1795 – 1806  Regiment Huzaren Bataafse Republiek

Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen | versie 2 [12-03-2026]

Het  Regiment Huzaren van de Bataafse Republiek

De Bataafse Republiek

Op 20 januari 1795 hield Pichegru triomfantelijk zijn intocht in Amsterdam, onder gejuich van een uitzinnige menigte. Pichegru wist heel goed wat hij wilde en het gejuich verstomde spoedig. De Republiek was overwonnen en bezet en kon zijn onafhankelijkheid als Bataafse Republiek terugkopen voor 100 miljoen gulden. Dat de Republiek zijn beperkte zelfstandigheid mocht behouden en niet direct werd ingelijfd bij Frankrijk, was vooral te danken aan de invloed van Herman Willem Daendels. Hierdoor kon de Republiek met horten en stoten in tien jaar tijd groeien naar een eenheidsstaat, bakermat van het latere Koninkrijk. Staats-Vlaanderen en een deel van Walcheren met Vlissingen kwamen aan Frankrijk, evenals Staats-Limburg met Venlo en Maastricht. De Oostenrijkse Nederlanden waren ook ingelijfd bij Frankrijk. Frankrijk kreeg vrije vaart op Schelde, Maas en Rijn en het kon beschikken over het gros van leger en vloot van de Bataafse Republiek. Bovendien moest de Republiek 25.000 man Franse troepen legeren, voeden, kleden en betalen. De Republiek kreeg een vijfhoofdig uitvoerend bewind.

Het Staatse leger werd ontbonden. Daarmee ook de 12 Staatse cavalerieregimenten, waaronder dus de twee huzaren regimenten van Van Heeckeren en van Timmerman. In het Bataafse leger werden alleen die officieren opgenomen die niet openlijk hadden blijk gegeven van sympathie voor Oranje. Veel officieren kozen voor pensionering, anderen weken uit naar het buitenland om daar, onder andere onder de Oranjes, te gaan dienen. 

Herman Willem Daendels

  

Meerdere ontwerpen voor het nieuwe leger van de Bataafse Republiek voldeden niet aan de Fransen wensen zodat het tot 8 juli 1795 duurde voordat een nieuwe organisatie van kracht werd. Het nieuwe Bataafse leger zou gaan bestaan uit zeven halve brigades infanterie, vier bataljons jagers, vier regiment cavalerie, vier bataljons infanterie, twee compagnieën rijdende artillerie, een compagnie pontonniers, een compagnie mineurs en een compagnie sappeurs. De halve brigade van elk drie bataljons van elk negen compagnieën waren een kopie van de destijdse Franse demi-brigades. De totale sterkte van het Bataafse leger kwam uit op 22.000 man, minder dan de helft van de voormalige legeromvang van 1793.1 De Bataafse cavalerie zou gaan bestaan uit vier regimenten: twee regimenten zware cavalerie, een regiment dragonders en een regiment huzaren. Elk regiment bestond dan uit een staf en vier eskadrons á twee compagnieën. De staf bestond uit één kolonel, twee luitenant-kolonels, 1 kwartiermeester, 1 chirurgijn-majoor, 1 twee chirurgijn, 2 élèves, 1 eerste adjudant, 1 tweede adjudant, 1 eerste pikeur, 1 tweede pikeur, 1 zadelmaker en 1 vaansmid. In totaal 14 man en 11 paarden. 

Elke compagnie bestond uit 1 ritmeester, 1 eerste luitenant, 1 tweede luitenant, 1 opperwachtmeester, 2 wachtmeesters, 1 korporaal-fourier, 5 korporaals, 1 trompetter en 64 manschappen. In totaal 77 man en 80 paarden. Het regiment bestond dus uit 630 man en 651 paarden. In 1805 kwam er een kleine wijziging met per compagnie 6 manschappen minder, maar wel een tweede trompetter erbij. 

De restanten van beide huzarenregimenten werden samengevoegd en op 8 juli 1795 ontstond daaruit het Regiment Huzaren van de Bataafse Republiek. De Huzaren van Van Heeckeren leverden het 1e en het 2e eskadron, de Huzaren van Timmerman (opgericht in 1794) het 3e eskadron, maar de meesten van dit korps werden ongeschikt geacht en ontslagen. Beide korpsen werden daartoe op 12 juli 1795 onder bevel gesteld van generaal-majoor Boecop, commandant van de 2e Brigade. Het Regiment Huzaren van Heeckeren lag in Utrecht met 388 man en 170 paarden.2 Het Korps van Timmerman lag in Maarssen en telde 185 man 171 paarden. De nieuwe regimentscommandant werd François Quaïta met als plaatsvervanger luitenant-kolonel van J. van der Mühl. De tweede hoofdofficier was luitenant-kolonel Jean Antoine Collaert, de latere divisiecommandant bij Waterloo. De staf van het Regiment Huzaren kwam samen met één eskadron in Utrecht. De andere drie eskadrons lagen afwisselend in Vianen, Leerdam, Rotterdam, Haarlem, Amsterdam en Heusden. Generaal Boecop schreef over de hem toebedeelde huzaren3:

De generaal voegde hier nog aan toe dat de huzaren van Timmerman zich in dusdanig slechte toestand bevonden, dat de meesten met geld en een paspoort weggestuurd zouden moeten worden. In maart 1796 werden twee eskadrons huzaren naar Noord Holland gestuurd om hier hun collega’s van het 1e regiment (zware) cavalerie af te lossen. Eén kwam in Haarlem terecht werd in mei 1796 ingezet in Amsterdam om de rust te herstellen. Op 21 april waren al drie compagnieën huzaren vanuit Utrecht naar Heusden vertrokken om in Utrecht plaats te maken voor Franse troepen onder leiding van generaal Beurnonville die het Franse zogenaamde ‘Armée du Nord’ aanvoerde. Vanuit Heusden werden op 13 mei een compagnie naar Breda en één naar Den Bosch gestuurd en kwamen hier onder bevel van de Franse vestingcommandanten. 

Volgens het besluit van 8 juli 1795 zou het Regiment Huzaren (RH) het uniform van het Regiment Huzaren van Van Heeckeren aannemen, maar op 18 augustus 1795 werd besloten dat de dolman en de pels in plaats van zwart met witte tressen, donderblauw met gele tressen zou worden. De dolman had verder een rode kraag en de pels was met wit bont afgezet. Pas in de nadagen van de Bataafse Republiek werd besloten de huzarenmuts te vervangen door een vilten sjako. Bij de cavalerie droegen alleen de huzaren een sabeltas. De andere cavalerie-eenheden van de Bataafse Republiek werden het Regiment Dragonders en het 1e en 2e Regiment Zware Cavalerie, die in 1803 gereorganiseerd werden tot 1e en 2e Regiment Lichte Dragonders. 

Bataafse cavalerie in de duinen. Rechts drie huzaren van het Regiment Huzaren, links drie dragonders en op de voorgrond zittend een ruiter van het 2e Regiment Zware Cavalerie.

In juli 1796 vertrok RH met drie eskadrons naar Groningen en werd daar bij de 2e Divisie gevoegd, gecommandeerd door de Belgische luitenant-generaal Baptiste Dumonceau4.  Van Groningen werden 2 officieren en 83 man naar Delfzijl en de Nieuwe Schans gestuurd. Het regiment telde toen 19 officieren, 444 onderofficieren en manschappen met 365 paarden. RH nam met drie eskadrons deel aan de veldtocht in Duitsland tegen Oostenrijk, die op 7 september 1796 begon. Het maakte hierbij deel uit van de 2eBrigade van de Bataafse Divisie. De Bataafse troepen namen bij deze veldtocht niet aan gevechten deel en kwamen ook niet verder dan Düsseldorf. In december kwam het regiment terug in Nijmegen. Terwijl dus drie eskadrons mee naar Duitsland waren getrokken waren er twee in Groningen gebleven. Deze twee eskadron telden samen 230 man. 

In maart 1797 maakte het Regiment Huzaren met twee eskadrons opnieuw deel uit van de Bataafse Divisie, nu gecommandeerd door luitenant-generaal Daendels, die tezamen met een Franse strijdmacht in Ierland zou landen. Daendels was een groot voorstander van actieve steun aan bondgenoot Frankrijk, om zo de onafhankelijke status van de Republiek te bewijzen en tegelijkertijd aan te tonen dat het land een waardevolle bondgenoot kon zijn. In 1796 wilde hij al met een Bataafse divisie naar de Beneden-Rijn, in Duitsland, marcheren om daar de Fransen bij te staan in hun strijd tegen Oostenrijk, maar hij kreeg hiervoor geen toestemming uit Den Haag. Een jaar later zette hij zich actief in voor de invasie van Ierland, uitgevoerd door een Bataafse expeditionaire legermacht met ondersteuning van de Bataafse vloot. Eenmaal geland op de Ierse kust zouden de Bataafse troepen, met steun van de Ierse opstandelingen, het eiland bevrijden van het Engelse juk. Ondanks de enorme risico’s die aan deze operatie waren verbonden, steunde het Comité te Lande, de uitvoerende macht van de Bataafse Republiek in Den Haag, dit plan wel. Het zag de onderneming vooral als een kans de slagkracht van de Bataafse krijgsmacht te tonen. Bij een succesvol verloop van de expeditie, zo was de redenering, zou het land in aanzien van Frankrijk stijgen, waardoor vermindering van de knellende Franse militaire aanwezigheid in de Republiek wellicht een stap dichterbij zou komen.5

Het opperbevel van de expeditie had, tegen de zin van de Bataafse legerleiding, de Franse generaal Hoche. Het Hollandse contingent bestond uit 7 bataljons infanterie, twee bataljons jagers en twee eskadrons van elke van de vier cavalerie regimenten. Het detachement van RH bestond uit 17 officieren, 20 onderofficieren, 28 korporaals, 4 trompetters en 330 huzaren. In totaal 402 man. De troepen scheepten zich op 4 en 5 juli in Den Helder in, maar omdat de wind hardnekkig in de verkeerde hoek bleef, kon de vloot (onder bevel van vice admiraal de Winter) niet uitvaren en begin september werd de operatie afgelast. De Bataafse vloot koos een maand later nog wel het ruime sop in een poging de eer van de natie te rededen, maar ook dit doel werd verre van gehaald. Op 11 oktober 1797 ging de Bataafse vloot roemloos ten onder in de Slag bij Kamperduin.6

Op 9 september waren de eskadrons weer ontscheept en marcheerden van Den Helder terug naar Groningen7. Daar bleef RH tot 1799, zonder dat er iets bijzonders gebeurde. Francois de Quaita was nog steeds de regimentscommandant, Jean Antoine Collaert de luitenant-kolonel, Jean Baptiste van Merlen, Seijerlen, J.G. Collaert, Betza , Rom en Lambrechts ritmeesters en Christiaan Lechleitner , Weitzel, Von Staedel en Arend Johan Hoynck van Papendrecht allen eerste luitenant bij het Regiment Huzaren. Al deze namen spelen later nog een hoofdrol tijdens de Napoleontische oorlogen.

Engels-Russische landing in Noord Holland

In 1799 werd het Regiment Huzaren als onderdeel van de 2e Divisie van (de Belgische) luitenant-generaal Jean-Baptiste Dumonceau ingezet tegen de Engels-Russische invasie in Noord-Holland. De Engelsen landden op 27 augustus halverwege Huisduinen en Callantsoog bij Kleine Keeten, zuid van Den Helder. De inscheping had plaatsgevonden tussen 9 en 12 augustus in de havens van Margate, Deal, Ramsgate en Dover. In totaal 12.000 man in een vloot van 200 transportschepen. De transportvloot stond onder bevel van viceadmiraal Mitchell en de landingstroepen onder bevel van sir Ralph Abercrombie. Op 13 augustus verliet de transportvloot de verzamelplaats Deal en maakte op de Noordzee op de 15e contact met de Noordzeevloot onder leiding van admiraal Duncan. Een storm vertraagde de operatie en hoewel al op 18 augustus het besluit genomen werd om te landen, bleef de hardnekkige wind roet in het eten gooien. Op de 22 augustus wakkerde die zelf nog aan en bleef tot de 25 augustus krachtig waaien. Op 22 augustus was een sommatie aan de Bataafse vloot gestuurd om zich over te geven. Deze werd van de hand gewezen, maar de stemming op de Bataafse vloot (die na de verloren slag bij Kamperduin weer tot 11 grote en middelgrote linieschepen was gegroeid) was wel onrustig. Nadat de krachtige wind was gaan liggen, landde de Engelse vloot op 27 augustus bij dag aanbreken.

De landing kwam niet als verrassing. In de Bataafse Republiek waren zo goed en zo kwaad als het ging voorzorgsmaatregelen genomen. Het Bataafse leger was in twee divisies gesplitst. Daendels lag met zijn divisie verspreid langs de kust van Holland, de divisie van Dumonceau bewaakte de noordelijke provincies en een deel van de brigade van generaal-majoor Van Boecop fungeerde als reservekorps om zo snel mogelijk daar heen te marcheren waar de aanval plaats vond.

De Engelsen landden aanvankelijk alleen, zonder de steun van de Russen af te wachten. Ze deden dit zo dicht mogelijk bij Den Helder om de Britse vloot in staat te stellen een aanslag op de Bataafse vloot te doen. Zij namen dan ook al spoedig het door de Bataafse troepen ontruimde Den Helder in bezit en beschikten daarmee over een goede haven om meer troepen (het werden er uiteindelijk 40.000), meer materieel en paarden aan land te brengen.

Luitenant generaal Jean-Baptiste Dumonceau

Aanvankelijk werd alleen de 1e Bataafse Divisie van luitenant-generaal Herman Willem Daendels ingezet. Die had in Noord Holland ongeveer 5450 man ter beschikking., namelijk in Den Helder drie bataljons infanterie, in de Wieringerwaard drie bataljons infanterie, bij Schagen vier compagnieën infanterie, terwijl bij Petten, Burgerbrug, Koedijk, Egmond en Warmenhuizen en Camp elk een compagnie lag. Tussen Schoorl en Groet lag weer een bataljon. De overige troepen van de Bataafse Divisie lagen aanvankelijk ten zuiden van de lijn Amsterdam-Haarlem. De Frans-Bataafse troepen moesten terug op de lijn Alkmaar Hoorn. Versterkingen werden aangevoerd en op 30 augustus kreeg ook Dumonceau (gelegerd in Friesland en Groningen) opdracht om zich met het gros van zijn divisie naar het strijdtoneel te begeven. Op 7 september kwamen de eenheden van deze divisie in Amsterdam aan en betrokken op 8 september stellingen in Noord Holland.

RH betrok op 8 september kantonnementen in en bij Heilo en Alkmaar en voegde zich op 10 september met een eskadron bij de voorhoede (3e eskadron) met 114 man) te Schoorldam8 en met de overige drie eskadrons (met samen 372 man) bij de 1e brigade van de hoofdmacht9 in de stelling Koedijk. Met de aangevoerde versterkingen beschikte Daendels over meer dan 8.000 man. Er waren aanvankelijk geen Franse troepen beschikbaar voor de verdediging, maar die waren wel in aantocht en arriveerden op 2 september. 

Nadat versterkingen uit andere delen van de Republiek waren gearriveerd, gingen de Franse en Bataafse troepen op 10 september in de tegenaanval. De aanval vond plaats met drie colonnes. De rechtercolonne onder bevel van Daendels verzamelde zich in Sint Pancras. Ze moest de Engelse linkervleugel aanvallen en Eenigenburg veroveren. De Bataafse centrumcolonne moet via Schoorldam proberen om Krabbendam te bezetten. De Franse linkervleugel (o.l.v. generaal Vandamme) moet vanuit Schoorl via Groet en Kamp via de Slaperdijk naar Petten optrekken. De drie colonnes bleken te veel voor het smalle front en verkeersopstoppingen waren het gevolg. Daendels wist echter wel Sint Maarten te bezetten, maar de aanval op Eenigenburg werd afgeslagen. Dumonceau wist Krabbendam te veroveren, maar werd door een Engelse tegenaanval teruggeworpen. De Franse aanval op de linkerflank strandde door hevig vuur vanuit Engelse kanonneerboten die dicht onder de kust opereerden. Vrijwel geheel West Friesland werd dus aanvankelijk heroverd, maar de invasiemacht werd niet terug de zee ingedreven. Het veroverde gebied zou later bovendien weer (tijdelijk) worden prijsgegeven.  

De aanval van de huzaren van RH, tezamen met de infanterie en ondersteund door artillerie, zou die dag via Warmenhuizen en Tuitjehorn naar Eenigenburg en Krabbendam gaan. Voornamelijk wegens verwarde bevelen van de Franse bevelhebber generaal G.M.A. Brune mislukte de aanval, maar luitenant-kolonel Collaert wist de orde te bewaren. Sypestein schreef10:

Engels-Russische invasie bij Callantsoog in 1799

Op 12 september landden op hun beurt de Russen en op 15 september was de invasiemacht gegroeid tot een sterkte van 33.000 man. Hierdoor gesterkt ging het Engels-Russische leger op haar beurt op 19 september in de aanval. De Gallo-Bataafse linie liep van Kamp via Groet, Warmenhuizen en Oudkarspel naar Oude Niedorp. De Engelse-Russische aanval werd in vier colonnes uitgevoerd. De eerste colonne bestond uit Russen en stond onder commando van generaal Hermann. Ze moest vanuit Petten via Kamp en Groet proberen Bergen te nemen. De tweede colonne, o.l.v. generaal Dundas moest Warmenhuizen bezetten en vervolgens naar rechts wenden om de Russische colonne te dekken. De derde colonne, o.l.v. generaal Pulteney moest Daendels in diens sterke stelling langs de Langedijk aanvallen terwijl de vierde colonne, o.l.v. generaal Abercrombie zelf, een omtrekkende beweging moest maken tussen Daendels en de Zuiderzee. 

De opmars van de Russische colonne verliep rampzalig. De achterhoede van de colonne vuurde op de voorhoede, waarna vervolgens later op de dag nog een paar keer de Russen op elkaar vuurden. Het dorp Groet werd met veel verliezen veroverd. Ook Schoorl werd bereikt. Bergen werd eveneens veroverd, weliswaar met veel verliezen vanwege zware Franse tegenstand die ondermeer met een artilleriebatterij een slachting aan richtte onder de Russen. Zware Franse tegenaanvallen heroverde Bergen echter terug en generaal Hermann werd zelfs gevangengenomen. Generaal Dumonceau raakte bij deze tegenaanval zelf gewond en zijn Franse eenheid raakte in een geïsoleerde positie en trok zich later terug. De Russen vielen echter daarna terug op de Zijpestelling van waaruit de aanval was begonnen. De aanval van de Russische colonne was dus mislukt, hetgeen de aanval van de andere drie colonnes geen goed deed. De tweede (Dundas) colonne bestond uit Engelsen en Russen en nam in de vroege ochtend Warmenhuizen in bezit. Om 09.00 uur werd Schoorldam bereikt. Dundas probeerde de vluchtende Russen te helpen door weer op Schoorl af te gaan, maar dit hielp niet. Hij moest ook terugtrekken.  

De divisie Dumonceau had zich dus op 19 september onderscheiden bij hevige gevechten nabij Bergen. Vlak voor de Engels-Russische aanval betrok RH op 19 september om 0800 uur ’s morgens snel opstellingen bij Koedijk, Bergen en Schoorl. Het eskadron bij Bergen (weer onder overkoepelend bevel van luitenant-kolonel Collaert) nam daar deel aan de beslissende slag, waarbij een groot aantal Russische troepen werd ingesloten en gevangen genomen. De drie overige eskadrons van RH (onder bevel van kolonel Quaita) plaatsen zich dus in een stelling tussen Schoorl en Bergen en hielden hier met de linkervleugel aansluiting aan een Fransche kolonne. ’s Avonds om 18.00 uur trok kolonel Quaita met een eskadron huzaren en het 16e Regiment Jagers naar voren om een aanval te plegen op vijandelijke infanterie. Die had echter Schoorl al veroverd, waarna de aanval niet werd doorgezet. Wel werd er een verkenning om Schoorl heen uitgevoerd naar het dorp Kamp. De verkenning werd tot Petten doorgezet, maar door een tirailleur gevecht tussen de voorhoede en vijandelijke ruiterij raakte één huzaar gewond en één vermist. Ook werden twee paarden gedood en één vermist. Het bij Schoorl geplaatste eskadron keerde om 19.00 terug bij het regiment. 

De derde colonne (Pulteney) moest Langedijk aanvallen. Dit was een sterke stelling en nadat de Engelse drie vergeefse stormlopen op Oudkarspel hadden uitgevoerd, deinsden ze terug. Daendels werd hierdoor overmoedig en stelde zijn reserve, die nog in Sint Pancras lag, ter beschikking van Bonhomme die het bevel van de gewonde Dumonceau had overgenomen. Zelf deed hij een aanval op de tijdelijke Britse stelling achter de paralleldijk ten noorden van Oudkarspel. Deze aanval verliep niet goed en de Bataven werden teruggeslagen, waarna door het ontstane gat de Engelsen opdrongen en een snelle opmars deden naar Oudkarspel, Noord- en Zuid Scharwoude. Pas even ten noorden van Broek wist Daendels de oprukkende Engelsen met zijn laatste reserves tegen te houden. De situatie zag er dreigend uit, zeker omdat Pulteney na het binnentrekken van Heerhugowaard zich dreigde aan te sluiten bij de troepen van Dundas. Hiertoe moest echter een ringvaart worden overgestoken. Dit kostte tijd die Daendels benutte met een tegenaanval. Pulteney die de nederlaag van de Russische colonne had vernomen, trok zich terug en tegen de avond was de Langedijkstelling weer in handen van de troepen van Daendels.

De vierde colonne (Abercrombie) opereerde tussen de troepen van Daendels en de Zuiderzee. Op zich vreemd, want de Engelse vloot was heer en meester op de Zuiderzee en amfibische operaties had meer kans op succes gehad. Hoorn en Enkhuizen hadden gemakkelijk vanuit zee veroverd kunnen worden, want die hadden nauwelijks militaire bezetting. Medemblik werd wel vanuit zee veroverd. De colonne van Abercrombie trok op 18 september naar Hoorn. Hier werd de militaire bezetting gevangen genomen en afgevoerd naar Britse schepen in Den Helder. Maar toen Albercrombie hoorde van de mislukte aanval van de Russische colonne trok hij weer terug naar de Zijpestelling. Bataafse troepen bezetten vervolgens weer Hoorn

Tot begin oktober golfde de strijd heen en weer tussen Alkmaar en Schagen, maar toen gaf de Franse generaal Brune, die de Frans-Bataafse strijdmacht commandeerde, bevel terug te gaan op de lijn Uitgeest-Wijk aan Zee. Van Haarlem liep een brede inundatiegordel oost van Beverwijk en Akersloot en noord van Purmerend naar de Zuiderzee. Hierdoor werd het gevechtsterrein beperkt tot een smalle kuststrook aan de Noordzee.

Nadat op 26 september opnieuw Russische versterkingen waren gearriveerd, probeerden de geallieerden het op 2 oktober opnieuw. Weer werden vier colonnes geformeerd, maar dit keer geconcentreerder. Abercrombie moest ditmaal over het strand van de Noordzee van Petten naar Egmond-aan-Zee oprukken met 9.000 man. Daarna moest hij links uit de flank naar Egmond-aan-den-Hoef marcheren om van daaruit de voor de tweede en derde colonne terug te drijven Frans-Bataafse troepen de pas af te snijden. De tweede colonne bestond uit 8.300 Russen onder generaal-majoor Essen. Die moest via Groet en Schoorl een aanval doen op Bergen. De derde colonne was 6.000 man sterk en stond onder bevel van Dundas. In drieën verdeeld moest ze vooral de tweede colonne steunen en Schoorldam bezetten. Pulteney commandeerde de vierde colonne en moest met 7.000 man vooral Daendels in bedwang houden die nog steeds in de onneembaar geachte Langedijkstelling lag.

Het Frans-Bataafse leger telde 20.000 man. Op rechts lag de Bataafse divisie van Daendels in de Langedijkstelling. Vervolgens de door generaal Bonhomme gecommandeerde Bataafse divisie van Dumonceau (nog steeds gewond) met als centrum Koedijk. Daarnaast lagen twee Franse divisies. Die van Vandamme met centrum Bergen en die van generaal Gouvion in de duinen ten noordwesten van Bergen. 

Om half zeven in de ochtend begon de aanval. Aanvankelijk verliep de opmars voorspoedig, maar bezuiden de lijn Kamp-Hargen-Groet werden de duinen plotseling ontzettend breed en verdwaalde één van de voorhoede van de colonne van Abercrombie. De opmars van de Russische colonne (o.l.v. generaal-majoor Essen) verliep te traag, uit angst voor flankaanvallen. Koedijk werd bereikt en Bergen werd nu bedreigd door de aanvallers. De grootte van de duinen ten westen van Bergen gaf echter veel problemen. De Engelsen probeerden het gevaar hier te beteugelen door te proberen het hele duinengebied te bezetten. Versterkingen werden hiertoe aangevoerd. 

De Franse opperbevelhebber Brune zag dit gebeuren en concentreerde zijn troepen hier op een smal front tussen Bergen en de zee. Dit front volgde het schelpenpad. Hier lag de divisie van Vandamme, die opdracht kreeg om indien mogelijk ook een aanval uit te voeren op de Russische divisie van Essen. Zijn divisie werd hiertoe versterkt met twee bataljons infanterie, een regiment dragonders en rijdende artillerie. Bonhomme moest daarnaast ook drie bataljons infanterie en zijn Regiment Huzaren afstaan aan Vandamme. De huzaren waren aanvankelijk vooral nodig om langs de duinpaden munitie te brengen naar de verspreid schietende infanterie. De aanval op de divisie Essen mislukte echter. Bovendien veroverde de colonne van Dundas een deel van het schelpenpad en maakten contact met de colonne van Abercrombie. Later die dag viel het hele schelpenpad in handen van de Engelsen. Het Frans-Bataafse leger hield weliswaar Bergen nog bezet, maar de duinen waren verloren gegaan en in Engelse handen. Abercrombie stootte door naar Egmond-aan-Zee. Op 2 oktober zette het Regiment Huzaren, op het strand bij Egmond aan Zee, bij het vallen van de duisternis de aanval in op Engelse ruiterij, die twee keer zo sterk was en vuursteun kreeg van artillerie in de duinen. De huzaren kregen zelf vuursteun van de batterij Rijdende Artillerie van kapitein H.F. Cordès. Syptestein schrijft  hierover11:

Luitenant J. Lechleitner, een huzaar en vier paarden sneuvelden. Elf huzaren en tien paarden werden vermist. Luitenant Jean-Baptiste van Merlen werd gesneuveld gemeld, doch laat in de avond werd hij door de opkomende vloed weer tot bewustzijn gebracht en hij slaagde erin zich weer bij het regiment te voegen. In 1815 zou hij bij Waterloo de 2e Brigade Ligte Cavalerie commanderen. 

Brune gaf Daendels opdracht om op de rechterflank de sterke Langedijkstelling lost te laten en terug te vallen naar de stelling bij Purmerend-Monnickendam om Amsterdam te beschermen. Op de linkerflank werden de troepen op 3 oktober ook iets teruggenomen tot de linie Beverwijk. De divisie Gouvion van Wijk-aan-Zee tot Heemskerkerduin. De divisie Boudet van Heemskerkerduin tot Uitgeest. Beide divisie”s vielen onder het opperbevel van Vandamme. Op 3 oktober viel RH daarom, nadat eerst nog een verkenning was uitgevoerd onder leiding van ritmeester M.J.G. Collaert, om 13.00 uur terug op Wijk aan Zee, maar begon de volgende dag weer met verkenningen richting Castricum, waarbij een brigadier, vijf huzaren en zes paarden door de vijand gevangen werden genomen. Op 4 oktober om 16.00 uur werd naar Castricum gemarcheerd. 

2 oktober 1799, slag bij Egmond aan Zee

De mogelijkheden voor een aanval op Amsterdam waren nu beperkt door uitgestrekt inundaties. Aan beide zijden was er daarom een duidelijke concentratie op een front dat zich uitstrekte tussen het Alkmaarder of Lange Meer en de Noordzee, hemelsbreed ten hoogste tien kilometer breed. Engelse eenheden kregen op 6 oktober opdracht de vijandelijke voorposten bij Bakkum aan te vallen, terwijl Russische eenheden die moesten doen bij Limmen en Akersloot. Abercrombie moest opnieuw langs het strand naar het zuiden marcheren. De Russische acties bij Limmen Akersloot hadden succes en de Russen vielen daarna Castricum aan, terwijl de Engelsen over het strand oprukten. De Franse cavalerie op het strand en in de duinen werd door de Engelse cavalerie verjaagd en de 51ste Demi-Brigade sloeg op de vlucht. Castricum wisselde gedurende de dag meerdere malen van eigenaar. De veldslag werd deels op het strand en in de duinen uitgevochten, maar ook in de weilanden en polders. Aan het eind van de dag besloot de Russische bevelhebber om de Franse troepen te flankeren, maar zijn opmars liep vast in een aantal sloten rondom een weiland. Bij het gehucht Nooddorp werd door de Fransen een haastige stelling ingericht, terwijl onder leiding van Brune zelf, vijf bataljon Fransen en Bataven uit Beverwijk aanrukten. Kolonel de Quaita had van generaal Brune intussen opdracht gekregen om in de strijd in te grijpen als hij dat zelf nodig vond. Tweehonderd Engelse dragonders braken van het dorp uit even ten oosten door en dreigden de Frans-Bataafse infanterie in de rug aan te vallen. Kolonel Quaita ondernam met een eskadron huzaren een tegenaanval en de vijand werd op de vlucht gejaagd. Vanwege de vermoeidheid van de paarden moest de achtervolging worden gestaakt. Eerste luitenant Sypestein12:

Omdat ook de vijf bataljons infanterie inmiddels waren gearriveerd, werden de Russische troepen genoodzaakt zich terug te trekken, waarop ook de Britse soldaten besloten te vluchten. De cavalerie werd nu in linies opgesteld met het regiment Bataafsche Huzaren in 1e linie, het Franse regiment Dragonder No.10 in tweede linie en de Fransche Jager te Paard No.4 in derde linie. Alles op de linkerzijde en links achter het centrum van de Nederlands-Franse troepen.

Om vijf uur was Castricum met de bajonet veroverd door de Fransen en Bataven. Juist op dat moment kwam Abercrombie naar Castricum, maar op dat moment begon het hard te regenen. De Russen, gesterkt door de komst van Abercrombie, drongen ook weer aan en de Fransen en Bataven begonnen te wijken, maar twee Franse generaals (Boudet en Fuzier) wisten hen bij het hoge duin ten zuiden van Castricum op te vangen en weer naar voren te dirigeren. Op dat moment herhaalde de Engelse cavalerie een manoeuvre die eerder was mislukt, de omtrekking van de linkervleugel van het vijandelijke leger en een aanval op de infanterie in de vlakte ten noorden van Heemskerk. Kolonel de Quaita gaf luitenant-kolonel Collaert opdracht de tegenaanval in te zetten en moedigde Franse infanterie en cavalerie aan om zich hierbij aan te sluiten. Hij inspireerde de Franse infanterie om te stoppen met vuren en met de bajonet aan te vallen. Kolonel Quatia riep de infanterie toe13:

De aanval van de huzaren werd gevolgd door het 10e Regiment Dragonders en het 4e Regiment Jagers te Paard en was een compleet succes. De Engelse cavalerie leed zware verliezen en werd op de vlucht gejaagd. De Engelse infanterie werd teruggedreven naar Bakkum en de Russen zelfs tot Limmen. De slag was gewonnen, maar invallende duisternis belette het uitbuiten van het succes. Vier paarden waren gesneuveld. Ritmeester M.J.G. Collaert, wachtmeester Thonhauser, zes huzaren en twee paarden werden gewond. 4 huzaren en 5 paarden werden vermist. Een dreigende nederlaag was door het Regiment Huzaren omgezet in een beslissende overwinning. De invasietroepen werden vanaf nu steeds verder in noordelijke richting teruggedrongen. 

 

6 oktober 1799, slag bij Castricum 

Opmerkelijk was een kleine, doch zeer succesvolle actie van de al eerder genoemde kapitein Cordès van de artillerie. Met een gemengde eenheid van vrijwilliger (50 infanteristen, 40 man van het 1e Regiment Zware Cavalerie (stameenheid Regiment Huzaren van Sytzama) en 16 artilleristen) wist hij na een verbeten strijd een Engels bataljon bij Akersloot op de vlucht te jagen en tien krijgsgevangenen te maken, ten koste van slechts vier gewonde paarden. 

Op 8 oktober werd vanuit Castricum en omgeving verplaatst naar Bergen en Schoorl. Vanuit Schoorl werd de vijand achtervolgd tot aan Petten door luitenant-kolonel Collaert met drie compagnieën huzaren. Zij kwamen terug met 200 krijgsgevangenen. Nadat de geallieerden verslagen waren in de slag bij Castricum volgde een chaotische terugval. Veel van de Britse en Russische soldaten werden getroffen door malaria en de plaatselijke bevolking had zich tegen de geallieerden gekeerd. Daarnaast maakte het slechte weer het onmogelijk om de troepen weer in te schepen. Op 10 oktober tekenden de strijdende partijen de Conventie van Alkmaar waarbij de geallieerden troepen terug mochten trekken met behoud van hun buit, en zonder herstelbetaling te hoeven doen. Als dank kreeg de Franse generaal Brune een aantal paarden cadeau van de hertog van York. 

Het door Brune gesloten verdrag was zeer ongunstig voor de Bataafse Republiek. Dit ondanks het feit dat de strijd gestreden was op Bataafs grondgebied en het gros van de slachtoffers Bataven waren. De Bataven waren zelfs niet uitgenodigd aan de onderhandelingstafel. De vijandelijke troepen kregen dus vrije aftocht en de Britten hoefden de buitgemaakte Bataafse vloot ook niet terug te geven. Over herstelbetalingen voor de geleden schade of het teruggeven van de veroverde koloniën werd met geen woord gerept. Ondanks de lovende Franse reacties op het militaire optreden van de troepen onder Daendels en Dumonceau, werden de Bataven kennelijk niet voor vol aangezien en werd er over hen beslist en niet met hen.14

Het Regiment Huzaren trok zich op 10 oktober terug naar Heijloo, waar het zich met de divisie van luitenant-generaal Dumonceau verenigde. Op 17 oktober werd naar Broek, Zuid- en Noord-Scharwoude getrokken, maar één eskadron werd in Zuid-Winskerk geplaatst. Dit eskadron werd onderdeel van de voorhoede van de divisie. Deze voorhoede stond onder bevel van de beproefde luitenant-kolonel Collaert.

Slag bij Castricum. Rechts op het schilderij ruiters van het Regiment Huzaren

Op 19 november scheepten de laatste Engelse en Russische troepen zich weer in. Het Regiment Huzaren ging hierna terug naar Groningen (3e en 4e eskadron) en Leeuwarden (1e en 2e eskadron). Generaal Dumonceau schreef in zijn brief van 1 november 1799 aan de Bataafse Agent van Oorlog (minister) dat het Regiment Huzaren op 6 oktober de slag bij Castricum een beslissende wending had gegeven waardoor deze in Frans-Bataafs voordeel kon worden beslist. Hij schreef15:

In 1799 kwam in Frankijk de succesvolle en populaire generaal Napoleon Bonaparte aan de macht. Als eerste consul bepaalde hij voortaan de verhoudingen tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek. Niet lang na het vertrek van de Engelsen en Russen uit Noord Holland kwam vanuit Parijs een verzoek om militaire bijstand. Op basis van het Verdrag van Den Haag eiste Bonaparte een militaire bijdrage van de Bataafse Republiek in de strijd tegen Oostenrijk. In de zomer van 1800 vertrok een Frans-Bataafs leger onder leiding van divisiegeneraal P.F.C. Augereau vanuit een kamp bij Eindhoven naar de regio rond Mainz, waar het de linkervleugel moest beschermen van het Rijnleger van generaal J.V.M. Mourau. Naast twee Franse divisies telde l’armée gallo-batave een Bataafse divisie van ongeveer 5000 man aangevoerd door Dumonceau. De Bataafse divisie nam vervolgens van juli 1800 tot maart 1801 deel aan de Franse winterveldtocht langs de Main tegen Oostenrijk.16

Het Regiment Huzaren maakte met het 1e en 2e eskadron deel uit (o.l.v. luitenant-kolonel Collaert) van de 2e Brigade (waarover kolonel Quaita tijdelijk het bevel voerde) die op haar beurt was ingedeeld bij de 4e divisie onder bevel van generaal-majoor Bonhomme. Luitenant-generaal Augereau was de legercommandant. Opnieuw beveiligde het Armée du Nord de linkerflank van de Franse Grande Armée, onder leiding van generaal Moureau. De bij de twee eskadrons ingedeelde officieren waren luitenant-kolonel M.A. Collaert, 2e luitenant-adjudant J.P. Weitzel, chirurgijn-majoor J.G. Misselbach, aide-chirurgijn P. Henop, ritmeesters M.J.G. Collaert, J.A. Wantenaar, E.A. van Hinüber, J.B. van Merlen en J.F Seyerlen. De 1e luitenants waren J.E.N. van Attenhoven, C. Lechleitner, A.J. Hoijnck van Papendrecht, C.F. Staëdel, J.P. Molenaar, P.C. Vermeulen en U.H. Huber. De ingedeelde 2e luitenants waren J.Q. Kummich, J.A. Horch, B. van Gaart, J.C. Muller, W. Dahmen, J.P. Schreiber en J.C.F. Pfaff.17

De twee eskadrons van het regiment gingen op 18 juli naar Duitsland en kwam op 22 juli in Keulen aan. Op 26 juli werd vervolgens Lahn bereikt en op 7 augustus waren ze in Homburg en werd plaatsgenomen in de ‘Nidda’ linie. Het hoofdkwartier kwam in Friedberg terecht. Op 5 september werd de wapenstilstand tussen Oostenrijk en Frankrijk opgezegd en werden de eenheden meer geconcentreerd. De twee eskadrons huzaren kwamen nu in Nieder-Wilstadt terecht. Het hoofdkwartier kwam na verhuizingen uiteindelijk medio november in Amorbach terecht. De eenheden werden langs de rivier de Tauber gepositioneerd.

Het regiment nam deel aan gevechten in de omgeving van Würzburg. Op 24 november om 16.00 uur deden 1800 man Oostenrijkse troepen een onverwachte aanval vanuit Asschaffenburg. Deze aanval liep vast op het 4e bataljon Bataafse Jagers en werd daarna door herhaalde charges van de eskadrons van het Regiment Huzaren teruggeslagen. Hierna ontruimde de vijand Asschaffenburg, achtervolgd door de huzaren. Luitenant-kolonel Collaert werd hierbij zwaar gewond. Op 16 juni 1801 kreeg hij voor deze krijgsverrichtingen een eresabel van het ‘uitvoerend bewind’ van de Bataafse Republiek. Sypestein schrijft18:

Kolonel Quaita commandeerde nog steeds de brigade. Op 2 december verdreef hij met 600 Bataafse en Franse troepen, waaronder Bataafse huzaren en dragonders, 1200 man Oostenrijkse troepen bij Oberschwach. Hierbij sneuvelden vijf huzaren en vijf paarden. Acht paarden waren gewond, o.a. die van 1e luitenant C.F. Staëdel en van de 2e luitenant J.P Schreiber. Eerste luitenant Sypestein schrijft hierover19:

aldus Sypesteijn.

Op 25 december werd te Steier een wapenstilstand besloten door Moreau en de Oostenrijkse bevelhebber. Na een reeks verdere overwinningen van het Franse leger in Italië onder Napoleon Bonaparte, werd eerst vrede met Oostenrijk gesloten (9 februari 1801 vrede van Luneville) en daarna bijna een jaar later, in maart 1802 de Vrede van Amiens met Spanje en Engeland. Op 27 maart 1801 begon al eerder de terugtocht uit Wertheim. Via Frankfurt (1 april), Coblenz (7 april), Keulen (11 april) en Nijmegen (19 april) werden eind april 1801 voor korte tijd de nieuwe garnizoenen in Zutphen en Deventer betrokken. De verliezen van de twee eskadrons van RH waren beperkte gebleven tijdens deze campagne. 3 man en 24 paarden waren gesneuveld, 9 man en 14 paarden gewond en 14 man krijgsgevangenen gemaakt door de vijand. 21 paarden waren vermist geraakt. Tussentijds was vanuit het depot wel versterking ontvangen, namelijk 113 man en 121 paarden. De sterkte van de twee eskadrons was dus redelijk stabiel gebleven. 

Het regiment en de rest van de Bataafse Divisie mochten veel loftuitingen ontvangen. Sypestein schrijft over de vele brieven die vanuit meerdere hoeken werden geschreven over het regiment20:

De rest van het regiment werd intussen ook verplaatst en van Noord Nederland weer naar West Nederland verplaatst. De reden was dat Napoleon een groot deel van zijn troepen samentrok aan de Kanaal-havensteden om af te kunnen rekenen met zijn aartsrivaal Groot-Brittannië. Ook de Bataafse Republiek moest hieraan een bijdrage leveren met haar vloot en 9000 landtroepen. Deze divisie, weer onder bevel van generaal Dumonceau, maakte deel uit van het IIe Legerkorps onder bevel van generaal Marmont. Uiteindelijk zou het nog twee jaar duren voordat er genoeg schepen voorhanden waren om de oversteek te wagen. Al die tijd lagen de troepen in grote kampen of op de reeds gereed zijnde schepen te wachten.21

In de laatste maanden van 1802 lag het regiment weer in Haarlem en het 1e en 2e eskadron in Amsterdam. In de winter van 1802/03 werd het 3e eskadron naar Den Bosch gestuurd. Dit eskadron werd vervolgens in juni 1803 weer teruggehaald naar Amsterdam. Toen werd ook het depot uit Haarlem naar Amsterdam overgeheveld. Later schijnt het depot toch weer in Groningen terecht zijn gekomen. De beide andere veldeskadrons van het Regiment Bataafsche Huzaren waren kort na de aankomst in Nijmegen weer verzameld met de staf van het regiment. Slechts een detachement van 1 luitenant, 2 wachtmeesters, 4 korporaals en 24 huzaren was naar Almaar gezonden voor kustbewaking. Hier lag de divisie van generaal Daendels intussen in opstelling. Dit verblijf in Noord Holland, duurde wel lang, namelijk van 25 april 1801 tot en met 27 augustus 1806.  Daarna pas keerde het detachement terug naar het regiment wat t oen in Deventer en Zutphen lag. 

Napoleon aan de macht

Frankrijk had na de veelhoofdige leiding tijdens het begin van de revolutie, een uitvoerend bewind van vijf man gekregen en daarna kregen drie consuls de macht. Nu bleef daarvan alleen Napoleon over als Consul voor het leven. De Erfprins van Oranje werd door bemiddeling van de Bataafse gezant in Parijs, Rutger Jan Schimmelpenninck, door Napoleon ontvangen. Hij kreeg in ruil voor zijn verloren bezittingen in de Bataafse Republiek, nieuwe in Duitsland: Fulda, Corvey en enige rijkssteden, wat hem een inkomen van bij benadering een half miljoen gulden per jaar opleverde.

Even leek de Bataafse Republiek omhoog te krabbelen uit het dal van de economische misère, maar de vrede duurde niet lang. Bij het uitbreken van de nieuwe oorlog lagen veel schepen in Engelse havens en werden daar geconfisqueerd. Aan de expeditie naar Hannover, die op 6 juni 1803 van start ging, nam het Regiment Huzaren pas deel na de reorganisatie van het expeditiekorps op 25 november 1803 met het 1e en het 4e eskadron. Dat was na de reorganisatie van het expeditiekorps. Hiervan zijn geen bijzondere wapenfeiten overgeleverd. Kolonel Quaita werd bevorderd tot generaal-majoor en luitenant-kolonel Collaert werd nu officieel regimentscommandant en kolonel.In 1804 kroonde Napoleon zichzelf tot Keizer van Frankrijk. Op zijn aanwijzing werd op 29 april 1805 Rutger Jan Schimmelpenninck staatshoofd voor vijf jaar met de titel van Raadpensionaris. Het beleid werd echter vanuit Frankrijk gedicteerd en verder had Schimmelpenninck ook weinig armslag door de desolate toestand van ‘s-lands financiën. De invoering van het Continentaal Stelsel, dat de eens zo bloeiende handel en scheepvaart, waarvan sedert 1795 toch al niet zoveel meer van over was, nog verder inperkte, was een zware slag voor het toch al zo verarmde land. Een van de middelen die Schimmelpenninck gebruikte om ‘s lands deplorabele financiële toestand te verbeteren, was een inkrimping van het leger. De halve brigades waren in 1803 al ontbonden en het leger werd georganiseerd in 21 losse bataljons. Dit was niet doelmatig en in 1805 werd opnieuw gereorganiseerd. De 21 bataljons werden omgevormd tot 8 regimenten van elke 2 veldbataljons en een garnizoensbataljon. De 4 jager bataljons vormden 2 regimenten lichte infanterie en 1 van de 4 regimenten cavalerie werd opgeheven. Wel kreeg de raadspensionaris een eigen garde van ongeveer 130 man, waarin alle wapens waren verenigd. De reorganisatie was funest voor de kwaliteit van het leger. Verandering op verandering volgde zonder dat de officieren en manschappen de tijd kregen om aan elkaar te wennen. Ook waren er problemen bij het officierskorps. Talentvolle officieren werden ontslagen, terwijl hun slecht functionerende collega’s soms promotie maakten. Geld en connecties waren en bleven vaak belangrijker dan kennis en ervaring. Nepotisme was nog lang niet uitgebannen in het Bataafse leger.22

De cavalerie moest dus terug van 4 naar 3 regimenten. Op 11 juni 1805 werden als gevolg daarvan onder andere het 1e en 2e Regiment Lichte Dragonders samengevoegd tot 2e Regiment Dragonders. Het Regiment Dragonders werd toen 1e Regiment Dragonders. Het Regiment Huzaren hoefde niet in te leveren, behalve dan kolonel Collaert. Kolonel John Macpherson werd de nieuwe regimentscommandant. Helaas werd wel de sterkte van de afzonderlijke compagnieën verminderd. Van 77 terug naar 60 ruiters. In 1805 werd dit getal weer vergroot naar 72 ruiters. De kosten van het regiment in deze tijd zijn ook bekend, namelijk Fl. 223636. In 1805 bestond het regiment uit 476 ‘hoofden’ en 496 paarden.23

Op 7 augustus 1805 werd de Bataafse Divisie, waarbij twee eskadrons van het Regiment Huzaren, na verzameld te zijn geweest in het grote legerkamp bij Zeist, ingescheept te Den Helder voor een invasie van Engeland. De twee eskadrons stonden onder leiding van kolonel M.A Collaert, bijgestaan door luitenant-kolonel E.A. von Hinuber. J.L. Renno was 2e luitenant-adjudant en 2e luitenant J. Thonhauser was de tweede luitenant-adjudant. Pikeur was de 2e luitenant G.F. Koltrop en luitenant-kwartiermaker was W. Royen. De chirurgijn was C.T Marius. De ritmeesters waren M.J.G. Collaert en J.B. van Merlen. Verder behoorden tot het detachement de 1eluitenants C.F. Staëdel, J.W. Kummich, J.P. Weitzel, C. Lechleitner, A.J. Hoynck van Papendrecht en de 2e luitenants L.A.J. Crooy, L.R. Quaita, R.F. de Ravallet en M.L. Pijman. 
 Terwijl de vloot wacht op gunstige wind, kwam op 23 augustus het bericht dat Oostenrijk was toegetreden tot de triple-alliantie van Engeland, Zweden en Rusland. De keizer veranderde zijn plannen radicaal en het invasieplan kwam te vervallen. Op 2 september werd ontscheept en op 4 september ging de divisie in opmars naar Mainz, waar ze op 25 september aankwam. De Bataafse Divisie, nog steeds gecommandeerd door luitenantgeneraal Dumonceau, nam vervolgens deel aan de Franse veldtocht in Duitsland, die gericht was tegen Oostenrijk. Ook aan deze veldtocht nam het Regiment Huzaren deel met twee eskadrons. De afgelegde weg is bekend, namelijk Langendijk (4 sept), Heemskerk en Beverwijk (5 sept), Ouderkerk (6 september), Woudenberg (7 sept), Arnhem (8-10 september), Kleef (11 sept), Kalkar (12 sept), Altekirchen (13 sept), Outrath (14 sept), Dormagen (15 sept), Keulen (16 sept), Herselts (18 sept), Remagen (19 sept), Kettich (20 sept), Boppert (21 sept), Bacharach (22 sept, Elsheim (23 sept), Gonsenheim (25 sept), Oberenieder en Liederbach (26 sept), Werskirchen (27 sept, Dondel (28 sept), Trenafurt (29 sept), Höfeld (30 sept) en vervolgens tot 12 oktober in Augsburg
De Bataafse Divisie nam wel deel aan het beleg van Ulm (ingedeeld bij het legerkorps van Marmont), doch niet aan de Slag bij Austerlitz op 2 december 1805. Wel werd na de overwinning Passau nog bezet en later ook Wenen binnen getrokken. Op 20 december 1805 werd Wenen verlaten en via Neustadt op 18 januari 1806 Ingolstadt bereikt. Op 29 januari werd de Bataafse divisie bij het 7e legerkorps van maarschalk Augureau ingedeeld. Hoewel op de vooravond van kerstmis in Presburg de vrede getekend werd, keerde de Bataafse Divisie pas in april 1806 in de Republiek terug. Het regiment Huzaren arriveerde al eerder op 27 maart 1806 terug in Zutphen. De rest van het regiment kwam de volgende dag ook vanuit Groningen in Zutphen aan. Het regimentscommando lag intussen i handen van kolonel J. Macpherson. Vier kompagniën vertrokken op 2 april naar Deventer onder bevel van luitenant-kolonel W. Lambrechts. Het kleine kustbewakingsdetachement kwam pas in 1806 terug bij het regiment. In deze periode werd ook nog een compagnie met 1 ritmeester, 3 luitenants, 3 trompetters en 60 wachtmeesters en huzaren naar Den Haag gestuurd. Ook zij kregen kustbewakingsopdrachten. Deze taak duurde tot 16 juli 1806.  In augustus 1806 keerde ook het laatste detachement uit Noord Holland terug bij het regiment in Deventer.  


Krant NRC

Vlag in het NMM

  1. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 37  ↩︎
  2. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 19 ↩︎
  3. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 21 ↩︎
  4. Dumonceau kwam uit Brussel en was zoon van een Steenhouwer. Hij was net als Daendels betrokken geweest bij de revolutionaire beweging in de Zuidelijke Nederlanden en eveneens naar Frankrijk uitgeweken. Hij had een uitstekende verstandhouding met Daendels. Bron: Aalberts, De Huzaren van Castricum ↩︎
  5. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 181 en 182 ↩︎
  6. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 182 ↩︎
  7. De Hollandse vloot had minder geluk en werd op 11 oktober in de Slag bij Kamperduin vernietigd. ↩︎
  8. De commandant van de voorhoede was kolonel H.J. Gilquin ↩︎
  9. De brigade commandant was generaal-majoor Bonhomme ↩︎
  10. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 30 ↩︎
  11. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 32 ↩︎
  12. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 35 ↩︎
  13. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 36 ↩︎
  14. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 181 en 183 ↩︎
  15. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 39 ↩︎
  16. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 184 ↩︎
  17. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 45 en 46 ↩︎
  18. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 48 ↩︎
  19. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 55  ↩︎
  20. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 58 ↩︎
  21. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 185 ↩︎
  22. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 39 ↩︎
  23. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 62 ↩︎

6 vragen over desinformatie aan…..

… Kolonel Hans van Dalen EMSD

Interview met kolonel Hans van Dalen, spreker op de HCB Masterclass ‘Omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust’ die op 1 december 2021 (werd) wordt gehouden bij Landgoed Beukbergen in Huis ter Heide en wordt georganiseerd door het Haags Congres Bureau.

Colonel Hans van Dalen is serving as deputy commander of Education and Training Command RNLA. Next to his other assignments colonel van Dalen is also proudly serving as the Regimental Commander of the famous Regiment Hussars van Boreel. Colonel van Dalen has written some articles on Future Warfare, Maneuver Warfare en Information Warfare. Zijn volledig cv is te lezen op de website van het Haags Congres Bureau.

Vragen gesteld door Elwin Veldhuis, Haags Congres Bureau (HCB).

Er wordt gesproken over desinformatie. Kun je aangeven wat hier onder wordt verstaan?

Het Rathenau Instituut omschrijft desinformatie als: ‘Het doelbewust, veelal heimelijk, verspreiden van misleidende informatie, met het doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratische processen, de open economie of nationale veiligheid.’ Het verschil tussen desinformatie en misinformatie zit hem in de kwade bedoeling erachter. Misinformatie is dus zonder kwade bedoeling, maar desinformatie is met kwade bedoeling. Deze laatste vorm kan in onze hedendaagse digitale maatschappij grote schade toebrengen aan organisaties, instituten en zelfs individuen.

Kun je iets zeggen over de samenhang van desinformatie met maatschappelijke onrust?

De belangrijke en grensverleggende trend is dat het publiek niet langer uitsluitend nieuws-consument is, maar nu eveneens nieuwsproducer. In de Engelstalig vakliteratuur wordt dit ook wel geduid met de term ‘producer’ (user who can also produce content) of citizenjournalism. Deze trend is de meest grote verandering in onze wereld. Mensen kunnen nu wereldwijd berichten verspreiden; met één muisklik en zonder wezenlijke kosten. Deze zaken veranderen dus de productie, vorm, inhoud en consumptie van alle soorten media. Dat is ook goed te zien, want veel traditionele media (kranten, radio, TV) hebben moeite met deze verandering en zien het aantal abonnees snel dalen. Ze reageren hier op door samen te gaan met ‘nieuwe’ mediabedrijfjes, gespecialiseerd in social media. Een ander fenomeen is de click-ratio. Het verdienmechanisme van veel social media bedrijfjes is namelijk gebaseerd op het aantal clicks per ‘post’. En stijgen dus als ‘posts’ viraal gaan. En viraliteit hangt rechtstreeks samen met ‘sensationalisme’ want bereikt kan worden met beangstigende, bloederige, sexueelgetinte of anderszins indrukwekkende beelden. Maar deze drang naar sensatie is moeilijk te beteugelen (er zijn immers geen matigende ‘redacteurs’ meer) en kan ongewenste ‘volkswoede’ oproepen die door politici moeilijk tegen te gaan is. Viraliteit betekent namelijk vaak herhalen en dit vergroot de overtuigingswaarde (dit heet cognitive easing). ‘De straat regeert’ als het ware. Niet echt een stabiele staatsvorm als u het mij vraagt.

Erger nog: deze nieuwe disruptieve informatietechnologie erodeert ook onze democratie. Mensen voelen zich bedreigd. Soms fysiek bedreigd, maar vooral ook ongrijpbaar bedreigd. Door de informatietechnologie zijn alle problemen in de wereld ineens zichtbaar en soms ook voelbaar. De problemen zijn vaak niet te doorgronden. Problemen waar mensen geen oplossing voor hebben en waartegen de staat hen niet kan beschermen. En een staat die haar burgers niet kan beschermen, verliest haar relevantie voor haar burger en ultimo dus haar bestaansrecht.

Waarom is het belangrijk desinformatie tijdig te signaleren?

Tijdigheid van signaleren van zowel de desinformatie zelf als van de oorzaken erachter zijn belangrijk. Met diverse eigen informatiecampagnes, druk op de social media platforms en eigen pogingen om mis- en desinformatie (fake news) te ontmaskeren en de bevolking meer bewust te maken van de gevaren. De staat neemt ook stappen en initiatieven op dit gebied. Maar ongemerkt wordt hierdoor mis- en desinformatie juist verder verspreid en daarnaast leidt het publiceren van tegenfeiten vaak ongewild tot verharding van bestaande denkbeelden.

Welke stappen kun je vervolgens zetten?

De vraag is dus of de staat dit probleem kan oplossen. Beter is het om in te steken op de kracht van de maatschappij, die niet berust op het inzicht van de politici, maar juist op de weerbaarheid en onderlinge verbinding van de samenleving. Opvoeding is belangrijk, net zoals open, gevarieerde groepen i.p.v. gesloten groepen. Groepen die op basis van de Power to the Edge gedachte mandaat genoeg hebben om zelf problemen op te lossen i.p.v. de staat om hulp te vragen; horizontale verbanden in plaats van verticale sturing.

Zijn er juridische eisen waarmee je rekening moet houden?

Die zijn er altijd. De macht van de staat moet namelijk onder controle worden gehouden. Mensenrechten waaronder recht op vrije meningsuiting en privacy moeten gewaarborgd blijven. We willen immers geen totalitaire staat worden. Hier ligt dus een paradox. Eigenlijk zou de staat pas op de plaats moeten maken als het gaat op beïnvloeding van de eigen bevolking maar anderzijds ondergraaft de democratisch staat haar eigen bestaansrecht als ze niets doet en desinformatie ongestoord haar eigen destructieve koers laat varen.

Waarom mogen we de HCB Masterclass ‘Omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust’ op 1 december niet missen?

U mag deze HCM Masterclass niet missen omdat u hiermee dieper inzicht krijgt in de oorzaken achter desinformatie, de destructieve krachten ervan en mogelijke oplossingsrichtingen. Diepere kennis over desinformatie is van groot belang om onze democratisch welvaartstaat vitaal te houden voor de toekomst van onszelf en van onze kinderen.

Wilt u meer leren van Kolonel Hans van Dalen en andere experts op het gebied van desinformatie en maatschappelijke onrust? Kom 1 december naar de HCB Masterclass ‘Omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust’ op het Landgoed Beukbergen in Huis ter Heide, georganiseerd door het Haags Congres Bureau. 

(Let op: het evenement heeft in 2021 plaatsgevonden)

Vooruitblik masterclass omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust

Op 1 december 2021 vindt de masterclass omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust plaats dat wordt georganiseerd door het Haags Congres Bureau en waar RONT Management Consultants een bijdrage aan mag leveren.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en spreker op de masterclass omgang met desinformatie en maatschappelijke onrust.

Maatschappelijke onrust

Regelmatig ontstaat er ergens in binnen- en buitenland ophef binnen een gemeenschap. De oorzaken zijn divers, variërend van een pandemie, de komst van nieuwe technologie, een ongeval met gevaarlijke stoffen, de komst van windmolens, een terugkerende zedendelinquent, een ontuchtzaak, een gezinsdrama, een incident met een verward persoon, de samenkomst van haatpredikers tot de komst van een asielzoekerscentrum. Een dergelijke gebeurtenis kan leiden tot vergaande spanningen in de gemeenschap met mogelijke grote gevolgen voor de openbare orde en veiligheid. Een gemeenschap staat dagelijks bloot aan diverse risico’s en daarmee gepaard gaande desinformatie die kunnen leiden tot spanningen en maatschappelijke onrust. Maatschappelijke onrust is het verschijnsel van hevige ongerustheid en emotionele reacties bij (diverse) groepen mensen als gevolg van een schokkende gebeurtenis waarbij het risico bestaat op escalatie, verstoring van de openbare orde en veiligheid en een toename van deze problematiek.

De corrumperende werking van (des)informatie

Informatie wordt al eeuwenlang gebruikt voor beïnvloeding, maar sinds de introductie van smartphonetechnologie is dat explosief toegenomen. Beïnvloeding vindt niet langer enkel plaats via traditionele media zoals kranten, radio en tv, maar vooral via internet en sociale media met gebruik van geavanceerde technieken. Ook zijn het niet langer statelijke actoren of adverteerders die geraffineerde beïnvloedingsmethoden gebruiken, maar ook belangenorganisaties en radicale ideologische groeperingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van desinformatie. Desinformatie is het bewust creëren en verspreiden van onware, inaccurate of misleidende informatie door een overheid, onderneming of groepering om te voorkomen dat een doelgroep juiste conclusies kan trekken of correcte meningen kan vormen wat kan leiden tot verkeerde opvattingen en maatschappelijk onbehagen. Desinformatie kan gebruikt worden om democratische processen (zoals verkiezingen) te verstoren, de politieke en bestuurlijke integriteit van de volksvertegenwoordiging en de rechtspraak te ondermijnen, een economische agenda na te streven en/of een gemeenschap te destabiliseren door maatschappelijke onrust te creëren. Tijdens de masterclass gaat Hans van Dalen, kolonel bij Defensie, in op de corrumperende werking van (des)informatie en hoe hiermee kan worden omgegaan.

Signaleren en analyseren van desinformatie

Iedereen met een Twitter-, Instagram of Facebookaccount kan desinformatie verspreiden. Maar dikwijls wordt desinformatie verspreid door anonieme accounts en door online profielen, de zogeheten bots, die door software gestuurd worden en op basis van algoritmes berichten plaatsen en verspreiden. Robert van der Noordaa, directeur van Trollrensics, gaat tijdens de masterclass in op het signaleren en analyseren van desinformatie. Desinformatie campagnes richten zich vaak op specifieke gebeurtenissen. Enkele voorbeelden zijn referenda, verkiezingen of bepaalde gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld het incident rond MH17. De tools van Trollrensics kunnen worden gebruikt om desinformatie campagnes te detecteren die al hebben plaatsgevonden of campagnes te monitoren die waarschijnlijk zullen gaan plaatsvinden. Trollrensics verzamelt informatie uit verschillende bronnen die vervolgens wordt opgeslagen en geanalyseerd. Op basis hiervan kan met behulp van visualisaties inzicht worden verkregen in de aard, omvang en verschijningsvormen van de desinformatiecampagnes. Tijdens de masterclass zal Robert van der Noordaa nog enkele best practices en lessons learned van elders uit land delen waaronder de vermeende vliegtuigkaping op Schiphol, de demonstratie op het Museumplein in Amsterdam en de Tweede Kamerverkiezingen in Nederland.

Identificeren en falsificeren van desinformatie

Desinformatie kan leiden tot verstoring van de openbare orde en maatschappelijke onrust. Dit maakt het van belang om desinformatie te identificeren en falsificeren. De actor en de context zijn hierbij doorgaans zeer relevant. Voor het opsporen van desinformatie is het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Er is sprake van persoonsgegevens indien het herleidbaar is tot een natuurlijk persoon. Dit herleiden mag met hulpmiddelen gebeuren. Dat neemt niet weg dat (indien de AVG van toepassing is) aan alle door de AVG gestelde voorwaarden moeten worden voldaan (grondslag, doelbinding, proportionaliteit, enz.). Richard Odekerken, directeur van Trollrensics, zal tijdens de masterclass aandacht besteden aan het identificeren en falsificeren van desinformatie binnen de wet- en regelgeving. Op voorhand al enkele tips bij het identificeren en falsificeren van desinformatie: maak zoekacties en besluiten herleidbaar, leg een audit trail vast, betrek de functionaris gegevensbescherming, beveilig de informatie afdoende, beperkt de zoektocht tot openbare bronnen, gebruik geen profielen van bestaande personen maar zoek zonder account, abstraheer en kwantificeer in de rapportage naar collega’s.

Desinformatie in de praktijk

Desinformatie vormt een risico voor de democratische functie en bestuurlijke stabiliteit van de gemeente. Het kan gebruikt worden om democratische processen zoals verkiezingen te verstoren, de politieke en bestuurlijke integriteit van de volksvertegenwoordiging en de rechtspraak in twijfel te trekken. Tevens kan desinformatie gebruikt worden om een economische agenda na te streven en om berichten te verspreiden die tot onrust kunnen leiden onder bewoners. De verspreiding van desinformatie is een reële dreiging. Het recht op vrijheid van meningsuiting komt al snel in het geding wanneer er bemiddeld wordt in wat er wel en niet gepubliceerd en verspreid mag worden en kan bovendien leiden tot wantrouwen in de overheid. Echter moeten de ogen niet gesloten worden voor de risico’s die desinformatie met zich meebrengt. Tijdens de masterclass komen verschillende praktijkvoorbeelden aan bod hoe concreet invulling kan worden gegeven aan de omgang met desinformatie in de praktijk. Jim Boevink, adviseur van de Taskforce Digitale Veiligheid bij de gemeente Amsterdam, zal op de masterclass ingaan op hoe de gemeente Amsterdam inzicht verkrijgt in de mogelijke aanwezigheid en het bereik van desinformatie in publieke debatten over voor (de gemeente) Amsterdam relevante beleidsthema’s. Waar gaat het publieke debat over en welke gedragspatronen zijn te herkennen? Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen influencers, aanjagers en vermeende bots. Influencers zijn bekende personen die een groot netwerk hebben met veel volgers en hierdoor ook invloedrijk zijn in het publieke debat. Aanjagers zijn personen die een actieve rol spelen binnen een groepering en opvallend actief zijn rond een bepaald onderwerp of persoon. Vermeende bots zijn gebruikers die vermoedelijk niet menselijk zijn doordat ze afwijkend gedrag vertonen. Een voorbeeld hiervan zijn meerdere post op hetzelfde moment in een dag en een hoge frequentie van post. Het doel van de gemeente Amsterdam is het creëren van een betere informatiepositie over desinformatie in de stad. Het startpunt hierbij is niet vanuit desinformatie, maar vanuit onderwerpen die worden besproken door personen binnen het publiek domein en reacties die daarop komen. Op deze manier kan er invulling gegeven worden aan ‘vervuilingsindicatoren’ om vervolgens patronen te kunnen herkennen. Om te onderzoeken in welke mate een specifiek onderwerp binnen het publiek domein gevoed wordt met desinformatie, wordt er enerzijds gefocust op de berichtgeving die wordt gedeeld door betrokkenen in het Amsterdams publiek domein én berichtgeving over Amsterdam (omdat dit vaak het publiek domein raakt). Anderzijds worden signalen vanuit het Amsterdams publieke domein getoetst en gedetecteerd in de berichtgeving.

Colonel Hans van Dalen started his military career in the 1981 at the Dutch Royal Military Academy. After serving several years as subaltern officer in mechanized infantry units, he switched to the armor-branch in order to enhance his knowledge on maneuver warfare.
His career is a mixture of serving within operational Army units, Army training and knowledge institutions and position within the Defense and Army intelligence branches.
Colonel Hans van Dalen was four times deployed on operational missions in Bosnia-Herzegovina, Macedonia and Afghanistan. He also executed several operational working visits to the Balkans, Iraq and Afghanistan. Col van Dalen has also personal experience with CD&E methodology. 

He experimented with future operational concepts during his training job and even during his tour as leading intelligence officer within Task Force Uruzgan (Afghanistan).

Colonel van Dalen also was employed as the Head of Directorate Land Warfare within the Land Warfare Centre and was responsible for development of international and national doctrine together with the development of operational and organizational concepts for future warfare.
His last deployment was commander of the leading intelligence unit (ASIFU) of the United Nations MINUSMA mission in Mali. After this deployment he assumed command of the Netherlands Joint Intelligence Command (JISTARC), dealing with preparation and deployment of intelligence units, including experimentation, knowledge production and future development of the Army Intelligence. Next Col van Dalen was posted to Headquarter Netherlands Army in Utrecht as Head of Current Army Operations. In this assignment he was responsible for major operations, exercises and handling of emergencies within the Dutch Army. Nowadays he is serving as deputy commander of Education and Training Command RNLA.
Next to his other assignments colonel van Dalen is also proudly serving as the Regimental Commander of the famous Regiment Hussars van Boreel.
Colonel van Dalen has written some articles on Future Warfare, Maneuver Warfare en Information Warfare.

Terugblik online bijeenkomst omgang met desinformatie en maatschappelijk onbehagen

Op maandagmiddag 21 juni 2021 vond de online bijeenkomst omgang met desinformatie en maatschappelijk onbehagen plaats dat werd georganiseerd door het Regionaal Netwerkteam Bevolkingszorg van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden en werd begeleid door Frank van Summeren van RONT Management Consultants. Aan de online bijeenkomst namen bestuurders, adviseurs crisisbeheersing en adviseurs communicatie deel. De online bijeenkomst had tot doel om u en de andere genodigden te informeren over het vroegtijdig signaleren en analyseren van desinformatie zodat hier adequaat op kan worden geanticipeerd om maatschappelijke onrust te voorkomen dan wel te beperken.

Maatschappelijke onrust

Regelmatig ontstaat er ergens in binnen- en buitenland ophef binnen een gemeenschap. De oorzaken zijn divers, variërend van een pandemie, de komst van nieuwe technologie, een ongeval met gevaarlijke stoffen, de komst van windmolens, een terugkerende zedendelinquent, een ontuchtzaak, een gezinsdrama, een incident met een verward persoon, de samenkomst van haatpredikers tot de komst van een asielzoekerscentrum. Een dergelijke gebeurtenis kan leiden tot vergaande spanningen in de gemeenschap met mogelijke grote gevolgen voor de openbare orde en veiligheid. Een gemeenschap staat dagelijks bloot aan diverse risico’s en daarmee gepaard gaande desinformatie die kunnen leiden tot spanningen en maatschappelijke onrust. Maatschappelijke onrust is het verschijnsel van hevige ongerustheid en emotionele reacties bij (diverse) groepen mensen als gevolg van een schokkende gebeurtenis waarbij het risico bestaat op escalatie, verstoring van de openbare orde en veiligheid en een toename van deze problematiek. Frank van Summeren, verbonden aan RONT Management Consultants, ging bij de opening van de online bijeenkomst in op de mogelijke oorzaken en verschijningsvormen van maatschappelijke onrust en de rol die desinformatie hierin kan spelen.

De corrumperende werking van (des)informatie

Informatie wordt al eeuwenlang gebruikt voor beïnvloeding, maar sinds de introductie van smartphonetechnologie is dat explosief toegenomen. Beïnvloeding vindt niet langer enkel plaats via traditionele media zoals kranten, radio en tv, maar vooral via internet en sociale media met gebruik van geavanceerde technieken. Ook zijn het niet langer statelijke actoren of adverteerders die geraffineerde beïnvloedingsmethoden gebruiken, maar ook belangenorganisaties en radicale ideologische groeperingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van desinformatie. Desinformatie is het bewust creëren en verspreiden van onware, inaccurate of misleidende informatie door een overheid, onderneming of groepering om te voorkomen dat een doelgroep juiste conclusies kan trekken of correcte meningen kan vormen wat kan leiden tot verkeerde opvattingen en maatschappelijk onbehagen. Desinformatie kan gebruikt worden om democratische processen (zoals verkiezingen) te verstoren, de politieke en bestuurlijke integriteit van de volksvertegenwoordiging en de rechtspraak te ondermijnen, een economische agenda na te streven en/of een gemeenschap te destabiliseren door maatschappelijke onrust te creëren.
Tijdens de online bijeenkomst ging Hans van Dalen, kolonel bij Defensie, in op de corrumperende werking van (des)informatie en hoe hiermee kan worden omgegaan.

Signaleren en analyseren van desinformatie

Iedereen met een Twitter-, Instagram of Facebookaccount kan desinformatie verspreiden. Maar dikwijls wordt desinformatie verspreid door anonieme accounts en door online profielen, de zogeheten bots, die door software gestuurd worden en op basis van algoritmes berichten plaatsen en verspreiden. Robert van der Noordaa, directeur van Trollrensics, ging in op het signaleren en analyseren van desinformatie. Desinformatie campagnes richten zich vaak op specifieke gebeurtenissen. Enkele voorbeelden zijn referenda, verkiezingen of bepaalde gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld het incident rond MH17. De tools van Trollrensics kunnen worden gebruikt om desinformatie campagnes te detecteren die al hebben plaatsgevonden of campagnes te monitoren die waarschijnlijk zullen gaan plaatsvinden. Trollrensics verzamelt informatie uit verschillende bronnen die vervolgens wordt opgeslagen en geanalyseerd. Op basis hiervan kan met behulp van visualisaties inzicht worden verkregen in de aard, omvang en verschijningsvormen van de desinformatiecampagnes. Robert van der Noordaa deelde tot slot nog enkele best practices en lessons learned van elders uit land waaronder de vermeende vliegtuigkaping op Schiphol, de demonstratie op het Museumplein in Amsterdam en de Tweede Kamerverkiezingen in Nederland.

Identificeren en falsificeren van desinformatie

Desinformatie kan leiden tot verstoring van de openbare orde en maatschappelijke onrust. Dit maakt het van belang om desinformatie te identificeren en falsificeren. De actor en de context zijn hierbij doorgaans zeer relevant. Voor het opsporen van desinformatie is het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Er is sprake van persoonsgegevens indien het herleidbaar is tot een natuurlijk persoon. Dit herleiden mag met hulpmiddelen gebeuren. Dat neemt niet weg dat (indien de AVG van toepassing is) aan alle door de AVG gestelde voorwaarden moeten worden voldaan (grondslag, doelbinding, proportionaliteit, enz.). Richard Odekerken, directeur van Trollrensics, kwam met enkele tips bij het identificeren en falsificeren van desinformatie: maak zoekacties en besluiten herleidbaar, leg een audit trail vast, betrek de functionaris gegevensbescherming, beveilig de informatie afdoende, beperkt de zoektocht tot openbare bronnen, gebruik geen profielen van bestaande personen maar zoek zonder account, abstraheer en kwantificeer in de rapportage naar collega’s.

Desinformatie in de praktijk

Tot slot werd door Jim Boevink, adviseur van de Taskforce Digitale Veiligheid bij de gemeente Amsterdam, ingegaan op de omgang met desinformatie in de praktijk. Hij werd hierbij geassisteerd door zijn collega’s Florian Geerken, Lisanne Zethof en Nathalie Bosman van de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam wil inzicht in de mogelijke aanwezigheid en het bereik van desinformatie in publieke debatten over voor (de gemeente) Amsterdam relevante beleidsthema’s. Waar gaat het publieke debat over en welke gedragspatronen zijn te herkennen? Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen influencers, aanjagers en vermeende bots. Influencers zijn bekende personen die een groot netwerk hebben met veel volgers en hierdoor ook invloedrijk zijn in het publieke debat. Aanjagers zijn personen die een actieve rol spelen binnen een groepering en opvallend actief zijn rond een bepaald onderwerp of persoon. Vermeende bots zijn gebruikers die vermoedelijk niet menselijk zijn doordat ze afwijkend gedrag vertonen. Een voorbeeld hiervan zijn meerdere post op hetzelfde moment in een dag en een hoge frequentie van post.

Bronnen: Zes vragen overVooruitblikSpreker detailsTerugblik

De Regiments Commandant RHB in Irak

Kolonel van Dalen, RegimentsCommandant Huzaren van Boreel

Intro

Zoals jullie allemaal wel weten ben ik op dit moment uitgezonden naar Erbil in Irak. Inmiddels ben ik hier al bijna twee maanden en het lijkt me een mooie gelegenheid om eens uitleg te geven over wat de missie inhoudt en wat ik hier allemaal doe.

Strijd tegen ISIS

De Amerikanen hadden zich rond 2011 grotendeels teruggetrokken uit Irak. Irak was echter nog altijd geen stabiele staat en door ondermeer wanbeleid van de toenmalige premier Maliki gleed Irak weer naar de afgrond. Wanbestuur, corruptie en pro-Sjiitisch beleid (dat is één van de twee belangrijkste Islamitische stromingen) gaven in 2013 voedsel aan de opkomst van de zogenaamde Islamitische Staat (IS). Deze beweging kwam voort uit Soennitische stammen (de andere grote Islamitische stroming) en oude leden van het Saddam Hoessein bewind (de zogenaamde Baath-partij). Door de ongeveer gelijktijdige uitbraak van de burgeroorlog in Syrië kon IS haar aanhang, en invloed snel uitbreiden en nam grote delen van Syrië en Irak onder haar controle. IS veranderde haar naam in Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS) en trok ook veel internationale aanhang aan. Lokaal wordt echter de term Da’esh gebruikt. Da’esh is in wezen een Arabische afkorting van de eerste letters van Arabische vertaling van de naam van ISIS “al-Dawla al-Islamiya fil Iraq wa al Sham”.

ISIS logo en gruweldaden

De op internet gepubliceerde gruweldaden tegen andersgelovigen, internationale vertegenwoordigers en minderheidsgroeperingen deden de internationale gemeenschap besluiten om in te grijpen. Onder leiding van de USA werd op 17 okt 2014 een Combined Joint Task Force (CJTF) opgericht om ISIS te bestrijden, gelegitimeerd door een resolutie van de VN veiligheidsraad (nr 2254). De operatie kreeg de naam Operation Inherent Resolve (OIR). In 2014 liep ISIS echter nog meer delen van Irak onder de voet en vielen de steden Mosul en Tikrit in handen van ISIS. In de periode 2015-2016 werden veel luchtaanvallen op ISIS uitgevoerd, waaraan ook Nederlandse vliegtuigen deelnamen. Terwijl in Syrië de regeringstroepen (geholpen door de Russische Federatie) en de Syrische Koerden ISIS terugdrongen, werden door internationale troepen, Koerdische Peshmerga strijders en Sjiitische milities, ISIS uit de steden Tikrit en Kirkuk verdreven. In juli 2017 werd uiteindelijk de ISIS hoofdstad Raqqa in Syrië veroverd, terwijl in dezelfde maand ook ISIS uit Mosul in Irak verdreven werd. In de hierop volgende jaren werd meer terrein op ISIS veroverd en Irak verklaarde in 2018 de complete overwinning op ISIS te hebben behaald. Tussen 2018 en 2020 werden daarna alle gebieden in Irak en Syrië op ISIS heroverd. ISIS bestaat op dit moment dan ook slechts als een ‘ondergrondse’ organisatie. Op dit moment bevindt de operatie OIR zich in Fase IV, de ‘normalize’** fase. Dit betekent in feite dat het gros van de inspanning niet meer op het verslaan van ISIS is gericht, maar op capaciteitsopbouw van de Iraakse strijdkrachten om ISIS onder de duim te kunnen houden.

** Fase I was Degrade, Fase II was Dismantle, Fase III was Defeat. De volgende Fase V is Extraction.

Irakese en Koerdische troepen bevechten gezamenlijk ISIS

Irak en de Koerden

Tijd om wat (versimpelde) uitleg over de complexiteit van Irak te geven. Irak is geen eenheidsstaat. Irak is een staat die bestaat uit twee grote bevolkingsgroepen, namelijk de Arabieren (80%) en de Koerden (20%). De Arabieren wonen in het zuiden en het midden en zijn intern verdeeld in de Sjiitische geloofsstroming en de Soennitische geloofsstroming. De Sjiitische Arabieren staan gedeeltelijk onder invloed van hun geloofsgenoten in Iran (maar voelen zich niet verwant met de Iraniërs), terwijl de Soennitische Arabieren meer op Saoedi-Arabië en Syrië gericht zijn (maar zich zeker niet ondergeschikt beschouwen). Beide partijen nemen deel aan het door de internationale gemeenschap getrainde Irakese leger, maar hebben ook grote eigen milities. Vooral de Sjiitische milities zijn groot en hebben zelfs een officiële status gekregen door hun succesvolle strijd tegen ISIS.

etnische verdeeldheid in Irak

De Koerden wonen in het noorden van Irak. Ze spreken een andere taal en hebben verwantschap met de Koerden in Syrië, Turkije en Iran. In al die landen bestaat een vorm van Koerdisch onafhankelijkheidsstreven, maar alleen in Irak hebben ze een vorm van autonomie weten te verkrijgen. Formele onafhankelijkheid wordt zowel door Bagdad als de internationale gemeenschap tegen gehouden. Helaas zijn ook de Koerden intern verdeeld, namelijk in twee politieke groeperingen. Dit zijn de Koerdische Democratische Partij (KDP; Koerdisch: Partiya Demokrat a Kurdistanê) beleid door de Barzani familie en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK; Koerdisch: Yakêtî Nîştimanî Kurdistan) geleid door de Jalabani familie.

partijemblemen van de PUK (links) en KDP (rechts)

Deze twee partijen staan op gespannen voet met elkaar. De KDP beheerst het westelijk gedeelte (rond Duhok en Erbil) van Koerdistan, terwijl de PUK het oostelijk gedeelte van Koerdistan beheerst (gecentreerd rond Suleymaniah). Op zich zou deze verdeling niet eens zo’n probleem zijn, ware het niet dat beide partijen eigen legertjes hebben en in de jaren negentig van de vorige ook een korte maar bloedige burgeroorlog hebben uitgevochten, voornamelijk uit economische motieven. Het leger van de PUK wordt ‘70’s genoemd, terwijl het leger van de KDP ’80’s wordt genoemd. Er zijn wel meer kleine politieke partijen, maar die spelen (nog) geen rol van betekenis. Alles in Koerdistan is gepolitiseerd rondom deze twee partijen, die in hun gebieden een vorm van alleenheerschappij bezitten. De twee gebieden samen vormen de zogenaamde Koerdische Regio in Irak (KRI) die zelfs een regering bezit (KRG) waarin beide partijen proberen samen te werken op basis van een 50%-50% verdeling. Dit lukt vaker niet dan wel.

Links KDP partijleider Masoud Barzani en rechts PUK partijleider Bafel Talabani

De verhoudingen tussen Bagdad en de KRG zijn ook ingewikkeld. Bagdad beschouwt de KRI als onderdeel van Irak en probeert haar wil op te leggen, maar de KRG kan zich eenvoudig hieraan onttrekken. Het Irakese leger (ook geplaagd door interne verdeeldheid) heeft geen enkele invloed of macht in Koerdistan. Politiek zijn er daarnaast twee grote problemen, namelijk olie-inkomsten en betwiste gebieden. Er is (veel) olie in Koerdistan en Bagdad stelt het niet op prijs dat de KRG zelf olie verkoopt om inkomsten te hebben. Bagdad wil volledige zeggenschap over alle olie (en gas) van het land om daarna een gedeelte hiervan af te dragen aan KRG. Maar in de praktijk worden deze afdrachten vaak vertraagd of als politiek drukmiddel gebruikt. Waardoor de KRG zich gerechtigd voelt om zelf olie te gaan verkopen en de inkomsten hiervan voor Koerdistan te gebruiken. Het tweede geschil zijn betwiste gebieden. De Koerden stellen dat er meer gebieden bij Koerdistan horen dan dat ze nu feitelijk beheersen. Vooral het olierijke Kirkuk is een twistappel die beide zijden willen hebben. De Koerden veroverden Kirkuk in juni 2014 toen ISIS aanviel en het Irakese leger zich terugtrok uit Kirkuk. In oktober 2017 verloren de Koerden echter weer de controle over de stad toen Sjiitische milities (Popular Militia Forces (PMF) genoemd) de Koerden op hun buurt verdreven en de controle over deze stad overnamen. Nadat beide zijden zich naar hoger gelegen gebieden terugtrokken, is er een soort niemandsland overgebleven, waar Kirkuk (en Mosul) in ligt.

Om het kort samen te vatten: Het Irakese leger heeft de macht in het zuiden en midden, terwijl de Koerdische ’70 en ’80 legertjes de macht in het noorden hebben. Zowel de Irakezen als de Koerden bewaken een intern grens/scheidslijn om het door hen gecontroleerde gebied af te bakenen. Die heten de Kurdish Coordination Line (KCL) en de Iraqi Coordination line (ICL). Tussen hen in zit trouwens nog een klein niemandsland, waarin zich nog kleine resten van ISIS bevinden.

CBMI – OIR

De door de Amerikanen geleidde internationale gemeenschap probeert het militaire vermogen van Irak en de Koerden te verhogen. Veel andere landen zijn intussen bij de USA CJTF (OIR) aangesloten en hebben de zogenaamde Capacity Building Mission in Irak (CBMI) gevorm. Ook hieraan neemt nog steeds Nederland deel. Naast CBMI zijn overigens ook de NAVO (NATO Mission in Irak (NMI), VN (UNAMI) en EU (EUAM Iraq) in Irak actief, waardoor de onderlinge afstemming de nodige uitdagingen kent.

Terug naar CBMI. De taak van CBMI is op dit moment om ISIS verslagen te houden door de capaciteiten van ‘de partnerforces’ te vergroten. Dit is dus het Irakese leger en de Koerdische legers, waarbij deze laatste twee legertjes (’70’s en ’80’s) moeten opgaan in een nieuw Koerdisch leger. Dit nieuwe Koerdische leger moet dan vallen onder het Koerdische Ministry of Peshmerga Affairs (MoPA). Peshmerga is de oude (en bekende) term voor Koerdische strijders die ‘zij die de dood aanschouwen’ betekent.

Het hoofdkwartier van CJTF – OIR (CBMI) zit in Koeweit, met een zware vooruitgeschoven post in Bagdad en een kleinere post in Erbil. Zowel in Irak als in Syrië zijn er enkele kleinere coalitiebasis, vaak op of nabij een vliegveld. Het zwaartepunt van de inspanningen ligt echt in Irak.

embleem van CBMI met de deelnemende landen met het credo: One Mission, Many Nations

De CBMI coalitie is dus rond de USA CJTF-OIR georganiseerd. Ze telt ongeveer 18.000 man verdeeld over diverse basis. Ze bestaat uit ongeveer een brigade aan gevechtstroepen, helikopter ondersteuning, SF ondersteuning en enkele grotere zogenaamde ‘Directorates’. Veel werk wordt, zoals vaker bij de Amerikanen, uitbesteed aan civiele contractors. De Directorates vormen in Fase IV het zwaartepunt van de inspanning. Ik zal ze kort toelichten. Het Directorate for Strategic Communication (DSC) neemt de communicatie voor haar rekening, waarbij gebruik gemaakt wordt van social media, persconferenties en uitzendingen. Het Directorate for Military Assistance (DMA) regelt de uitgifte van voertuigen, uitrusting, wapens, munitie en brandstof aan de Irakezen en de Koerden. Ook wordt gedeeltelijk de lonen betaald. De bedragen die hiermee gemoeid gaan zijn nog aanzienlijk, maar worden in de komende jaren snel afgebouwd. De Partner Forces moeten immers op eigen benen kunnen staan.

Het Directorate voor Internal Civil Environment (DICE) is een zeer belangrijke organisatie. Ze zijn namelijk verantwoordelijk voor assistentie aan gevangenissen en vluchtelingenkampen in Irak en Syrië. ISIS bestaat namelijk volgens CJTF-OIR uit drie groepen. De eerste groep is ‘ISIS at large’. Dit zijn de ISIS strijders die ondergedoken zitten, maar nog vrij rondlopen. Dit zijn er ongeveer 2.000 verspreid in kleine groepjes in Irak en Syrië. De tweede groep is ‘ISIS detained’. Deze ISIS strijders zijn eerder gevangen genomen en zitten opgesloten in grotere en kleinere gevangenissen in Irak en Syrië. Sommige van deze gevangenissen zijn goed georganiseerd, anderen slecht. ISIS probeert soms hun strijders uit deze gevangenissen te bevrijden. Het gaat hier om ongeveer 3000-3500 ISIS gevangenen in Irak en 10.000-11.000 in Syrië. DICE is bezig de gevangenissen te verbeteren. Dit heet Operation SPECTRE CASTLE. De derde groep ISIS wordt ‘ISIS 2.0’ genoemd. Dit zijn de tienduizenden vluchtelingen die nog altijd in diverse vluchtelingen kampen leven. Om precies te zijn 100.000 in Syrië en 53.000 in Irak. Dit zijn voor 90% vrouwen en kinderen die vaak onder slechte omstandigheden in de kampen verblijven. Men vreest dat ISIS hier opnieuw jonge aanhang zal werven. Daarom probeert DICE samen met GO’s en NGO’s deze leefomstandigheden te verbeteren en het aantal vluchtelingen te verminderen. Dit heet Operation SPECTRE VILLAGE. De vluchtelingen worden ondergebracht in hun oude woonplaatsen, nieuwe woonplaatsen en ook teruggevoerd naar de landen waar ze oorspronkelijk vandaan komen, waaronder ook Nederland.

MAG en JOCAT–N

De laatste belangrijkste Directorate is de Military Assistance Group (MAG). Hieronder val ik. MAG moet de Irakese en Koerdische Partner Forces assisteren en adviseren om ze in staat te stellen zelfstandig ISIS onder de duim en Irak (inclusief Koerdistan) veilig te houden. MAG staat onder Amerikaanse leiding, met daaronder o.a. twee internationaal adviseurs teams. Deze worden Joint Operations Coalition Advisory Team teams genoemd. Er is er één in Bagdad voor het Irakese leger (JOCAT-I) en een tweede in Erbil voor het Koerdische Ministry for Peshmerga Affairs (JOCAT-N). Ik ben de teamleider van dit tweede JOCAT-N team. Mijn team zou uit veertien adviseurs moeten bestaan, maar ik heb er in praktijk maar negen. Ook valt onder MAG een zogenaamd Security Forces Assistance Battallion (SFAB). Dit constructie waarin bataljonsstaven van Amerikaanse ondersteuningseenheden worden aangewezen om advies- en trainingsondersteuning te leveren.

NLD inbreng

Nederland neemt dus deel aan CBMI. Zo zijn er stafofficieren werkzaam in diverse functies binnen de Directoraten op de hoofdkwartieren in Koeweit en Bagdad. Daarnaast levert Nederland een Force Protection compagnie die als taak heeft in een Amerikaans bataljonsverband om de vliegbasis in Erbil (EAB) te beveiligen met wachtposten en een Quick Reaction Force. Ook levert deze compagnie mobiele zogenaamde Personal Security Detachments (PSD) om militaire adviseurs van MAG en JOCAT-N naar hun Koerdische gesprekspartners of Koerdische eenheden te brengen. 42 BVE heeft begin 2021 deze taak ook uitgevoerd. Een ondersteuningseenheid (National Support Element) van ongeveer 30 man levert op Erbil de ondersteuning. De FP compagnie heeft een eigen kampje op EAB genaamd Camp Bulldog. De NSE (en ik) zijn gelegerd op een door de Duitsers gerund internationaal camp, genoemd naar een in 2015 hier aan een hartaanval overleden Duitse kolonel: Camp Stephan.

De Nederlandse inbreng was dus voorheen groter. Tijdens de gevechten met ISIS werd bijvoorbeeld F-16’s in gebracht en tijdens Fase III werden Koerdische eenheden ook volop getraind met ondermeer Nederlandse instructeurs. Dat gebeurde toen vanuit het Kurdish Training Control Center (KTCC). Van hier zwierven internationale trainingsteam over geheel Koerdistan uit om trainingen bij eenheden of op trainingscentra te geven. Foto’s met de Nederlandse instructeurs erop hangen hier nog aan de muur. Hier staan ook diverse bekende onderofficieren van het Regiment Huzaren van Boreel op.

Medische training van de NLD FP compagnie

De Amerikanen vinden het leuk om hun eenheden Task Forces te noemen, ook al zijn ze soms erg klein. De meest fantastische namen gaan hier rond: Task Force Buckeye, Task Force Mercy, Task Force Hydra, Task Force Liberty, Task Force Gambler, Task Force Chippewa, Task Force Mustang, Task Force Victory, Task Force Viking, Task Force Warrior. De Nederlandse eenheden hebben dit overgenomen. De vorige FP comgpagnie noemde zichzelf Task Force Para en de huidige FP compagnie noemt zich Task Force Daemon. Toen 42 BVE deze taak uitvoerde noemde ze zichzelf Task Force Rhino. Ik noem mezelf maar Task Force Boreel.

Ik ben overigens Senior van alle Nederlandse troepen in Irak en dus de Nederlandse (hoogste) vertegenwoordiger van de CDS in dit land. Ik vertegenwoordig en bewaak dus als het ware de Nederlandse belangen. Behalve troepen onder CBMI zijn er ook nog stafofficieren in de staf van de NAVO missie NMI-I in Bagdad werkzaam. Ook over hen draag ik verantwoordelijkheid.

Peshmerga Reform Programme (PRP) en Partner Force Development Plan (PFDP)

Terug naar de Koerden. Onder druk van de internationale gemeenschap moeten de beide partijen KDP en PUK dus hun milities (’70’s en ’80’s legers) opgeven en onderbrengen in MoPA. Als beloning hiervoor krijgen ze dus (tijdelijk) wapens, munitie, uitrusting, kleding en geld om militairen te betalen. De MoPA eenheden worden ook geacht om samen met het Irakese leger zogenaamde ‘joint operaties’ uit te voeren buiten de Koerdische gebieden (in het bovengenoemde niemandsland) om ISIS onder de duim te houden. De Koerden staan niet te trappelen om dit te doen, want zebeschouwen ISIS als een Iraaks probleem en geen Koerdisch probleem.

embleem van MoPA

In de afgelopen jaren is dus met internationale druk en internationale advies een ministerie (MoPA) uit de grond gestampt waarin zowel ’70’s- als ‘80’s-officieren werkzaam zijn. Ook zijn ’70’s en ’80’s eenheden onder MoPA controle gebracht en in zogenaamde Regional Guard Brigades (RGB’s) gegroepeerd. Er zijn maar liefst 22 RGB’s die de complete Kurdish Coordination Line (KCL) bewaken. Vaak met wachtposten, controleposten en lokale patrouilles. Veel meer doen ze niet. De 22 RGB’s vallen op hun beurt weer onder sectoren. Er zijn er acht: vier in PUK gebied en vier in KDP gebied. De sectoren hebben niet veel macht. De RGB’s doen vaak rechtstreeks zaken met het MoPA hoofdkwartier. Ondersteunende eenheden (artillerie en genie) zijn verder naar het noorden gebundeld in het 1e en 2e Support Forces Command (SFC). U raadt het al: één voor PUK gebied en één voor KDP gebied. Daarnaast zijn er nog vier Trainings Centre’s waar eenheden trainingen kunnen uitvoeren, maar hier komt weinig van te recht, want de bataljons van de RGB’s draaien twee weken langs de KCL en vervolgens vier weken thuis.

In het PUK en KDP gebied zijn er dus nog veel ’70’s en ’80’s-milities die nog steeds NIET onder de MoPA zijn ondergebracht. Dit zijn de ‘betere’ eenheden met politiek betrouwbare commandanten en special forces. Deze eenheden worden ook het meest ingezet om daadwerkelijk anti-ISIS (of KDP, PUK opdrachten) uit te voeren. Binnen vier jaar moeten ALLE eenheden onder MoPA zijn gebracht.

De coalitie heeft twee programma’s om de MoPA te hervormen. Het eerste programma is het Peshmerga Reform Program (PRR) wat door vier militaire attaches vanuit consulaten in Erbil wordt gedraaid. Dit zijn Amerika, Duitsland, Engeland en Nederland. Dit vooral politieke programma richt zich op institutionele hervormingen binnen de MoPA, vaak gericht op legervormingszaken zoals rekrutering, financiën, leiderschap, opleiding, vorming, internationale wetgeving, etc. Het tweede programma is het Partner Force Development Plan van CBMI/MAG. Dit is een meer militair programma dat zich richt op getraindheid en operationeel vermogen van de MoPA, zoals C2 structuur, bevelvoering, logistieke processen, gebruik van inlichtingen, informatie operaties, speciale trainingen en anti ISIS operaties. Dit proces wordt begeleid door MAG en mijn JOCAT-N team. Deze twee naast elkaar lopende programma’s legt een grote druk op het absorptie en verander vermogen van de MoPA. Een veel gehoorde klacht is dan ook dat de internationale gemeenschap teveel wil en alles te gecompliceerd maakt.

Koerdische KDP en PUK-sectoren ten noorden van de KCL en Soennitische (ISF) en Sjiitische (PMF) eenheden zuid van de KCL

Mijn ervaringen

Nu wat over mijn ervaringen. De Koerden zijn vriendelijke mensen en staan open voor advies. Niet dat er altijd wat mee doen, maar ze ontvangen je tenminste gastvrij en nemen de tijd voor je. Bedienden vliegen af en aan met thee, koffie, water, koekjes en soms zelfs eten. Ze respecteren ons als adviseur en vragen ook vaak om advies. Westerse militaire denkbeelden worden hier gewaardeerd. Anderzijds hebben ze ons niet altijd nodig. Hun legertjes zijn goed georganiseerd, groot van omvang en er is een bepaalde mate van ordening. Westers advies past daar niet altijd bij omdat Koerdische militaire cultuur anders is. Wat ze wel hard nodig hebben is geld, uitrusting, wapens en munitie. Daar vragen ze vrijwel elke vergadering of ontmoeting om. Vooral speciale uitrustingstukken, zoals drones, counterdrone, antitankmiddelen, zware wapens en pantservoertuigen zijn hier zeer gewild. Maar laat dat nu net de middelen zijn die Bagdad hier niet wenst. Bagdad wil namelijk niet dat de Koerdische eenheden een te moderne strijdmacht vormen die het onafhankelijkheid streven van de Koerden aanwakkert en de eenheid van Irak bedreigt. Bagdad eist dus dat alle leveringen via Bagdad gaan en houd te geavanceerde militaire middelen tegen.

De Koerden maken ook continue foto’s van je. Zowel voor publicatie op officiële Social Media pagina’s als ‘selfies’. Iedereen wil met je op de foto. Als ik een dollar per foto had gevraagd had ik mijn uitzendtoelage zo ongeveer verdubbeld.

fotomomenten en vergaderingen

De politieke verdeeldheid blijft echter de Koerdische modernisering parten spelen. Binnen MoPA zijn de posities gelijkelijk over de beide partijen verdeeld, maar ze weten van elkaar wie bij welke partij hoort. Alles is gepolitiseerd en moet onderling ‘gewogen’ worden. Men vertrouwt elkaar nog steeds niet. Goede ideeën van iemand van de ene partij, worden tegengehouden door een hogere militair van de andere partij. Dit bemoeilijkt elke vorm van vooruitgang.

Bovendien is besluitvorming vanwege de Koerdische cultuur en de al eerder genoemde politieke verdeeldheid, erg gecentraliseerd. Voor alle besluiten moet een schriftelijke order van de hoogste generaals of zelfs minister van MoPA komen. Een simpele opdracht om munitie te verstrekken voor training kost weken. Een order om een aflossing van een eenheid te regelen, kost maanden. Voor grotere projecten is dus vaak druk van buitenaf nodig. Die druk komt vaak van de coalitie (want ook Bagdad is erg traag en heeft maar weinig invloed in Koerdistan) en moet vaak op het hoogste niveau (president, minister-president, minister, Chief of Staff, secretaris-generaal) uitgeoefend worden om grotere stappen te kunnen maken. Als adviseur kun je ideeën opperen wat je wilt, maar heel vaak wordt er gewezen naar uitblijvende beslissingen of autorisatie van bovenaf.

Maar als dan een besluit genomen is door het hoogste niveau, kan het wel snel gaan. Terwijl bij ons reorganisatieprocessen één tot twee jaar duren, stampen ze hier twee divisies (!) in een jaar uit de grond. Dat zijn weliswaar geen goed geoefende divisies, maar wel functionerende divisies. Ook bouwprojecten kunnen soms razendsnel gaan.

Benoemingen zijn ook in een dag of twee geregeld. Iedereen wil hier promotie en op het MoPA hoofdkwartier lopen officieren af en aan om maar gezien te worden. Ik heb nog nooit zoveel generaals en kolonels op een hoofdkwartier gezien. Terwijl er bij staf CLAS toch ook een fiks aantal rondlopen, zijn het er hier drie keer zoveel. Maar hun leger(tjes) is ook een stuk groter. MoPA moet 125.00 man gaan tellen, maar daarbuiten bevinden zich dan nog resten van ’70’s en ’80’s eenheden met ongeveer dezelfde grootte. Tel daar de special forces, milities en binnenlandse veiligheidstroepen bij op en er lopen hier toch al snel zo’n 540.000 (!) gewapende mannen rond. En dat op een bevolking van 14 miljoen Koerden**. Kortom: teveel Peshmerga om te kunnen betalen. Dit betekent dat er ook Peshmerga met pensioen gestuurd moet worden, maar pensioen bestaat hier niet. Vandaar de druk om de MoPA eenheden zo groot mogelijk te houden en zoveel mogelijk Amerikaanse geld binnen te krijgen. Want geldstromen uit Bagdad zijn twijfelachtig.

 **In totaal zijn er in Turkije, Syrië, Irak en Iran zo’n 45,6 miljoen Koerden. Het is op de wereld de grootste etnische groepen zonder eigen staat.

Niet alles gaat natuurlijk goed. Net zoals in het Nederlandse leger bestaat er binnen de CBMI coalitie een grote drang naar ‘data’ en informatie. Alles moet worden vastgelegd, verantwoord en gepland. De vraag van generaals naar details is schokkend en de tijd die verloren gaat met de zoektocht naar meer details is pijnlijk om waar te nemen. In mijn ogen werkt deze drang zelfs contraproductief. Maar dit verschijnsel is in alle Westerse legers waarneembaar. Deze informatieverlamming noem ik de ‘donkere zijde van informatie’ waarover ik eerder gepubliceerd heb. Ergste is dat we deze drang naar informatie ook van de Koerden (en Irakezen) eisen die hier duidelijk niet aan gewend zijn. Vooruitdenken en planning zijn sowieso geen sterke punten van de Koerden.

Erbil Airbase met links het civiele en rechts het zwaar bewaakte militaire gedeelte

Een tweede punt vormt de Amerikaanse bureaucratie die net zoals in Nederland vertragend werkt. De levering van aangevraagde uitrusting, voertuigen of wapens duurt vaak maanden, tot vaak zelfs jaren voordat het daadwerkelijk in Koerdistan arriveert. Toestemming voor gevoelig materiaal moet bijvoorbeeld uiteindelijk door het Amerikaanse Departement van Buitenlandse Zaken goedgekeurd worden, maar niet voordat het door alle bevelslagen van het Amerikaanse Pentagon is gegaan.

Een derde punt is de excessieve drang naar veiligheid. Net zoals in het Nederlandse leger moeten relatief kleine acties met enige gevaarzetting, voorgelegd worden aan de hoogste leiding. Een eenvoudige rit naar het MoPA HQ (tien minuten rijden) moet getekend worden door de hoogste kolonel van EAB, een rit naar een verder weg gelegen locatie buiten de helikopter veiligheidsring moet getekend worden door een generaal in Bagdad en een rit over de KCL moet getekend worden door de commandant van CJTF-OIR zelf. De indientijden zijn navenant lang. Een week voor een rit naar MoPA, twee weken voor een verder weg locatie en drie weken voor cross-KCL. Kansloos natuurlijk, want op deze manier kun je nooit inspelen op ontwikkelingen. Conflicten zijn niet planbaar. Ook Nederland helpt hier niet aan mee, door strenge medische eisen op te leggen bij verplaatsingen buiten de poort. Terwijl er in Erbil al twee jaar niets is gebeurd. Het excessief streven naar veiligheid verlamt ons.

Daarentegen is er natuurlijk wel enige dreiging. De grootste dreiging die de Koerden zelf ervaren komt vanuit Iran. Iran probeert zijn invloed in Irak zo groot mogelijk te houden om te voorkomen dat Irak weer een sterke staat wordt en een bedreiging voor Iran gaat vormen. Tenslotte is er in de 80-er jaren van de vorige eeuw een bloedige oorlog tussen de beide landen uitgevochten. Daarnaast zijn er in Koerdistan uitval plaatsen van Iraanse Koerden. Deze worden soms aangevallen vanuit Iran. Ook wil Iran nog wel een raketten of drone afvuren op Koerdistan als de Koerden in Iran weer voor problemen zorgen. Het vliegveld van Erbil beschikt daarom over luchtverdedigingsmiddelen. Maar over het algemeen is van deze Iraanse dreiging weinig te merken. Een andere groep waar de Koerden bang voor zijn, zijn de al eerder genoemde sjiitische milities (PMF) die ten noorden van Bagdad de controle hebben. Deze vormen immers een macht die qua getalssterkte moeilijk kan worden weerstaan door de Koerden.

Koerdistan is een mooie omgeving waar zaken beter geregeld zijn dan in andere delen van Irak en zeker in vergelijking met mijn eerdere missies in Afghanistan en Mali. Erbil is op dit moment ‘booming business’. Er wordt hier ontzettend veel gebouwd. Veel rijke Arabieren kopen hier huizen of investeren in prestigieuze projecten zoals complete woonwijken, winkelketens of dure hotels. Erbil is in tien jaar in omvang verdubbeld. Dat zie je ook aan de auto’s en de hoeveelheid vrachtwagens. Helaas zijn veel bouwprojecten nog niet af. De snelle groei van de stad heeft wel nadelen, want vuilnisophaaldienst, waterhuishouding en stroomvoorziening kunnen soms geen gelijke tred houden met de snel groeiende behoefte.

toespraak tot de nieuwe FP compagnie onder het oog van de pelotonsemblemen van 42 BVE

Daarnaast is het natuurlijk wel gewoon ontzettend leuk om weer op missie te zijn. De omgang met internationale collega’s is hartverwarmend en we lachen wat af. Ik ben omringd door Amerikanen, Britten, Duitsers, Italianen, Hongaren, Slovenen, Fransen, Spanjaarden, Finnen en Canadeze. O ja en Friezen. Veel door de Amerikanen ingehuurde werknemers komen uit Koerdistan, Pakistan, India en Nepal. Geweldig om mee te praten. Stroopwafels doen nog altijd wonderen.

Team JOCAT-N met Britse beveiligers

Het is daarnaast mooi om deel uit te maken van de wereldwijde Amerikaanse militaire machine met zijn voor- en nadelen. De hoeveelheid afkortingen is overweldigend. Ik heb er weer tientallen bijgeleerd. Het Amerikaanse vakjargon is daarnaast ook ‘awesome’ om aan te horen. Mijn woordenschat is weer verrijkt met enkele unieke Amerikaanse (en Britse) uitdrukkingen. Ook is de omgang van lokale Koerden hartelijk. Kennismaken met andere culturen is altijd vormend voor Nederlandse militairen en ook nu weer geniet ik daarvan. De verbindingen met Nederland zijn nog nooit zo goed geweest. In Sarajevo kon ik twee minuten bellen per twee weken, nu kan ik ieder moment van de dag (beveiligd) appen en video verbinding opbouwen als ik dat wil. Ongekend. Ook de postvoorziening is goed. Eens per vier weken komt er een instandhoudingsvlucht en krijg ik weer stapels post en pakketjes. Ik ben met afstand recordhouder qua post. Hartverwarmend en kameraadschappelijk. Ik wil iedereen daarvoor hartelijk bedanken.

het resultaat van één postvlucht

Ter afsluiting. Het is weer geweldig om op missie te zijn. Nederland droeg bij aan het verslaan van ISIS en draagt nu ook bij aan het ‘verslagen houden’ van ISIS. Daaraan bijgedragen hebben voelt eervol.

1810 – 1813 11RH

1810 – 1813 Het 11e Regiment Huzaren van het Keizerrijk Frankrijk

Door: Luitenant-kolonel bd. Arie Rens en kolonel (bd) Hans van Dalen | 2e versie [13-03-2026]

Op 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland, verdeeld over negen ‘departementen’ ingelijfd bij het Keizerrijk Frankrijk. Deze departementen werden bestuurd door een prefect. Het waren Zuiderzee (Noord-Holland en Utrecht), Monden van de Maas (Zuid-Holland), Boven-IJssel (Gelderland), Monden van de IJssel (Overijssel), Wester-Eems (Groningen), Ooster-Eems (Oost-Friesland, op Duits grondgebied) en Friesland, dat als enige zijn naam behield. Zeelland en Brabant waren al eerde bij Frankrijk gevoegd. Net zoals Limburg dat al in 1795, net als Staats-Vlaanderen en de Oostenrijkse Nederlanden (België), bij Frankrijk was ingedeeld. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, derde hoofdstad van het Keizerrijk.

Op 14 juni arriveerde in Amsterdam al de 72-jarige luitenant-generaal Charles Lebrun als gouverneur-generaal over deze negen departementen. Vooraanstaande Nederlanders namen deel aan het bestuur, waaronder Gogel, Six, Van Hoogendorp, Van Maanen, Mollerus en admiraal Verheull. Het land gleed echter steeds verder af in armoede en de toch al tanende handel kreeg, door verscherpte naleving van het verbod op handel met Engeland, ook geen kans zich te herstellen.

Het ongeveer 20.000 man tellende Hollandse leger ging op in het keizerlijke leger, de Armée Imperial. Het Franse leger had tot dan toe 10 huzarenregimenten, het Hollandse 2e Regiment Huzaren werd nu als 11e Regiment Huzaren aan het Franse leger toegevoegd. Het Hollandse 2e Regiment Kurassiers werd als 14e Regiment Kurassiers opgenomen en uit de beide regimenten Garde te Paard, ontstond het 2e Regiment Chevau-Légers Lanciers van de keizerlijke garde, de zogenaamde Rode Lansiers.

De eerste anderhalf jaar na de inlijving stond voor de meeste Hollandse troepen in het teken van de kustverdediging. De keizer vreesde een herhaling van de Britse invasie van 1809 en deed er alles aan om de bescherming van de kust op peil te houden. Niet zonder reden, want de Britten voerden in het najaar van 1810 en het voorjaar van 1811 geregeld kleine landingen uit. Soms om te foerageren, maar ook om onrust te creëren en de Franse troepen te binden. Voorbeelden hiervan waren de landingen bij Ter Heide (zuid van Den Haag in sept 1810), Voorne en Petten (beiden voorjaar 1811).1

Om onrust te voorkomen ging het grootste gedeelte van het voormalige Hollandse leger pas per 1 januari 1811 in Franse betaling over. Tot die tijd bleef het Hollandse Ministerie van Oorlog verantwoordelijk voor de betaling en administratie. Alleen de voormalige Garde van de Koning, het 11e Regiment Huzaren en het 14e Regiment Kurassiers kwamen al per 1 september 1810 in Franse betaling. Als gevolg hiervan dienden zij zich na de inlijving zo snel mogelijk naar hun nieuwe depots in respectievelijk Versailles, Arras en Lille te begeven. Een duidelijke reden van dit verschil van overgang is niet te geven. Maar het kan geen toeval zijn dat de genoemde regimenten het hoogst stonden aangeschreven van alle Hollandse troepen. Zeker voor de Hollandse Garde gold dat Napoleon deze elitetroepen graag bij zijn eigen garde wilde voegen. Wat de verplaatsing van de cavalerie naar Frankrijk betreft kunnen ook de hoge onderhoudskosten in Holland een rol hebben gespeeld. De kosten per paard vielen in Holland een stuk hoger uit dan in Frankrijk, waardoor de verplaatsing van de huzaren en de kurassiers goed was voor de keizerlijke schatkist.2

Het 11e Regiment Huzaren vertrok dan ook in de tweede helft van augustus 1810 vanuit Deventer en Zutphen via Antwerpen, Mechelen, Brussel en Valenciennes naar nieuwe garnizoen in Arras (= voorheen Atrecht) in het noordwesten van Frankrijk. Eerste luitenant van Sypesteijn vertelt ietwat overdreven hierover3:

Op 30 augustus 1810 was iedereen, inclusief het depot-eskadron in Arras aangekomen. De organieke sterkte werd vastgesteld op een staf van 22 ‘hoofden’ en 17 paarden met vier eskadrons á 240 ‘hoofden’ en 200 paarden. In totaal 982 ‘hoofden’ en 817 paarden. 

In juli 1811 vond te Parijs voor de Tuileriën een grote parade plaats, waaraan het regiment deelnam. De regimentscommandant kolonel Collaert, vergezeld door de ritmeester Ramakers, opperwacht-meester Debetz en de wachtmeesters Bruijninga en Périé, ontving hier uit handen van keizer Napoleon de nieuwe Standaard van het regiment. Opperwachtmeester Debetz werd op de 2ekerstdag 1811 bevorderd tot 2e luitenant. 

 

Het 11e Regiment Huzaren had haar oude uniform (van het voormalige 2e Regiment Huzaren) mogen behouden. Ze hadden al een blauw uniform en het scharlakenrood van hun uitmonstering stond ver genoeg van de reeds gangbare couleurs distinct (van de andere regimenten) af om te mogen blijven. Wel waren er bij het 11e Regiment Huzaren maar liefst 196 man uit de voormalige Garde geplaatst, die allemaal nieuwe uniformen en wapens moesten krijgen. Bovendien gebruikte de Hollandse huzaren, evenals de soldaten, verouderde wapens met een afwijkend kaliber ten opzichte van de Fransen. Aanpassing had vanzelfsprekend financiële consequenties.4 De reden dat zoveel voormalige Gardisten naar het 11e Regiment Huzaren kwamen had te maken met het feit dat keizer Napoleon zijn garde wenste te ontdoen van ‘buitenlanders’. Hij wilde alleen pure Nederlandse garde-eenheden in zijn keizerlijke garde. De Duitsers die in de cavalerieregimenten van de garde dienden gingen hiermee meestal vrijwillig over naar het 11e Regiment Huzaren.5 In november 1810 ging de keizer nog een stapje verder en bepaalde dat met ingang van 1811 alle officieren van de artillerie, 14e Regiment Kurassiers en 11e Regiment Huzaren uitsluitend Hollanders mochten zijn. Een dergelijke nationalisatie zou de gevechtswaarde stimuleren en de betrouwbaarheid ervan vergroten.6 Dit streven zou de Keizer nooit helemaal bereiken. Hij zou zelfs later teleurgesteld raken in de betrouwbaarheid van deze (en infanterieregimenten) en daarom tijdens de latere veldtocht naar Rusland zou hij Franse officieren binnen deze regimenten plaatsen om hun betrouwbaarheid te vergroten.

Van april 1811 tot januari 1812 maakten vier compagnieën, onder bevel van ritmeester C.A. Geisweit van der Netten, deel uit van een mobiele colonne. Deze colonne moest onwillige lotelingen en deserteurs opsporen7, eerst in het oostelijk deel van België daarna in Normandië. Tijdens deze niet zo onplezierige opdracht zag hij nog wel kans om een boek over paardenkennis te voltooien en soms was er ook nog tijd voor plezier. Zo schreef hij uit oost België aan zijn vrouw ‘Coosje’ over een meisje wat hij daar had ontmoet: 

Aan de veldtocht in 1812 naar Rusland namen 15.000 Hollandse troepen deel. Alle drie de cavalerieregimenten (11RH, 14RK en 2RCL), het 3e Regiment Garde Grenardiers, het 33e Regiment Lichte Infanterie, Het 123e, 124e, 125e en 126e Regiment Infanterie van Linie, de batterij Rijdende Artillerie Hoogerwaard en het 1e Bataljon Pontonniers. De Hollandse troepen vormden nu geen eigen Hollandse divisie, maar werden verdeeld over de Franse korpsen, divisies en brigades. Begin januari 1812 waren intussen alle compagnieën weer terug bij 11RH in Arras en werd 11RH ingedeeld bij de Franse 9e Brigade Lichte Cavalerie onder leiding van brigadegeneraal Mouriez, die verder bestond uit het Franse ‘6e régiment chevau-légers.’ De 9e brigade was ingedeeld bij het 3elegerkorps van maarschalk M. Ney. Het regiment moest op voet van oorlog worden gebracht en het aantal paarden moest vermeerderd worden tot 1100. Van de benodigde paarden zouden er 380 te Hannover en Hamburg worden geleverd. Om deze op te halen en af te richten vertrok daarom al op 15 januari 1812 een voordetachement van 5 luitenants en 280 onderofficieren en huzaren, geleid door de ritmeesters Geisweit van der Netten en Louis Crooij. Bij gebrek aan paarden marcheerden de huzaren te voet met de uitrusting op karren, een zeer vernederende ervaring voor een huzarenregiment. De tocht ging via Brussel (10 jan), Maastricht (25 jan), Wesel (31 jan), Munster (3 febr) naar Osnabrück waar ze op 5 februari aankwamen. Ritmeester Crooij trok daarna met ruim honderd man door naar Hannover en ritmeester Geisweit van der Netten met de overigen naar Hamburg. Hier kwam hij op 13 februari aan. Nadat ritmeester Crooij zich met de opgehaalde paarden ook naar Hamburg was doorgetrokken, vertrok het gehele detachement op 28 februari uit Hamburg en kwam via Spandau op 22 april in Frankfurt a/d Oder aan.

Cornelis Antonie Geisweit van der Netten was ritmeester bij het 11e Regiment Huzaren. Hij kwam in 1787 in dienst als cadet bij het oudste stamonderdeel van het Regiment Huzaren van Boreel, het korps huzaren van Rijngraaf van Salm. Hij twee eskadrons van 11RH van een totale vernietiging op 5 september 1812. Gepensioneerd als generaal-majoor titulair.

Het 11e Regiment Huzaren (11RH) was op 1 februari vertrokken uit Arras en kwam op 1 februari in Ober-Olm aan. Het ging op 28 februari de Rijn over naar Leipzig. In de omgeving van Leipzig vormde het, tezamen met het Franse 4e Regiment Jagers te Paard en het 2e regiment Wurtembergsche chevaux légers, de 14e Brigade Lichte Cavalerie. Deze brigade fungeerde als voorhoede van het 3eCorps van Maarschalk Ney. Eind april werd het detachement van de ritmeesters Geisweit van der Netten en Crooij bij Neudamm verenigd met het 11RH en werden de nieuwe paarden verdeeld over de eskadrons. De officieren van het regiment waren destijds kolonel M.J.G. Collaert, luitenant-kolonel J.C. Renno, adjudant-majoor J.C. Huismans, onder-adjudanten majoors J.G.F. Pfaff en W. van Zandhuizen, officier betaalmeester B. Dikstaal (opgevolgd door T. van den Bergh), chirurgijn-majoor J.M von Zinkgraeff en aide chirurgijn W.H. Siliakus. De ritmeesters waren C.A. Geisweit van der Netten, L. Ramakers. U.H. Huber, A.J. Hoynck van Papendrecht, H. J. C.J. van Heeckeren van Enghuizen, L.A.J. Crooij, M.L. Pijman en L.R Quaita. De 1e luitenants waren R.F. de Ravallet, W.G van Kretschman, L. L. van Wiedenkeller, H.N. van Nijvenheim, A. Sloet van Oldruitenburg, J. Kramers en G.K.J.W. Wolf. De 2e luitenants waren M. Nolet, G.L. C. Bouwens van der Boyen, C.T. Lambrechts, J. van Sypesteijn, W.F. van Heeckeren tot de Wiersse, J.D van Eys, J. Rendorp, J.C. Nobert. Emer. H. Gideon, A.P van de Poel, van Heijningen en E. Edeline. Vlak voor de 1812 veldtocht werden nog enkele wachtmeesters tot officier benoemd. Dit waren J. Bruyninga, C. Basters, J.H. Luesemans, W.A. Verhellow, G.H. Liewerens, C.F Morbotter en C.J. Frost. 

Op 30 april werden de kantonnementen rond Leipzig verlaten en via Neudam, Wormsfeld, Friedberg, Driesen, Filehne, Schneidemuhl, Gaubitzer, Rogotno, Schelloleva en Orseba werd op 13 mei door 11RH Thorn aan de rivier de Weichsel (midden in de driehoek Danzig-Posen-Warschau) bereikt. Hier organiseerde maarschalk Ney een grote parade om de hem toebedeelde troepen te inspecteren. Daarna trokken de troepen over twee bruggen de stad binnen en brachten deze in staat van verdediging. 11RH trok door tot in de omgeving van Neumark aan de rivier Drewenza. Verder naar het oosten ontstond groot gebrek aan voer voor de paarden. Eerste luitenant Sypesteijn schrijft hierover8:

Omdat 11RH op 22 mei weer terug ingedeeld werd bij de oorspronkelijke 9e Brigade (verder op dit moment bestaande uit een regiment Wurtembergsche jager en het 6e regiment Lansiers9), keerde het terug naar Thorn. Op 1 juni werd de hoofdofficier toegevoegd van 11RH, luitenant-kolonel Renno, overgeplaatst naar het Franse 5e Regiment Huzaren. Twee nieuwe Franse luitenant-kolonels10 werden bij 11RH geplaatst, maar deze werden met de nodige argwaan bekeken. 

Uniformen van het 11e Regiment Huzaren

De aanval op Rusland begint

Al voortmarcherend bereikte 11RH op 20 juni het stadje Kalwary en trok door naar St. Töcken (Pools – Saintaka). Hier hield generaal Mouriez een inspectie over zijn troepen. Op 23 juni werd Debelen aan de grensrivier Niemen bereikt. Op 24 juni werd de aanval ingezet. Deelnemer aan de veldtocht eerste luitenant van Sypesteijn die zeer kritisch is op het gebruik van lichte cavalerie door Napoleon tijdens deze campagne schrijft over de eerste schermutselingen11:

Ook 11RH stak de rivier Niemen over via een pontonbrug, één dag later op 25 juni ’s morgens om 8 uur. Een ooggetuige12:

Het 3e legerkorps van Maarschalk Ney zette de mars over de linkeroever van de Wilna voort. De beiden brigade lichte kavalerie (9een 14e) vervolgden de vijand in draf. Doel was om het Russische leger (30.000 man sterk) af te snijden van de Russische hoofdmacht en Wilna (nu Vilnius) te veroveren, het eerste belangrijke aanvaldoel van de Franse legers. 

11RH had het zwaar. Het tempo van opmars lag hoog. Van Sypesteijn schrijft13:

Een voorbeeld van het ‘voortjagend’ tempo is de opdracht die het eskadron van ritmeester Geisweit van der Netten kreeg om een ‘jukbrug’ (voetbrug) bestemd voor het 3e legerkorps te gebruiken om de Wilna te overschrijden. Toen maarschalk Ney daar aankwam en zag dat deze jukbrug nog niet af was, gaf hij het eskadron opdracht de rivier te paard te doorwaden en vervolgens de wegen naar Wilna te verkennen en tot Suderwa op te rukken. 

De Wilna wordt overgestoken.

Op 29 juni stak de rest van 11RH de rivier de Wilna over. Een poging om twee Russische eskadrons van hun eigen troepen af te snijden mislukte. Van Sypesteijn[1]:

Om Wilna te veroveren werd op 1 juli aan de 9e Brigade Lichte Cavalerie opdracht gegeven om een snelmars uit te voeren. Dit werd uitgevoerd voorop 11RH. Van Sypestein schrijft14:

Het regiment begon nu al paarden te verliezen door ondervoeding, ondermeer veroorzaakt door de ‘verschroeide aarde’ tactiek van de Russen: 

Op 20 juli werd de rivier Duna bereikt en op 23 juli overschreden.   Het oversteken van deze snelstromende rivier ging niet gemakkelijk15:

1812 Veldtocht naar Moskou en terugtocht

De stad Polotsk, ongeveer 200 km van Minsk, werd door de Fransen veroverd, geplunderd en daarna in brand gestoken. De beide cavaleriebrigades bivakkeerden in de voorstad van Polotsk. Op 26 juli werd Woronowo bereikt, waar de 14e brigade zich had onderscheiden door 100 Russische huzaren gevangen te nemen. Op 29 juli werd Witebsk ingenomen

en bereikte 11RH Luwiza. Daarna lag 11RH tot 7 augustus in opstelling voor Leontschevo. Deze plaats was door de vijand intussen verlaten. Het regiment had toen al meer dan 400 paarden verloren en de overgebleven paarden waren in zeer slechte conditie. Van Sypesteijn schrijft over de conditie van de paarden met pijn in zijn hart16:

Begin augustus werden de eenheden van de Grande Armée weer geconcentreerd. De stelling bij Smolensk moest worden doorbroken om de opmars naar Moskou voort te kunnen zetten. 11RH werd nu ingezet om verband te houden tussen twee Franse cavaleriedivisies die vooruit waren geschoven om de Russische graaf Platow, Hetman der kozakken te verslaan. Dit laatste gelukte. Twee eskadrons van 11RH (onder leiding van luitenant-kolonel Motté en ritmeester Geisweit van der Netten) voerder offensieve verkenningen uit tot meerdere uren voor de eigen stellingen. De eenheid van ritmeester Geisweit van der Netten onderscheidde zich bij de terugtocht onder druk van de Russen. Hij verdeelde zijn eenheid in kleine groepen en liet de huzaren op terreinhoogtes opzichtig stelling kiezen, waardoor de Russen de daadwerkelijke sterktes overschatten en voorzichtiger werden. Op 9 augustus volgde 11RH de tocht van het 3e legerkorps naar Moghilnia en Eliséévo. Hier voegde ritmeester Hoynck van Papendrecht zich met 100 man, nieuwelingen en achterblijvers en enige nieuwe paarden bij het regiment. In de nacht van 13 op 14 augustus werd aangesloten bij der rest van de Franse troepen, bij het plaatsje Khomino aan de Dnjepr. 

Op 14 augustus werd direct de Dnjepr overgestoken. Van Sypesteijn schrijft hierover17:

Na een lange zware mars, overhaast en zonder te wachten op artillerie, werd 11RH ingezet bij Krasnoje aan de Dnjepr, zuidwest van Smolensk om te proberen de vijand te omtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de actie18:

De vijand stond, door een lage heuvelrug aan het oog onttrokken, achter een stuk moerasachtig grond in één massief blok opgesteld. De aanval was dapper, maar mislukte tot driemaal toe. Van Sypesteijn gaat verder met zijn gedetailleerd verhaal en wijt het falen aan slecht leiderschap19:

De Russische infanterie wist echter van geen wijken21 en trok zich na het vallen van de duisternis onder dekking van eigen cavalerie terug. 11RH verloor hierbij 8 doden en 21 gewonden. De Fransen als geheel hadden ruime 300 man verloren. 

Gevechten bij Smolensk 

De volgende dagen dekte de 9e Brigade de linkerflank van het 3e Franse Corps. Het regiment had hierbij alleen enige schermutselingen met groepjes kozakken. De Russen werden bij Smolensk op 16 augustus ten koste van grote verliezen aan beide zijden verdreven en trokken zich terug op een stelling die ongeveer 100 km voor Moskou bij Borodino lag. Het 3e Corps volgde de terugtrekkende Russen, waarbij de 9e Brigade de achterhoede beschermde. Sypestein schrijft over de betrokkenheid van 11RH bij deze gevechten22:

11RH trok hierna verder in de richting van Moskou23:

Tekening van Knötel, 11e regiment Hussaren in 1810. Cie á élite betekent de ‘compagnie die het langst inzetbaar gehouden werd, vaak de meest ervaren 1e compagnie van het 1e eskadron 

In de laatste week van augustus werden vier ritmeesters en vier luitenants overgeplaatst naar Franse huzarenregimenten en vervangen door enkele Franse officieren.

De overigen gaten werden opgevuld met bevorderingen. De ritmeesters M.L. Pijnman, H.J.C.J. van Heeckeren van Enghuijzen en L.R Quaita gingen alle drie naar het 8e regiment Hussaren. Ritmeester L.A.J. Crooij werd naar het 11eregiment Jagers te Paard overgeplaatst. 1e luitenant A. Sloet van Oldenruitenburg ging naar het 6e regiment Hussaren, 1e luitenant L.L. van Wiedenkeller naar het 8e regiment Hussaren, 2e luitenant J. van Sijpesteijn met bevordering als 1e luitenant naar 9eregiment Hussaren. De 2e luitenants E.J.A.P. van de Poel van Heijningen, beiden naar 7e regiment Hussaren.

Zelfs de betaalmeester (B. Dikstaal) werd overgeplaatst. Als kapitein ging hij naar het 6e regiment Hussaren.

De beide wachtmeesters Bruijninga en Basten werden tot 2e luitenant bevorderd.

Huzaren van het 1e, 11e en 7e Regiment. Gustave David, 1812. Collectie Nationaal Militair Museum, Soesterberg.

Nadat bij Dorogobusch op 27 augustus de Dnjepr was overgestoken ging de tocht naar Moskou verder via Wiasma en Gjatsk dat op 1 september werd bereikt: 

Op 1 september werd wachtmeester Caspar Morbotter die met een aantal tirailleurs een bos doorzocht, omsingeld door zo’n 150 kozakken. Hij hield stand en dit gevecht leidde uiteindelijk tot inzet van de gehele 9e Brigade tegen 5.000 Russische troepen. Eerste luitenant Sypesteijn (net overgeplaatst naar het 9e regiment Hussaren) vertelt over dit gevecht24:

11RH trok hierop naar het bivak terug. Er waren slechts 3 onderofficieren gewond en 5 paarden waren verloren gegaan. Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en de voorheen tot 2e luitenant bevorderde Jelle Bruijninga onderscheidden zich bij deze gevechten en werden benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur.’ Verder werden als beloning 2e luitenant Nobert tot 1e luitenant bevorderd en de wachtmeester J.H. Luesemans tot 2e luitenant. Ook werd er een dagorder uitgegeven voor de gehele Grande Armée, waarin 11RH eervol werd vermeld. 

Slag bij Borodino

De Russen deden een laatste poging hun hoofdstad Moskou te beschermen en richten bij Borodino een verdedigende stelling in op een voor hen gunstig stuk terrein. Het inrichten van deze stelling werd gedekt door de Russische achterhoede die uit cavalerie bestond. Meer nog dan de Russen, hadden de Fransen behoefte aan een beslissende slag. Van Sypesteijn schrijft25 

Op 4 september werd ook het Franse 6e Regiment Lansiers (dat ook deel uitmaakte van de 9e Brigade) overvallen door een grote overmacht aan kozakken. Het verloor hierbij meer dan 60 doden en gewonden, waaronder verscheidene officieren. 11RH kwam met succes te hulp, maar hierbij raakten wel 5 huzaren gewond door vijandelijk kanonvuur. 

Ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht voert het 4 eskadron van 11RH ten aanval op 1 sept 1812 bij Gjask. De trompetter heeft als enige een afwijkend uniform en draagt een kolbak.

Op 5 september, vlakbij Borodino, verdreef 11RH met twee eskadrons een compagnie Russische tirailleurs van een hoogte, waar eigenlijk de eigen artillerie in stelling moest komen. Eerste luitenant van Sypesteijn26:

Overmoedig geworden zetten de regimentscommandant, kolonel Collaert en hem ondersteunende Franse luitenant-kolonel La Motte de aanval voort, zonder verkenning en zonder op eigen artilleriesteun te wachten. De beide eskadrons van 11RH raakten hierdoor omsingeld door vijandelijke zware cavalerie en kozakken bij het klooster Kolotskoi (nabij Borodino).  

Aan ritmeester Geisweit van der Netten leidde echter het gevecht en wist de omsingeling te doorbreken. Aan hem is te danken dat de beide eskadrons niet werden vernietigd. 

De Franse Brigade van Girardin kwam dus te hulp en hierdoor werd de vijand verjaagd. De verliezen waren zwaar. De beide eskadrons hadden samen maar liefst 126 man en 93 paarden aan doden en gewonden te betreuren. 1e luitenant van Kretschmar was door de Russen gevangen genomen. Ritmeester Huber werd door zeven lanssteken zwaar verwond, net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht met drie lanssteken. 

Slag bij Borodino

Op 7 september nam 11RH deel aan de slag bij Borodino. Ze maakte tijdens deze slag deel uit van het 2e Cavalerie Corps van Montbrun met in totaal 10.550 ruiters en 30 stukken rijdende artillerie. Het 2e Cavalerie Corps bestond uit de 2e Lichte Cavalerie Divisie (met hierin 11RH) en de 2e en 4e Zware Cavalerie Divisies. Het 2e Cavalerie Corps vormde een soort reserve achter het 3e Corps van Ney en de taak van de Ligte Cavalerie Brigades was tussentijds om de Franse zware artillerie te dekken. Eerste luitenant van Sypesteijn beschrijft de slag en de positie van 11RH. Het regiment stond vooraan en had zwaar te leiden van Russische artillerievuur: 

Chirurgijn majoor Jan van Zinckgraeff van 11RH probeerde het leven van de zwaar gewonde bevelhebber van de Franse cavalerie, Montbrun te redden. Tevergeefs. Van Sypesteijn: 

Majoor Jan van Zinckgraeff werd hiervoor later door Napoleon benoemd tot Ridder in het ‘Legion d’Honneur’, een eer die voorheen doorgaans alleen maar combattanten te beurt viel. Het bevel over de cavaleriedivisie werd overgenomen door generaal Caulincourt, maar sneuvelde ook binnen een half uur. Daarna nam generaal Pajol het over.  Het wederzijdse kanonvuur was moorddadig27:

De Fransen slaagden er niet in om de hoofdopstelling te vermeesteren en dreven met cavalerie-aanvallen de Franse cavalerie terug naar de uitgangsstellingen. Gedurende vier á vijf uur was 11RH blootgesteld aan zwaar vijandelijk kanonvuur. Ritmeester Geisweit van der Netten zag dat28:

Eerste luitenant van Sypesteijn29:

Posities aan het einde van de slag bij Borodino. 11RH behoorde tot de cavalerie divisie van Montbrun die zwaar onder Russische artillerievuur te lijden had.

Het 2e Cavalerie Corps voerde tegen het einde van de slag een charge uit achter een standhoudende Russische versterkte opstelling. 11RH maakte deze charge niet mee, want het regiment was, in brigade verband, tijdens deze slag meer dan vier uur blootgesteld geweest aan hevig artillerievuur. Vanwege de geleden verliezen werd de 9e Brigade daarom later uit het gevecht genomen en vervangen door een zware Cavalerie Brigade, bestaande uit Franse kurassiers en Italiaanse dragonders. Op dat moment waren van 11RH van de twee eskadrons te velde nog maar 46 man inzetbaar. Ritmeester Geisweit van der Netten commandeerde dit restant, ondanks een schampschot aan zijn eigen hoofd. Van zijn eigen eskadron had hij nog maar 5 man over. Hij schreef later in zijn dagboek over deze slag30:

Ook kolonel Collaert was (licht) gewond geraakt en had zijn paard verloren. De luitenant-kolonels La Motte en Motté waren ook gewond (beiden aan een arm), net zoals ritmeester Hoynck van Papendrecht (arm), luitenant van Nijvenheid (schrapnel in de wang), luitenant Norbert (twee lanssteken in de schouder), luitenant Edeline (twee lanssteken in de arm en een sabelhouw op de borst), luitenant Basters (paard gedood en door granaat been verbrijzeld). Van Luitenant Lambrechts (dienst doend als ordonnans officier van generaal Beurman) werd het hoofd afgeschoten, terwijl luitenant Von Wiedenkeller (dienende bij 8e regiment Hussaren) gedood werd door een kanonskogel toen hij naar achterging om zich te laten verbinden wegens een wond aan de schouder. Ritmeester Crooy (bij 11e regiment jagers te paard) werd gewond aan zijn hand en van de ritmeester Pijman (5e regiment Hussaren) werd de top van een vinger afgeschoten.  Na terugkeer van de vermisten en licht gewonden kon de volgende dag slechts een klein eskadron op de been worden gebracht. Omtrent Borodino vertelt luitenant De Lassus31:

Moskou bereikt

11RH bleef tot 10 september in bivak om de wonden te likken en rukte daarna met de Grande Armée op naar Moskou32:

Van 14 september tot 26 september deed het voorpostendienst terwijl de stad in brand stond. Van Sypesteijn: 

Het regiment werd nu gekantonneerd in de ‘Duitse Wijk’ van Moskou (Немецкая слобода, of Nemetskaia sloboda): 

Napoleon reikte tijdens een wapenschouw in de laatste dagen van september decoraties uit. De luitenants Bouwens en Nolet werden vanwege hun aandeel in de slag bij Borodino ook opgenomen in ‘Legion D’Honneur. Ook werden er bevorderingen uitgesproken. De wachtmeesters Morbotter, Frost en Liewerens werden bijvoorbeeld betoonde moed bevorderd tot 2e luitenant bij het regiment. 

Tekening die ritmeester Geisweit van der Netten in zijn zakboekje maakte van Moskou (Koninklijke Bibliotheek)


Een peloton van 30 man ging op 3 oktober onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten (geholpen door de luitenants Norert en Verhellow) mee met een (strooptocht)colonne van 4.000 man onder Maarschalk Ney om voedsel te verzamelen. De huzaren, ingedeeld bij het 4e regiment jagers te paard (kolonel Boulnois) behoorden tot de voorhoede van deze eenheid: 

De Huzaren voerden hierna gebiedsverkenningen uit in de omgeving en wisten verschillende malen groepjes kozakken mee te lokken tot binnen schootsbereik van de Franse voltigeurs die vervolgens de kozakken onder vuur namen, uiteen dreven en op de vlucht joegen. De colonne van Ney keerde op 13 oktober weer terug naar Moskou, nadat hij melding had gehad van naderende sterke Russische eenheden. In de avond van die dag arriveerde het detachement van 11RH weer in de Duitse voorstad van Moskou. 

Het leger van Napoleon moest in de omgeving van Moskou nog enkele felle gevechten voeren om de toegangswegen vrij te houden. Hierbij waren o.a. twee officieren van 11RH betrokken die eerder naar andere Franse cavalerie regiment waren overgeplaatst. Op 4 oktober kwam 1e luitenant Jacob van Sijpesteijn om het leven toen hem een been werd afgeschoten door een kanonskogel op de weg van Moskou naar Kaluga. Op dezelfde weg werd ritmeester L.A.J. Crooij zwaargewond gevangen genomen terwijl hij diende bij het 11e regiment jagers te paard. Hij had vier lanssteken gekregen, twee in de rechterhand, één in de linkerarm en één in de linkerzijde. 

Het regiment telde intussen weer 320 ‘hoofden’ en 120 paarden. 200 onbereden huzaren werden onder bevel van ritmeester Ulrich Huber geplaatst bij het algemeen depot cavalerie. Kolonel Collaert werd gepensioneerd en vertrok naar Holland, mogelijk vanwege zijn rol voorafgaande aan Borodino of vanwege de opgelopen verwonding. Hij werd tijdelijk vervangen door luitenant-kolonel Motté en later kwam in zijn de Franse kolonel Jean Baptiste Liégaerd.

De terugtocht uit Rusland

Op 19 oktober 1812 begon de terugtocht uit Moskou. Al bij het verlaten van de stad werden felle gevechten gevoerd. 2e luitenant Johan Debetz werd voor zijn aandeel hierbij, later ook benoemd tot ridders in het ‘Legion D’Honneur.’ 11RH bleef ingedeeld bij het 3e Legercorps van maarschalk Ney, dat nu niet de voorhoede maar de achterhoede vormde. Dat bevreemde eerste luitenant van Seijpesteyn33:

Bitter voegt hij hieraan toe: 

Tijdens de terugtocht naar Borwosk (Boruisk) wat op 26 oktober werd bereikt stond de regimentsmarketenster, vrouw van Raai, continue klaar om de huzaren na aankomst te verkwikken met een borrel. Er moest nog gevochten worden bij Borowsk. Eerste luitenant van Sypesteijn34:

Op 27 oktober verliet 11RH Borowsk weer. Een 60 man sterk detachement onder leiding van ritmeester Geisweit van der Netten werd samen met een bataljon infanterie aan de divisie Razout geleverd om de vijand te observeren nabij Satino. Aan het einde van de dag trokken ze door naar Wereia, een stad die grondig geplunderd en uitgebrand was. Op 28 oktober werd de grote verharde weg weer bereikt en het slagveld van Borodino weer gepasseerd. Van Sypesteijn35:

De resten van 11RH werden op 31 oktober ingedeeld bij de divisie van generaal Claparède, die schatkist van het leger meevoerde. Het leger naderde Vjasma, ongeveer halverwege Moskou en Smolensk. Hier probeerde de Russische generaal Kutusoff de Fransen terugtocht af te snijden. Op 3 november leverde 11RH, samen met een bataljon infanterie, een achterhoede gevecht nabij de stad Vjasma, Hierdoor kon het 3e Corps van Ney zich in goede order terugtrekken. Eerste luitenant van Sypesteijn schrijft over dit achterhoede gevecht36:

Op 6 november werd Dorogobusch bereikt en de rivier de Dnjepr gepasseerd. De rivier voerde al hoog water en ijsschotsen, zodat doorwaden onmogelijk was. Gelukkig waren de bruggen nog intact, maar 

Na het verlaten van Smolensk werden de vestingwerken van deze stad door de Franse genie grondig vernield. Helaas kwamen hierbij ook de gewonden van de slag bij Borodino om het leven, die toen in het militaire hospitaal lagen. Bij Smolensk had 11RH nog maar 6 paarden over: 

Tekening van de terugtocht ellende

Het personeel van het regiment doorstaat onbeschrijfelijke ellende. In Smolensk weer een groepje regimentsleden zich weer te verenigen: 

Ongeveer 70 km voorbij Smolensk, lag Krasnoje, waar het regiment op de heenmars ook al slag had geleverd. Hier werd op 15 november het restant van 11RH door een vijandelijke aanval totaal uiteen geslagen. Hiermee hield 11RH als eenheid eigenlijk op te bestaan. Van Sypestein37:

Vervolgens moest de inmiddels ijskoude rivier de Berezina worden overgestoken. De bruggen over deze rivier waren in de nacht van 28 op 29 november door de Russen in brand gestoken. Bij het oversteken van de rivier, zwemmend te paard, werd het paard van ritmeester Geisweit van der Netten gewond. Hij zelf werd ook geraakt met een schampschot aan het linkerbeen. Totaal uitgeput werd hij later door de Russen gevangen genomen.38 Zijn aantekenboekje was gelukkig behouden gebleven en vormde later belangrijke input voor een groot gedeelte van de regimentsgeschiedenis.

11e Regiment Huzaren. Tekening van Jan Hoynck van Papendrecht

1813 – Het regiment wordt opnieuw opgericht

De overlevenden van de Rusland veldtocht werden snel weer ingezet. Alle troepen waren nodig voor de verdediging van Polen en de zwaar gehavende eenheden werden dan ook zo snel mogelijk gereorganiseerd. Zo mogelijk nog belangrijker voor de verdediging waren de vooraf in Polen en Pruisen achtergelaten eenheden. Voor vertrek naar Rusland had Napoleon in alle belangrijke steden en vestigingen in deze landen garnizoenen achtergelaten om de enorme depots van de Grande Armée te beschermen en om in geval van nood als reserve te fungeren. Deze garnizoenstroepen vormden na de vernietiging van de Grande Armée de hoofdmoot van de Franse aanwezigheid in Centraal-Europa en moesten de Russische opmars vertragen, terwijl Napoleon aan nieuw hoofdleger probeerde te vormen. Het lukte deze garnizoenen niet om de Russen tegen te houden, maar wel om een substantieel deel van de Russische krijgsmacht te binden, waardoor de Russen minder troepen tegen het nieuwe hoofdleger van Napoleon konden inzetten.39

Pas in februari 1813 kon in het depot te Elbing aan de monding van de Weichsel, weer een enigzins compleet eskadron worden geformeerd. Dat bestond uit de uit Rusland teruggekeerde restanten, herstelde gewonden en nieuwe rekruten vanuit het depot in Arras. Door toevoeging van de opgeheven 23e en 24e Regiment Jagers te Paard, kon later ook een tweede eskadron worden geformeerd. Ook kolonel Liégard had het overleefd en hij bracht door werving van vrijwilligers en inlijving van lotelingen de sterkte van het regiment weer op drie eskadrons, elk met 250 paarden. Ritmeester Hoynck van Papendrecht verzamelde intussen in Frankfurt aan de Oder nog meer gewonden en uit Rusland teruggekeerde manschappen en voegde zich midden maart al met 100 inzetbare ruiters bij het Elbe leger. De officieren van destijds waren kolonel J.B. Liégard, luitenant-kolonels P.G. Motté en de Fraije de Schiplaken, adjudant-majoor J.C. Huismans, chirurgijn-majoor J.M. von Zinckgraeff, officier-betaalmeester T. van den Berg ritmeesters A.J. Hoynck van Papendregt, J.H. Boers, 1e luitenants G.L.C. Bouwens (van der Boijen), J.H. Harmann, M. Nolet, W. van Zandhuisen, J.C. Nobert, 2e luitenants C.F. Morbotter, G.H. Liewerens, W.A. Verhellow, E. Edeline, J. Bruyninga, C.J. Frost, J. Staats-Boonen, Gh.H. Roode, F.C. van Gronsveld-Diepenbroek, van der Straat, H. van Rodenberg, J.R. Huismans, J.C. Ryx, J. Verboon, J.J. Périé, R. Everts en J.H. de Luesemans. 

11RH nam deel aan een grote verkenning vanuit Maagdenburg en aan de gevechten bij Weben en Neukirchen. 11RH werd ingedeeld bij de brigade van Wathier, die verder bestond uit twee regimenten jagers te paard, o. a. het 23e van Kolonel De Marbot. Deze brigade was ingedeeld bij de divisie Excelmanns van het 2e Cavaleriekorps van generaal H.F. Sebastiani. Het wederopgerichtte 11RH nam daarna deel aan de veldslagen bij Lützen (20 mei, zuidwest van Leipzig) en Bautzen (21 mei, oost van Dresden). Het was toen tijdelijk onderdeel van het 3e legerkorps van maarschalk Ney. Het eskadron van ritmeester Hoynck van Papendrecht veroverde tijdens deze laatste slag op 21 mei bij Sprottau een complete Russische artillerietrein met 20 stukken geschut, 20 karren (caissons), 500 man en bijna 200 paarden. Ook werd hierbij een aantal vijandelijke artilleristen gevangen genomen. Ook hij werd hiervoor bevorderd tot officier bij het ‘Legion D’Honneur’. Van Sypesteijn schrijft hierover40:

Tijdens de gevechten in deze periode werd het Franse leger steeds verder teruggedreven voor het Russische en Pruisische leger. Op 23 augustus verliet keizer Napeleon (en maarschalk Ney) het leger en liet het opperbevel aan maarschalk MacDonald over. Deze had het moeilijk een goede terugtocht van het Franse leger te organiseren. Hij organiseerde cavalerie tegenaanvallen waarbij 11RH werd ingezet41:

Kolonel de Marbot was in zijn naoorlogse geschriften zeer negatief over 11RH (en andere buitenlandse contingenten). Zo berichtte hij o.a. over het weifelend optreden op 22 en 23 augustus bij het oversteken van het riviertje de Bober. Terwijl zijn eigen 23eRegiment Jagers te paard zonder verkenningen op een brug afstormde, die de Russen ogenschijnlijk niet onklaar gemaakt hadden, bleef 11RH onder vijandelijk artillerievuur werkeloos staan. De brug stortte vervolgens in waarbij enkele ruiters en paarden verdronken. Bij dit gevecht raakte kolonel Liégaerd licht gewond en op 26 augustus zelfs voor een tweede keer. Marbot weet het gebrek aan dapperheid aan het gebrek aan Franse officieren binnen 11RH. Hij schreef dat Kolonel Liégard:

Dit klopte niet want van de 38 officieren van 11RH, die aan den veldtocht van 1813 in Duitsland deelnamen, waren 11 Fransen, 3 Belgen, 5 Duitsers, 3 Italianen en 13 Hollanders. Van 3 was de geboorteplaats niet vermeld.

Tekening die ritmeester Geisweit van der Netten in krijgsgevangenschap van zijn Russische bewakers maakte (Koninklijke Bibliotheek)

Ook bij een tweede gevecht op 26 augustus bij de Katzbach mopperde De Marbot op de houding van 11RH. Hij verwijt 11RH niet te hulp te komen als de beide regimenten Jagers te Paard worden aangevallen door drie Pruisische regimenten, waarbij de Fransen grote verliezen aan manschappen, wapens en materieel leiden: 

Hij vergeet echter te vermelden dat 11RH wel oprukt tegen de reserve cavalerie van de Pruisen bij Belwitzhof (of Brechelshof), deze verjaagt en hierbij 3 stukken artillerie veroverd en 6 vernield. In het gevechtverslag van generaal Sebastiani van 26 augustus wordt de inzet van 11RH wel op waarde geschat:

Bij opsomming der geleden verliezen en van hen, die zich bijzonder hadden onderscheiden, vermeldde generaal Sebastiani: 

Op 16 oktober 1813 nam 11RH deel aan de Volkerenslag bij Leipzig, die de totale ineenstorting van het Franse leger van Napoleon tot gevolg had. Ook 11RH had de nodige doden en gewonden. Twee officieren van het regiment werden hierbij gedood (ritmeester J.H. Boels en adjudant-majoor J.C. Huisman), twee gewond (luitenants E. Edeline en J. Staats-Boonen), drie krijgsgevangen (luitenants J.H. Harmann, C.J. Forst en F.C. van Gronsveld Diepenbroek) en twee vermist (o.a. luitenant J.C. Norbert). 

Tenue en veldmuts 11e Regiment Huzaren (Musée de l’Armée)

De laatste lauweren oogstte 11RH in 1813 aan het riviertje de Kinzig. In samenwerking met artillerie hielden ze bij Hanau de weg naar de Rijn open voor het terugtrekkende Franse leger. Luitenant De Lassus schrijft: 

Inmiddels was het aantal officieren gestegen tot 46, waarvan 38 de veldtocht van 1813 in Duitsland hadden meegemaakt. Ook onder de huzaren en onderofficieren bevonden zich veel Fransen, want het aantal vrijwilligers en lotelingen uit Nederland was intussen door de veranderende politieke situatie opgedroogd.

Het overschot van het Franse leer trok terug over de Rijn en 11RH kwam bij Manheim terecht. Het overschot van het regiment kwam 

in Frankrijk terug.

11RH nam verder niet meer deel aan significante gevechten en keerde in november 1813 naar Frankrijk terug, op hetzelfde moment dat Willem François Boreel in Haarlem zijn nieuwe korps cavalerie (het latere Regiment Huzaren van Boreel) formeerde.

Na de landing van Willem Frederik (de latere Koning Willem I) bereikte het vertrouwen van de keizer in zijn Hollandse troepen een nieuw dieptepunt. De desertie liep zo hoog op, dat de Hollanders een gevaar begonnen te vormen voor de gevechtskracht van het Franse leger. Om te voorkomen dat ze, net als de Saksen tijdens de Slag bij Leipzig, en masse naar de vijand zouden overlopen, beval Napoleon de ontwapening van alle Hollandse soldaten op de rechter Rijnoever.43 Zodra Napoleon terug was in Parijs ging hij nog verder en eiste van de Hollandse officieren opnieuw de eed van trouw, teneinde hen, evenals de Hollandse onderofficieren en huzaren tot Fransen te kunnen naturaliseren. Iedereen zou dan worden bevorderd: de huzaren tot onderofficier, de onderofficieren tot luitenant, enzovoort. Onder aanvoering van luitenant-kolonel Coengracht weigerden allen, van 11RH zonder enige uitzondering. Alle 147 overlevenden Nederlanders van het 11e Regiment Huzaren werden toen ontwapend en gevangen gezet. De officieren moesten zich naar de vesting in Aire in Noord-Frankrijk begeven, de onderofficieren en de huzaren werden naar de grenzen met Spanje getransporteerd.44 De Franse huzaren van 11RH werden verdeeld over andere regimenten. De administratie in Arras werd gesloten en het regiment werd ontbonden en hield op te bestaan. Na inname van Parijs door de geallieerden in 1814 werden de gevangen Nederlandse cavaleristen uit hun gevangenschap ontslagen en konden terugkeren naar het Koninkrijk Nederland, zoals de samengevoegde Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nu heette. Na terugkeer in Nederland namen veel oudgedienden van 11RH weer dienst de onderofficieren en huzaren voornamelijk bij de Huzaren van Boreel omdat deze eenheid al het best geformeerd was. Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1972 No. 101 is het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) daarom aangemerkt als voortzetting van het 11e Regiment Huzaren.  

11e regiment Hussaren – collectie Vinkhuizen

De oprichter van RHB had weinig op met Nederlandse officieren die in het Franse leger had gediend. Hij zelf had dat geweigerd. Hij weerde deze daarom zoveel mogelijk uit zijn regiment. Op twee na, gingen deze daarom naar andere in oprichting zijnde huzaren regimenten. Ook zal een belemmerende rol hebben gespeeld, dat Boreel bepaald had dat officieren van zijn regiment gedurende een jaar de helft van hun wedde in de staatskas moesten storten. Alleen J. Debetz en J.P. Molenaar namen dienst bij het Korps van Boreel. Beide als 1e luitenant. Tijdens de latere slag bij Waterloo (juni 1815) raakte Debetz gewond en na de slag werd hij beloond met een Militaire Willemsorde en bevorderd tot ritmeester. 

Luitenant-kolonel Johan Renno, ritmeester Arend Hoynck van Papendrecht en ritmeester Louis Crooij van 11RH namen ook weer dienst bij de Nederlandse cavalerie en voerden in de periode 1815-1830 achter elkaar het bevel over het Regiment Ligte Dragonders No.4 (RD4). Luitenant-kolonel Coenegracht en Christiaan Lechleitner dienden ook in 11RH en commandeerde respectievelijk het 1e en 3e Regiment Carabinier (RC1 en RC3). J.J. Périé, die in juli 1811 in Parijs als wachtmeester stond aangetreden bij de Standaarduitreiking door Napoleon en in Moskou werd bevorderd tot 2e luitenant, was van 1837 tot 1846 als kolonel commandant van het Regiment Hussaren No.7 van het KNIL. De luitenants Jelle Bruijninga en Caspar Morbotter werden na de slag bij Waterloo bevorderd tot ritmeester en later tot majoor. Chirurgijn majoor Jan Martijn Von Zinckgraeff werd hoogleraar aan de universiteit van Leuven. 

Ritmeester Johan Debetz in een uniform van RH6 met zichtbaar de MWO. Zijn dochter trouwde later met 1e luitenant Baron van Voorst tot Voorst van het Regiment Lansier No.10, die ook met RHB verweven is. 

Ritmeester Geisweit van der Netten keerde pas op 7 september 1814 terug uit Russische krijgsgevangenschap. Hij kreeg geen nieuwe commanderende functie. Hij was wel van 1815 tot 1830 directeur van de Rijschool der Artillerie en Genie in Delft en een drijvende kracht achter de oprichting van de Rijks Veeartsen School te Utrecht. In 1838 werd hij benoemd tot generaal-majoor titulair. 

Van alle cavalerie officieren die na de slag bij Waterloo onderscheiden werden met de Militaire Willems Orde, hadden er 18 in de periode 1795 tot 1814 gediend bij het regiment, dat achtereenvolgens Regiment Huzaren, 2e Regiment Huzaren en 11e Regiment Huzaren heette. Volgens Franse archieven dienden in totaal meer dan 1568 Nederlanders in het 11e Regiment Huzaren. Hun namen zijn op internet te vinden:  

Hun namen zijn op internet te vinden (maar kijk bij gelegenheid ook eens op onze andere informatie pagina met militaire registers).


  1. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 258 ↩︎
  2. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 144 ↩︎
  3. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 120 ↩︎
  4. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 148 ↩︎
  5. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 167 ↩︎
  6. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 170 ↩︎
  7. Napoleon had de dienstplicht namelijk ingevoerd in Nederland.  ↩︎
  8. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 127 en 128 ↩︎
  9. Het eerder bij de 9e brigade eveneens ingedeelde 28ste regiment jagers te paard was nu naar de 14e Lichte Brigade gegaan en had dus plaatje geruild met 11RH ↩︎
  10. Die waren de luitenant-kolonels Motté en de la Motte.  ↩︎
  11. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
  12. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 133 ↩︎
  13. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 134 ↩︎
  14. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 135 ↩︎
  15. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 136 ↩︎
  16. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 137 ↩︎
  17. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 141 ↩︎
  18. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 142 ↩︎
  19. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 143 ↩︎
  20. Maar niet nadat de regimentscommandant, kolonel Boulnois met enige manschappen in het carré was doorgedrongen. Hij was gewond en zijn paard gedood. Hij werd gevangen genomen, maar snel weer door een paar van zijn jagers bevrijd.  ↩︎
  21. Opgemerkt moet worden dat de 11RH geen lansen had en dus niet dicht genoeg bij in formatie staande en bajonet-voerende infanterie kon komen om hen sabelslagen toe te brengen. De lansiers waren hierbij dus in het voordeel en een aanval van het Franse 6e regiment lansiers was dan ook gedeeltelijk wel succesvol geweest. Het had echter de uitkomst van de slag niet kunnen veranderen. ↩︎
  22. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
  23. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 149 ↩︎
  24. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 153 ↩︎
  25. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 154 ↩︎
  26. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 155 ↩︎
  27. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 161 ↩︎
  28. Dagboek ritmeester Geisweit van der Netten. ↩︎
  29. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 162 ↩︎
  30. https://www.wiewaswie.nl/nl/nieuws/in-militaire-dienst-met-napoleon-naar-rusland/ ↩︎
  31. Historique du 11e Regiment de Hussards par Ie Lieutenant DE LASSUS. Valence, Imprimerie de JULES CÉAS & Fits. 1890, pag 179 ↩︎
  32. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 167 ↩︎
  33. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 173 ↩︎
  34. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 174 ↩︎
  35. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 175 ↩︎
  36. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 177

    ↩︎
  37. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 181 ↩︎
  38. Bij het oversteken van de Berezina was zijn sabelschede vol water geraakt en bevroren. Hierdoor kon hij de sabel niet terug in de schede plaatsen en moest deze in de hand houden. ↩︎
  39. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 279 en 280 ↩︎
  40. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 187 ↩︎
  41. Eerste luitenant Jhr, J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren. Den Haag, 1849, blz 189 ↩︎
  42. De Duitse schrijver Schmeisser ziet dit anders. Hij schrijft op bladz. 14 van Die niederländischen Kontingente in der Armee des ersten Kaiserreichs: «Das 11. Husaren-Regiment desertierte fast vollständig am Ende des Feldzugs.”  ↩︎
  43. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎
  44. Christiaan van der Spek, Sous Les Armes, Het Hollandse leger in de Franse tijd, NIMH, blz 333 ↩︎

Regiment Huzaren No.6 in de Slag bij Waterloo

Regimentsboek Huzaren van Boreel | [versie 2 dd. 20-02-2026]

De Slag bij Waterloo is de bekendste slag waarin het Regiment Huzaren No.6 (zoals Regiment Huzaren van Boreel destijds werd genoemd) gevochten heeft. RH6 heeft tijdens de slag indruk gemaakt met haar standvastigheid en gedisciplineerd optreden en hiermee mede de basis gelegd voor de overwinning van de hertog van Wellington op Napoleon.  

Op 17 juni, de dag na de veldslagen bij Ligny en Quatre Bras, waren de Fransen druk in de weer om inlichtingen te vergaren over de bewegingen van de Pruisen. Pas toen Napoleon meende zeker te weten dat de Pruisen niet meer in staat leken te zijn de Nederlanders en de Britten bij Quatre-Bras te versterken, zette hij zijn opmars in noordelijke richting voort. Op dat moment waren de Nederlanders en de Britten reeds geruime tijd op de terugtocht naar Brussel. Om 11.00 kreeg generaal Collaert, die nog met de cavaleriebrigades in bivak noord van Quatre Bras en bij Arquennes lag, om naar via Nivelles naar Mont St.Jean te verplaatsen. Voordat Nivelles werd bereikt kreeg generaal Collaert van een paar militaire politieposten te horen dat Franse cavalerie eenheden naderden vanuit Hautain Le Val. Hij liet vervolgens het Regiment Lichte Dragonders No.4 (o.l.v. lkol Renno) rechtsomkeert en front oost maken. De rest van de cavalerie-eenheden ging over van stap in draf om haast te maken. De Franse cavalerie draaide echter af naar het zuiden en plunderde de zojuist verlaten Nederlandse bivaks, waar ze een paar gevangenen konden maken. 

generaal Collaert

DR4 kon daarna wederom aansluiten bij de colonne, maar er waren op deze (terugtochts)dag nog wel enkele kleinere schermutselingen tussen verkennende Franse cavalerie en achterhoede patrouilles van DR4.

De slag bij Waterloo, 18 juni 1815. Gezicht op het slagveld op het moment dat de Engelse bevelhebber Wellington hoort dat Pruisische hulp onderweg is. De gewonde Willem, prins van Oranje, wordt links op de voorgrond weggevoerd. De bevelhebbers en andere officieren te paard staan in het midden, rechts op de voorgrond gewonde en dode soldaten. Op de achtergrond woeden de gevechten op het slagveld. Geportretteerd zijn verder (onder anderen): Lieutenant-general Lord Uxbridge, sir Rowland Hill, Staff Colonel Sir William Delancey, Major-General George Cooke, Colonel Harvey, Colonel Campbell, luitenant-generaal Don Miquel de Alava, Lieutenant-colonel F.C. Ponsonby, Major William Thornhill, Jean Victor, baron De Constant de Rebeque, Colonel Sir John Elley, Luitenant-kolonel Aberson, Generaal-majoor A.K.J.G. d’Aubremé, Kapitein Aberson, Kapitein H. Roepel, Kolonel H. Detmers, Majoor J.L.D. van der Smissen, Luitenant kolonel A. van Thielen, Luitenant kolonel Jhr. W.F. Boreel, Luitenant Generaal D.H. Baron Chassé, Colonel Sir G.A. Wood, Generaal Majoor J.B. Baon van Merlen, Luitenant Generaal Ch. von Alten, Major General Sir Colin Halkett, Lieutenant-Colonel William George Harris, Kapitein C. Nepveu, Fitzroy James Henry Somerset, H.D. Graaf De Cruquenbourg, N.C. Ampt, Generaal-Majoor Jhr. A.D. Trip, John William Fremantle, Generaal-Majoor Graaf van Rheede, Major-General Lord Edward Somerset, Charles Gordon Lennox, earl of March, Colonel Dennis Pack, Majoor P.S.R. van Hooff, Major general John Ormsby Vandeleur, Major Georg, Freiherr Baring, Kolonel C. Von Ompteda, Kolonel L.J.H.F. De Caylar en Général de Division Cambronne, Maréchal de Camp.
generaal Ghigny

De 2e Lichte Brigade met hierin RH6 en DR5 kwam om ongeveer 13.00 uur op 17 juni aan bij Mont St. Jean. Ze werden in stelling gelegd tussen de twee steenwegen van Mont St. Jean naar Genappe en Nivelles, ten zuidwesten van de hoeve Mont St.Jean. Om 17.00 was hier de hele Nederlands cavalerie verzameld toen ook de brigades van Trip en Gigny arriveerden, inclusief de twee batterijen Rijdende Artillerie. De regimenten betrokken afzonderlijke bivaks, elk in twee rijen tenten, met de brigade Ghigny op de linkervleugel, van Merlen in het midden en Trip op de rechtervleugel. De twee halve batterijen Rijdende Artillerie lagen in de ruimtes tussen de drie brigades. Samen met de troepen die nog eerder waren ingezet, begonnen ze de verdediging voor te bereiden in de omgeving van St Mont Jean, zuid van het plaatsje Waterloo (zuid van Brussel). De plek was door Wellington uitgekozen om de Franse opmars in de richting van Brussel tot staan te brengen. De Franse eenheden voerden die dag agressieve verkenningen uit totdat het Napoleon duidelijk was dat Wellington ten zuidoosten van Brussel slag wilde leveren op de heuvelrug bij de boerderijen La Haye Sainte en La Belle Alliance.  

De Franse voorhoede arriveerde en leverde een beperkte slag met de Engelse cavalerie die de stellingen van de Engelse infanterie beschermde. Een veteraan van DR4 vertelt hierover:  

De gevechten verstomden inderdaad terwijl meer en meer Franse troepen arriveerden en hun stellingen op de tegenoverliggende heuvelrug innamen.

Tevreden, omdat andermaal een vijand die zo dom was slag te willen leveren zonder te mogen rekenen op de steun van de andere geallieerde troepen, hield Napoleon het die dag verder voor gezien. De tevredenheid van Napoleon was des te groter vanwege de locatie die Wellington had uitgekozen. Ten noorden van de opstellingen van Wellington – en dus in diens rug – lag het Zoniënwoud, waardoor een eventuele georganiseerde terugtocht praktisch onmogelijk was. Hierdoor had Wellington geen andere mogelijkheid dan een hardnekkige en statische verdediging te voeren.  

Het begon weer te regenen en er stak een kille oostenwind op. De door de slag bij Quatre Bras afgematte troepen hadden het zwaar. Dezelfde veteraan van DR4 vertelt: 

Voedelgebrek was het andere probleem. Terwijl de Engelse een dubbele portie rum en voedsel hadden gekregen, ontving het Nederlandse deel van het leger niet omdat de private contractor die het leger had moeten voorzien van voedsel, bankroet was gegaan. Sommige eenheden (zoals DR4) hadden hun bagagetrein in de chaotische dagen ervoor, verloren zien gaan. Sommige mannen gingen met succes op rooftocht bij boerderijen in de omgeving, maar de meesten mannen hadden niets te eten. Ook de paarden werden niet voorzien van voedsel, tenzij de ruiter zelf nog iets geritseld had. De volgende ochtend stond iedereen koud en nat op en begon zich voor te bereiden op de te verwachten slag. Men had vaak onder de paardendekens geslapen die nu nat en doorweekt op de ruggen van de paarden onder de zadels werden gelegd. Dit droeg niet bij aan het rijcomfort van de paarden zelf. De omstandigheden waren niet best.1 Baron van Tuijll-van Serooskerken schreef daar later over2

Napoleon had op 18 juni 1815 gepland dat de aanval om 09.00 uur zou worden ingezet.  Het 2e Franse legerkorps van generaal Reille, dat op 16 juni reeds zware gevechten had geleverd met de Nederlanders en de Britten bij Quatre-Bras, was echter op dat tijdstip nog niet in opstelling op de westelijke flank van het Franse leger. Bovendien drongen zijn artillerie commandanten er bij Napoleon op aan te wachten, totdat de grond die door de aanhoudende regen van de voorgaande dag en nacht was doorweekt de tijd te geven enigszins te drogen. Daardoor kon de bereden artillerie beter en sneller op het slagveld bewegen en de kanonskogels zouden beter stuiteren. Maar het belangrijkste aspect dat Napoleon deed besluiten zijn aanval uit te stellen, was toch wel de grove onderschatting van zijn tegenstander.  Toen zijn maarschalken en generaals op de ochtend van Waterloo hun zorg uitspraken over de slag, antwoordde Napoleon dat deze slag niet meer was dan het eten van hun ontbijt. De geallieerden waren weliswaar in aantallen sterker, maar de Fransen hadden naar zijn mening 90% kans op de overwinning en de geallieerden nog geen 10%. Waarom zou je je haasten als het al een gewonnen zaak was. En zo werd de aanval uitgesteld tot 13.00 uur.  

general Reille

Het plan van Napoleon was eenvoudig en drastisch tegelijk. Vanwege de slechte positie van Wellington zou hij de Britten en Nederlanders met een frontale mokerslag verslaan. Hij wilde daartoe op de oostelijke flank en buiten het zwaartepunt van Wellingtons verdediging een doorbreking uitvoeren. De Britten zouden zich vervolgens zo snel mogelijk terugtrekken op de Belgische havens en naar Engeland varen. Vervolgens zou Napoleon zijn handen vrij hebben om de Pruisen, de genadeslag toe te brengen, om zich daarna op de oprukkende Russen en Oostenrijkers te richten.  

De geallieerde eenheden hadden zich in lijn opgesteld, met infanterie voorop. De cavalerie stond erachter gegroepeerd in drie grotere concentraties. De Nederlandse cavalerie (waaronder RH6) stond in het midden. Om 10.00 werd er een duidelijk opbouw zichtbaar in de Franse linies (het Corps van D’Erlon) en als gevolg hiervan werd de 1e Lichte Brigade van Gigny verplaatst naar het oosten van de weg Brussel-Charleroi en nam plaats achter de Britse infanteriedivisie van Picton. De 2e Lichte Cavalerie Brigade (van Merlen) en Zware Cavalerie Brigade (Trip) bleven in eskadronscolonnes staan op de oude plaats in het midden. Een eskadron van DR4 dat die ochtend eten was gaan halen (o.l.v. lnt De Bellefroid) kon bij terugkomst hun regiment niet meer vinden en sloot zich maar aan bij DR5.

Op deze kaart is het noorden onder en het zuiden boven. In oranje de ontplooiing van de Nederlandse cavalerie op 18 juni omstreeks 11.00 uur. 6 = RH6. Rood is Britse troepen van Wellington en in blauw de Franse troepen van Napoleon. Zwart is het Brunswijck contingent onder bevel van Wellington. De beweging van de brigade van Gigny naar het oosten is zichtbaar.

generaal Perponcher

Wellington had besloten om alle eenheden onder Brits bevel te zetten. De 3e divisie van Chassé kwam onder leiding van Hill, de 2edivisie van Perponcher kwam onder leiding van Picton en de Nederlandse cavalerie werd onder leiding van Uxbridge geplaatst. Deze bevelswisseling vlak voor het begin van de strijd gaf natuurlijk verwarring. Er waren meer problemen, want het terrein was ook niet echt geschikt voor cavaleriecharges. De regen had het terrein doorweekt en slipperig gemaakt. Ook de gewassen stonden hoog in juni, waardoor (hoewel hier en daar platgetrapt) kuilen en hindernissen slecht zichtbaar waren voor de paarden en hun ruiters. Een ander niet onbelangrijk nadeel was de te grote verspreiding van de geallieerde cavalerie op de gehele frontlinie. Hierdoor konden geen charges met grotere ruitereenheden worden uitgevoerd waardoor stootkracht verloren ging. Bovendien was het moeilijk gezamenlijke manoeuvres uit te voeren omdat veel commandanten elkaar niet kenden en de bevelslijnen bovendien gewijzigd waren. Aan Franse zijde was dit beter, doordat die in grotere eenheden geconcentreerd bleef en men meer gevechtservaring had. Een laatste nadeel was verschil in doctrinaire opvatting. Veel Nederlandse officieren hadden in Franse dienst gevochten en gewend aan eigen initiatief, terwijl de Britse doctrine een veel centralistischer bevelvoeringssysteem voorstond. Met andere woorden: alleen handelen in de opdracht van een hogere commandant.

De hoofdaanval op Wellingtons oostelijke flank zou worden ondersteund door een zogenaamde demonstratie van een Franse cavaleriedivisie op de uiterst westelijke flank en een misleidingsaanval op het zwaartepunt van Wellingtons verdediging: het chateau de Hougoumont. Deze demonstratie en de misleidingsaanval moesten om 11:20 uur beginnen. In het oostelijk gelegen zwaartepunt zou de Franse aanval plaatsvinden met een combinatie van cavalerie en infanterie. De hoofdaanval zou worden voorafgegaan door een inleidende artillerie beschieting. Deze beschieting werd, zoals wel vaker bij een Franse aanval, uitgevoerd door een grote batterij. Bij Waterloo telde deze grote batterij ongeveer 80 stukken en was opgesteld op ongeveer 600 meter vanaf de opstellingen van Wellington. Deze batterij was omstreeks 13:00 uur gereed om de inleidende beschieting te beginnen toen in het oosten onbekende troepen op het slagveld leken te arriveren. Verkenningen door de Franse lichte cavalerie wezen uit dat het de voorhoede was van het 4e Pruisische legerkorps onder luitenant-generaal Von Bülow. Deze voorhoede bevond zich ter hoogte van Chapelle – St Lambert, zo’n zeven kilometer naar het oosten. De rest van het Pruisische leger bevond zich nog rond Wavre, nog eens acht kilometer verder naar het oosten.  

Napoleon had nu twee mogelijkheden. Wellington alsnog aanvallen, in de hoop dat zijn verdediging zou zijn doorbroken voordat de Pruisen te hulp konden komen, of terug te trekken en door middel van manoeuvreren een volgende kans  te creëren om de geallieerden afzonderlijk te verslaan. Napoleon koos voor de eerste optie, omdat hij veronderstelde dat maarschalk Grouchy zijn orders juist had geïnterpreteerd en het gros van het Pruisische leger zou binden, zodat deze zich niet kon mengen in zijn slag met het Brits-Nederlandse leger.  Drie kwartier later dan de oorspronkelijke plannen, om 13.45 uur, werd de hoofdaanval ingezet door de Franse infanterie, ondersteund door zware cavalerie tegen de linkerflank van Wellington Het Corps van D’Erlon viel aan in vier colonnes. De divisie van Allix tegen de boerderij La Haye Sainte, de divisie van Donzelot en Marcognet tegen het midden van de linkerflank van de Britse stelling en de divisie van Durutte tegen La Haye, Frishermont en Papelotte. 

Toen het duidelijk werd dat de Franse infanterie aanval een serieuze dreiging werd, kreeg de Nederlandse cavaleriedivisie rond 14.00 uur bevel zich in zuidoostelijke richting te verplaatsen tot achter en ter versterking van de eigen infanterie eenheden. Generaal-majoor Trip sloot met zijn Zware Cavalerie Brigade de weg richting Brussel af. De 2e Lichte cavaleriebrigade onder bevel van generaal-majoor Van Merlen, met daarin het RH6 (onder commando van lkol Boreel) en DR5 onder commando van lkol De Merkx, nam ondersteunende posities in achter de al eerder naar het oosten verplaatste 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor Gigny. Deze stond intussen opgesteld achter de meest oostelijke infanteriebrigade. Gigny had zijn brigade namelijk iets naar het oosten verplaatst en zelfs de drie eskadron van DR4 min of meer in voorste linie geplaatst met RH8 erachter. Van Merlens brigade kwam nu feitelijk achter de Union Brigade van Ponsonby terecht ongeveer ter hoogte van de boerderij van Mont St. Jean. Tijdens de verplaatsing naar de nieuwe locatie had de brigade al enkele verliezen geleden door kanonschoten die door de voorste linies heen vlogen en over de top van de heuvel richochetteerden. Een officier van DR4 vertelt over het aanhoudende kanonvuur:  

Van Bylandt

Aanvankelijk had Franse de aanval succes. Onder de zware druk van de Franse artillerie en infanterie trok de Nederlandse infanteriebrigade Van Bylandt zich in ongeordende toestand terug. De Britse brigades waren inmiddels ook dusdanig fysiek verbroken dat ze niet langer weerstand konden bieden aan de Franse infanterie. Het Brits-Nederlandse centrum van de verdediging was bijna doorbroken, toen een tegenaanval van de Britse zware cavalerie onder leiding van de generaal Uxbridge werd uitgevoerd. De aanval werd uitgevoerd met twee cavalerie brigades (Union Brigade met 1st Royal Dragoons, the Scots Grey, 6th Inniskilling Dragoons en de Household Brigade met de 1st Life Guard, 2nd Life Guard, 1ste Dragoon Guards, Blues). De tegenaanval was slecht voorbereid en slecht gecoördineerd. Zo ontbrak bijvoorbeeld een tweede linie om initieel succes te kunnen uitbuiten. Weliswaar kon deze tegenaanval in eerste instantie de Franse infanterie terugslaan, maar door de slechte discipline bij de Britse cavaleristen werd de charge te ver doorgevoerd. Hierdoor kregen Franse lansiers (3e Chasseur á Cheval en 4e Lanciers) de kans de Britse cavalerie in de flank aan te vallen, wat tot een slachting leidde. 

Deze flankaanval werd vervolgens versterkt doordat de 5e en 10e Cuirassiers vanuit het Westen de vallei begonnen schoon te vegen. De Union Brigade verloor de helft van haar mannen en maar liefst tweederde van haar paarden. De restanten van de twee brigades waren feitelijk niet meer inzetbaar.

Dit fiasco van de tegenaanval door de Britse zware cavalerie vond onder meer zijn oorzaak in de autoritaire wijze van leidinggeven en de slechte bevelvoering van Wellington. In Wellingtons leger was het voor de Britten, in tegenstelling tot de Fransen, Pruisen en Nederlanders, uitgesloten dat er eigen initiatief werd ondernomen. Toen de Britse zware cavalerie onder Uxbridge vluchtte voor de Franse lansiers stonden twee Britse cavaleriecommandanten, Vandeleur en Vivian, met hun brigades werkeloos toe te kijken. Toen de Pruisische liaisonofficier hen vroeg waarom ze niets deden antwoorden zij:

Toen de liaisonofficier naderhand vol ongeloof dit incident aan Wellington meldde sprak deze: 

Hoe anders was dat bij de Nederlandse cavaleriedivisie onder bevel van luitenant-generaal J.A. baron De Collaert. 


Baron De Collaert had zijn brigadecommandanten, de generaal-majoors De Ghigny, Van Merlen en Trip de opdracht meegegeven zoveel mogelijk zelfstandig, naar bevind van zaken – zoals dat heet – te handelen en het initiatief te nemen. Wellington wenste niet alleen geen enkel eigen initiatief, hij was er ook de man niet naar om zijn ondercommandanten ook maar enigszins te informeren omtrent zijn plannen. 

Lord Uxbridge bijvoorbeeld, was naast de commandant van de cavalerie ook de plaatsvervanger van Wellington.

Toen Uxbridge aan de vooravond van de slag bij Waterloo aan Wellington liet vragen (Uxbridge wilde het niet zelf vragen omdat Wellington een hekel aan hem had) wat zijn plannen waren, antwoordde deze: 

Waarop de vragensteller antwoordde:

antwoordde Wellington, 

Gelukkig voor vele Britse cavaleristen hoefde de Nederlandse cavalerie zich niet te houden aan de onzinnige orders van Wellington en chargeerde de 1e Lichte Cavalerie Brigade (staande op de uiterste linker flank) op eigen initiatief op de Franse lansiers die zo’n slachting aanbrachten onder de Britten en redde daarmee vele levens. Ook de Franse infanterie die alhier de oorden La Haye en Smohain al aardig genaderd waren, waren doelwit van de chargerende Nederlandse cavalerie. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook het 12e Regiment Britse dragonders onder bevel van luitenant-kolonel Ponsonby zich ook op eigen initiatief in de mêlee stortte. Het eerste chargerende regiment was het Zuid-Nederlandse RH8 die de Franse infanterie aan de voet van de heuvel aanvielen. Deze werden op hun beurt weer aangevallen door de Franse 7e Huzaren en 3e Chasseurs á Cheval en de 3e en 4e Lanciers. De terugtocht van RH8 achter de Ohain-weg werd gedekt door de Congreve raketbatterij van Whinyates. Hier ging het nodig mis en enkele raketten kwamen neer tussen de rijen van RH8 met enkele doden en gewonden tot gevolg. Toen de Franse infanterie zich opnieuw trachtte te ordenen en voorwaarts te gaan, stortte het tweede regiment van de 1e Lichte Brigade, DR4 zich op de Fransen. Dragonder Fundter van DR4 vertelt hierover: 

Na de charge keerde DR4 terug achter de linies van het Schotse 92e Regiment, wat de heuvelrand bezet hield. Luitenant-kolonel Baron van Heerdt tot Eversberg behoorde tot de staf van de 1e Lichte Cavalerie Brigade en vertelt:  

Ritmeester van Pallandt bleef ondanks zijn verwondingen zijn eskadron aanvoeren, maar zou aan het van de dag door zijn meerdere verwondingen dood van zijn paard vallen.

Er zijn nog twee beschrijvingen van deze charge. De eerste is de chef staf van het Nederlandse leger, generaal de Constant Rebecque die in zijn dagboek schrijft: 

Het tweede verslag is van generaal Gigny zelf die in zijn gevechtsverslag schrijft: 

Hij vertelt verder over een poging om Franse infanterie aan te vallen: 

De 1e Lichte Cavalerie Brigade kreeg van Uxbridge opdracht om in positie te blijven en aldaar in positie staande batterijen artillerie te beschermen. Later zou de brigade weer naar de westzijde van de weg naar Charleroi worden verplaatst.

Ook de 2e Lichte Cavalerie Brigade nam deel aan deze fase van de strijd en dan met name door het verdrijven en krijgsgevangen nemen van de resterende Franse infanterie die zich in front van de geallieerde opstellingen probeerde te hergroeperen. Dit was in front van de onder druk staande infanterie brigade van Bijlandt. In tegenstelling tot de Britse cavaleristen hielden de Nederlandse regimenten, RH6 en DR5, tijdig halt in de vallei om zo de vluchtende Britse cavalerie de aftocht te dekken. Daarna en onder toenemend vijandelijk artillerievuur van de grote Franse batterij, trokken zij zich geordend terug. Een infanterist van de brigade van Bijlandt zag deze charge vertelt hierover:  

Een andere soldaat schreef in zijn dagboek: 

De door de Nederlandse cavalerie gemaakte Franse gevangenen werden door 400 infanteristen van de aangeslagen brigade van Bijlandt en Inniskilling Dragonders naar Brussel afgemarcheerd.

De Franse aanval op de linkerflank, de mislukte charges van de twee Britse cavaleriebrigades en de posities van de Nederlandse cavalerie tussen 13.00 en 15.00 uur. De drie afzonderlijke Nederlandse brigades zijn in oranje weergegeven. 6 = RH6

Met het praktisch verloren gaan van zijn zware Britse cavalerie in de aanvangsfase van de slag was Wellington zijn belangrijkste manoeuvremiddel kwijt om het initiatief te nemen in het gevecht. Weliswaar was de Engelse zware cavalerie het belangrijkste maar niet het enige middel. Er was nog altijd de Nederlandse cavalerie. In deze fase van de slag, nog veel meer dan aan het begin van de dag, kwam het nu aan op de Pruisen. Als die te laat kwamen, was alles verloren. Maar de Pruisen, met name de chef staf Gneisenau, hadden niet zoveel haast. Gneisenau was niet vergeten dat Wellington ondanks zijn belofte tot wederzijdse steun op16 juni de Pruisen bij Ligny niet te hulp was gekomen. Hij voelde er niets voor om weer door Wellington te worden gebruikt. Hij gaf de commandant van het 4e Pruisische legerkorps  dan ook expliciet de opdracht mee zich ervan te overtuigen dat ‘deze Brit’ zelf wel wilde vechten, voordat de Pruisen aan het gevecht gingen deelnemen.  

Bovendien was er ook nog een actueel meningsverschil tussen Wellington en Gneisenau over de richting van de Pruisische opmars. Wellington eiste dat de Pruisen over het oord Ohain marcheerden en zijn verdediging zouden versterken. Gneisenau besloot evenwel tot  een gedurfde tegenaanval op Napoleons oostelijke flank die zou worden uitgevoerd door het 4e Pruisische legerkorps via het dorp Plancenoit. Pas daarna zou het 1e Pruisische legerkorps de opstellingen van Wellington versterken. 

Ondertussen bleef Wellington geen aandacht schenken aan wat er in het centrum en op de oostelijke flank van de geallieerde verdediging gebeurde en hij was geobsedeerd door de verdediging van Hougoumont op zijn westelijke flank. Hij realiseerde zich niet dat de Fransen daar aanvankelijk slechts een demonstratie uitvoerden die later uitliep op een enigszins uit de hand gelopen, misleidingsaanval.  

August Neidhardt von Gneisenau

Door het afslaan van de eerste Franse aanval op de oostelijke flank van de Brits-Nederlandse verdediging trad een gevechtspauze in die de geallieerde commandanten gebruikten om het centrum van de verdediging te versterken. Napoleon benutte deze tijd om de nog steeds voortdurende misleidingsaanval op Hougoumont te ondersteunen met houwitsers en voorts door de grote batterij in zijn centrum te versterken. Het artillerievuur van deze batterij bracht zware verliezen toe aan Wellingtons centrum, waarop Wellington zijn eenheden liet terugvallen naar de achterhelling van zijn opstelling om hen zodoende meer bescherming te bieden tegen dit artillerievuur. 

De Franse maarschalk Ney zag deze achterwaartse beweging en interpreteerde die als het begin van een terugtocht. Hij meende een mogelijkheid te zien het centrum van Wellington definitief te doorbreken en zette het 4e cavaleriekorps met 3.100 ruiters in om dit doel te realiseren. Dit 4e  cavaleriekorps wordt spontaan gevolgd door de lichte cavaleriedivisie van de Franse Garde met nog eens bijna 2.500 ruiters . Het was nooit de bedoeling dat zo’n enorme hoeveelheid cavaleristen de charge zouden inzetten. In eerste instantie beveelt de maarschalk Ney slechts een zware cavalerie brigade om aan te vallen. Als de commandant van de zware cavaleriedivisie dat ziet rijdt hij naar  maarschalk Ney en vertelt hem dat die geen bevelsbevoegdheid heeft over de zware cavalerie. In de voorschriften stond dat als Napoleon zelf op het slagveld was, de zware cavaleriekorpsen onder direct bevel van de keizer stonden. Ney wordt daarop zo kwaad dat hij het hele cavaleriekorps opdraagt aan te vallen. Hierop rijdt de Franse cavaleriekorps commandant naar de commandant van de lichte cavalerie van de Franse Keizerlijke Garde en zegt: 

Michel Ney, Marshall of the French Empire, Duc of Elchingen, Prince of Moscow

Waarop ook deze elite cavaleristen aan de charge gaan deelnemen. Napoleon, die door zijn chef-staf, maarschalk Soult, werd geattendeerd op de eigenmachtig uitgevoerde cavalerieaanval, stelde vast dat deze aanval te vroeg in de slag werd uitgevoerd, maar hij gaf tegelijkertijd bevel deze aanval met alle cavaleriemiddelen te ondersteunen. Hierop werd ook het 3e Franse cavaleriekorps en de zware cavaleriedivisie van de Garde opgedragen aan de charges deel te nemen. In totaal namen 67 eskadrons geformeerd in 20 regimenten deel; ruim 11.200 ruiters!

werd geattendeerd op de eigenmachtig uitgevoerde cavalerieaanval, stelde vast dat deze aanval te vroeg in de slag werd uitgevoerd, maar hij gaf tegelijkertijd bevel deze aanval met alle cavaleriemiddelen te ondersteunen. Hierop werd ook het 3e Franse cavaleriekorps en de zware cavaleriedivisie van de Garde opgedragen aan de charges deel te nemen. In totaal namen 67 eskadrons geformeerd in 20 regimenten deel; ruim 11.200 ruiters!Bij het zien van de voorbereiding voor deze charge verplaatste de generaal-majoor Trip zijn Nederlandse Zware Cavalerie Brigade terug vanaf de positie langs de verharde weg naar Charleroi naar zijn oude positie. Maar wel meer voorwaarts tot vlak achter de infanterie eenheden die zich in zogenoemde carrés opmaakten voor de naderende Franse cavalerie aanval.  De twee lichte cavalerie brigades volgden ook, staken de verharde weg in galop naar het westen over en namen iets verder achter de zware cavalerie posities in. De brigade Van Merlen stond links achter de brigade van Trip , terwijl de brigade van Gigny zich rechts achter positioneerde. De Nederlandse cavalerie stond nu tussen de Engelse cavalerie. Allen stonden ze gedekt achter de heuveltop. Doordat door de eerste charge er geen zware Engelse cavalerie meer over was, vormde de Zware Cavalerie Brigade van Trip de enige zware cavalerie reserve. Op twee na waren nu alle geallieerde cavalerie regimenten in het midden (west van de verharde weg) opgesteld. Ongeveer 7000 ruiters, waarvan ongeveer 40% Nederlands en Belgisch. Generaal Trip in zijn gevechtsverslag:

De bestorming van La Haye Sainte

De Franse aanval was compact met meer dan 5000 ruiters. Voorop reden de kurassiers met op de flanken geëchelonneerd naar achteren lansiers en jagers te paard. De voorste rij was 500 ruiters in linie. Heuvelop nam het tempo was af door de modderige bodem. Tussen de boerderijen La Haye Sainte en Hougemont was er minder ruimte en moesten de rijen ruiters indikken. Het was rond 16.00 uur toen de eerste aanvalsgolf van de Franse cavalerie de geallieerde artilleriebatterijen en infanteriecarrés overspoelde onder het continue schreeuwen van “Vive L’Empereur!” De Franse Cavalerie lukte het om de eerste linie artillerie batterijen neer te rijden en  versnelde op de heuveltop tot een galop. Een Engelse artillerist schrijft: 

Het lukte de Franse kurassiers niet om de in meerdere linies opgestelde en elkaar steunden Engelse infanterieblokken  te doorbreken. Daarop besluit generaal Trip de Nederlandse Zware Cavalerie Brigade in te zetten en die viel aan op het 7e en 12e Franse kurassiersregiment (onder leiding van majoor generaal Travers). Hij zet aanvankelijk eerst het Regiment Caribiniers No1 (RC1) in en houdt het Regiment Caribiniers No2 (RC2 in reserve. Gevechtsverslag van generaal Trip: 

 

RC1 ging voorwaarts in stap en later in draf om verband te kunnen houden en relatief uitgerust de charge te kunnen inzetten. De Fransen paarden daarentegen waren al uitgeput van de draf heuvelopwaarts en de modderige grond. Ook hadden de Franse kurassiers niet veel bewegingsruimte door de compacte masse ruiters. De laatste 100 meter van de charge van RC1 werd in vol galop uitgevoerd. Na een heftig treffen trokken de Franse kurassiers zich in wanorde terug. Een ooggetuige van de Nassau brigade schrijft: 

De Franse linker vleugel trok zich terug, later gevolgd door de rechtervleugel, naar de valleilaagte ongeveer ter hoogte van de boerderij La Haye Sainte. Sommigen van beiden zijden kenden elkaar. Het Franse 12e Regiment Cuirassiers bestond namelijk uit restanten van het vroegere 14e Regiment Cuirassiers, wat een regiment was geweest onder de leiding van generaal Trip. De Franse generaal Travers had bijvoorbeeld een Regiment Grenadiers te Paard gecommandeerd in de Koninklijke Garde van het Koningrijk Holland. En generaal Trip had als luitenant-kolonel onder Travers gediend. Twee eskadrons van RC2 volgden de charge van RC1. RC3 werd achtergehouden. Luitenant Morbotter van RC3: 

Maar veel tijd hebben de Nederlandse regimenten niet om te hergroeperen, want een nieuwe golf van Franse cavalerie bestormt het plateau. Luitenant Morbotter weer: 

Huzaar Wouter van Schalkwijk die in RC1 diende schrijft later: 

The defence of Hougoumont at Waterloo, 1815

 Inderdaad was de commandant van RC1, lkol Coengracht door een kanonskogel gedood en kwam ook zijn plaatsvervanger majoor Bisdom om het leven. Het bevel werd overgenomen door ritmeester Heshusius. De nieuwe golf Franse ruiters kwam van de linkerflank en bestond uit de kurassier brigades van Dubois en Farine (1e, 4e, 5e en 10e Regiment Cuirassiers), ondersteund door de Chasseurs á Cheval en Lansiers van het Corps Lefebre-Desnoëttes. Ook op deze Franse ruiters wordt door de haastig gehergroepeerde Nederlanders gechargeerd, terwijl ook Engelse cavalerie (dragonders o.l.v. Dornberg) chargeerden. Deze Nederlandse charge werd uitgevoerd door RC2 met het volgende RC3 in reserve. Tijdens deze gevechten hanteerden beide partijen rechte sabels (de zogenaamde ‘pallasch’). Dit resulteerde in typische steekwonden, waardoor het aantal doden en gewonden tijdens dit gevecht relatief hoog was. Door zijn enthousiasme meegesleept galoppeerde ook de Prins van Oranje naar het front van RC2, terwijl hij in het Frans riep: 

De Franse kurassiers werden niet alleen teruggeslagen maar tot ver in de vallei achtervolgd. Maar ook nu weer wisten de Nederlandse cavaleristen hun discipline te handhaven en trokken zij zich tijdig en geordend terug naar hun uitgangsstelling. Zelfs Wellington kon er niet omheen dat de Nederlandse cavalerie zijn mannetje had gestaan en vermeldde in zijn eerste verslag – zogenoemde ‘despatches’ –  dat de generaal-majoor Trip, die samen met de divisiecommandant, luitenant-generaal baron De Collaert, de charge aanvoerde: ‘conducted himself much to my satisfaction’.  Generaal-majoor de Constant Rebecque schrijft in zijn rapport: 

Tegenaanval van de Franse cavalerie op de Britse troepen, slag om Waterloo, 1815

Maar de beproeving was nog niet voorbij. De Franse cavalerie had zich weliswaar teruggetrokken naar de voet van de vallei, maar niet verder. Maarschalk Ney besloot een nieuwe poging te wagen. Hij bracht het 3e Corps van Kellerman naar voren, bestaande uit 7 eskadrons kurassiers, 7 eskadrons dragonders en 6 eskadrons carabiniers. Hierbij liet hij de Divisie Zware Cavalerie van Guyot aansluiten, bestaande uit 6 eskadron Grenadier te Paard, en 7 eskadrons Dragonders. Samen met de restanten van de eerste aanval werden er nu 76 eskadrons met 10.000 ruiters gereed gesteld. Allemaal in een relatief klein gebied met feitelijk maar front ruimte voor 8 eskadrons tegelijk. Rond 17.00 uur mengde deze tweede golf Franse zware cavalerie zich in de strijd en voerden de geallieerde infanterie en cavalerie een fel verdedigend gevecht tegen deze enorme massa aan cavaleristen. De Fransen vielen in eskadronscolonnes aan vanwege het gebrek aan ruimte. Ze vielen nu meer naar het westen aan, dichter bij de boerderij Hougoumont, waar Engelse infanterie nog altijd stand hield. Geallieerde artillerie op de heuvelrug beet stevig van zich af en veegde groepen Franse ruiters van hun paard. Hele banen werden weggevaagd, maar de Franse cavalerie bleef voorwaarts bewegen. Ook de geallieerde infanterie schoot vele Franse ruiters van hun paard, die de Engelse infanterieblokken omspoelde. Britse cavalerie voerde tegenaanvallen uit, waarbij het gebrek aan manoeuvreruimte een grote hinder was. Een Schotse infanterist: 

The Battle of Waterloo, 16-19 June 1815, the Defeat of Kellerman’s Cuirassiers; Williamson Art Gallery & Museum

De Britse infanteriedivisie werd hierbij bijna weggevaagd, maar gelukkig is de Nederlandse generaal Chassé met zijn infanteriedivisie vanuit het gehucht Braine l’Alleud op eigen initiatief naar het centrum van de slag getrokken. Hij wist het dreigende gat in de verdediging net op tijd te dichten. 

Het lokale museum met een diorama van het beeld van de slag bij Braine l’Alleud

De 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor De Ghigny (RH8 en DR4) nam geen deel aan de tegenaanvallen op de eerste aanvalsgolven van de Franse kurassiers, maar in hun positie op het westelijk deel van het slagveld hadden ze ook te lijden onder Frans artillerievuur. Dragonder J.C. Fundter van RD4 schrijft: 

Ze zagen de strijd ook rechts ook gebeuren. J.B. Christemeijer van DR4 schrijft: 

Dat de lichte brigades niet van meet af aan werden ingezet was begrijpelijk. De huzaren en lichte dragonders zouden bij een directe confrontatie met de kurassiers, met hun langere rechte zwaarden, geen partij zijn geweest. Bij de tweede aanvalsgolf kreeg de Brigade van De Gigny persoonlijk van de Prins van Oranje toch opdracht te chargeren op de Franse zware cavalerie die op het punt stond de geallieerde linie te doorbreken. Er was op dat moment geen andere cavalerie eenheid voorhanden. Alleen het Engelse 7e Regiment Huzaren (o.l.v. Colquhoun Grant) was nog beschikbaar, die deelname aan de charge van de 1e Lichte Brigade. In eerste instantie had de charge van de Lichte Brigade succes, maar na enige tijd werden de huzaren en dragonders teruggedreven. Dragonder F.C. Fundter van RD4 vertelt: 

kolonel Ignace Louis Duvivier

Daarop kregen ze van de Prins van Oranje nog een keer de opdracht te chargeren. Deze tweede charge was gericht tegen ‘reuzen’ van het slagveld, de ‘Grenadiers à Cheval de la Garde impériale’, en was gedoemd te mislukken. Maar wederom zagen de Nederlandse huzaren kans om na te hebben gechargeerd zich terug te trekken en dit ondanks de moeilijke terrein- omstandigheden, het aanhoudend artillerievuur en de dreiging van de ‘Grenadiers à Cheval’. Deze tweede charge werd uitgevoerd met RH8 voorop. De paarden van kolonel Duvivier en generaal De Gigny werden gedood en majoor de Viliers werd dodelijk gewond. De Gigny gaf bij de terugtrekking RH8 opdracht zich achter RD4 te formeren, maar dit lukt niet. Dit vanwege het feit dat de opdracht in het Nederlands werd gegeven terwijl RH8 van Belgische afkomst was. In plaats van links om de dragonders heen te rijden, galoppeerden de huzaren dwars door de rijen van DR4 naar achteren. Ook dit regiment werd hierdoor in verwarring gebracht, terwijl de Franse cavalerie hiervan gebruik probeerde te maken. Ritmeester Koltrop van RD4 zag dit, greep twee pelotons bij elkaar en voerde een tegencharge uit, waarachter de rest van het regiment zich opnieuw kon formeren. Hierbij werd hij geassisteerd door één van de twee pelotonscommandanten, luitenant van Guericke. Beide officieren kregen hiervoor later een Militaire Willems Orde.

RH8 had echter van al die gevechten op deze dag intussen 8 officieren en 277 mannen dood of gewond verloren en dat vanuit een oorspronkelijke sterkte van 400 ruiters. De regimentssterkte was hierdoor feitelijk teruggebracht tot één eskadron. Ook DR4 had de doden en gewonden, waaronder de regimentscommandant lkol Renno die gewond was geraakt aan zijn been en zijn paard had verloren. Het commando over DR4 ging over naar majoor von Staedel. Een veteraan van RD4 vertelt over de zware gevechten: 

Ondertussen lag de 2e Lichte Cavalerie Brigade, met daarin RH6 en RD5, ook onder zwaar Frans artillerievuur. De brigade werd pas bij de tweede Franse aanvalsgolf ingezet om de Nederlandse zware cavalerie te dekken. Bij deze charges kwam de brigade in gevechtscontact met de lichte cavalerie van de Franse Garde (behorende tot het Corps van Lefebre-Desnoëttes). Hiertoe behoorde ook het 2e regiment Chaveau-léger Lanciers (de zogenaamde ‘Rode Lansiers’) waartoe voorheen een aantal Belgische dragonder van RD5 hadden behoord en waarvan Van Merlen zelf voorheen in 1813 regimentscommandant was geweest. In totaal chargeerden de huzaren van Boreel (RH6) samen met het regiment dragonders nummer 5 (RD5 nu o.l.v. majoor de Looz Corswarem) vier keer op diverse Franse eenheden. Hierbij werden ze ondersteund door Hannoveriaanse en Engelse cavalerie van Arentschildt en Dörnberg. 

Eén van de laatste charges was ten westen van de boerderij La Haye Sainte gericht op het 1e Regiment Cuirassiers van Brigade van generaal Dubois, met als doelstelling de druk La Haye Sainte ter verlichten.

Hierbij vormde RH6 de voorhoede , gevolgd door RD5 in reserve. De charge van RH6 werd uitgevoerd met de eskadrons in linie achter elkaar. Ritmeester Willem van Umbgrove was commandant van het achterste 4e eskadron en draaide met zijn eskadron weg om de Franse kurassiers in de flank en rug aan te vallen. Dit lukte en hij reed triomfantelijk terug naar lkol Boreel, die hem echter woedend beschuldigde de rug van het regiment ongedekt te laten. Van Umbgrove beet van zich af door te zeggen: 

Ritm. Willem Arnold Alting Umbgrove

Opnieuw waren familieleden aan weerszijden. Een zoon van de Franse generaal Dubois was luitenant in het regiment Lichte Dragonder No.5 in Van Merlens brigade. Generaal-majoor Van Merlen bevond zich zelf af en toe ook in het mêlee. Hij zag hierbij generaal Dubois persoonlijk, maar de beide mannen vielen elkaar niet aan. Van Merlen groette de generaal en zei in het Frans: 

Tijdens die gevechten sneuvelde  generaal-majoor Van Merlen echter. Na een charge met RH6 en RD5 op Franse tirailleurs iets oost van de boerderij La Haye Sainte stapte Van Merle van zijn paard en werd dodelijk getroffen door een kanonskogel. Zijn Aide-du-Camp, ritmeester Bellefroid sprong van zijn paard om hem te helpen en hielp hem van het slagveld, waarbij een huzaar van RH6 en een dragonder van RD5 hem droegen. Ze drogen hem naar Mont St.Jean waar de medische hulppost was. Hier probeerde de arts Rodi hem te redden: 

De generaal knikte bevestigd.

Volgens ritmeester adjudant van Doren waren zijn laatste woorden: 

gesneuveld bij Waterloo

Het bevel over de brigade werd overgenomen door de luitenant-kolonel Boreel. RH6 had overigens intussen al zware verliezen geleden. Majoor de Jacoby kreeg een sabelhouw over zijn hoofd en gezicht (eerder al bij Quatre Bras). 1eLuitenant Zwanebeek Pauw had ook een sabelhouw op het hoofd gekregen (bij Quatre Bras) en een kogel in zijn rechterarm. 1e Luitenant Deebets (Waterloo) een kogel in zijn linkervoet. 2e Luitenant Rendorp (bij Quatre Bras) had zelfs een sabelwond in beide armen. Gedood waren de ritmeester Willem van Wijnbergen (Waterloo), ritmeester Maurits van Heijden (Waterloo), luitenant Willem Verhellouw (Waterloo), luitenant Willem Wolf (Quatre Bras) en kornet (jonker) Cornelis Breda (Waterloo). 

De 2e Lichte Brigade trok zich onder leiding van lkol Boreel weer terug achter de heuvelrand ter hoogte van de boerderij Mont St. Jean. Ook hier waren ze niet veilig voor kanonsvuur omdat de Franse artillerie intussen hoger was gaan richten om over de eigen Franse cavalerie te kunnen vuren. Lkol Tomkinson van het Engelse 16e Regiment Light Dragoons vertelt over RH6: 

Lkol Boreel galoppeerde hierna naar de divisie commandant luitenant-generaal Collaert en vroeg toestemming om naar een veiliger locatie te mogen gaan met zijn brigade. Collaert gaf bevel aan Boreel om positie te kiezen vlak bij de Zware Cavalerie Brigade, toen hij getroffen werd door een granaatscherf in zijn voet. Hij verliet het slagveld en gaf het bevel over aan generaal-majoor Trip. Kolonel de Bruyn van het RC2 nam het bevel over de Zware Cavalerie Brigade over. 

De Franse cavalerie aanval op de rechterflank in de vroege avond (16.00 – 19.00) met geallieerde infanterieblokken  en cavalerie tegenaanvallen. 

Het effect van de massale, tot vier maal toe herhaalde Franse cavalerie-aanval was groot. De Brits-Nederlandse infanterie  had  zware verliezen geleden en was uitgeput. Ook de Brits-Nederlandse cavalerie en het merendeel van de artillerie was grotendeels buiten gevecht gesteld. Het uiteindelijke doel van de Franse cavalerieaanval werd evenwel niet gerealiseerd: de geallieerde verdediging werd niet doorbroken omdat de Franse aanval onvoldoende door infanterie werd ondersteund.

Om die doelstelling alsnog te bereiken werd opnieuw, dit maal met vooral infanterie, wederom het centrum aangevallen. Gedurende de Franse cavalerie-aanval hadden Franse tirailleurs kans gezien de boerderij La Haye Sainte te omsingelen. Een Britse poging om de belegerden te ontzetten liep uit op het afslachten van twee bataljons van het zogenoemde ‘Kings German Legion’. Omstreeks 18.00 uur moest de boerderij onder zware verliezen worden prijsgegeven. Rond deze boerderij lanceren de Fransen vervolgens hun tweede aanval op het centrum van de geallieerde verdediging. Ze slaagden er zelfs in een zandkuil en een kleine verhoging te veroveren in de buurt van de verharde weg, noord van de boerderij La Haye Sainte. Generaal Trip verzamelde opnieuw zijn ruiters voor een tegencharge. Generaal Uxbridge leidde in persoon deze aanval maar toen hij omkeek volgende niemand hem. Dit had vermoedelijk te maken dat Generaal Trip conform gebruik langzaam de aanval in stap inzette en goed de formatie hield, terwijl de Engelse cavalerie gewend was woest(er) op de vijand af te stormen met als gevolgd dat de formatie en samenhang verloren ging door de vele hindernis op het slagveld vanwege de dode paarden, ruiters, kanonnen en infanterieblokken. Uxbridge was hevig verontwaardigd en vergaf Trip dit nooit meer. Twintig jaar later schreef hij: 

Dit tegenaanval van de zware Nederlandse cavalerie had minder succes met deze nieuwe aanval, vanwege de al geleden verliezen en algehele vermoeidheid. De tegenaanval werd ingezet van RC1 en RC3 in eskadron colonne, maar liep min of meer vast. Lkol Lechleiter van RC3 werd zwaar gewond door een granaat die de gehele linkerkant van zijn rechterdijbeen wegvaagde. Hij stierf later in Brussel door het bloedverlies. Majoor de Galliéres nam het bevel over en werd tegelijkertijd door zijn hoofddeksel geschoten. Ritmeester Jonquières had twee paarden onder zich vandaan zien schieten, maar een nog zwaarder lot trof hem. Zijn twee zonen overleefden de strijd niet. Eén sneuvelde binnen het 7e bataljon Nationale Militie en één binnen zijn eigen RC3. Die laatste stierf na de slag in Brussel en was slechts 17 jaar. RC2 verloor maar liefst één derde van haar sterkte en kreeg na de slag maar liefst 27 Militaire Willems Orde uitgereikt.

Voordat de Fransen hun volgende aanval konden lanceren, trad voor de tweede keer die dag een korte gevechtspauze op. Wellington maakte hiervan gebruik door eenheden van zijn flanken te verplaatsen naar zijn centrum. Eén van deze eenheden was de Nederlandse 3e infanteriedivisie onder bevel van de Nederlandse luitenant-generaal Chassé, die eerder al op eigen beweging was opgerukt naar de frontlinie op de rechtervleugel. Boreel probeerde intussen het laatste bevel van Collaert uit te voeren en zich met zijn 2e Lichte Cavalerie brigade te positioneren bij de Zware Cavalerie Brigade. Dit lukt nauwelijks, ondermeer doordat deze brigade op dat moment enkele charges uitvoerde en dus niet op de aangewezen positie bevond. RH6 sloot zich aan bij nabij staande Engelse dragonders (Brigade Vandeleur), terwijl het later arriverende RD5 zich bij de 1e Lichte Brigade van De Gigny aansloot. De 2e Lichte Cavalerie Brigade verloor hierdoor haar samenhang.

Aan Franse zijde scheen het succes voor het grijpen te liggen. De geallieerde artillerie batterijen waren overlopen en de geallieerde infanterie op de heuvelrug leek ondergedompeld in golven van Franse ruiters. Bovendien waren enkele veroverde Engelse vaandels naar Napoleon gebracht. Inderdaad hadden enkele minder ervaren Hannoveriaanse en Nederlandse eenheden hun posities verlaten en waren naar achteren gevlucht. De weg naar Brussel zat verstopt met terugtrekkende en vluchtende mannen, paarden en wagens. Ook de rijen Nederlandse ruiters waren intussen behoorlijk uitgedund. Majoor van Gorkum van de staf van generaal de Constant Rebecque rapporteert: 

Napoleon gaf rond 19.00 uur zijn Garde het bevel om de aanval op Wellingtons verdediging in te zetten. Napoleon stelde daarvoor vijf Gardebataljons met elk circa 600 man onder bevel van maarschalk Ney, die de eenheden persoonlijk voorging in de aanval. Tijdens deze nieuwe dreigende Franse gereedstelling werd de Prins van Oranje gewond door een musketkogel toen hij met de officieren van de 1e Lichte Brigade Cavalerie van De Gigny sprak. Hij werd afgevoerd naar achteren. 

Merkwaardig genoeg viel maarschalk Ney niet aan op het uiteengeslagen centrum, maar op het nog redelijk intacte westelijke deel van de geallieerde verdediging. Het eerste Gardebataljon viel net iets west van de boerderij La Haye Sainte aan en verdreef de laatste Britten uit hun opstellingen, maar werd vervolgens onder flankerend vuur genomen door de batterij van de Nederlandse kapitein Krahmer en in de westflank aangegrepen door de 1e infanterie brigade van de divisie Chassé onder bevel van kolonel Detmers terwijl RH6 dekking aan de batterij Krahmer de Bichin gaf om hen te beschermen tegen vijandelijke cavalerieaanvallen. Gesteund hierdoor ging de infanterie van kolonel Detmers, even later gevolgd door Engelse en Hannoveriaanse infanterie eenheden. Door deze uitmuntende samenwerking tussen de huzaren van Boreel, de rijdende artillerie en de infanterie moest dit eerste Franse gardebataljon na zware verliezen de voortzetting van de aanval staken. Nog drie Gardebataljons vielen het centrum iets westelijker aan, maar werden tot staan gebracht door de 1e Britse brigade, die op zijn beurt weer werd teruggedreven door het vijfde en laatste Franse Garde bataljon. Toen dit vijfde bataljon omstreeks 20.10 uur door een aanval in de flank door de 3e Britse brigade werd teruggedreven ging een algemene golf van ontzetting door de Franse gelederen. Dit was nog nooit voorgekomen. De Franse Garde bleek niet in staat om het in al zijn voegen krakende centrum van Wellingtons verdediging de genadeklap toe te brengen. ‘Sauve qui peut’, redde wie zich redden kan, klonk op uit het Franse linies en de daad bij het woord voegende, brokkelden langzaam de Franse eenheden af. Alleen de Garde hield nog stand. En hoewel de Franse generaal Cambronne nimmer de woorden sprak: “La Garde meurt et ne ce rend pas” (de Garde sterft, maar geeft zich niet over), kwam het daar wel op neer.  

19.00 – 21.00 De laatste fase van de slag. Nederlandse en Engelse cavalerie achtervolgt de verslagen Franse Keizerlijke Garde. 

Uxbridge die de gehele geallieerde cavalerie commandeerde had intussen ook door een kanonskogel een been verloren door één van de laatste Franse kanonskogels van die dag. Op dat moment vocht de 1e Lichte Cavalerie Brigade van De Ghigny samen met de Britse lichte cavalerie brigades van Vandeleur en Vivian op de oostvleugel van het slagveld nog volop tegen de Franse infanterie en lichte cavalerie die de versterkte posities bij Papelotte en La Haye Sainte al hadden veroverd en dreigden door de verdediging te breken. Maar ook die Franse aanval mislukte uiteindelijk en de Franse eenheden trokken zich in wanorde terug. Niet lang daarna zette Vivian met zijn cavaleriebrigade de achtervolging in op de vluchtende Fransen. Maar zelfs bij deze achtervolging slaagden de Britten er niet in de discipline te handhaven en waren al ter hoogte van de boerderij ‘La Belle Alliance’ dusdanig verspreid dat ze de achtervolging moesten staken. Ook deze keer brachten de Nederlandse cavaleristen van Trip en De Ghigny uitkomst die, tezamen met de Brunswijkse huzaren en de restanten van de Britse zware cavalerie, de achtervolging  georganiseerd voortzette tot aan het dorp Genappe. Ook de 2e Lichte Brigade onder leiding van de luitenant-kolonel Boreel nam aan deze actie deel. Onder de uitroep van de luitenant-kolonel Boreel “voorwaarts mijne brave Huzaren”, volgde het regiment RH6 de Britse dragonders van generaal Vandeleur op de westelijk flank tegen de nog steeds weerstand biedende Franse infanterie. Zij zetten deze achtervolging voort tot aan het dorp Rossomme circa 38 kilometer zuid van het slagveld, waar de (vanuit het oosten gearriveerde) Pruisen het overnamen. Lkol Boreel: 

Generaal Trip zag inderdaad RH6 bij zich arriveren nadat hij eerder mijn twee andere brigades de Engelsen was gevolgd naar Genappe: 

Het slagveld lag bezaaid met doden, gewonden, paarden, kanonnen en uitrusting. De hulpeloze op grond liggende gewonde opperwachtmeester Heuvingh van RD4 schreef: 

Uiteindelijk kun je niet zeggen dat er één oorzaak is aan te wijzen waardoor  de slag bij Waterloo eindigde in een geallieerde overwinning. Vele factoren van invloed speelden een rol. Wel kun je zeggen dat Wellington de slag zou hebben verloren als de Pruisen niet te hulp waren gekomen. Dat de Pruisen te hulp kwamen en juist de wijze waarop, te weten een aanval op de Franse oostelijke flank, is van doorslaggevende betekenis geweest. De Nederlandse bijdrage gedurende de gehele slag maakte ook het verschil. Op cruciale momenten waren slechts zij het die op de bres stonden. Toen de gehele zware Britse cavalerie was uitgeschakeld was het de Nederlandse zware cavalerie die, toen het erop aankwam, tegen het einde van de slag chargeerden op de Franse cavalerie. Deze charge werd ondersteund door de beide lichte brigades, waaronder het Regiment Huzaren No.6. Dit regiment heeft zich gedurende de gehele slag op meer dan verdienstelijke wijze onderscheiden en heeft  zelfs niet geaarzeld om de zware vijandelijke cavalerie aan te vallen toen hen dat werd opgedragen. Maar de eer komt niet alleen toe aan de Nederlandse cavalerie maar evenzeer aan de Nederlandse infanterie en artillerie. Door de moed, volharding, trouw, inzet en opofferingsgezindheid van éénieder en het eigen initiatief van de Nederlandse eenheden hebben zij in belangrijke mate bijgedragen aan de overwinning. 

Met name het eigen initiatief van De lichte cavalerie, waaronder, 6e Regiment Huzaren, onderscheidde zich bij de desastreus verlopen charge van de Britse zware cavalerie, door eigen initiatief en zelfstandig handelen. Datzelfde gold voor de luitenant-generaal Chassé die met zijn infanteriedivisie op eigen initiatief naar het centrum was gemarcheerd. Hij gaf ook tijdig bevel aan de artilleriebatterij van kapitein Krahmer in stelling te komen tegen de Franse garde. En hij was het ook die zijn infanteriedivisie op een cruciaal moment opdroeg de Franse garde aan te vallen. Lof voor de soldaten, huzaren en artilleristen in alle rangen en standen.  Aan het einde van de dag telde de trotse Nederlandse cavaleriedivisie 203 gesneuvelden, 631 gewonden en 456 vermisten. 40% van de sterkte waarmee ze de dag begon. Een aanzienlijk percentage. Zeker als je het vergelijkt met de Nederlandse infanterie die die dag 22% aan gesneuvelden, gewonden en vermisten te betreuren had. Het 6 Regiment Huzaren had 12 doden, 70 gewonden, 132 vermisten en 302 dode en gewonde paarden te betreuren.

In totaal namen zo’n 188.600  militairen deel aan de slag bij Waterloo. Hiervan sneuvelden er 10.813 en raakten er 35.295 gewond en bedroeg het aantal vermisten 11.714. Dit komt neer op 30% gevechtsverliezen.  Aan alle gevechten van Ligny, Quatre Bras, Wavre en Waterloo namen in totaal circa 300.000 militairen deel en hierbij telden de gevechtsverliezen 89.000 man waaronder 23.700 gesneuvelden en 65.300 gewonden. Luitenant Gerlacus Buma schrijft aan zijn ouders: 

De slag was weliswaar gewonnen, maar de oorlog was nog niet afgelopen. De terugtrekkende Franse moesten worden achtervolgd. De vermoeide Engelsen en Fransen lieten dit over het algemeen aanvankelijk over aan de (frissere) Pruisen. Generaal Trip: 

Als deel van de Nederlandse bijdrage daarin werd het RH6  ingezet bij de verdere veldtocht op Frankrijk. Dat waren barre tijden. De logistiek was niet goed geregeld en de bewoners van het Franse platteland toonden zich zeer vijandig. Bovendien was dat platteland al leeg geroofd door de terugtrekkende Franse troepen. De Nederlandse Cavalerie Divisie was intussen opgeheven. De regimenten waren in twee afzonderlijke brigade geformeerd die elk bij een geallieerde Corps werden gehecht. RH6 hoorde, samen met de drie regimenten carabiniers tot het 1e Corps. RH6 passeerde op 21 juni de Franse grens en nam ondermeer deel aan de belegering van Péronne op 26 juni. Op 30 juni trok RH6 over de rivier de Oise. Via Senlis en Le Bourget bereikte RH6 Aubervilliers ten oosten van Parijs. Vaak was er onvoldoende te eten voor de dieren en de huzaren. Sommige infanteristen vielen dood neer van de honger. Luitenant Warin van RC3: 

Luitenant Gerlacus Buma van RH6, die ondermeer een bezoek bracht aan Parijs schrijft: 

De luitenant die altijd om geld verlegen zat (hij schreef regelmatig brieven aan zijn ouders met verzoek om het sturen van geld) was het niet eens met het Engelse verbod op plunderen: 

Op 7 juli werd het 1e Corps, met hierin RH6, verplaatst naar het Bois de Boulogne. Op 9 juli schrijft luitenant Gerlacus Buma weer aan zijn ouders: 

Na 17 juli werden de Nederlands-Belgische troepen in de omgeving van Montmorency gelegerd. Het bevoorradingssysteem kwam weer op gang waardoor de plunderingen stopten. Vanuit Nederland kwamen wel aanvullingen en RH6 kreeg vanuit het depot in Leiden 6 officieren en 102 manschappen. Ook de uitrusting werd vervangen en aangevuld.

24 juli werd in Parijs nog een grote parade voor de tsaar van Rusland gehouden, waaraan RH6 deelnam. Op 30 juli had voor het front van het aangetreden Nederlandse leger, in tegenwoordigheid van de herstelde Prins van Oranje, de uitreiking van de onderscheidingen plaats. In de verdere loop van de zomer werd RH6 gekantonneerd in St. Ouen. Op 1 december begon de terugmars naar Nederland waar men op 27 december triomfantelijk in Haarlem werd ingehaald.  

Het was een bittere pil voor de troepen en ondercommandanten dat Wellington die ondercommandanten die het verschil maakten tijdens de slag niet op waarde wilde schatten. Hij bekritiseerde ze zelfs wanneer hij maar kon, ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Bijna eenieder die een cruciale rol speelde in de slag kreeg van hem een trap na in zijn officiële verslag. De doorslaggevende bijdrage van de Pruisen noemt hij niet in zijn verslag, Maarschalk Blücher schildert hij af als een simpele, ongeletterde ziel. Lord Hill, een Britse legerkorpscommandant, zou niet in staat zijn een onafhankelijk commando te voeren. Niet Lord Uxbridge maar Wellington zelf gaf opdracht voor de doorslaggevende charge van de Britse zware cavalerie . Met name generaal Chassé stoorde zich in hoge mate aan het niet noemen van de 3eNederlandse infanteriedivisie. Zijn bezwaar vond gehoor bij zijn directe commandant, Lord Hill, maar ook die kreeg het niet voor elkaar dat Wellington deze bewuste verdraaiing van de feiten herstelde. Wellington durft zelfs op enig moment te stellen: 

en zijn troepen noemde hij denigrerend 

In eigen land was er wel waardering voor het optreden van de Nederlandse troepen. Naar aanleiding van de veldtocht van 1815 werd bij het Koninklijk Besluit 8 juli 1815 door de koning een groot aantal dapperheidsonderscheidingen, de militaire Willemsorde, toegekend, te weten 6 ridders grootkruis, 6 commandeurs, 27 ridders 3e klasse en 107 ridders 4eklasse, 146 in totaal. 

Bij RH6 werden 21 Willemsordes  uitgereikt. Luitenant-kolonel Willem François Boreel werd zelfs benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde 3e klasse. Daarnaast ontvingen 10 officieren, 4 opperwachtmeesters, 2 foeriers, 3 korporaals en 1 trompetter een MWO 4e klasse. Dit waren maj (intussen tot lkol bevorderd) De Jacoby, maj van de Poll, maj van Balveren, ritm van Reede van Oudshoorn, ritm Baron van Tuyl van Serooskerken, lnt Rentrop, lnt Bronkhorst, lnt Deebets, lnt Chevalier, owi Zeegers, owi Halfsmidt, owi van Merrebach, owi Heijnen, wmr Mensink, wmr Tournie, huz/korp Bos, huz/korp van den Veen, huz/korp Hollekamp en trompetter Pitz. Later werd nog een groot aantal onderscheidingen toegekend. Het totaal kwam daarmee op 1004 grootkruizen, waarvan meer dan de helft werd toegekend aan onderofficieren en manschappen. De vorst onderstreepte daarmee dat dapperheid niet is gebonden aan rang of stand.

  1. Een oude onderofficier van RH6, wachtmeester Lebbeling, at sindsdien elk jaar op 18 juni uitsluitend rauw vlees en beschuit, wat dat was het enige wat hij die bewust dag had gehad. ↩︎
  2. Baron van Tuijll-van Serooskerken, De lichtblaauwe Hussaren van Boreel, 1868 ↩︎
error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!