en chauffeur) bij de cavalerie, maar door gebrek aan vrijwilligers was dit niet succesvol en werd de proef gestopt. De dienstplichtigen van 41 Tankbataljon wonnen op hun beurt wel de Canadian Army Trophy (CAT), een prijs die later ook door andere Nederlandse tankbataljons en zelfs verkenningsbataljons werd gewonnen.
Later dan gepland ontving 101 Tankbataljon de Leopard I-V (nov 1984) en pas in 1987 werd de moeizaam verlopen modificatie van de Leopard I afgerond. De storing van het vuurleidingssysteem was het grote euvel. In 1987 werd een nieuw project gelanceerd op de Leopard I-V verder te verbeteren. Dit project lukte maar ten dele. O.a. lukte het door diverse oorzaken niet om de Leopard I-V van nachtzichtapparatuur te voorzien.
Er werden verder twee nieuwe verkenningsbataljons opgericht (104 en 105) (elk met 18 tanks) zodat het totaal op vier kwam. Twee voor de beide voordivisies (103 en 104) en twee met een taak in het legerkorpsachtergebied (102 en 105). 53 Licht Verkenningsbataljon hield op te bestaan. Het zelfstandig tankeskadron van 101 Infanteriebrigade en de negen brigade zelfstandige verkenningseskadrons (ZVE’n) werden opgeheven. In plaats hiervan kwamen brigade verkenners peloton (zonder tanks) (BVP’n). In de nationale sector ressorteerden nog vier ongepantserde verkenningseskadrons (301, 302, 303 en 304 LtVerkEsk).

Door het opheffen van de ZVE’n kwamen tanks vrij. Die werden gebruikt om het aantal tanks van de tankbataljons van de pantserinfanteriebrigades te verhogen van 52 naar 61 met 4 i.p.v. 3 eskadrons. Dit vergrootte de tankbestrijdingscapaciteit en maakte teamvorming gemakkelijker.
Op dit ‘tank-hoogtepunt’ bezat Nederland 913 tanks, verdeeld over 12 tankbataljons en 4 verkenningsbataljons.
Dit waren:
– 13 Pabrig: 11 Tankbataljon (RHS, Leo I-V) en 49 Tankbataljon (RHS, Leo I-V)
– 41 Pabrig: 41Tankbataljon (RHPA, Leo II) en 43 Tankbataljon (RHS, Leo II)
– 51 Pabrig: 12 Tankbataljon (RHS, Leo II) en 54 Tankbataljon (RHPA, Leo II)
– 11 Painfbrig: 101 Tankbataljon (RHPA, Leo I-V)
– 12 Painfbrig: 59 Tankbataljon (RHPO, Leo I-V)
– 42 Painfbrig: 57 Tankbataljon (RHPA, Leo II)
– 43 Painfbrig: 42 Tankbataljon (RHPO, Leo II)
– 52 Painfbrig: 52 Tankbataljon (RHPA, Leo I-V)
– 53 Painfbrig: 58 Tankbataljon (RHPO, Leo I-V)
– 102 Verkenningsbataljon (RHB, Leo I-V)
– 103 Verkenningsbataljon (RHB, Leo II)
– 104 Verkenningsbataljon (RHB, Leo I-V)
– 105 verkenningsbataljon (RHB, Leo II)
Eind van een tijdperk
Direct na de val van de muur begonnen de bewindslieden al met innen van het ‘vredesdividend.’ In de zomer van 1983 werd de dienstplicht voor soldaten met twee maanden verkort naar 12 maanden. Aan het einde van dat jaar maakte de BLS bekend dat het ongewenst was om nog langer het Warschaupact of Sovjet-Unie als ‘vijand’ in de oefenstukken te vernoemen. Daarna ging het hard. Op 1 mei 1997 werd de opkomstplicht opgeschort. De Tweede Kamer stemde met de aanvaarding van de toenmalige prioriteitennota, hiermee in. De praktijk liep hierop vooruit want sinds 22 augustus 1996 werden er al geen dienstplichtigen meer opgeroepen.

Met de tanks ging het min of meer op dezelfde manier. De Leopards I-V verdwenen als eerste. In januari 1993 werd besloten het bestand Leopard II te verlagen tot 330. 115 werden in 1996 voor 310 miljoen gulden verkocht aan Oostenrijk. In 1993 was overeengekomen 330 voertuigen tot A5 standaard (verbeterde bepantsering) te verbeteren maar dit werd verminderd tot 180, die echter wel op A6 standaard werden gebracht (langer kanon met hogere mondingssnelheid). Van de overige werden er 52 verkocht aan Noorwegen. Ook Oostenrijk kocht in 1996 Nederlandse Leopard II tanks.
Ook de verkenningsbataljons betaalden een tol. 103 en 104 Verkenningsbataljons werden opgeheven, evenals de mobilisabele 102 en 105 Verkenningsbataljon. Hiervoor in de plaats kwamen brigade verkenningseskadrons (41, 42, 43 BVE) en 103 en 104 Grond Gebonden Verkennings Eskadron binnen 103 ISTAR-bataljon. Met het opheffen van de 41e Lichte Brigade (voorheen 41e Pantserbrigade) verdween ook 41 BVE. 103 GGVE werd later omgevormd tot 11 BVE, zodat alle drie de manoeuvrebrigades over een eigen verkenningseskadron beschikten. 104 GGVE bleef haar ISTAR (later JISTARC) taak behouden.
In 2010 had Nederland nog 116 Leopard II A6 gevechtstanks, waarvan er nog ongeveer 60 bij twee tankbataljons rondreden (11 en 42 Tankbataljon). De overige waren opgeslagen. Op 8 april 2011 werd besloten om alle overgebleven Leopard IIA6 tanks, 82 exemplaren, uit te faseren vanwege de bezuinigingen. Als gevolg hiervan, en een verdere verlaging van het budget, werd in april 2011 het einde van de laatste 2 tankbataljons aangekondigd. Slechts enkele weken later, op 18 mei 2011, klonk het laatste schot van een Nederlandse Leopard-tank op baan 8C van het militair schietterrein Bergen-Hohne in Duitsland. Finland nam de resterende Leopard tanks over.

De terugkeer van de tanks
In 2015 werd besloten het resterende aantal van 18 Leopard II’s uit de verkoop te halen en weer in te zetten. Dit gebeurde door een constructie waarin de 18 overgebleven Leopard II A6’s worden geschonken aan Duitsland, die ze moderniseerde naar de modernste versie (Leopard IIA7+). Als voorbereiding werd als eerste een Nederlands OTK-peloton naar Duitsland gestuurd wat later dus uitgebreid werd tot een compleet eskadron uitgerust met Leopard II A6 tanks, ingedeeld bij het Duitse 414 Tankbataljon. Dit tankeskadron gebruikte Duitse tanks. Andersom werd dit Duitse tankbataljon onderdeel van de Nederlandse 43e Gemechaniseerde brigade. Op deze manier behield de Koninklijke Landmacht kennis en ervaring over het optreden met gevechtstanks. Een in november verschenen evaluatierapport over dit project Taurus was niet onverdeeld positief. Naast (politieke, kennisbehoud en financiële voordelen) zaten er ook operationele nadelen aan deze samenwerkingsconstructie.
In oktober 2024 werd in de Defensienota de verwerving van 46 Leopard 2A8-gevechtstanks aangekondigd. Nederland sluit hiervoor aan bij een initiatief van de Duitse regering. De bedoeling is dat de eerste moderne gevechtstanks in 2027 instromen en de laatste 2030. De krijgsmacht heeft vanaf dat moment weer een volledig tankbataljon, met plek voor 500 militairen. Defensie wil een deel van deze gevechtscapaciteiten invullen met onbemenste systemen, waarvoor een Concept Development & Experimentation Traject is gestart. Hierdoor bedraagt de initiële behoefte niet de gebruikelijke 52 gevechtstanks, maar 46 stuks. Dit aantal is het minimale dat nodig is voor een operationeel tankbataljon met voldoende opleidingscapaciteit en reserve. Voor de resterende 6 gevechtstanks wil Defensie optieruimte in het contract opnemen. De organisatie besluit uiterlijk 2027 of deze optie wordt gelicht. Dit is afhankelijk van de technologische haalbaarheid en de tijdsduur waarmee de defensie-industrie operationeel inzetbare onbemenste systemen kan ontwikkelen en produceren. Op deze manier weet Defensie zeker dat er in 2030 sprake is van een volwaardig tankbataljon.
Tegelijkertijd met deze aanschaf wordt wel nagedacht over verdere uitbouw van de tankcapaciteit en nagedacht over de rol van de gevechtstanks op het slagveld. Vooral de toegenomen anti-tank en vooral drone-dreiging noodzaken hiertoe. O.a. bestaan er ideeën om de tank meer als lanceerplatform te gebruiken naast de mogelijkheid van uitbrengen van direct vuur. Hoe dan ook: de combinatie van mobiliteit, vuurkracht en incasseringsvermogen zal altijd een plek behouden op het slagveld. Dat was zo in het verleden, dat is nog zo en dat zal ook in de toekomst zo blijven. Zei het in een andere vorm.
Verder lezen:
· Ruys, Wiel en Rups, De voertuigen van de Koninklijke Landmacht 194-2015, NIMH, 2020
· Hoffenaar, Schoenmaker, Met de blik naar het Oosten, KL SMG, 1994
· Bartels, 4 eeuwen Nederlandse Cavalerie, deel II
· Elands, van Gils, Schoemaker. De geschiedenis van 1 Divisie ‘7 December, SDU, 1996
– video’s Koude Oorlog van de NPO
- [1] Hoffenaar, Schoenmaker, Met de blik naar het Oosten, KL SMG, 1994, blz 251 en 252 ↩︎